Twitter: @dickvanderplas

 
 

Nieuw op deze site:

 

 

Column

 

De laatste alinea van deze column over pril geluk in onze achtertuin, kwam mij op een vermanende brief van de vogelbescherming te staan. Gelukkig kon ik naar eer en geweten zeggen dat ik het eind van dit stukje een beetje naar mijn hand heb gezet. Lees zelf maar in:

 

Thuisdieren

 

 

 

Zomer 2011

Onze vakantie in Cornwall en Wales, nu in chronologische volgorde op deze site. Te volgen tot het moment dat mijn aorta scheurde.

 
 

 

Elders in het gezin

Het weblog van mijn wederhelft.

 
 

 

Wonen in Spanje

Het weblog van onze rentenierende vrienden in Jalón, Costa Blanca.

 
 
 
 

 

Alles over La Marmotte 2011

Klik hier

 
 

 

Ierland 2010

Alles over onze zomervakantie in het land van drizzle, Guinness en kabouters overzichtelijk op een rijtje op deze pagina.

 
 
 

 

Dossier Dolomieten

 

Alles over de Dolomieten Marathon 2010 staat hier.

 
 

 

HTWV

Alles over de HTWV-jubileumweek 2010 vind je hier.

 
 

Wielerclubs en sites

 

Afdeling Wielersport

IJsclub Voorwaarts Katwijk

Noordbikers

 

HTWV

(Hijgend Trekken Wij Voort)

Club Ciclista Xaló

 

 
Alles over La Marmotte 2009
Klik hier
 
 

 

Trainingskamp Spanje 2009

Klik hier

 

 

 

 

Stukjes tikken is mijn vak, maar fietsen doe ik voor de lol. De meeste kilometers draai ik in de Duin- en Bollenstreek, maar enkele keren per jaar ben ik op trainingskamp bij mijn rentenierende vriend in Jalón, Costa Blanca, of elders in Europa aan het trappen. Op deze site  verslagen van trainingsritjes, officiële toertochten en vakantietrips. Want stukjes tikken over fietsen doe ik ook voor de lol.

 
 
 

 

Pretvaderen is het centrale thema van een column die ik wekelijks schrijf voor de dagbladen van HDCmedia (Noordhollands Dagblad, Haarlems Dagblad, IJmuider Courant, Leidsch Dagblad en Gooi en Eemlander). Maak op deze site, behalve met wielrennen, ook kennis met een prettige kijk op het vaderschap.

 

Naam: Dick van der Plas Leeftijd: 50

Woonplaats: Katwijk

 
 
 
 
 
 

 
 
 
 
 
 
 
 
 

Programma 2011

 

Maart:

12 maart Witte Kruis Classic, Den Haag

19 maart Joop Zoetemelk Classic, Leiden

 

April:

2 april Rabo Bergtoer, Ochten

23 april Ronde van Noord-Holland, Oostzaan

26 -30 april

Trainingskamp Spanje

 

Mei:

1 mei Elfdorpentocht, Stompwijk

15 mei Abdijentocht La Trappe

29 mei Jean Nelissen Classic, Vianden (Luxemburg)

 

Juni:

4 juni Waalse Pijl, Spa

(Belgie)

 

Juni/Juli:

26 juni-2 juli Marmotteweek, Bourg d’Oisans

(Frankrijk)

 

Augustus:

Vakantie

 (Cornwall en Wales)

20 aug Mergerllandroute

 

September:

Fietsweekend

Vlaanderen (HTWV)

 

Oktober:

Herfstmountainbiken

in Leersum

 

November:

Rabo Beach Challenge,

Scheveningen

 
 
 

 
 
 
 

 

     
 

 

 

 

De helende buis

Maandag 16 januari 2012

Zonder de medische staf, mijn gezin en dat fantastische me lijf van me tekort te doen, heb ik tijdens mijn herstelperiode veel steun gehad aan de kijkbuis. Geen betere manier om tot rust te komen dan beeldvullend vermaak, waarbij het uiteraard wel nauw luistert wát je precies kijkt. Dat mag blijken uit de column die ik op 22 december schreef voor de dagbladen van HDCmedia.

 

Stomme natuurfilm

 

De wreedheid van de natuur lijkt verpakt in een dolletje. Vijf orka's zwemmen op hun gemakkie, half boven water, naar een drijvende ijsplaat waarop een zeehondje ligt te zonnebaden. Vlak voor de schots duiken ze synchroon onder en geven het wateroppervlak nog een flinke klap met de staart mee. De golf die hierdoor ontstaat spoelt het knuffeldiertje het water in, waar het door de killer whales bij zijn staart wordt gepakt en naar de diepte gesleurd om daar - niet noodzakelijkerwijs in deze volgorde - te verzuipen en te worden opgevreten. ,,Mooi hè'', verzucht ik tegen mijn nazaten, die ik voor dit tafereel uit 'weer zo'n stomme natuurfilm' kortstondig naar de tv heb gelokt.


Vanwege een akkefietje met een aorta, bracht ik de afgelopen maanden een meer dan gemiddeld aantal uren voor de kijkbuis door. Van lezen kreeg ik vlekken voor mijn ogen, computeren was misselijkmakend en gesprekken langer dan een kwartier - ongeacht met wie, dus het is niks persoonlijks - deden het zweet in straaltjes langs mijn rug lopen. Het enige wat mijn hersens konden absorberen was pretentieloos vermaak.


What's new?, mag mijn dochter graag zeggen.


Pas na twee weken in het universiteitsziekenhuis van Wales ontwaakt de interesse voor de tv boven mijn bed. De amputatie van mijn iPhone en laptop - normaal een verlengstuk van mijn lijf - heb ik zonder noemenswaardige bijwerkingen ondergaan. Maar de slapenloze uren kom ik via het Engelse retro-kanaal Dave graag door met George & Mildred en, vooral, Friends. Eenmaal thuis krijg ik van een nakomeling alle seizoenen van deze beste sitcom ooit op een harde schijf aangeleverd en kijk ik per etmaal tussen de 8 en 12 afleveringen, totdat ik ze alle 250 heb gezien. Zwaardere kost, zoals de Deense serie The Killing 2, kan ik niet langer dan een uurtje per dag verteren.


Een smartelijk ziekbed is niet alleen handig om pensioenuitdraaien en verzekeringspapieren uit te zoeken - mijn eega is bovenmatig geïnteresseerd in een antwoord op de vraag of een eventuele uitvaart (het hoeft noodzakelijkerwijs niet die van mij te zijn, natuurlijk) wel is gedekt - maar ook om de dichtgeslibde harde schijf van de dvd-recorder leeg te kijken. Na Friends en The Killing 2 zie ik alle episodes van Downton Abbey, voordat ik begin aan een ander mega-project: Spooks, een BBC-serie over Sectie D van de inlichtingendienst MI5. De eerste drie seizoenen krijg ik in een box van mijn zwager en schoonzus cadeau, de andere - er zijn er tien - steel ik van het internet, inclusief Nederlandse ondertiteling met in elke zin drie gruwelijke spelfouten. Inmiddels zijn we aan seizoen 8. Spooks is een serie waarin je je niet teveel moet hechten aan de hoofdrolspelers. Iedereen gaat dood. Maar er komen altijd weer nieuwe, die ook worden vermoord - of anderszins uit de reeks geschreven - zodra je aan ze gehecht bent geraakt.


Als ik mezelf wil ontdoen van meekijkers - het genre is in mijn gezin niet populair - tover ik een natuurfilm te voorschijn. Liefst eentje met het steeds trager wordende commentaar van de inmiddels 85-jarige Sir David Attenborough. Mijn dvd-recorder heeft meegelopen tijdens de uitzendingen van de op BBC1 uitgezonden reeks Frozen Planet, veel beter dan met de stem die de EO voor de Nederlandse markt heeft ingehuurd.


Mooi aan Frozen Planet is het weergaloze geduld en de techniek waarmee cameralieden je posteren tussen op elkaar inbeukende walrussen en zichzelf in slow motion uit het water lancerende pinguïns. Attenborough ontsluit continenten die voor mij - met m'n caravan - voor altijd onbetreden gebied blijven. Nou ja, met uitzondering dan van de beelden van de geboorte van twee jonge ijsbeertjes, waarvan onlangs door The Daily Mirror werd onthuld dat die zijn gemaakt in Ouwehands Dierenpark in Rhenen.


Daar ben ik al eens geweest.

 

 

 

 

 

 
         
     
     
  Eerder deze maand  
 
 
     
 

Woensdag 4 januari 2012

Het invitatiebeleid is na twee maanden nog altijd een beetje ondoorzichtig voor me, maar dit zou zomaar eens mijn laatste week in het revalidatiecentrum kunnen zijn. Maandag had ik weer een fietstest en komende vrijdag een uitslaggesprek met de arts, maar aangezien dit al voor de derde keer is, verbaast het me ook niet als donderdag weer het trainingsschema voor de volgende week in mijn brievenbus ligt. Het revalidatiecentrum heeft me inmiddels klaargestoomd tot 102 procent van wat een man van mijn leeftijd en gewicht - en zonder hartkwaal of gescheurde aorta - zou moeten kunnen. Dat vindt de Nederlandse gezondheidszorg wel genoeg. Als ik zo nodig 200 of 300 procent moet worden, doe ik dat maar in mijn eigen tijd. En op mijn eigen kosten.

 

Over mijn herstelproces schreef ik op 15 december 2011 de volgende column in de dagbladen van HDCmedia:

 

Revalideren kun je leren
 

Normaal ben ik niet van het gluren naar decolletés, net zomin als ik in mijn eerste leugentje ben gestikt. Maar het klinische feit dat de Oostenrijkse gleuf van de mevrouw in het zwarte, laag uitgesneden kruippakje tegenover me vrijwel doorloopt tot aan haar eva's appel, intrigeert me buitengewoon. Het zijn geestdodende minuten, op de hometrainers van het revalidatiecentrum waar de mij onbekende dame en ik ons trainingsschema afwerken.


De eerste weken na het oplappen van mijn gescheurde aorta, deed ik vooral aan zelfhulp. Beetje wandelen, stukje fietsen, steeds langer en verder, totdat ik daar volgens mijn omgeving in begon door te slaan. Zolang mijn opengezaagde borstbeen niet was geheeld, wilden ze me bij de officiële instanties niet eens zien.


In mijn zomaar wat aanmodderen-aanpak vond ik steun in het Handboek voor Hartpatiënten dat ik van het ziekenhuis in Wales had meegekregen. Het beschrijft van week tot week welke handelingen ik wel (licht huishoudelijk werk) en welke ik uitdrukkelijk niet mocht verrichten (het duwen van afgeladen supermarktkarretjes), waarbij omvang en aard van de inspanningen mij aanvankelijk deed vermoeden dat mij abusievelijk de feminiene versie van dit standaardwerk was overhandigd. Maar mijn eega bezwoer mij, met de stofdoek in haar uitgestrekte hand, dat dit niet het geval was.


Mijn eerste ervaringen met het revalidatiecentrum waren enigszins teleurstellend. Van het sportjournaal herinner ik mij beelden van een Ruud van Nistelrooij, een Arjan Robben of een Robert Gesink die onder persoonlijke begeleiding van een fysiotherapeut negen uur per dag aan hun conditie werkten. Daar staken de 25 minuutjes die ik met 75 watt op de hometrainer mocht doorbrengen, magertjes bij af, zeker voor iemand die met zijn fietsmaatjes net nog 80 kilometer in 2,5 uur had weggetrapt. Ook het gewichtencircuit dat daarna kwam, moest ik als 'tamelijk licht' op de Borgschaal kwalificeren. Maar mijn verwachting dat ik vervolgens in no time naar 'zwaar' of 'erg zwaar' zou worden bevorderd, is voorlopig nog niet bewaarheid.


Op de hometrainer heb ik inmiddels de trapweerstand naar 100 watt zien opgeschroefd, maar verder word ik hier nog steeds behandeld als iemand die vier maanden geleden een zware openhartoperatie heeft ondergaan.
Gehoorzaam vervoeg ik me twee keer per week bij wat ik in snaakse tweets 'Sportschool Bijna Dood' ben gaan noemen. Vrijwel iedereen die op de hartrevalidatie zijn oefeningen afwerkt, heeft tenslotte Magere Hein voor korte of langere tijd in de ogen gekeken. Of is van een dusdanige leeftijd en lichamelijke gesteldheid dat dit niet lang meer op zich zal laten wachten.
Mijn ritjes naar Nergenshuizen op de hometrainer en naar niets leidende gestrompel op de loopband worden afgewisseld met een bezoek aan de zaal, waar ik kennis neem van bogo- en tamponbal, waarbij we met levensgrote wattenstaafjes achter een balletje aanrennen. Voor de oudere kijkers: met mijn wielerconditie voel ik me als Joop Zoetemelk in een aflevering van Sterrenslag.


Het sporten wordt afgewisseld met voorlichtingsbijeenkomsten over het leven na hartfalen, gezonde voeding en bewust ademhalen, vooral bedoeld om bij mij het kwartje omlaag te laten dwarrelen ( van vallen kun je nog niet spreken) dat ik radicaal tot een andere doelgroep ben bekeerd.


Daartoe bereiken mij ook andere signalen.


Als de mevrouw in het zwarte, laag uitgesneden kruippakje in Sportschool Bijna Dood van haar fiets komt, zitten toevallig ook mijn 25 minuten op de hometrainer erop. Haar indrukwekkende decolleté dat van haar borsten eindeloos naar boven kruipt, blijkt van dichtbij te bestaan uit net zo'n litteken als bij mij van de navel tot aan de adamsappel loopt.


Welkom bij de club, mompel ik.
 

 

 
 
 
 

Maandag 19 december

Geen ziekte zo vreemd, of er is wel een website voor. Kijk maar eens op www.marfansyndroom.nl. Nee, hij stond ook niet bij mijn Favorieten, maar sinds ik met mijn gescheurde aorta de verdenking op me heb geladen dat ik aan deze aandoening lijd, leg ik er een meer dan gemiddelde belangstelling voor aan de dag. Dát ik het heb, is nog niet vastgesteld. Momenteel zit ik in de medische mallemolen, wat onder meer inhoudt dat ik word onderzocht op uiterlijke kenmerken, door de MRI-scan ga, een familiestamboom moet opstellen (Marfan is erfelijk), bloed afsta voor DNA-onderzoek en een oogarts bezoek. Een aantal van deze onderdelen heb ik inmiddels afgewerkt, waarbij artsen van de Polikliniek Klinische Genetica van het LUMC in elk geval hebben vastgesteld dat ik geen uiterlijke kenmerken van het Marfansyndroom vertoon. Waarom dat goed nieuws is, leg ik - op deze plek ook voor niet-abonnees - uit in de column die op 8 december in de dagbladen van HDCmedia stond.

 

 

Je zal het maar hebben
 

Ze is een beetje (WAT ZEG IK, EEN BEETJE?) doof, maar had net zo goed blind kunnen zijn, zo trefzeker vindt mijn moeder haar weg in het labyrint van zerken op begraafplaats Duinrust. Hier zet ze een bloempot recht, daar veegt ze met haar zakdoek een vogelpoepje van een steen. In striemende hagelbuien lopen we van Grote Piet naar Kleine Piet en van Dick naar Dirk. Haar ouders hebben voor de naamgeving van hun kinderen nooit de originaliteitprijs gekregen. Mijn moeder heet Pietje.


Genealogen heb ik altijd ingedeeld bij verzamelaars van sigarenbandjes en de streepjescodes van rollen maandverband, maar nu ben ik zelf gedwongen tot stamboomonderzoek. Om te achterhalen waarom een gezonde, sterke, sportieve en niet onknappe kerel als ik opeens een gescheurde binnenwand van de aorta oploopt, moet ik mijn familie in kaart brengen. Ik zou wel eens kunnen lijden aan het - erfelijke - Syndroom van Marfan. Als een eerste stap naar die nog niet zo eenvoudige diagnose, heeft de Polikliniek Klinische Genetica mij een 'Vragenlijst onderzoek bindweefselaandoeningen' toegestuurd.


Van Marfan weet ik inmiddels dat er in heel Nederland zo'n 1500 mensen zijn met die aanduiding in hun elektronisch patiëntendossier. Het wordt veroorzaakt door een mutatie in het fibrilline-1 gen (?) en symptomen zijn een geleidelijk toenemende verwijding van de grote lichaamsslagader (aorta), stoornis aan de hartkleppen, maar ook bijziendheid en het loslaten van het netvlies, naar verhouding lange armen en benen en nog zowat van die narigheid, waarvan bij mij persoonlijk in elk geval de uitzakking van de vagina en de daarmee verbonden orgaanstructuren kan worden uitgesloten.


Je hoeft niet alle symptomen te hebben om als Marfan te worden gediagnosticeerd. Als ik het heb, verkeer ik in het beroemde gezelschap van Abraham Lincoln, Sergej Rachmaninov, Michael Phelps en Amenhotep IV, een farao van de 18e Dynastie in het Oude Egypte. Wikipedia maakt geen reclame voor deze heerser: ,,De jonge farao is afgebeeld met een grotesk uiterlijk. Daarin heeft hij een kalebasvormig hoofd, een zeer lange dunne nek, spleetogen en uitpuilende lippen. Verder is hij toegerust met vreemde, vrouwelijke gelaatstrekken. Een mogelijke verklaring zou kunnen zijn dat Amenhotep leed aan het befaamde Marfansyndroom.''


Je zal het maar hebben, likkebaardt Sophie Hilbrand bij BNN.


In mijn familie komen ook gedrochten voor, maar een combinatie van deze kenmerken heb ik nog niet bespeurd. Niettemin is de Polikliniek Klinische Genetica geïnteresseerd in aan mij verwante types met opvallende lengte, rare skeletkenmerken, huid- en oogafwijkingen en/of hart- en vaatproblemen, zoals een gescheurde aorta.


De meeste hoofdbrekens kost mij de pagina's waarop ik al mijn ooms en tantes (zowel mijn vader als mijn moeder hadden ieder tien broers en zussen) in kaart moet brengen. De data van mijn vaders kant vind ik terug in de Statenbijbel die hij van mijn opa heeft geërfd. Voor de resterende gegevens ben ik afhankelijk van veldonderzoek op de plaatselijke begraafplaats Duinrust, waar vrijwel alle broers en zussen van mijn moeder inmiddels liggen. Bij elke steen noteer ik geboorte- en sterfdatum in de vakjes van mijn Klinische Genetica-formulier. Jammer dat er geen doodsoorzaken en opvallende lichamelijke kenmerken in het marmer worden gekerfd. Dan was ik meteen klaar geweest.


Tot nog toe ben ik alleen bij twee neven, zoons van één oom, op vaatproblemen gestuit. Bij de één is tijdens een routineonderzoek een verwijde aorta vastgesteld, de ander is gestorven aan een gescheurde halsslagader. ,,Zullen we ook nog even langs zijn graf lopen?'', stelt mijn moeder gretig voor.
Ik kijk naar de lucht, die weer een hagelbui aankondigt, en dan op mijn formulier.


,,Nee, laat maar zitten. Daar is toch geen vakje meer voor.''

 

 

 

 

 

 

 
 
 
 

Maandag 12 december

Veel meer dan dat ik wat 'souvenirs uit Wales' in mijn borstkas had, wist ik eigenlijk niet in de weken dat ik herstelde van mijn aortadissectie. Een goed gesprek met mijn chirurg zat er niet meer in, toen ik zes dagen na de operatie bijkwam uit de narcose. Hij had inmiddels wel wat anders aan zijn hoofd. En het stond - weliswaar in onnavolgbaar medisch Engels - toch allemaal op papier? Pas terug in Nederland kreeg ik in de gaten dat in feite de complete aortaboog is vervangen, door iets wat voornamelijk uit teflon is gemaakt. En zo zitten er hier en daar nog wel wat stukjes kunststof, waarvan aard en omvang mij vermoedelijk pas gewaar worden bij een toelichting op de MRI-scan die ik vorige week onderging. Het menselijk lichaam als een machine waarin je naar hartenlust onderdelen kunt vervangen - ik was vroeger een groot fan van Lee Majors - inspireerde mij in elk geval al wel tot het volgende krantenstukje, dat op 1 december in de dagbladen van HDCmedia stond.

 

Man van Zes Miljoen

Achter zijn bureau verandert de cardioloog in het reclamemannetje dat een onwillige crediteur door de telefoon toeroept: ,,Dan verkoop je toch gewoon je boot?'' Niet mijn luxe jacht is het gespreksonderwerp, maar zijn vaste overtuiging dat ik mijn verdere leven aan de bètablokkers vastzit. Het zinnetje waarmee hij me recht overeind in mijn stoel krijgt, luidt: ,,Dan fiets je toch gewoon wat minder hard?'' Dat had hij nou niet moeten zeggen.


Nadat bij mij was ingedaald door welk lichamelijk onheil ik was getroffen, ben ik er een tijdje vanuit gegaan dat een gescheurde aorta net zoiets is als een gebroken been. Een mechanisch gebrek dat, eenmaal gerepareerd, je verder niet meer belemmert in je functioneren. Integendeel, zelfs. Net als de Man van Zes Miljoen zou ik met mijn nieuwe, bionische onderdelen beter, sneller, sterker zijn dan ik ooit was. Zo'n teflonpijp en aanverwant plastic aderwerk gaan langer dan een leven mee.


Voor mijn gezinsleden hul ik mij in het ziekenhuisbed nog in een gewaad van redelijkheid en berusting. Bij de fietsclub hoef ik niet meer zo nodig mee met de testosteronmannetjes van de A-groep. Er zijn ook toerrijders: oudere, wijze kerels, die niet alleen op hun rijwiel stappen om zich het snot voor de ogen te rijden, maar onderweg ook genieten van een goed gesprek en van de omgeving meer zien dan de zoevende bandjes van hun voorgangers. Dat gaat helemaal mijn groep worden.


Maar zodra ik weer op het zadel zit, is alles erop gericht om weer helemaal 'normaal' te zijn. Mijn therapeutische fietstochtjes worden elke week tien kilometer langer, totdat ik op zondagmorgen weer met een peloton meerijd dat door het mistige polderlandschap 80 kilometer wegtrapt. Ik laat me enthousiast maken voor trainingskampen in Spanje en rond de Mont Ventoux, schrijf alvast in voor de Jean Nelissen Classic in Luxemburg en verwacht elk moment de bevestiging van de organisatie van de Amstel Gold Race dat ik ben ingeloot voor de versie van 250 kilometer.


Als ik eerst maar van die verrekte bètablokkers af ben. Die verlagen niet alleen mijn bloeddruk, maar vertragen de hartslag bij inspanning met 30 tot 40 slagen per minuut en zorgen ervoor dat ik bij elke tempoversnelling of bult in het landschap mijn benen voel verzuren. Net zoals ik bovenaan de trap nog steeds sta na te hijgen van de beklimming en op een trainingsritje halverwege een keer moet afstappen omdat ik duizelig word.


Allemaal de schuld van de bètablokkers.


Weg met die dingen.


,,Als je maar lang genoeg zeurt bij jouw cardioloog, krijg je vast wel een alternatief medicijn met minder beperkingen'', zegt de arts van het revalidatiecentrum, niet toevallig zelf ook een hartspecialist. ,,Daarom ga ik niet jouw cardioloog bewerken, maar probeer ik jóu ervan te overtuigen dat je bètablokkers moet blijven slikken.'' Hij schiet gaten in mijn Man van Zes Miljoen-verhaal. Ik schijn nog genoeg originele aorta in mijn lijf over te hebben om ook te scheuren, als ik ga rondfietsen met een bloeddruk van 180 over 120.


Langer dan een week nu, verzet ik me tegen deze nieuwe werkelijkheid. Langzamer fietsen is niet zomaar een kwestie van een tandje terug. Het betekent: me laten terugzakken uit de groep van clubmaatjes waarmee ik toertochten en cyclo's reed. Afscheid nemen van mijn sociale wielernetwerk. Het is het voorportaal naar trimgroep HartenTroef, waar in de volgwagen de defibrillator naast de buitenbandjes hangt.


Dat nooit.


Bij de fietstest in het revalidatiecentrum scoorde ik maandag - een verse bètablokker achter de kiezen - 101 procent (ik kom van 85). Dat betekent dat ik inmiddels 1 procent beter ben dan mannen van mijn leeftijd en gewicht die niks aan hun hart mankeren.


De Man van Zes Miljoen geeft het nog niet op.

 

 

 
 
 
 

Maandag 5 december

Vermijd harde wind en groepen wielrenners, heeft mijn cardioloog gezegd. Genoeg reden om op zondagmorgen met West 6 een rondje van 55 kilometer met de fietsclub weg te trappen. Als je af en toe niet wat uitprobeert, weet je nooit wat die nieuwe aorta allemaal aan kan. Vóór de wind en bergaf kan iedereen fietsen. Echte wielrenners worden geboren op eindeloos vlakke wegen, waar ze kromgebogen over het stuur, tegen de wind, zichzelf een weg banen, als in een lied van Boudewijn de Groot. Wat dat betreft stelt de Polder Elsgeest bij Voorhout me niet teleur. Zelfs met de bètablokker die mij heeft getooid met het predicaat 'Wielrenner met een beperking' krijg ik mijn hartslag naar 140 per minuut, een record in mijn post-aortaperiode. Tot nog toe ging ik er vanuit dat ik met 124 mijn maximum wel had bereikt, maar deze nieuwe waarde is, ruim vier maanden na mijn operatie, hoopgevend. Waar ligt mijn grens? Met mijn cardioloog kan ik er nog niet over praten. Want behalve harde wind en groepen wielrenners moet ik van hem ook piekbelasting vermijden.

 

Voor de niet-abonnees, hier de zesde krantencolumn uit mijn post-aortaperiode die op 24 november in de kranten van HDC Media stond.

 

Twitterjournaal

 

Een enkele te vroeg afgeschreven schrijver daargelaten, is het weinigen gegeven bij leven kennis te nemen van hun eigen necrologie. Zelf heb ik er ook een beetje tegenop gezien, maar twee maanden nadat ik uit mijn vorm van bijna dood-zijn ontwaakte, lees ik het twitterjournaal dat mijn dochter bijhield voor het thuisfront overzee. ,,Ging niet zo goed vandaag. Hij is in staat een tijdje zelf te ademen, maar stopt dan plotseling, waarop de machine het weer moet overnemen. Verder is hij nog steeds onrustig en probeert hij zijn handen omhoog te doen om aan de tube in zijn mond te trekken. Zijn gedrag was, wat de dokters noemen, 'inappropriate'.''


Het verscheiden van mijn vader heb ik in een aantal columns gevolgd en ook mijn nazaten kunnen nooit beweren dat ze onvermeld zijn gebleven. Dan ben je op zeker moment ook zelf aan de beurt. Het verslag van mijn dochter had zo postuum kunnen worden uitgegeven. Het telt meer dan 35.000 woorden, verdeeld over 163 pagina's. Het bevat langere, min of meer medische bulletins die zij - nu tweedejaars geneeskundestudent - tikte in de uren dat zij met haar moeder en broertje in het Universiteitsziekenhuis van Wales zaten te wachten op nieuws uit de operatiekamer en, later, de intensive care. Maar ook alle reacties van familie, vrienden en collega's zijn erin opgenomen. 'De grootste hufters schrijven de gevoeligste tweets', kan ik aan mijn lijst met alternatieve tegeltjeswijsheden toevoegen.


Voor mij zijn vooral de zes dagen dat ik na mijn operatie in coma lag, interessant om terug te lezen. Mijn dochter verhaalt daarover met een mengeling van medische distantie en familiaire aanhankelijkheid, bijvoorbeeld als ze uitlegt wat een 'dissectie' van de aorta is. ,,Dat betekent dat de dikke, gespierde wand van de aorta van binnen gespleten is en dat er daardoor eigenlijk twee pijpen naast elkaar liggen. De nieuwe en verkeerde pijp kan daardoor de goede pijp dichtdrukken en de circulatie stoppen. Als dat gebeurt, ben je binnen vijf minuten weg.''


Of: ,,De afgelopen dagen was het toch altijd slikken als we de IC opkwamen en mijn vader zagen. Vooral ikzelf had heel erg dat ik eerst een routine afwerkte: monitor, bloeddruk, hartslag, ventilator, drains, infuus, sonde, slangen. En o ja, papa.''


Soms begrijpen haar Twittervolgers mij beter dan de arts in spe. Als ze meldt: ,,Hij heeft in het begin lange tijd gebaren gemaakt, tot mijn moeder en ik uiteindelijk gokte dat hij de artsen duidelijk wilde maken dat hij fietste. Dat weten ze allang, maar toch vond hij het heel belangrijk'', reageert een deskundige op Twitter: ,,Hij bedoelt dat hij een erg lage hartslag, een groter hart en meer bloedplasma dan een normaal iemand heeft.'' Zo is het.


Na vijf dagen van ups en downs wordt het spannend. ,,Gisteren te horen gekregen dat mijn vader nog maar één kans had om wakker te worden voordat de artsen zouden overgaan tot een tracheostoma. Vandaag heeft hij die kans met beide handen gegrepen. Hij is wakker en, in de woorden van de broeder, 'back to normal'. Hij kan weer praten en heeft vanochtend de commando's van de artsen goed opgevolgd. Hij is ook nog behoorlijk bijdehand. Toen een arts hem per ongeluk 'Nick' noemde, heeft hij dat meteen (en met de nodige ergernis) verbeterd! Erg grappig.''


Als het nodig is, spaart ze me ook niet. ,,De sfeer vandaag was vreemd. Mijn vader kan zonder het te weten nogal kwetsend zijn. Hij probeert de controle terug te pakken, maar is daar nog niet helemaal aan toe. Dit leidt tot frustraties. Hij kan niet slapen, wil niet eten (hij vindt alles, maar dan ook ALLES smerig), wil niet rusten, wil niet naar ons luisteren. Natuurlijk weten we dat dit tijdelijk is. Maar soms, als we een beetje moe zijn met zijn allen, is dat best lastig in te zien.''


De beste diagnoses komen steeds via de volgers. Als zij meldt: ,,Ook is hij verward en zegt regelmatig dingen die we niet begrijpen'', reageert iemand: ,,Als ie weer onzin uitkraamt, is hij op de goede weg!''

 

 
 
 
 

Zaterdag 26 november

Op het oog weinig respectvol spreek ik van 'Sportschool Bijna Dood' als ik het heb over het Rijnlands Revalidatiecentrum in Leiden, waar ik momenteel zeker twee ochtenden in de week aan mijn conditie werk. Maar een feit is dat - zeker op de hartafdeling - alle sporters hier de dood van zeer nabij in de ogen hebben gekeken - ja, ik ook - en/of inmiddels al zo op leeftijd zijn dat Magere Hein lonkt bij elke inspanning die ze verrichten. Mijn eerste ervaring met revalideren deed ik op in het Universiteitshospitaal van Wales, waar ik onder begeleiding van een fysiotherapeute op de Intensive Care mijn eerste stapjes zette. Want ook als je niks aan je benen mankeert, moet je na een open-hartoperatie en zes dagen coma gewoon weer opnieuw leren lopen. Over die fysiotherapeute gaat de vijfde krantencolumn uit mijn post-aortaperiode die op 17 november in de dagbladen van HDC Media stond.

 

 

De trap
 

Haar naam en waardigheid lijkt zij te ontlenen aan een elf uit The Lord of the Rings-trilogie. Maar Imogen is onze fysiotherapeute en iedereen op de hartafdeling van het University Hospital of Wales is als de dood voor haar. Zij is degene die je komt halen voor je eerste stapjes na de operatie, technieken leert om op te staan met een opengezaagde borstkas en je aan het eind van de therapie meeneemt voor de ultieme beproeving: de trap. ,,Heb je die al gedaan?'', vraagt een breekbaar oud mannetje dat me elke dag komt vertellen over de tinmijnen in de Brecon Beacons. Ik schud mijn hoofd en hij zucht, zoals alleen gepensioneerde mijnwerkers kunnen zuchten. ,,Lucky you.''


Niet 'herstellende van een gescheurde aorta' of 'aan het bijkomen van een open hartoperatie' staat er in de rapportage van de bedrijfsarts bij de reden voor mijn verzuim van werk, maar: Verminderde energie. Dat dekt ook de lading wel. Niets zo slecht voor je energiewaarde als een 12 uur durende operatieve ingreep, acht dagen intensive care en tweeënhalve week ziekenzaal in Wales. Tien wankele eerste stapjes maak ik aan de hand van Imogen in de IC, om daarna als een shepherd's pie ineen te zakken op de rand van mijn bed. De volgende dag is mijn engel des doods er weer en sleept ze me met haar luciferarmpjes als een buikspreekpop de hele immense ruimte door. ,,Ja, gaat hartstikke goed'', laat ze me met nauwelijks bewegende lippen zeggen.


Het saboteren van de oefeningen van Imogen is mijn eerste daad van heimelijk verzet als zelfbewuste aorta-patiënt. De opgerolde handdoek die ik met gekruiste handen voor mijn borst moet houden als ik uit een stoel of bed opsta - om te voorkomen dat het operatielitteken openscheurt - gebruik ik alleen als zij in de buurt is. Ik heb mijn eigen, veel gemakkelijkere techniek, als Keith Jones uit het bed aan de overkant me niet verraadt. Van de ademhalingsoefeningen om mijn longen te trainen moet ik hoesten, en hoesten doet zeer als je borst pas is opengezaagd. Ik train vooral door - als een opstandige kleuter - alles zelf te doen. Van douchen en aankleden tot dertig keer op een dag (en nacht) met de infuusstandaard naar de toiletten wandelen omdat ik met behulp van plaspillen zestien liter overtollig vocht uit mijn lijf kwijt moet. En naar de tv-kamer - waar ik met de mannetjes van de hartafdeling rugbywedstrijden kijk - is het ook een heel eind lopen.


Eenmaal thuis maak ik - eerst aan de arm van mijn vrouw, mijn eigen Imogen - rondjes van een paar honderd meter rond onze woning, om binnen twee weken in mijn eentje tien kilometer door de duinen en over het strand te struinen. Mijn racefiets schreeuwt me toe vanuit de schuur en vier weken voordat ik me mag melden bij het revalidatiecentrum, rijd ik met mijn fietsmaatjes al rondjes van 60 kilometer. Afgelopen zondag durfde ik voor de eerste keer met het peloton van de club mee voor een tocht van 75. Voor mijn gezinsleden ben ik een tegendraads kind dat kastijding nodig heeft van een hersteld hervormde dominee.


Maar omdat mijn hartslag niet hoger komt dan 124, heb ik nog steeds 'Verminderde energie', al is het niet meer te vergelijken met die eerste weken dat ik na het wassen en aankleden naast mijn ziekenhuisbed een half uur amechtig zit uit te hijgen in mijn stoel. Het is op zo'n moment dat Imogen me komt halen voor 'de trap'. De gevreesde trap, waar de fysiotherapeute soms de hulp van twee assistentes moet inroepen om patiënten omhoog te sjorren. Kan dat niet op een andere keer?, piep ik angstig. Imogen schudt haar hemelse lange haren en er gaat een huivering door de oude mannetjes op de zaal. Nagestaard door negen paar waterige oogjes loop ik voor de fysio-elf uit door de lange gang naar het trappenhuis en twee trappen op, voordat ik de eerste keer durf om te kijken. ,,Wat is precies de bedoeling?''


,,Dit was het'', zegt ze bewonderend. ,,Dit was de trap. Goed gedaan, je bent ontslagen van fysiotherapie.''


Op de hartafdeling word ik onthaald als een overlever.

 

 
 
 
 

Maandag 14 november

Een beetje in je eentje of met een begripvol fietsmaatje in de rondte trappen is één ding. Maar wat gebeurt er als je met een nieuwe aorta weer aansluiting zoekt in het peloton van mijn cluppie, de Afdeling Wielersport van de IJsclub Voorwaarts Katwijk? Schone beloften over therapeutisch rijden zijn al gauw vergeten, als het spel eenmaal op de wagen is en er een waas trekt over de ogen van eerzame huisvaders. Dan is het de gladiolen of - in mijn geval - de dood. Edoch, niets van dit al. Bij mijn eerste ritje sinds vier maanden op de vroege zondagmorgen gedragen de mannen zich voorbeeldig. Degenen die zich na een (te) kalme start alsnog het snot voor de ogen willen fietsen, rijden hun eigen rondje. Ik blijf bij de groep Albert - tien renners sterk - die alleen op het eind die naam niet meer mag dragen omdat de wegkapitein reglementair uit het wiel is gereden. Door goed te linkeballen - lees: slim te rijden - kan ik op dit eerste ritje na mijn open hart-operatie goed het wiel houden. De hartslag wil nog niet erg omhoog - mijn maximum is 124, het gemiddelde 103 slagen per minuut - wat vooral bij tempoversnellingen en lange viaducten tot verzuring leidt. Maar ik haal er in elk geval weer snelheden van boven de 40 kilometer in het uur mee, al moet ik de rapste renners bij de eindsprint langs de provincialeweg N206 laten lopen. Het begin is er. De komende maanden - of laat ik er maar een half jaar voor uittrekken - moet ik me vanuit de kelder van de wielerclub weer zien op te werken naar de A-groep. Maar het kan zomaar zijn dat ik al veel eerder aan mijn eigen plafond zit.

 

 

 

 

Voor de niet-abonnees, hier mijn vierde krantencolumn uit mijn post-aortaperiode die op 10 november in de kranten van HDC Media stond.

 

 

 

Naar huis

 

Alsof ik via het kattenluik mijn opwachting maak in het Hiltonhotel. Zo voelt mijn entree in de businessclass van vlucht KL1060 (Cardiff-Amsterdam), waar mijn rolstoel zojuist met de lift van een cateringwagen naar een klep achter de cockpit is gehesen. Als ik op eigen kracht de paar meter naar mijn stoel overbrug, kijken de al aanwezige passagiers me aan als getuigen van de opstanding van Lazarus. Dat is misschien wel de juiste associatie, nu ik na drie weken ziekenhuis met mijn nieuwe aorta op weg mag naar huis.


Naar huis. Of in elk geval: weg uit het ziekenhuis. Door die gedachte word ik beheerst sinds ik na acht dagen intensive care ben overgeplaatst naar de vijfde verdieping van het Universiteitsziekenhuis van Wales, de afdeling waar hartpatiënten herstellen van hun operatie. Mijn overtuiging wordt gedeeld door het breekbare mannetje dat halverwege mijn eerste dag 'op zaal' met zijn looprek naar me toe schuifelt, me van top tot teen opneemt en vervolgens met een Welshe tongval concludeert: 'You don't belong here.'


Zo is het. Ik hoor hier niet. Met mijn 51 jaar ben ik zeker een halve eeuw jonger dan de andere patiënten op 'Ward C5', die hun bypasses hebben te danken aan een leven van roken, drinken en de baggervette zegeningen van de Britse keuken. De aorta van deze sportman is alleen maar gescheurd omdat ik waarschijnlijk zoiets als het Syndroom van Marfan - een bindweefselaandoening - onder de leden heb. Zodra ik ben opgeknapt, ga ik weer terug naar de camping, verzeker ik mijn familie. Of, als dat niet kan, naar een hotel in de buurt.


Geen kwaad woord hoor, over de artsen en verpleegkundigen van het University Hospital. Maar het enige waar een opgelapte aortapatiënt behoefte aan heeft, is goed eten en voldoende nachtrust. Voor beide moet je niet in een ziekenhuis zijn. Op mijn zaal met negen (!) snurkende en rochelende ouwetjes is er altijd wel eentje dement of getroffen door een beroerte, waardoor hij middenin de nacht de stekkers uit zijn borstkas trekt - alarmfase 1 voor het verplegend personeel - of drie keer zijn plas laat lopen. Alarmfase 2, maar niet minder storend als je ernaast de slaap probeert te vatten.


Bovendien ben ik door mijn behandelend geneesheer - die na 12 uur opereren in mijn opengezaagde borst als de dood is voor een hartinfectie - aan een strak antibioticaregime gebonden. Van 6.30 uur in de ochtend tot 02.00 uur in de nacht worden om de paar uur de zakken aan mijn infuus verwisseld, het kraantje in mijn arm doorgespoten en het rammelende blauwe kastje dat lijkt op een Giromaat, gereset. Tot ver na middernacht kijk ik - als de plastabletten mij niet naar het toilet drijven - op het tv'tje boven mijn bed naar een retrozender die 'Dave' heet en oude afleveringen van George & Mildred uitzendt. Tot het ochtendgloren is het vervolgens - met die amokmakende mannetjes om me heen - 'Daar Komen De Schutters' op de ziekenzaal. Ik ben gesloopt.


Na ruim drie weken is het plan mij met een privéambulance via de Kanaaltunnel naar huis te rijden. Maar op het laatste moment heft de cardioloog het vliegverbod op. Als we - mijn vrouw en ik, de kinderen zijn al eerder teruggevlogen - opstijgen vanaf Cardiff-airport moet ik denken aan zijn laatste woorden: 'We hebben alles nog eens gecheckt en er lekt niks.'
Dat had hij niet moeten zeggen. Kan er iets gaan lekken, dan? En hoe zit dat op 10.000 meter hoogte?


Er ligt een steen op mijn maag, tijdens de 55 langste minuten van mijn leven die de vlucht naar Amsterdam duurt. Maar de met vliegtuiglijm aan elkaar geplakte bio-onderdelen van en naar mijn hart bezwijken niet onder de druk.
Behalve door de rolstoelservice die me door kilometerslange gangen naar de aankomsthal duwt, worden we op Schiphol alleen opgewacht door familieleden die zich keurig houden aan mijn regieaanwijzingen: Niet janken!

Joris Linssen heeft - met zijn Hello Goodbye-camera - zeker een vrije avond.
 

Jammer, ik had een goed verhaal voor hem gehad.

 

 

 
 
 
 

Maandag 7 november

Mijn laatste werkdag op de redactie was op vrijdag 22 juli. Vind je het gek dat het na bijna vier maanden weer begint te kriebelen om aan de slag te gaan? Maar zo moet ik er volgens deskundigen niet tegenaan kijken. Op 23 juli begon mijn vakantie, die officieel duurde tot 12 augustus. Dan zou maandag 15 augustus mijn eerste werkdag zijn geweest, als op 10 augustus op de camping in Wales mijn aorta niet was gescheurd. Pas op 1 september mocht ik het ziekenhuis in Cardiff verlaten: opgelapt, maar nog lang niet genezen. Ik was te mager, had de conditie van een 115-jarige en was nog in het gelukkige bezit van lekkende littekens en niet geheelde botten. Daarom is het, volgens alweer diezelfde deskundigen, aan de vroege kant dat ik - twee maanden later - deze week mijn werk op de redactie weer wil hervatten. Voorlopig dus nog maar voor twee dagen - op dinsdag en donderdag - en met allerlei voorbehouden van de bedrijfsarts. Mijn bloeddruk mag niet stijgen, ik mag niet langer dan vijf uur achter elkaar voor het beeldscherm zitten en moet goed naar mijn lijf luisteren. Maandag, woensdag en vrijdag houd ik voorlopig nog vrij voor hartrevalidatie in sportschool Bijna Dood en wat klusjes voor de krant die ik ook thuis kan doen (zoals mijn wekelijkse column tikken). Maar het begin van een werkzaam (tweede) leven is er weer!

 

Voor de niet-abonnees, hier mijn derde krantencolumn uit mijn post-aortaperiode die op 3 november in de kranten van HDC Media stond.

 

Vette jus

 

De favoriete patiënt van de kokkin achter de etenskar zou ik mezelf niet willen noemen, maar toch spreekt ze me aan alsof we al jaren verkering hebben. ,,What do you like to eat, Love?'' Op sommige dagen ben ik ook haar 'Dear' of 'Honey'. Daar hoef ik verder niks achter te zoeken, dat zegt die sloerie tegen alle mannen op de hartafdeling van het Universiteitsziekenhuis van Wales. Wat ik wil eten? Doe maar gewoon weer wat van die kapotgekookte groenten, twee lapjes taai, grijsgebraden vlees, een uitgedroogd bolletje aardappelpuree en een soeplepel vette jus. Net als op alle andere dagen van de week.


Als een frietkot over rammelende kasseien, rijdt drie keer per dag de roestvrijstalen voedseltrolley de afdeling op. 's Morgens om 08.00 uur met het ontbijt, om 12.00 en 17.00 uur met warm eten. De kar wordt - in ploegendienst - beurtelings voortgeduwd door drie mensen: een vrouw van middelbare leeftijd die iedereen haar liefje of schatje noemt, een lichtautistische knaap met een serieuze taakopvatting en een donkere man met de sombere gelaatsuitdrukking van een immigrant die zichzelf een beter leven had beloofd. Alle drie dragen ze het witte hoedje van een keurmeester in het slachthuis.


Na acht dagen intensive care - waar ik met mijn nieuwe aorta alleen infuuszakken leegzoog en op het laatst ook wat ijs met jelly en sportdrankjes tot me wist te nemen - is het voedingspatroon op de ziekenzaal een desillusie. Dat begint al met de thee, in het dagritme ingeklemd tussen mijn eerste literzak antibiotica en het opnemen van de bloeddruk. Daarvan weet je dat in elke pot twintig builtjes een uur lang hebben liggen trekken, waardoor zelfs doorgewinterde Britten de vloeistof alleen te hachelen vinden als ze er vijf klontjes suiker en een sloot melk in kieperen.


Ik heb me er een paar dagen manmoedig tegen verzet, maar als ik na drie etmalen gitzwarte thee een loogvergiftiging dreig op te lopen, hijs ik de witte vlag. ,,What would you like to drink, Dear?'' Thee met melk en suiker, knarsetandt Dick, the Dutch guy.


Bij het ontbijt laat ik de griesmeel en zeven andere varianten op een granenpapje voor wat ze zijn. Het enige wat ik binnenhoud, zijn drie sneetjes slappe, opgewarmde toast met aardbeienjam en een glas appelsap. Daar kan ik het - met een ochtendje temperaturen, wegen, wassen en aankleden, meer antibiotica, bloedprikken, doktersconsult, fysiotherapie, borstfoto's en echo's maken voor de boeg - op redden tot de lunch.


Eerder nog dan het geluid verraadt de walm de komst van de mobiele etenstrog, die ook tussen de middag dezelfde sufgekookte groenten en het te lang doorgegaarde vlees uit grootmoederstijd serveert. Manmoedig werk ik me door een laag uit elkaar gespatte doperwten en lusteloze bloemkool en kauw minutenlang op grijze, in de jus verzopen filetjes van een kalkoen die drie keer de marathon van Cardiff heeft gelopen, totdat het voor de middelbare vrouw, de autistische knaap en de donkere man met de witte hoedjes lijkt alsof ik hun maaltijd eer heb aangedaan.


Op de intensive care mocht mijn gezin 24 uur per dag in en uit lopen, maar op de afdeling is alleen van 15 tot 19 uur bezoek mogelijk. De etenskar komt, gek genoeg, al om vijf uur, als alle patiënten nog aan hun door familie liefdevol meegebrachte fruithapjes, stukken chocolade en blikjes cola zitten. Uit angst voor de priemende blikken van de vrouw, de knaap en de man laat ik me niettemin weer uitbundig opscheppen, waarna mijn zoon en dochter zich als hongerige vale gieren op mijn van het vet druipende bord storten.


De kritische consumenten die thuis in Nederland elke door hun ouders met zorg bereide maaltijd met lange tanden en misprijzende blikken tot zich nemen, raken op de rand van mijn bed bijna slaags om het laatste kippenbotje of randje vet van een tot rollade gevouwen baklap.

 

,,Je moet niet zo zeuren over het eten, pap'', smakt mijn zoon vergenoegd. ,,Hartpatiënten in Afrika zouden er een moord voor doen.''

 

 

 
 
 
 

Woensdag 2 november

De eerste weken na mijn ontslag uit het ziekenhuis deed ik vooral aan zelf-revalidatie. Eerst een rondje om het huis. Toen rond het winkelcentrum. Gaandeweg de hele groenzone op en neer. Daarna haalde ik op eigen kracht de Boulevard. En uiteindelijk liep ik over het strand en door de duinen van Katwijk naar Noordwijk (en terug), voordat de toestemming van de cardioloog om weer voorzichtig op de fiets te stappen een einde maakte aan mijn wandelaspiraties. Sinds deze week doe ik ook officieel aan (hart)revalidatie, bij het Rijnlands Revalidatiecentrum in Leiden, waar bij een eerste fietstest is vastgesteld dat ik inmiddels al op 85 procent zit van wat een gemiddelde, gezonde man van mijn leeftijd en postuur moet kunnen. Nu ook mijn doorgezaagde borstbeen min of meer is geheeld, mag ik hier ook aan gewichten trekken en duwen, onder begeleiding van een team fysiotherapeuten, en snelwandelen op een loopband. Elk sportuurtje begint met twintig minuten trappen op de hometrainer, wat voor mij tamelijk onbevredigend is. Op dagen dat ik 's morgens officieel heb gerevalideerd, stap ik 's middags dan ook - alleen of met een fietsmaatje - nog een paar uur op de racefiets. Als je beter wilt worden dan de 100 procent die in het revalidatiecentrum als de norm geldt, gaat er niks boven zelf-revalidatie.

 

Voor de niet-abonnees, hier mijn tweede krantencolumn uit mijn post-aortaperiode die op 27 oktober in de kranten van HDC Media stond.

 

Hartstikke gek
 

 

Alsof de verwarring na zes dagen coma nog niet groot genoeg is, noemen ze iedereen hier 'nurse': de donkere Beth, met de geblondeerde haren in een gemakkelijke staart, maar ook Alan, een boom van een vent met een kale kop. Op de intensive care van het Universiteitsziekenhuis van Wales buigen beide verpleegkundigen zich over het netwerk van stekkers en leidingen dat uit mijn lijf kronkelt. Voor mijn ogen vormt zich op de schedel van Alan een laag kroeshaar en kruipt er een ingewikkelde Maori-tatoeage door de huid van zijn voorhoofd naar zijn wangen. Beth wordt, van het ene op het andere moment, hartstikke kaal. En ik word gek.


De afdeling intensieve zorg is groot. Zo'n vijftien patiënten liggen er op matrassen die zichzelf in een onvoorspelbaar ritme opblazen of laten leeglopen, aangesloten op knipperende kastjes, kreunende pompen en druppelende infuuszakken. Na de absolute stilte van zes dagen gedrogeerde rust, lijkt het alsof ik wakker ben geworden in een fabriekshal. Mensen en machines piepen en reutelen, en wanneer er ergens een monotone fluittoon klinkt, begint iedereen in een blauw of groen uniform te rennen, worden er met woeste gebaren gordijnen rond een bed geschoven en klinken de opgewonden stemmen van het traumateam dat iemand probeert terug te halen uit de armen van Magere Hein.


Wat doe ik hier?


Vrouw, dochter en zoon hebben het al tientallen keren uitgelegd, maar het valt niet mee om het idee dat zich heeft vastgezet in mijn tot twee keer toe bevroren hersenen weer uit mijn hoofd te praten. Nee, je ligt hier niet omdat je een orgaan moet afstaan om een nichtje het leven te redden. Je aorta is gescheurd. En nee, je hoeft niet nóg een keer te worden geopereerd. Dat is al gebeurd. Je ligt hier al zes dagen. Zes dagen?


De operatiekamer wordt in het Verenigd Koninkrijk aangeduid als 'theatre'. Mijn voorstelling duurde twaalf uur aan één stuk. Ergens op driekwart van dat meeslepende drama, wanneer de chirurg denkt de klus te hebben geklaard maar er ergens toch nog een lek zit, zijn mijn grijze cellen een minuut of tien zonder zuurstof geweest. Daar zal het wel aan liggen, dat ik ze niet allemaal op een rijtje heb.


Op het plafond boven mij draait continu een lichtkrant met merkwaardige sms'jes - haatboodschappen en dreigementen voor mij en mijn dierbaren - of verschijnen plaatjes van doodshoofden en duivelfiguren die mij een plekje in het hiernamaals in het vooruitzicht stellen. En waarom zien alle nurses er opeens uit als getatoeëerde dwergen met een hanenkam? Als ze langs mijn bed lopen, fluisteren ze heimelijk tegen elkaar, wijzen naar die gestoorde Hollander en tikken tegen hun voorhoofd. Aan het eind van de zaal veranderen ze in mijn ooghoeken weer in gewone mensen.


Irritant en beangstigend is het. Pas als ik na acht dagen IC op een gewone ziekenzaal beland, verdwijnen de waandenkbeelden. Er komt een andere realiteit voor in de plaats. Ze handelen hier 's nachts in drugs, vertel ik mijn gezin. Die gozer daar, in dat derde bed naast de deur, bedreigde zijn buurman met een pistool. Hij heeft ook brand gesticht op het toilet, waardoor ik niet naar de wc kon. En weet je dat de helft van de patiënten hier het Welsh afwisselt met gewoon Nederlands? Je kunt ze moeiteloos verstaan. Hé John, zeg eens wat tegen mijn dochter! Ze gelooft me niet!


Een dag later weet ik te melden dat een van de drugshandelaren bij Calais is neergeschoten, nog geen etmaal na zijn ontslag uit het ziekenhuis.
De meeste van die verhalen breng ik zo overtuigend dat mijn dierbaren ze achter mijn rug checken bij de nurses. De uitkomsten, die ze aanvankelijk zorgvuldig voor me verborgen houden, gaan andermaal ten koste van mijn geloofwaardigheid.


Mocht u, beste lezer, daaraan ook beginnen te twijfelen: na zo'n lange narcose schijnt het heel normaal te zijn dat je hartstikke gek wordt.


Het is van voorbijgaande aard.


Eerlijk waar.

 

 
 
 
 

Zaterdag 22 oktober

Exhibitionisme - zoals je het uitventen van je eigen leed wel mag noemen - is beter te verdragen als het wordt opgediend met wat ironie en zelfrelativering, schreef Wilma de Rek een paar weken geleden in De Volkskrant. En dat is ook wat ik poog na te streven in mijn tweets, stukjes voor dit weblog en mijn column in de HDC-dagbladen die - voor mij onvermijdelijk - momenteel vooral gaan over het leed dat gescheurde aorta heet. Na mijn eerste bijdrage in de krant sinds mijn ontslag uit het ziekenhuis, bleek ook dat veel lezers nog geen idee hadden waar ik de afgelopen weken was gebleven. Mijn mailbak stroomde vol met reacties, en niet alleen van 'vrouwen van een zekere leeftijd', zoals mijn dochter mijn lezerspubliek graag mag aanduiden. In die zin was mijn eerste column van afgelopen donderdag ook vooral informatief. Voor alle niet-abonnees in den vreemde of dichtbij, dit is wat mij overkwam:

 

Ysbyty Athrofaol Cymru
 

Het is een wrede vraag aan iemand die zes dagen in coma heeft gelegen. Maar artsen, anesthesisten en verpleegkundigen die met me hebben geworsteld op de intensive care van het Universiteitsziekenhuis van Wales willen hem toch gesteld hebben op de dag dat ik na een wonderbaarlijke opstanding weer naar huis mag. ,,Weet je nog wie ik ben?''


Van alle manieren om de vakantie met een paar weken te verlengen, koos ik een bijzondere. Nou ja, koos... Ik had er weinig invloed op dat in de ochtend van 10 augustus de binnenste laag van mijn aortawand van boven tot beneden afscheurde en ook nog ergens een hartklep en wat aderwerk meenam. Te hard gefietst, te wild geleefd? Het zal ongetwijfeld, maar het meest waarschijnlijk is toch een genetisch defect.


Wat wél voor me pleit is dat ik een uitgelezen plek heb uitgezocht om tegen een levensbedreigende aandoening op te lopen. Een dag ervoor sjouwde ik nog met een rugzak door de Brecon Beacons, een nationaal park waar eerstehulpposten dun zijn gezaaid. En de eerste twee weken van onze vakantie in het Verenigd Koninkrijk brachten we door op campings in wat ze daar 'the middle of nowhere' noemen. Ze bestaan nog, in het Verenigd Koninkrijk: plekken waar je eerst een kwartier met de auto moet rijden voordat je gsm-bereik heeft. Nu staan we aan de rand van Newport, een havenplaats in Wales, waar de vrouw van onze campingbaas negen jaar op een intensive care heeft gewerkt, de ambulance binnen een kwartier het terrein op stuift en het plaatselijke ziekenhuis een trauma-afdeling heeft waar ze een behoorlijke diagnose kunnen stellen.


Ook het tijdstip van mijn wat in medische termen een aortadissectie heet, heb ik goed gekozen. Waar zo'n scheuring zich hoort aan te dienen met een hevige pijn op de borst, ga ik zonder enige waarschuwing vooraf genoeglijk snurkend onderuit in bed. Niet om één uur 's nachts, als mijn geronk tot de natuurlijke geluiden in onze caravan wordt gerekend, maar om negen uur in de ochtend als mijn echtgenote - die even naar het toiletgebouw is - me al na een paar minuten bewusteloos vindt.


De afwezigheid van normale symptomen brengt ook de twee ambulancebroeders in de war. Meestal weten ze binnen drie minuten wat iemand mankeert, maar nu tasten ze in het duister. Hartaanval? Beroerte? Dat hun apparatuur in de beschermende constructie van de caravan niet goed werkt, helpt ook niet. Twee uur en een echo van de borststreek later, weten ze het in het ziekenhuis van Newport wel. De trauma-arts stuurt me door naar de enige plek in de wijde omtrek waar ik kan worden geholpen: het University Hospital of Wales (in goed Welsh: Ysbyty Athrofaol Cymru), zo'n tien mijl verderop, dat één van de beste hartafdelingen van het land heeft.


Wat ook pleit voor mijn timing: de vermaarde Zuid-Afrikaanse professor Ulrich von Oppell - the boss, voor zijn personeel - heeft weliswaar geen dienst, maar kan voor dit bijzondere klusje van huis worden opgeroepen. Hij begint om drie uur in de middag met een twaalf uur durende ingreep die mijn dochter op Twitter aan haar volgers als volgt omschrijft: ze openen zijn borst, stoppen zijn hart, sluiten hem aan op de hart-longmachine, koelen zijn hersenen tot 18 graden en proberen de schade te repareren en de aorta te vervangen.


Meer dan een ijzeren gestel heb ik niet in te brengen tijdens de gecompliceerde operatie en de zes dagen dat ik alleen uit narcose wil bijkomen om alle slangen die me in leven houden uit mijn lijf te trekken. Mijn overlevingskans ligt dagenlang een behoorlijk eindje buiten de gangbare prognoses.
Dat verklaart in elk geval de opluchting in de stemmen van het IC-personeel dat mij een handje komt geven voordat ik na drie weken ziekenhuis terugvlieg naar Nederland.


,,Hé, weet je nog wie we zijn?''


Ik heb werkelijk geen idee.


Maar zonder jullie was ik er niet meer geweest.

 

 
 
 
 

Vrijdag 7 oktober

Met wielrennen had het nog weinig te maken, maar nog geen acht weken nadat mijn aorta scheurde en zeven weken nadat ik in een ziekenhuis in Wales uit een coma ontwaakte, zat ik weer op mijn Trek Madone. Gekkenwerk, vond mijn eega, die nog steeds denkt dat iemand op een racefiets zijn hoofd op het stuur legt, de ogen naar binnen draait en niet rust met het op de trappers stampen totdat hij bloed opgeeft. En, toegegeven, zo gaat het er bij mijn fietsclubje ook vaak aan toe. Maar op een racefiets kun je ook rustig rijden, genietend van de omgeving en van je soepel lopende karretje van carbon, waarbij de hartslagmeter van de Garmin nauwkeurig aangeeft wanneer je de grens van de 'piekbelasting' - die ik van de cardioloog nog niet moet opzoeken - hebt bereikt. Zo'n genoeglijk rondje Katwijk-De Zilk heb ik erop zitten en het voelde goed en vreemd tegelijk. Vreemd omdat ik al na 14 kilometer bij het keerpunt in de duinen het gevoel in mijn bovenbenen had dat ik normaal boven de 200 kilometer krijg: alsof alle kracht er langzaam uitloopt. Dat doen de liters antibiotica die ze drie ziekenhuisweken lang in me hebben gepompt, kennelijk met het spierstelsel van een mens. Op dit eerste ritje - dat ze me natuurlijk niet meer afnemen - zullen er nog vele moeten volgen voordat alle chemische troep uit mijn lijf is.

 
 
 
 

Maandag 3 oktober

Voor iemand van wie zeven weken geleden de aorta is gescheurd en die pas zes weken is bijgekomen uit een coma, zit ik er bij als een goudhaantje. De cardioloog constateert het met een zekere verbazing, nadat hij bij binnenkomst in zijn spreekkamer al heeft benadrukt dat ik 'heel, heel veel geluk' heb gehad. Mijn gebruikelijke 'Geluk dwing je af' laat ik maar achterwege. Hier past even geen luchtigheid. Mijn lichaam heeft er bovendien hard genoeg voor gewerkt. Een vriend die me de eerste week na mijn ontslag uit het ziekenhuis thuis opzocht, sms't dat hij nog steeds het beeld op zijn netvlies heeft van het 'vermagerde wrak' dat ik toen was. Vooral de afgelopen drie weken ben ik met sprongen vooruit gegaan. Het wandelrondje van een paar honderd meter rond mijn huis heb ik inmiddels uitgebreid tot tochten van 8 tot 10 kilometer, er zit weer een paar kilo meer vlees op mijn botten en mijn door voedingstubes veroorzaakte krakende stemgeluid is ook weer zo goed als normaal. Mijn borstbeen doet alleen nog pijn als ik kuch of nies, wat door een chronische verkoudheid overigens vaker gebeurt dan mij lief is. De cardioloog hoeft me, na bestudering van een echo en een ECG, pas over een half jaar weer terug te zien. Hij draagt me voorlopig even over aan het 'Marfan-team' van het LUMC, dat gaat uitzoeken hoe het komt dat mijn aorta spontaan in tweeën scheurde en of dit waarschijnlijk iets te maken heeft met het Syndroom van Marfan waaraan ik zou kunnen lijden. Ondertussen mag ik 'alles' weer, behalve bungeejumpen, diepzeeduiken en parachute springen. Dat wil niet zeggen dat ik alles meteen al weer kán. Door de ingrijpende operatie, de langdurige periode onder narcose en de vele liters antibiotica die daarna in me zijn gepompt, is mijn conditie ernstig aangetast. Daar helpen drie weken stevig doorstappen op het niveau van een krasse zeventiger nog maar weinig aan. Bij alles wat ik de komende periode ga doen om daar verandering in te brengen - ik denk vooral aan: veel fietsen - moet ik voorlopig 'piekspanningen' vermijden. Bij het Rijnlands Revalidatiecentrum in Leiden gaan ze mijn hart en aorta onder begeleiding weer laten wennen aan de condities die me ergens volgend jaar met de racefiets bovenop de Mont Ventoux moeten brengen. Maar dat is een droom. Voorlopig nog even niks tegen de hoofdzuster zeggen... 

 
 
 
 

 

Als je zelf een tijdje verstek laat gaan met je krantencolumn, gaat je dochter met het onderwerp aan de haal. Haar column stond op woensdag 22 september op de Wetenschapspagina van het Leidsch Dagblad.

 

 

Nacht

 

Het is de vreemdste nacht van mijn leven. Vijf mensen (mijn moeder, broertje, oom, tante en ik) waken in een klein kamertje in The University Hospital of Wales in Cardiff. Mijn vaders hart klopt niet meer. Ergens op de Cardiac Thoracic Intensive Care probeert een chirurg zijn leven te redden. Iedereen slaapt en de wereld is gekrompen tot slechts dit vertrek, met vier stoelen, een bank en drie lelijke schilderijen.

 

Mijn vaders hart staat stil en zijn hersenen zijn gekoeld om ze te beschermen tegen schade. De Engelsen gebruiken voor de operatiekamer het woord ‘theatre’. Dat roept bij mij een beeld op van kunst, van schoonheid, van spektakel. Misschien is de man die mijn vaders aorta repareert ook wel een kunstenaar. Dat moet nog blijken.

 

De televisie wordt overstemd door een stemmetje in mijn hoofd dat fluistert: ,,Mijn vader is aan het doodgaan.” De tijd speelt een wreed spelletje met ons. Het is alsof we gestraft worden voor elk moment dat we ooit verspild of niet genoeg gewaardeerd hebben. Op 10 augustus 2011 om negen uur ‘s ochtends is mijn vader onwel geworden en zes uur later lag hij op de operatietafel. Na een onrustige middag op de camping waar we onze vakantie vierden, zijn we teruggegaan naar dat benauwde kamertje dat toen de hele wereld werd.


Om half drie ’s nachts stapt er een verpleegster binnen. Vier van ons staan op, mijn broertje slaapt nog op de bank. Ze zegt dat mijn vader over een half uur uit de operatiekamer komt en vertrekt weer. We blijven in verwarring achter. Mijn tante kijkt naar mij, want in momenten van wanhoop lijkt iedere Geneeskundestudent een expert: ,,Betekent dat dat zijn hart weer klopt?” Ik weet het niet. Toch antwoord ik: ,,Ja. Ja, ik denk het wel. Zijn hart klopt weer.” En het kleine beetje hoop dat nog door de lucht zweefde, verwarmt ineens de hele kamer.

 

Na twaalf uur opereren komt de chirurg zelf. We houden onze adem in. Pure stilte, daarna de belangrijkste woorden die ik ooit gehoord heb: “He’s alive.”


We mogen naar hem toe. Mijn vader ligt op de Intensive Care in een kunstmatig coma aan de beademing. Door het koelen van zijn hersenen heeft hij het koud en rilt hij. Ik bedenk me hoe geweldig menselijk het is, om te rillen. Hoe alleen de levenden het koud kunnen hebben.

 

Om half vier ’s nachts verlaten we het ziekenhuis. Met elke stap die we lopen, wordt de wereld weer een beetje groter. Het kleine stemmetje in mijn hoofd schreeuwt nu onophoudelijk en ik kan alleen maar luisteren: ,,Mijn vader leeft nog!”

 

 
 
 
 

Ja, ze bestaan: webloglezers en krantenabonnees die op eigen houtje op zoek gaan naar het antwoord op het mysterie: waar is Dick van der Plas gebleven? Om hun zoektocht wat te vergemakkelijken, hieronder wat

Veelgestelde vragen

Waarom eindigt het verslag van je vakantie abrupt op dinsdag 9 augustus en ontbreekt sinds die tijd ook je column in de krant?

- Op woensdag 10 augustus, ergens tussen 8 en 9 uur in de ochtend op de camping in Newport (Wales), scheurde en splitste mijn aorta. En niet zo kinderachtig ook: de scheur liep van de hartklep, via de aortaboog naar een groot deel van de afdalende aorta. Ik lag op bed te lezen in de caravan, mijn vrouw was naar het toiletgebouw en mijn zoontje vond dat ik opeens wel erg rare snurkgeluiden begon te maken. Toen mijn wederhelft terugkwam van de douche, was ik al bewusteloos.

 

Voel je dat niet aankomen, zo'n scheurende aorta?

- Soms wel, in de vorm van hevige pijn op de borst. Maar ik had, waarschijnlijk door mijn legerervaring, nergens last van. Ook in de dagen en weken ervoor niet. Op dinsdag liep ik nog met volle bepakking een berg op in een afgelegen deel van de Brecon Beacons. Als daar de aorta zich had gesplitst, had ik het waarschijnlijk niet kunnen navertellen.

 

Waarom dan nu wel? Een gescheurde aorta pompt toch binnen drie minuten al het bloed uit je lijf?

- Die van mij scheurde relatief gunstig: op een zodanige manier dat er eigenlijk twee pijpen ontstonden, waarbij de één de ander dichtdrukte. Daardoor werd ik niet meteen leeggepompt.

 

Nog meer mazzel?

- Jazeker. Dat ik dus snel door mijn gezin werd gevonden, waardoor er binnen een kwartier een ambulance op de camping stond. En dat in het ziekenhuis van Newport - waar ik eerst werd heengebracht - een goede diagnose werd gesteld en dat ze door hadden dat er maar één plek in de buurt was waar ik kon worden geholpen: het universiteitsziekenhuis van Cardiff, een kilometer of tien verderop. Daar had ik ook nog eens het geluk dat professor Ulrich von Oppell - een Zuid-Afrikaan en een wereldvermaarde hartchirurg - kon worden opgeroepen om mij weer op lappen.

 

Geen eenvoudig klusje, dus?

- Von Oppell is er 12 uur mee bezig geweest. Hij repareerde niet alleen mijn aorta, maar en passant ook nog een meegescheurde hartklep. Mazzel was ook dat ik - door de vele duizenden kilometers die ik had gefietst voor La Marmotte - in topconditie was, en nooit had gerookt. Anders was het alsnog misgegaan. Na de operatie heb ik zes dagen in coma gelegen en daarna nog eens twee dagen bij bewustzijn op de intensive care, voordat ik naar een ziekenzaal mocht. Op donderdag 1 september kreeg ik toestemming om naar huis te vliegen. Mijn vrouw is al die tijd bij me gebleven - ze kon na in totaal bijna 7 weken in de sleurhut geen caravan meer zien - de kinderen vlogen anderhalve week eerder dan ik naar huis, omdat de school van mijn zoon weer begon. Er zijn geregeld vrienden en familieleden overgekomen om mijn echtgenote gezelschap te houden en mij een beetje afwisseling op de bezoekuren te bezorgen. 

 

Weer helemaal beter?

- Nou, wel gerepareerd, maar nog niet meteen het ventje. Het revalideren duurt een aantal maanden en in het Leids Universitair Medisch Centrum wordt de komende tijd ook bekeken hoe het kwam dat ik zo'n extreem dunne aorta had en word ik ook gecontroleerd op eventuele andere zwakke plekken rond hart en bloedvaten. Maar uiteindelijk hoop ik dat ik er beter uit kom dan ik was. Het gaat nu al elke dag een beetje beter: ik hang uren voor de tv, wandel weer (momenteel al een uur), maar krijg na een half uur voor de computer zwarte vlekken voor mijn ogen. Er zijn ook wat operatiewonden die nog niet helemaal zijn geheeld.

 

Wanneer ga je weer aan het werk?

- Zodra ik groen licht krijg van de cardioloog. Maar ik verwacht zelf niet voor november. Wel wil ik in de loop van oktober weer beginnen met mijn wekelijks column. Als ze me bij de krant nog als columnist willen hebben, tenminste..

 

Hoe kan ik nog een beetje op de hoogte blijven van het ziekteverloop?

In elk geval via mijn twitter-account: http://twitter.com/#!/dickvanderplas.

 
 
     
     
     
  Weer naar boven op deze pagina  
     
  Naar de rest van het wielerseizoen 2011  
     
  Naar het wielerseizoen 2010  
     
  Naar het wielerseizoen 2009  
     
  Het verslag van de Dolomietenmarathon staat hier.