De laatste
alinea van deze column over pril geluk in onze
achtertuin, kwam mij op een vermanende brief van de
vogelbescherming te staan. Gelukkig kon ik naar eer en
geweten zeggen dat ik het eind van dit stukje een beetje
naar mijn hand heb gezet. Lees zelf maar in:
Stukjes
tikken is mijn vak, maar fietsen doe ik voor de lol. De
meeste kilometers draai ik in de Duin- en Bollenstreek,
maar enkele keren per jaar ben ik op trainingskamp bij
mijn rentenierende vriend in Jalón, Costa Blanca, of
elders in Europa aan het trappen. Op deze site
verslagen van trainingsritjes, officiële toertochten en
vakantietrips. Want stukjes tikken over fietsen doe ik
ook voor de lol.
Pretvaderen
is het centrale thema van een column die ik wekelijks
schrijf voor de dagbladen van HDCmedia (Noordhollands
Dagblad, Haarlems Dagblad, IJmuider Courant, Leidsch
Dagblad en Gooi en Eemlander). Maak op deze site,
behalve met wielrennen, ook kennis met een
prettige kijk op het vaderschap.
Naam:
Dick van der Plas Leeftijd:
50
Woonplaats: Katwijk
Programma 2011
Maart:
12 maart Witte Kruis Classic, Den Haag
19 maart Joop Zoetemelk Classic, Leiden
April:
2 april Rabo Bergtoer, Ochten
23 april Ronde van Noord-Holland, Oostzaan
26 -30 april
Trainingskamp Spanje
Mei:
1 mei Elfdorpentocht, Stompwijk
15 mei Abdijentocht La Trappe
29 mei Jean Nelissen Classic, Vianden (Luxemburg)
Juni:
4 juni Waalse Pijl, Spa
(Belgie)
Juni/Juli:
26 juni-2 juli Marmotteweek, Bourg d’Oisans
(Frankrijk)
Augustus:
Vakantie
(Cornwall
en Wales)
20 aug
Mergerllandroute
September:
Fietsweekend
Vlaanderen (HTWV)
Oktober:
Herfstmountainbiken
in Leersum
November:
Rabo Beach Challenge,
Scheveningen
De helende
buis
Maandag
16 januari 2012
Zonder de medische staf, mijn gezin en
dat fantastische me lijf van me tekort te doen, heb ik
tijdens mijn herstelperiode veel steun gehad aan de
kijkbuis. Geen betere manier om tot rust te komen dan
beeldvullend vermaak, waarbij het uiteraard wel nauw
luistert wát je precies kijkt. Dat mag blijken uit de
column die ik op 22 december schreef voor de dagbladen
van HDCmedia.
Stomme natuurfilm
De wreedheid van de natuur lijkt verpakt in een
dolletje. Vijf orka's zwemmen op hun gemakkie, half
boven water, naar een drijvende ijsplaat waarop een
zeehondje ligt te zonnebaden. Vlak voor de schots duiken
ze synchroon onder en geven het wateroppervlak nog een
flinke klap met de staart mee. De golf die hierdoor
ontstaat spoelt het knuffeldiertje het water in, waar
het door de killer whales bij zijn staart wordt gepakt
en naar de diepte gesleurd om daar - niet
noodzakelijkerwijs in deze volgorde - te verzuipen en te
worden opgevreten. ,,Mooi hè'', verzucht ik tegen mijn
nazaten, die ik voor dit tafereel uit 'weer zo'n stomme
natuurfilm' kortstondig naar de tv heb gelokt.
Vanwege
een akkefietje met een aorta, bracht ik de afgelopen
maanden een meer dan gemiddeld aantal uren voor de
kijkbuis door. Van lezen kreeg ik vlekken voor mijn
ogen, computeren was misselijkmakend en gesprekken
langer dan een kwartier - ongeacht met wie, dus het is
niks persoonlijks - deden het zweet in straaltjes langs
mijn rug lopen. Het enige wat mijn hersens konden
absorberen was pretentieloos vermaak.
What's new?, mag mijn dochter graag zeggen.
Pas na twee weken in het universiteitsziekenhuis van
Wales ontwaakt de interesse voor de tv boven mijn bed.
De amputatie van mijn iPhone en laptop - normaal een
verlengstuk van mijn lijf - heb ik zonder
noemenswaardige bijwerkingen ondergaan. Maar de
slapenloze uren kom ik via het Engelse retro-kanaal Dave
graag door met George & Mildred en, vooral, Friends.
Eenmaal thuis krijg ik van een nakomeling alle seizoenen
van deze beste sitcom ooit op een harde schijf
aangeleverd en kijk ik per etmaal tussen de 8 en 12
afleveringen, totdat ik ze alle 250 heb gezien.
Zwaardere kost, zoals de Deense serie The Killing 2, kan
ik niet langer dan een uurtje per dag verteren.
Een smartelijk ziekbed is niet alleen handig om
pensioenuitdraaien en verzekeringspapieren uit te zoeken
- mijn eega is bovenmatig geïnteresseerd in een antwoord
op de vraag of een eventuele uitvaart (het hoeft
noodzakelijkerwijs niet die van mij te zijn, natuurlijk)
wel is gedekt - maar ook om de dichtgeslibde harde
schijf van de dvd-recorder leeg te kijken. Na Friends en
The Killing 2 zie ik alle episodes van Downton Abbey,
voordat ik begin aan een ander mega-project: Spooks, een
BBC-serie over Sectie D van de inlichtingendienst MI5.
De eerste drie seizoenen krijg ik in een box van mijn
zwager en schoonzus cadeau, de andere - er zijn er tien
- steel ik van het internet, inclusief Nederlandse
ondertiteling met in elke zin drie gruwelijke
spelfouten. Inmiddels zijn we aan seizoen 8. Spooks is
een serie waarin je je niet teveel moet hechten aan de
hoofdrolspelers. Iedereen gaat dood. Maar er komen
altijd weer nieuwe, die ook worden vermoord - of
anderszins uit de reeks geschreven - zodra je aan ze
gehecht bent geraakt.
Als ik mezelf wil ontdoen van meekijkers - het genre is
in mijn gezin niet populair - tover ik een natuurfilm te
voorschijn. Liefst eentje met het steeds trager wordende
commentaar van de inmiddels 85-jarige Sir David
Attenborough. Mijn dvd-recorder heeft meegelopen tijdens
de uitzendingen van de op BBC1 uitgezonden reeks Frozen
Planet, veel beter dan met de stem die de EO voor de
Nederlandse markt heeft ingehuurd.
Mooi aan Frozen Planet is het weergaloze geduld en de
techniek waarmee cameralieden je posteren tussen op
elkaar inbeukende walrussen en zichzelf in slow motion
uit het water lancerende pinguïns. Attenborough ontsluit
continenten die voor mij - met m'n caravan - voor altijd
onbetreden gebied blijven. Nou ja, met uitzondering dan
van de beelden van de geboorte van twee jonge
ijsbeertjes, waarvan onlangs door The Daily Mirror werd
onthuld dat die zijn gemaakt in Ouwehands Dierenpark in
Rhenen.
Daar ben ik al eens geweest.
Eerder deze maand
Woensdag
4 januari 2012
Het invitatiebeleid is na twee maanden
nog altijd een beetje ondoorzichtig voor me, maar dit
zou zomaar eens mijn laatste week in het
revalidatiecentrum kunnen zijn. Maandag had ik weer een
fietstest en komende vrijdag een uitslaggesprek met de
arts, maar aangezien dit al voor de derde keer is,
verbaast het me ook niet als donderdag weer het
trainingsschema voor de volgende week in mijn brievenbus
ligt. Het revalidatiecentrum heeft me inmiddels
klaargestoomd tot 102 procent van wat een man van mijn
leeftijd en gewicht - en zonder hartkwaal of gescheurde
aorta - zou moeten kunnen. Dat vindt de Nederlandse
gezondheidszorg wel genoeg. Als ik zo nodig 200 of 300
procent moet worden, doe ik dat maar in mijn eigen tijd.
En op mijn eigen kosten.
Over mijn herstelproces schreef ik op 15
december 2011 de volgende column in de dagbladen van
HDCmedia:
Revalideren kun je leren
Normaal
ben ik niet van het gluren naar decolletés, net zomin
als ik in mijn eerste leugentje ben gestikt. Maar het
klinische feit dat de Oostenrijkse gleuf van de mevrouw
in het zwarte, laag uitgesneden kruippakje tegenover me
vrijwel doorloopt tot aan haar eva's appel, intrigeert
me buitengewoon. Het zijn geestdodende minuten, op de
hometrainers van het revalidatiecentrum waar de mij
onbekende dame en ik ons trainingsschema afwerken.
De eerste weken na het oplappen van mijn gescheurde
aorta, deed ik vooral aan zelfhulp. Beetje wandelen,
stukje fietsen, steeds langer en verder, totdat ik daar
volgens mijn omgeving in begon door te slaan. Zolang
mijn opengezaagde borstbeen niet was geheeld, wilden ze
me bij de officiële instanties niet eens zien.
In
mijn zomaar wat aanmodderen-aanpak vond ik steun in het
Handboek voor Hartpatiënten dat ik van het ziekenhuis in
Wales had meegekregen. Het beschrijft van week tot week
welke handelingen ik wel (licht huishoudelijk werk) en
welke ik uitdrukkelijk niet mocht verrichten (het duwen
van afgeladen supermarktkarretjes), waarbij omvang en
aard van de inspanningen mij aanvankelijk deed vermoeden
dat mij abusievelijk de feminiene versie van dit
standaardwerk was overhandigd. Maar mijn eega bezwoer
mij, met de stofdoek in haar uitgestrekte hand, dat dit
niet het geval was.
Mijn eerste ervaringen met het revalidatiecentrum waren
enigszins teleurstellend. Van het sportjournaal herinner
ik mij beelden van een Ruud van Nistelrooij, een Arjan
Robben of een Robert Gesink die onder persoonlijke
begeleiding van een fysiotherapeut negen uur per dag aan
hun conditie werkten. Daar staken de 25 minuutjes die ik
met 75 watt op de hometrainer mocht doorbrengen,
magertjes bij af, zeker voor iemand die met zijn
fietsmaatjes net nog 80 kilometer in 2,5 uur had
weggetrapt. Ook het gewichtencircuit dat daarna kwam,
moest ik als 'tamelijk licht' op de Borgschaal
kwalificeren. Maar mijn verwachting dat ik vervolgens in
no time naar 'zwaar' of 'erg zwaar' zou worden
bevorderd, is voorlopig nog niet bewaarheid.
Op de hometrainer heb ik inmiddels de trapweerstand naar
100 watt zien opgeschroefd, maar verder word ik hier nog
steeds behandeld als iemand die vier maanden geleden een
zware openhartoperatie heeft ondergaan.
Gehoorzaam vervoeg ik me twee keer per week bij wat ik
in snaakse tweets 'Sportschool Bijna Dood' ben gaan
noemen. Vrijwel iedereen die op de hartrevalidatie zijn
oefeningen afwerkt, heeft tenslotte Magere Hein voor
korte of langere tijd in de ogen gekeken. Of is van een
dusdanige leeftijd en lichamelijke gesteldheid dat dit
niet lang meer op zich zal laten wachten.
Mijn ritjes naar Nergenshuizen op de hometrainer en naar
niets leidende gestrompel op de loopband worden
afgewisseld met een bezoek aan de zaal, waar ik kennis
neem van bogo- en tamponbal, waarbij we met levensgrote
wattenstaafjes achter een balletje aanrennen. Voor de
oudere kijkers: met mijn wielerconditie voel ik me als
Joop Zoetemelk in een aflevering van Sterrenslag.
Het sporten wordt afgewisseld met
voorlichtingsbijeenkomsten over het leven na hartfalen,
gezonde voeding en bewust ademhalen, vooral bedoeld om
bij mij het kwartje omlaag te laten dwarrelen ( van
vallen kun je nog niet spreken) dat ik radicaal tot een
andere doelgroep ben bekeerd.
Daartoe bereiken mij ook andere signalen.
Als de mevrouw in het zwarte, laag uitgesneden
kruippakje in Sportschool Bijna Dood van haar fiets
komt, zitten toevallig ook mijn 25 minuten op de
hometrainer erop. Haar indrukwekkende decolleté dat van
haar borsten eindeloos naar boven kruipt, blijkt van
dichtbij te bestaan uit net zo'n litteken als bij mij
van de navel tot aan de adamsappel loopt.
Welkom bij de club, mompel ik.
Maandag
19
december
Geen ziekte zo vreemd, of er is wel
een website voor. Kijk maar eens op
www.marfansyndroom.nl. Nee, hij stond ook niet bij
mijn Favorieten, maar sinds ik met mijn gescheurde aorta
de verdenking op me heb geladen dat ik aan deze
aandoening lijd, leg ik er een meer dan gemiddelde
belangstelling voor aan de dag. Dát ik het heb, is nog
niet vastgesteld. Momenteel zit ik in de medische
mallemolen, wat onder meer inhoudt dat ik word
onderzocht op uiterlijke kenmerken, door de MRI-scan ga,
een familiestamboom moet opstellen (Marfan is erfelijk),
bloed afsta voor DNA-onderzoek en een oogarts bezoek.
Een aantal van deze onderdelen heb ik inmiddels
afgewerkt, waarbij artsen van de Polikliniek Klinische
Genetica van het LUMC in elk geval hebben vastgesteld
dat ik geen uiterlijke kenmerken van het Marfansyndroom
vertoon. Waarom dat goed nieuws is, leg ik - op deze
plek ook voor niet-abonnees - uit in de column die op 8
december in de dagbladen van HDCmedia stond.
Je zal het
maar hebben
Ze is een beetje (WAT ZEG IK, EEN BEETJE?) doof, maar
had net zo goed blind kunnen zijn, zo trefzeker vindt
mijn moeder haar weg in het labyrint van zerken op
begraafplaats Duinrust. Hier zet ze een bloempot recht,
daar veegt ze met haar zakdoek een vogelpoepje van een
steen. In striemende hagelbuien lopen we van Grote Piet
naar Kleine Piet en van Dick naar Dirk. Haar ouders
hebben voor de naamgeving van hun kinderen nooit de
originaliteitprijs gekregen. Mijn moeder heet Pietje.
Genealogen heb ik altijd ingedeeld bij verzamelaars van
sigarenbandjes en de streepjescodes van rollen
maandverband, maar nu ben ik zelf gedwongen tot
stamboomonderzoek. Om te achterhalen waarom een gezonde,
sterke, sportieve en niet onknappe kerel als ik opeens
een gescheurde binnenwand van de aorta oploopt, moet ik
mijn familie in kaart brengen. Ik zou wel eens kunnen
lijden aan het - erfelijke - Syndroom van Marfan. Als
een eerste stap naar die nog niet zo eenvoudige
diagnose, heeft de Polikliniek Klinische Genetica mij
een 'Vragenlijst onderzoek bindweefselaandoeningen'
toegestuurd.
Van
Marfan weet ik inmiddels dat er in heel Nederland zo'n
1500 mensen zijn met die aanduiding in hun elektronisch
patiëntendossier. Het wordt veroorzaakt door een mutatie
in het fibrilline-1 gen (?) en symptomen zijn een
geleidelijk toenemende verwijding van de grote
lichaamsslagader (aorta), stoornis aan de hartkleppen,
maar ook bijziendheid en het loslaten van het netvlies,
naar verhouding lange armen en benen en nog zowat van
die narigheid, waarvan bij mij persoonlijk in elk geval
de uitzakking van de vagina en de daarmee verbonden
orgaanstructuren kan worden uitgesloten.
Je hoeft niet alle symptomen te hebben om als Marfan te
worden gediagnosticeerd. Als ik het heb, verkeer ik in
het beroemde gezelschap van Abraham Lincoln, Sergej
Rachmaninov, Michael Phelps en Amenhotep IV, een farao
van de 18e Dynastie in het Oude Egypte. Wikipedia maakt
geen reclame voor deze heerser: ,,De jonge farao is
afgebeeld met een grotesk uiterlijk. Daarin heeft hij
een kalebasvormig hoofd, een zeer lange dunne nek,
spleetogen en uitpuilende lippen. Verder is hij
toegerust met vreemde, vrouwelijke gelaatstrekken. Een
mogelijke verklaring zou kunnen zijn dat Amenhotep leed
aan het befaamde Marfansyndroom.''
Je zal het maar hebben, likkebaardt Sophie Hilbrand bij
BNN.
In mijn familie komen ook gedrochten voor, maar een
combinatie van deze kenmerken heb ik nog niet bespeurd.
Niettemin is de Polikliniek Klinische Genetica
geïnteresseerd in aan mij verwante types met opvallende
lengte, rare skeletkenmerken, huid- en oogafwijkingen
en/of hart- en vaatproblemen, zoals een gescheurde
aorta.
De meeste hoofdbrekens kost mij de pagina's waarop ik al
mijn ooms en tantes (zowel mijn vader als mijn moeder
hadden ieder tien broers en zussen) in kaart moet
brengen. De data van mijn vaders kant vind ik terug in
de Statenbijbel die hij van mijn opa heeft geërfd. Voor
de resterende gegevens ben ik afhankelijk van
veldonderzoek op de plaatselijke begraafplaats Duinrust,
waar vrijwel alle broers en zussen van mijn moeder
inmiddels liggen. Bij elke steen noteer ik geboorte- en
sterfdatum in de vakjes van mijn Klinische
Genetica-formulier. Jammer dat er geen doodsoorzaken en
opvallende lichamelijke kenmerken in het marmer worden
gekerfd. Dan was ik meteen klaar geweest.
Tot nog toe ben ik alleen bij twee neven, zoons van één
oom, op vaatproblemen gestuit. Bij de één is tijdens een
routineonderzoek een verwijde aorta vastgesteld, de
ander is gestorven aan een gescheurde halsslagader.
,,Zullen we ook nog even langs zijn graf lopen?'', stelt
mijn moeder gretig voor.
Ik kijk naar de lucht, die weer een hagelbui aankondigt,
en dan op mijn formulier.
,,Nee, laat maar zitten. Daar is toch geen vakje meer
voor.''
Maandag
12
december
Veel meer dan dat ik wat 'souvenirs uit
Wales' in mijn borstkas had, wist ik eigenlijk niet in
de weken dat ik herstelde van mijn aortadissectie. Een
goed gesprek met mijn chirurg zat er niet meer in, toen
ik zes dagen na de operatie bijkwam uit de narcose. Hij
had inmiddels wel wat anders aan zijn hoofd. En het
stond - weliswaar in onnavolgbaar medisch Engels - toch
allemaal op papier? Pas terug in Nederland kreeg ik in
de gaten dat in feite de complete aortaboog is
vervangen, door iets wat voornamelijk uit teflon is
gemaakt. En zo zitten er hier en daar nog wel wat
stukjes kunststof, waarvan aard en omvang mij
vermoedelijk pas gewaar worden bij een toelichting op de
MRI-scan die ik vorige week onderging. Het menselijk
lichaam als een machine waarin je naar hartenlust
onderdelen kunt vervangen - ik was vroeger een groot fan
van
Lee Majors - inspireerde mij in elk geval al wel tot
het volgende krantenstukje, dat op 1 december in de
dagbladen van HDCmedia stond.
Man van Zes Miljoen
Achter zijn bureau verandert de cardioloog in het
reclamemannetje dat een onwillige crediteur door de
telefoon toeroept: ,,Dan verkoop je toch gewoon je
boot?'' Niet mijn luxe jacht is het gespreksonderwerp,
maar zijn vaste overtuiging dat ik mijn verdere leven
aan de bètablokkers vastzit. Het zinnetje waarmee hij me
recht overeind in mijn stoel krijgt, luidt: ,,Dan fiets
je toch gewoon wat minder hard?'' Dat had hij nou niet
moeten zeggen.
Nadat
bij mij was ingedaald door welk lichamelijk onheil ik
was getroffen, ben ik er een tijdje vanuit gegaan dat
een gescheurde aorta net zoiets is als een gebroken
been. Een mechanisch gebrek dat, eenmaal gerepareerd, je
verder niet meer belemmert in je functioneren.
Integendeel, zelfs. Net als de Man van Zes Miljoen zou
ik met mijn nieuwe, bionische onderdelen beter, sneller,
sterker zijn dan ik ooit was. Zo'n teflonpijp en
aanverwant plastic aderwerk gaan langer dan een leven
mee.
Voor mijn gezinsleden hul ik mij in het ziekenhuisbed
nog in een gewaad van redelijkheid en berusting. Bij de
fietsclub hoef ik niet meer zo nodig mee met de
testosteronmannetjes van de A-groep. Er zijn ook
toerrijders: oudere, wijze kerels, die niet alleen op
hun rijwiel stappen om zich het snot voor de ogen te
rijden, maar onderweg ook genieten van een goed gesprek
en van de omgeving meer zien dan de zoevende bandjes van
hun voorgangers. Dat gaat helemaal mijn groep worden.
Maar zodra ik weer op het zadel zit, is alles erop
gericht om weer helemaal 'normaal' te zijn. Mijn
therapeutische fietstochtjes worden elke week tien
kilometer langer, totdat ik op zondagmorgen weer met een
peloton meerijd dat door het mistige polderlandschap 80
kilometer wegtrapt. Ik laat me enthousiast maken voor
trainingskampen in Spanje en rond de Mont Ventoux,
schrijf alvast in voor de Jean Nelissen Classic in
Luxemburg en verwacht elk moment de bevestiging van de
organisatie van de Amstel Gold Race dat ik ben ingeloot
voor de versie van 250 kilometer.
Als ik eerst maar van die verrekte bètablokkers af ben.
Die verlagen niet alleen mijn bloeddruk, maar vertragen
de hartslag bij inspanning met 30 tot 40 slagen per
minuut en zorgen ervoor dat ik bij elke tempoversnelling
of bult in het landschap mijn benen voel verzuren. Net
zoals ik bovenaan de trap nog steeds sta na te hijgen
van de beklimming en op een trainingsritje halverwege
een keer moet afstappen omdat ik duizelig word.
Allemaal de schuld van de bètablokkers.
Weg met die dingen.
,,Als je maar lang genoeg zeurt bij jouw cardioloog,
krijg je vast wel een alternatief medicijn met minder
beperkingen'', zegt de arts van het revalidatiecentrum,
niet toevallig zelf ook een hartspecialist. ,,Daarom ga
ik niet jouw cardioloog bewerken, maar probeer ik jóu
ervan te overtuigen dat je bètablokkers moet blijven
slikken.'' Hij schiet gaten in mijn Man van Zes
Miljoen-verhaal. Ik schijn nog genoeg originele aorta in
mijn lijf over te hebben om ook te scheuren, als ik ga
rondfietsen met een bloeddruk van 180 over 120.
Langer dan een week nu, verzet ik me tegen deze nieuwe
werkelijkheid. Langzamer fietsen is niet zomaar een
kwestie van een tandje terug. Het betekent: me laten
terugzakken uit de groep van clubmaatjes waarmee ik
toertochten en cyclo's reed. Afscheid nemen van mijn
sociale wielernetwerk. Het is het voorportaal naar
trimgroep HartenTroef, waar in de volgwagen de
defibrillator naast de buitenbandjes hangt.
Dat nooit.
Bij de fietstest in het revalidatiecentrum scoorde ik
maandag - een verse bètablokker achter de kiezen - 101
procent (ik kom van 85). Dat betekent dat ik inmiddels 1
procent beter ben dan mannen van mijn leeftijd en
gewicht die niks aan hun hart mankeren.
De Man van Zes Miljoen geeft het nog niet op.
Maandag 5
december
Vermijd harde wind en groepen
wielrenners, heeft mijn cardioloog gezegd. Genoeg reden
om op zondagmorgen met West 6 een rondje van 55
kilometer met de fietsclub weg te trappen. Als je af en
toe niet wat uitprobeert, weet je nooit wat die nieuwe
aorta allemaal aan kan. Vóór de wind en bergaf kan
iedereen fietsen. Echte wielrenners worden geboren op
eindeloos vlakke wegen, waar ze kromgebogen over het
stuur, tegen de wind, zichzelf een weg banen, als in een
lied van Boudewijn de Groot. Wat dat betreft stelt de
Polder Elsgeest bij Voorhout me niet teleur. Zelfs met
de bètablokker die mij heeft getooid met het predicaat
'Wielrenner met een beperking' krijg ik mijn hartslag
naar 140 per minuut, een record in mijn
post-aortaperiode. Tot nog toe ging ik er vanuit dat ik
met 124 mijn maximum wel had bereikt, maar deze nieuwe
waarde is, ruim vier maanden na mijn operatie,
hoopgevend. Waar ligt mijn grens? Met mijn cardioloog
kan ik er nog niet over praten. Want behalve harde wind
en groepen wielrenners moet ik van hem ook piekbelasting
vermijden.
Voor de niet-abonnees, hier
de zesde
krantencolumn uit mijn post-aortaperiode die op 24
november in de kranten van HDC Media stond.
Twitterjournaal
Een enkele te vroeg afgeschreven schrijver
daargelaten, is het weinigen gegeven bij leven kennis te
nemen van hun eigen necrologie. Zelf heb ik er ook een
beetje tegenop gezien, maar twee maanden nadat ik uit
mijn vorm van bijna dood-zijn ontwaakte, lees ik het
twitterjournaal dat mijn dochter bijhield voor het
thuisfront overzee. ,,Ging niet zo goed vandaag. Hij is
in staat een tijdje zelf te ademen, maar stopt dan
plotseling, waarop de machine het weer moet overnemen.
Verder is hij nog steeds onrustig en probeert hij zijn
handen omhoog te doen om aan de tube in zijn mond te
trekken. Zijn gedrag was, wat de dokters noemen, 'inappropriate'.''
Het
verscheiden van mijn vader heb ik in een aantal columns
gevolgd en ook mijn nazaten kunnen nooit beweren dat ze
onvermeld zijn gebleven. Dan ben je op zeker moment ook
zelf aan de beurt. Het verslag van mijn dochter had zo
postuum kunnen worden uitgegeven. Het telt meer dan
35.000 woorden, verdeeld over 163 pagina's. Het bevat
langere, min of meer medische bulletins die zij - nu
tweedejaars geneeskundestudent - tikte in de uren dat
zij met haar moeder en broertje in het
Universiteitsziekenhuis van Wales zaten te wachten op
nieuws uit de operatiekamer en, later, de intensive
care. Maar ook alle reacties van familie, vrienden en
collega's zijn erin opgenomen. 'De grootste hufters
schrijven de gevoeligste tweets', kan ik aan mijn lijst
met alternatieve tegeltjeswijsheden toevoegen.
Voor mij zijn vooral de zes dagen dat ik na mijn
operatie in coma lag, interessant om terug te lezen.
Mijn dochter verhaalt daarover met een mengeling van
medische distantie en familiaire aanhankelijkheid,
bijvoorbeeld als ze uitlegt wat een 'dissectie' van de
aorta is. ,,Dat betekent dat de dikke, gespierde wand
van de aorta van binnen gespleten is en dat er daardoor
eigenlijk twee pijpen naast elkaar liggen. De nieuwe en
verkeerde pijp kan daardoor de goede pijp dichtdrukken
en de circulatie stoppen. Als dat gebeurt, ben je binnen
vijf minuten weg.''
Of: ,,De afgelopen dagen was het toch altijd slikken als
we de IC opkwamen en mijn vader zagen. Vooral ikzelf had
heel erg dat ik eerst een routine afwerkte: monitor,
bloeddruk, hartslag, ventilator, drains, infuus, sonde,
slangen. En o ja, papa.''
Soms begrijpen haar Twittervolgers mij beter dan de arts
in spe. Als ze meldt: ,,Hij heeft in het begin lange
tijd gebaren gemaakt, tot mijn moeder en ik uiteindelijk
gokte dat hij de artsen duidelijk wilde maken dat hij
fietste. Dat weten ze allang, maar toch vond hij het
heel belangrijk'', reageert een deskundige op Twitter:
,,Hij bedoelt dat hij een erg lage hartslag, een groter
hart en meer bloedplasma dan een normaal iemand heeft.''
Zo is het.
Na vijf dagen van ups en downs wordt het spannend.
,,Gisteren te horen gekregen dat mijn vader nog maar één
kans had om wakker te worden voordat de artsen zouden
overgaan tot een tracheostoma. Vandaag heeft hij die
kans met beide handen gegrepen. Hij is wakker en, in de
woorden van de broeder, 'back to normal'. Hij kan weer
praten en heeft vanochtend de commando's van de artsen
goed opgevolgd. Hij is ook nog behoorlijk bijdehand.
Toen een arts hem per ongeluk 'Nick' noemde, heeft hij
dat meteen (en met de nodige ergernis) verbeterd! Erg
grappig.''
Als het nodig is, spaart ze me ook niet. ,,De sfeer
vandaag was vreemd. Mijn vader kan zonder het te weten
nogal kwetsend zijn. Hij probeert de controle terug te
pakken, maar is daar nog niet helemaal aan toe. Dit
leidt tot frustraties. Hij kan niet slapen, wil niet
eten (hij vindt alles, maar dan ook ALLES smerig), wil
niet rusten, wil niet naar ons luisteren. Natuurlijk
weten we dat dit tijdelijk is. Maar soms, als we een
beetje moe zijn met zijn allen, is dat best lastig in te
zien.''
De beste diagnoses komen steeds via de volgers. Als zij
meldt: ,,Ook is hij verward en zegt regelmatig dingen
die we niet begrijpen'', reageert iemand: ,,Als ie weer
onzin uitkraamt, is hij op de goede weg!''
Zaterdag 26 november
Op het oog weinig respectvol spreek ik
van 'Sportschool Bijna Dood' als ik het heb over het
Rijnlands Revalidatiecentrum in Leiden, waar ik
momenteel zeker twee ochtenden in de week aan mijn
conditie werk. Maar een feit is dat - zeker op de
hartafdeling - alle sporters hier de dood van zeer nabij
in de ogen hebben gekeken - ja, ik ook - en/of inmiddels
al zo op leeftijd zijn dat Magere Hein lonkt bij elke
inspanning die ze verrichten. Mijn eerste ervaring met
revalideren deed ik op in het Universiteitshospitaal van
Wales, waar ik onder begeleiding van een fysiotherapeute
op de Intensive Care mijn eerste stapjes zette. Want ook
als je niks aan je benen mankeert, moet je na een
open-hartoperatie en zes dagen coma gewoon weer opnieuw
leren lopen. Over die fysiotherapeute gaat de vijfde krantencolumn uit mijn post-aortaperiode die op 17
november in de dagbladen van HDC Media stond.
De trap
Haar naam en waardigheid lijkt zij te ontlenen aan
een elf uit The Lord of the Rings-trilogie. Maar Imogen
is onze fysiotherapeute en iedereen op de hartafdeling
van het University Hospital of Wales is als de dood voor
haar. Zij is degene die je komt halen voor je eerste
stapjes na de operatie, technieken leert om op te staan
met een opengezaagde borstkas en je aan het eind van de
therapie meeneemt voor de ultieme beproeving: de trap.
,,Heb je die al gedaan?'', vraagt
een
breekbaar oud mannetje dat me elke dag komt vertellen
over de tinmijnen in de Brecon Beacons. Ik schud mijn
hoofd en hij zucht, zoals alleen gepensioneerde
mijnwerkers kunnen zuchten. ,,Lucky you.''
Niet 'herstellende van een gescheurde aorta' of 'aan het
bijkomen van een open hartoperatie' staat er in de
rapportage van de bedrijfsarts bij de reden voor mijn
verzuim van werk, maar: Verminderde energie. Dat dekt
ook de lading wel. Niets zo slecht voor je energiewaarde
als een 12 uur durende operatieve ingreep, acht dagen
intensive care en tweeënhalve week ziekenzaal in Wales.
Tien wankele eerste stapjes maak ik aan de hand van
Imogen in de IC, om daarna als een shepherd's pie ineen
te zakken op de rand van mijn bed. De volgende dag is
mijn engel des doods er weer en sleept ze me met haar
luciferarmpjes als een buikspreekpop de hele immense
ruimte door. ,,Ja, gaat hartstikke goed'', laat ze me
met nauwelijks bewegende lippen zeggen.
Het saboteren van de oefeningen van Imogen is mijn
eerste daad van heimelijk verzet als zelfbewuste
aorta-patiënt. De opgerolde handdoek die ik met
gekruiste handen voor mijn borst moet houden als ik uit
een stoel of bed opsta - om te voorkomen dat het
operatielitteken openscheurt - gebruik ik alleen als zij
in de buurt is. Ik heb mijn eigen, veel gemakkelijkere
techniek, als Keith Jones uit het bed aan de overkant me
niet verraadt. Van de ademhalingsoefeningen om mijn
longen te trainen moet ik hoesten, en hoesten doet zeer
als je borst pas is opengezaagd. Ik train vooral door -
als een opstandige kleuter - alles zelf te doen. Van
douchen en aankleden tot dertig keer op een dag (en
nacht) met de infuusstandaard naar de toiletten wandelen
omdat ik met behulp van plaspillen zestien liter
overtollig vocht uit mijn lijf kwijt moet. En naar de
tv-kamer - waar ik met de mannetjes van de hartafdeling
rugbywedstrijden kijk - is het ook een heel eind lopen.
Eenmaal thuis maak ik - eerst aan de arm van mijn vrouw,
mijn eigen Imogen - rondjes van een paar honderd meter
rond onze woning, om binnen twee weken in mijn eentje
tien kilometer door de duinen en over het strand te
struinen. Mijn racefiets schreeuwt me toe vanuit de
schuur en vier weken voordat ik me mag melden bij het
revalidatiecentrum, rijd ik met mijn fietsmaatjes al
rondjes van 60 kilometer. Afgelopen zondag durfde ik
voor de eerste keer met het peloton van de club mee voor
een tocht van 75. Voor mijn gezinsleden ben ik een
tegendraads kind dat kastijding nodig heeft van een
hersteld hervormde dominee.
Maar omdat mijn hartslag niet hoger komt dan 124, heb ik
nog steeds 'Verminderde energie', al is het niet meer te
vergelijken met die eerste weken dat ik na het wassen en
aankleden naast mijn ziekenhuisbed een half uur amechtig
zit uit te hijgen in mijn stoel. Het is op zo'n moment
dat Imogen me komt halen voor 'de trap'. De gevreesde
trap, waar de fysiotherapeute soms de hulp van twee
assistentes moet inroepen om patiënten omhoog te
sjorren. Kan dat niet op een andere keer?, piep ik
angstig. Imogen schudt haar hemelse lange haren en er
gaat een huivering door de oude mannetjes op de zaal.
Nagestaard door negen paar waterige oogjes loop ik voor
de fysio-elf uit door de lange gang naar het trappenhuis
en twee trappen op, voordat ik de eerste keer durf om te
kijken. ,,Wat is precies de bedoeling?''
,,Dit was het'', zegt ze bewonderend. ,,Dit was de trap.
Goed gedaan, je bent ontslagen van fysiotherapie.''
Op de hartafdeling word ik onthaald als een overlever.
Maandag
14 november
Een beetje in je eentje of met een
begripvol fietsmaatje in de rondte trappen is één ding.
Maar wat gebeurt er als je met een nieuwe aorta weer
aansluiting zoekt in het peloton van mijn cluppie, de
Afdeling Wielersport van de IJsclub Voorwaarts Katwijk?
Schone beloften over therapeutisch rijden zijn al gauw
vergeten, als het spel eenmaal op de wagen is en er een
waas trekt over de ogen van eerzame huisvaders. Dan is
het de gladiolen of - in mijn geval - de dood. Edoch,
niets van dit al. Bij mijn eerste ritje sinds vier
maanden op de vroege zondagmorgen gedragen de mannen
zich voorbeeldig. Degenen die zich na een (te) kalme
start alsnog het snot voor de ogen willen fietsen,
rijden hun eigen rondje. Ik blijf bij de groep Albert -
tien renners sterk - die alleen op het eind die naam
niet meer mag dragen omdat de wegkapitein reglementair
uit het wiel is gereden. Door goed te linkeballen -
lees: slim te rijden - kan ik op dit eerste ritje na
mijn open hart-operatie goed het wiel houden. De
hartslag wil nog niet erg omhoog - mijn maximum is 124,
het gemiddelde 103 slagen per minuut - wat vooral bij
tempoversnellingen en lange viaducten tot verzuring
leidt. Maar ik haal er in elk geval weer snelheden van
boven de 40 kilometer in het uur mee, al moet ik de
rapste renners bij de eindsprint langs de provincialeweg
N206 laten lopen. Het begin is er. De komende maanden -
of laat ik er maar een half jaar voor uittrekken - moet
ik me vanuit de kelder van de wielerclub weer zien op te
werken naar de A-groep. Maar het kan zomaar zijn dat ik
al veel eerder aan mijn eigen plafond zit.
Voor de niet-abonnees, hier mijn
vierde
krantencolumn uit mijn post-aortaperiode die op 10
november in de kranten van HDC Media stond.
Naar huis
Alsof ik via het kattenluik mijn opwachting maak in het
Hiltonhotel. Zo voelt mijn entree in de businessclass
van vlucht KL1060 (Cardiff-Amsterdam), waar mijn
rolstoel zojuist met de lift van een cateringwagen naar
een klep achter de cockpit is gehesen. Als ik op eigen
kracht de paar meter naar mijn stoel overbrug, kijken de
al aanwezige passagiers me aan als getuigen van de
opstanding van
Lazarus.
Dat is misschien wel de juiste associatie, nu ik na drie
weken ziekenhuis met mijn nieuwe aorta op weg mag naar
huis.
Naar huis. Of in elk geval: weg uit het ziekenhuis. Door
die gedachte word ik beheerst sinds ik na acht dagen
intensive care ben overgeplaatst naar de vijfde
verdieping van het Universiteitsziekenhuis van Wales, de
afdeling waar hartpatiënten herstellen van hun operatie.
Mijn overtuiging wordt gedeeld door het breekbare
mannetje dat halverwege mijn eerste dag 'op zaal' met
zijn looprek naar me toe schuifelt, me van top tot teen
opneemt en vervolgens met een Welshe tongval
concludeert: 'You don't belong here.'
Zo is het. Ik hoor hier niet. Met mijn 51 jaar ben ik
zeker een halve eeuw jonger dan de andere patiënten op
'Ward C5', die hun bypasses hebben te danken aan een
leven van roken, drinken en de baggervette zegeningen
van de Britse keuken. De aorta van deze sportman is
alleen maar gescheurd omdat ik waarschijnlijk zoiets als
het Syndroom van Marfan - een bindweefselaandoening -
onder de leden heb. Zodra ik ben opgeknapt, ga ik weer
terug naar de camping, verzeker ik mijn familie. Of, als
dat niet kan, naar een hotel in de buurt.
Geen kwaad woord hoor, over de artsen en
verpleegkundigen van het University Hospital. Maar het
enige waar een opgelapte aortapatiënt behoefte aan
heeft, is goed eten en voldoende nachtrust. Voor beide
moet je niet in een ziekenhuis zijn. Op mijn zaal met
negen (!) snurkende en rochelende ouwetjes is er altijd
wel eentje dement of getroffen door een beroerte,
waardoor hij middenin de nacht de stekkers uit zijn
borstkas trekt - alarmfase
1
voor het verplegend personeel - of drie keer zijn plas
laat lopen. Alarmfase 2, maar niet minder storend als je
ernaast de slaap probeert te vatten.
Bovendien ben ik door mijn behandelend geneesheer - die
na 12 uur opereren in mijn opengezaagde borst als de
dood is voor een hartinfectie - aan een strak
antibioticaregime gebonden. Van 6.30 uur in de ochtend
tot 02.00 uur in de nacht worden om de paar uur de
zakken aan mijn infuus verwisseld, het kraantje in mijn
arm doorgespoten en het rammelende blauwe kastje dat
lijkt op een Giromaat, gereset. Tot ver na middernacht
kijk ik - als de plastabletten mij niet naar het toilet
drijven - op het tv'tje boven mijn bed naar een
retrozender die 'Dave' heet en oude afleveringen van
George & Mildred uitzendt. Tot het ochtendgloren is het
vervolgens - met die amokmakende mannetjes om me heen -
'Daar Komen De Schutters' op de ziekenzaal. Ik ben
gesloopt.
Na ruim drie weken is het plan mij met een
privéambulance via de Kanaaltunnel naar huis te rijden.
Maar op het laatste moment heft de cardioloog het
vliegverbod op. Als we - mijn vrouw en ik, de kinderen
zijn al eerder teruggevlogen - opstijgen vanaf
Cardiff-airport moet ik denken aan zijn laatste woorden:
'We hebben alles nog eens gecheckt en er lekt niks.'
Dat had hij niet moeten zeggen. Kan er iets gaan lekken,
dan? En hoe zit dat op 10.000 meter hoogte?
Er ligt een steen op mijn maag, tijdens de 55 langste
minuten van mijn leven die de vlucht naar Amsterdam
duurt. Maar de met vliegtuiglijm aan elkaar geplakte
bio-onderdelen van en naar mijn hart bezwijken niet
onder de druk.
Behalve door de rolstoelservice die me door
kilometerslange gangen naar de aankomsthal duwt, worden
we op Schiphol alleen opgewacht door
familieleden
die zich keurig houden aan mijn regieaanwijzingen: Niet
janken!
Joris Linssen heeft - met zijn Hello Goodbye-camera -
zeker een vrije avond.
Jammer, ik had een goed verhaal voor hem gehad.
Maandag 7 november
Mijn laatste werkdag op de redactie was
op vrijdag 22 juli. Vind je het gek dat het na bijna
vier maanden weer begint te kriebelen om aan de slag te
gaan? Maar zo moet ik er volgens deskundigen niet
tegenaan kijken. Op 23 juli begon mijn vakantie, die
officieel duurde tot 12 augustus. Dan zou maandag 15
augustus mijn eerste werkdag zijn geweest, als op 10
augustus op de camping in Wales mijn aorta niet was
gescheurd. Pas op 1 september mocht ik het ziekenhuis in
Cardiff verlaten: opgelapt, maar nog lang niet genezen.
Ik was te mager, had de conditie van een 115-jarige en
was nog in het gelukkige bezit van lekkende littekens en
niet geheelde botten. Daarom is het, volgens alweer
diezelfde deskundigen, aan de vroege kant dat ik - twee
maanden later - deze week mijn werk op de redactie weer
wil hervatten. Voorlopig dus nog maar voor twee dagen -
op dinsdag en donderdag - en met allerlei voorbehouden
van de bedrijfsarts. Mijn bloeddruk mag niet stijgen, ik
mag niet langer
dan
vijf uur achter elkaar voor het beeldscherm zitten en
moet goed naar mijn lijf luisteren. Maandag, woensdag en
vrijdag houd ik voorlopig nog vrij voor hartrevalidatie
in sportschool Bijna Dood en wat klusjes voor de krant
die ik ook thuis kan doen (zoals mijn wekelijkse column
tikken). Maar het begin van een werkzaam (tweede) leven
is er weer!
Voor de niet-abonnees, hier mijn
derde
krantencolumn uit mijn post-aortaperiode die op 3
november in de kranten van HDC Media stond.
Vette jus
De favoriete patiënt van de kokkin achter de etenskar
zou ik mezelf niet willen noemen, maar toch spreekt ze
me aan alsof we al jaren verkering hebben. ,,What do you
like to eat, Love?'' Op sommige dagen ben ik ook haar 'Dear'
of 'Honey'. Daar hoef ik verder niks achter te zoeken,
dat zegt die sloerie tegen alle mannen op de
hartafdeling van het Universiteitsziekenhuis van Wales.
Wat ik wil eten? Doe maar gewoon weer wat van die kapotgekookte groenten, twee lapjes taai, grijsgebraden
vlees, een uitgedroogd bolletje aardappelpuree en een
soeplepel vette jus. Net als op alle andere dagen van de
week.
Als
een frietkot over rammelende kasseien, rijdt drie keer
per dag de roestvrijstalen voedseltrolley de afdeling
op. 's Morgens om 08.00 uur met het ontbijt, om 12.00 en
17.00 uur met warm eten. De kar wordt - in ploegendienst
- beurtelings voortgeduwd door drie mensen: een vrouw
van middelbare leeftijd die iedereen haar liefje of
schatje noemt, een lichtautistische knaap met een
serieuze taakopvatting en een donkere man met de sombere
gelaatsuitdrukking van een immigrant die zichzelf een
beter leven had beloofd. Alle drie dragen ze het witte
hoedje van een keurmeester in het slachthuis.
Na acht dagen intensive care - waar ik met mijn nieuwe
aorta alleen infuuszakken leegzoog en op het laatst ook
wat ijs met jelly en sportdrankjes tot me wist te nemen
- is het voedingspatroon op de ziekenzaal een
desillusie. Dat begint al met de thee, in het dagritme
ingeklemd tussen mijn eerste literzak antibiotica en het
opnemen van de bloeddruk. Daarvan weet je dat in elke
pot twintig builtjes een uur lang hebben liggen trekken,
waardoor zelfs doorgewinterde Britten de vloeistof
alleen te hachelen vinden als ze er vijf klontjes suiker
en een sloot melk in kieperen.
Ik heb me er een paar dagen manmoedig tegen verzet, maar
als ik na drie etmalen gitzwarte thee een
loogvergiftiging dreig op te lopen, hijs ik de witte
vlag. ,,What would you like to drink, Dear?'' Thee met
melk en suiker, knarsetandt Dick, the Dutch guy.
Bij het ontbijt laat ik de griesmeel en zeven andere
varianten op een granenpapje voor wat ze zijn. Het enige
wat ik binnenhoud, zijn drie sneetjes slappe, opgewarmde
toast met aardbeienjam en een glas appelsap. Daar kan ik
het - met een ochtendje temperaturen, wegen, wassen en
aankleden, meer antibiotica, bloedprikken,
doktersconsult, fysiotherapie, borstfoto's en echo's
maken voor de boeg - op redden tot de lunch.
Eerder nog dan het geluid verraadt de walm de komst van
de mobiele etenstrog, die ook tussen de middag dezelfde
sufgekookte groenten en het te lang doorgegaarde vlees
uit grootmoederstijd serveert. Manmoedig werk ik me door
een laag uit elkaar gespatte doperwten en lusteloze
bloemkool en kauw minutenlang op grijze, in de jus
verzopen filetjes van een kalkoen die drie keer de
marathon van Cardiff heeft gelopen, totdat het voor de
middelbare vrouw, de autistische knaap en de donkere man
met de witte hoedjes lijkt alsof ik hun maaltijd eer heb
aangedaan.
Op de intensive care mocht mijn gezin 24 uur per dag in
en uit lopen, maar op de afdeling is alleen van 15 tot
19 uur bezoek mogelijk. De etenskar komt, gek genoeg, al
om vijf uur, als alle patiënten nog aan hun door familie
liefdevol meegebrachte fruithapjes, stukken chocolade en
blikjes cola zitten. Uit angst voor de priemende blikken
van de vrouw, de knaap en de man laat ik me niettemin
weer uitbundig opscheppen, waarna mijn zoon en dochter
zich als hongerige vale gieren op mijn van het vet
druipende bord storten.
De kritische consumenten die thuis in Nederland elke
door hun ouders met zorg bereide maaltijd met lange
tanden en misprijzende blikken tot zich nemen, raken op
de rand van mijn bed bijna slaags om het laatste
kippenbotje of randje vet van een tot rollade gevouwen
baklap.
,,Je moet niet zo zeuren over het eten, pap'', smakt
mijn zoon vergenoegd. ,,Hartpatiënten in Afrika zouden
er een moord voor doen.''
Woensdag 2 november
De
eerste weken na mijn ontslag uit het ziekenhuis deed ik
vooral aan zelf-revalidatie. Eerst een rondje om het
huis. Toen rond het winkelcentrum. Gaandeweg de hele
groenzone op en neer. Daarna haalde ik op eigen kracht
de Boulevard. En uiteindelijk liep ik over het strand en
door de duinen van Katwijk naar Noordwijk (en terug),
voordat de toestemming van de cardioloog om weer
voorzichtig op de fiets te stappen een einde maakte aan
mijn wandelaspiraties. Sinds deze week doe ik ook
officieel aan (hart)revalidatie, bij het
Rijnlands Revalidatiecentrum in Leiden, waar bij een
eerste fietstest is vastgesteld dat ik inmiddels al op
85 procent zit van wat een gemiddelde, gezonde man van mijn
leeftijd en postuur moet kunnen. Nu ook mijn
doorgezaagde borstbeen min of meer is geheeld, mag ik
hier ook aan gewichten trekken en duwen, onder
begeleiding van een team fysiotherapeuten, en
snelwandelen op een loopband. Elk
sportuurtje begint met twintig minuten trappen op de
hometrainer, wat voor mij tamelijk onbevredigend is.
Op dagen dat ik 's morgens officieel heb gerevalideerd,
stap ik 's middags dan ook - alleen of met een
fietsmaatje - nog een paar uur op de racefiets. Als je beter
wilt worden dan de 100 procent die in het
revalidatiecentrum als de norm geldt, gaat er niks boven zelf-revalidatie.
Voor de niet-abonnees, hier mijn tweede
krantencolumn uit mijn post-aortaperiode die op 27
oktober in de kranten van HDC Media stond.
Hartstikke
gek
Alsof de verwarring na zes dagen coma nog niet groot
genoeg is, noemen ze iedereen hier 'nurse': de donkere
Beth, met de geblondeerde haren in een gemakkelijke
staart, maar ook Alan, een boom van een vent met een
kale kop. Op de intensive care van het
Universiteitsziekenhuis van Wales buigen beide
verpleegkundigen zich over het netwerk van stekkers en
leidingen dat uit mijn lijf kronkelt. Voor mijn ogen
vormt zich op de schedel van Alan een laag
kroeshaar
en kruipt er een ingewikkelde Maori-tatoeage door de
huid van zijn voorhoofd naar zijn wangen. Beth wordt,
van het ene op het andere moment, hartstikke kaal. En ik
word gek.
De afdeling intensieve zorg is groot. Zo'n vijftien
patiënten liggen er op matrassen die zichzelf in een
onvoorspelbaar ritme opblazen of laten leeglopen,
aangesloten op knipperende kastjes, kreunende pompen en
druppelende infuuszakken. Na de absolute stilte van zes
dagen gedrogeerde rust, lijkt het alsof ik wakker ben
geworden in een fabriekshal. Mensen en machines piepen
en reutelen, en wanneer er ergens een monotone fluittoon
klinkt, begint iedereen in een blauw of groen uniform te
rennen, worden er met woeste gebaren gordijnen rond een
bed geschoven en klinken de opgewonden stemmen van het
traumateam dat iemand probeert terug te halen uit de
armen van Magere Hein.
Wat doe ik hier?
Vrouw, dochter en zoon hebben het al tientallen keren
uitgelegd, maar het valt niet mee om het idee dat zich
heeft vastgezet in mijn tot twee keer toe bevroren
hersenen weer uit mijn hoofd te praten. Nee, je ligt
hier niet omdat je een orgaan moet afstaan om een
nichtje het leven te redden. Je aorta is gescheurd. En
nee, je hoeft niet nóg een keer te worden geopereerd.
Dat is al gebeurd. Je ligt hier al zes dagen. Zes dagen?
De operatiekamer wordt in het Verenigd Koninkrijk
aangeduid als 'theatre'. Mijn voorstelling duurde twaalf
uur aan één stuk. Ergens op driekwart van dat
meeslepende drama, wanneer de chirurg denkt de klus te
hebben geklaard maar er ergens toch nog een lek zit,
zijn mijn grijze cellen een minuut of tien zonder
zuurstof geweest. Daar zal het wel aan liggen, dat ik ze
niet allemaal op een rijtje heb.
Op
het plafond boven mij draait continu een lichtkrant met
merkwaardige sms'jes - haatboodschappen en dreigementen
voor mij en mijn dierbaren - of verschijnen plaatjes van
doodshoofden en duivelfiguren die mij een plekje in het
hiernamaals in het vooruitzicht stellen. En waarom zien
alle nurses er opeens uit als getatoeëerde dwergen met
een hanenkam? Als ze langs mijn bed lopen, fluisteren ze
heimelijk tegen elkaar, wijzen naar die gestoorde
Hollander en tikken tegen hun voorhoofd. Aan het eind
van de zaal veranderen ze in mijn ooghoeken weer in
gewone mensen.
Irritant en beangstigend is het. Pas als ik na acht
dagen IC op een gewone ziekenzaal beland, verdwijnen de
waandenkbeelden. Er komt een andere realiteit voor in de
plaats. Ze handelen hier 's nachts in drugs, vertel ik
mijn gezin. Die gozer daar, in dat derde bed naast de
deur, bedreigde zijn buurman met een pistool. Hij heeft
ook brand gesticht op het toilet, waardoor ik niet naar
de wc kon. En weet je dat de helft van de patiënten hier
het Welsh afwisselt met gewoon Nederlands? Je kunt ze
moeiteloos verstaan. Hé John, zeg eens wat tegen mijn
dochter! Ze gelooft me niet!
Een dag later weet ik te melden dat een van de
drugshandelaren bij Calais is neergeschoten, nog geen
etmaal na zijn ontslag uit het ziekenhuis.
De meeste van die verhalen breng ik zo overtuigend dat
mijn dierbaren ze achter mijn rug checken bij de nurses.
De uitkomsten, die ze aanvankelijk zorgvuldig voor me
verborgen houden, gaan andermaal ten koste van mijn
geloofwaardigheid.
Mocht u, beste lezer, daaraan ook beginnen te twijfelen:
na zo'n lange narcose schijnt het heel normaal te zijn
dat je hartstikke gek wordt.
Het is van voorbijgaande aard.
Eerlijk waar.
Zaterdag
22 oktober
Exhibitionisme - zoals je het uitventen
van je eigen leed wel mag noemen - is beter te verdragen
als het wordt opgediend met wat ironie en
zelfrelativering, schreef Wilma de Rek een paar weken
geleden in De Volkskrant. En dat is ook wat ik poog na
te streven in mijn tweets, stukjes voor dit weblog en
mijn column in de HDC-dagbladen die - voor mij
onvermijdelijk - momenteel vooral gaan over het leed dat
gescheurde aorta heet. Na mijn eerste bijdrage in de
krant sinds mijn ontslag uit het ziekenhuis, bleek ook
dat veel lezers nog geen idee hadden waar ik de
afgelopen weken was gebleven. Mijn mailbak stroomde vol
met reacties, en niet alleen van 'vrouwen van een zekere
leeftijd', zoals mijn dochter mijn lezerspubliek graag
mag aanduiden. In die zin was mijn eerste column van
afgelopen donderdag ook vooral informatief. Voor alle
niet-abonnees in den vreemde of dichtbij, dit is wat mij
overkwam:
Ysbyty Athrofaol
Cymru
Het is een wrede vraag aan iemand die zes dagen in
coma heeft gelegen. Maar artsen, anesthesisten en
verpleegkundigen die met me hebben geworsteld op de
intensive care van het Universiteitsziekenhuis van Wales
willen hem toch gesteld hebben op de dag dat ik na een
wonderbaarlijke opstanding weer naar huis mag. ,,Weet je
nog wie ik ben?''
Van alle manieren om de vakantie met een paar weken te
verlengen, koos ik een bijzondere. Nou ja, koos... Ik
had er weinig invloed op dat in de ochtend van 10
augustus de binnenste laag van mijn aortawand van boven
tot beneden afscheurde en ook nog ergens een hartklep en
wat aderwerk meenam. Te hard gefietst, te wild geleefd?
Het zal ongetwijfeld, maar het meest waarschijnlijk is
toch een genetisch defect.
Wat
wél voor me pleit is dat ik een uitgelezen plek heb
uitgezocht om tegen een levensbedreigende aandoening op
te lopen. Een dag ervoor sjouwde ik nog met een rugzak
door de Brecon Beacons, een nationaal park waar
eerstehulpposten dun zijn gezaaid. En de eerste twee
weken van onze vakantie in het Verenigd Koninkrijk
brachten we door op campings in wat ze daar 'the middle
of nowhere' noemen. Ze bestaan nog, in het Verenigd
Koninkrijk: plekken waar je eerst een kwartier met de
auto moet rijden voordat je gsm-bereik heeft. Nu staan
we aan de rand van Newport, een havenplaats in Wales,
waar de vrouw van onze campingbaas negen jaar op een
intensive care heeft gewerkt, de ambulance binnen een
kwartier het terrein op stuift en het plaatselijke
ziekenhuis een trauma-afdeling heeft waar ze een
behoorlijke diagnose kunnen stellen.
Ook het tijdstip van mijn wat in medische termen een
aortadissectie heet, heb ik goed gekozen. Waar zo'n
scheuring zich hoort aan te dienen met een hevige pijn
op de borst, ga ik zonder enige waarschuwing vooraf
genoeglijk snurkend onderuit in bed. Niet om één uur 's
nachts, als mijn geronk tot de natuurlijke geluiden in
onze caravan wordt gerekend, maar om negen uur in de
ochtend als mijn echtgenote - die even naar het
toiletgebouw is - me al na een paar minuten bewusteloos
vindt.
De
afwezigheid van normale symptomen brengt ook de twee
ambulancebroeders in de war. Meestal weten ze binnen
drie minuten wat iemand mankeert, maar nu tasten ze in
het duister. Hartaanval? Beroerte? Dat hun apparatuur in
de beschermende constructie van de caravan niet goed
werkt, helpt ook niet. Twee uur en een echo van de
borststreek later, weten ze het in het ziekenhuis van
Newport wel. De trauma-arts stuurt me door naar de enige
plek in de wijde omtrek waar ik kan worden geholpen: het
University Hospital of Wales (in goed Welsh: Ysbyty
Athrofaol Cymru),
zo'n tien mijl verderop, dat één van de beste
hartafdelingen van het land heeft.
Wat ook pleit voor mijn timing: de vermaarde
Zuid-Afrikaanse professor Ulrich von Oppell - the boss,
voor zijn personeel - heeft weliswaar geen dienst, maar
kan voor dit bijzondere klusje van huis worden
opgeroepen. Hij begint om drie uur in de middag met een
twaalf uur durende ingreep die mijn dochter op Twitter
aan haar volgers als volgt omschrijft: ze openen zijn
borst, stoppen zijn hart, sluiten hem aan op de
hart-longmachine, koelen zijn hersenen tot 18 graden en
proberen de schade te repareren en de aorta te
vervangen.
Meer dan een ijzeren gestel heb ik niet in te brengen
tijdens de gecompliceerde operatie en de zes dagen dat
ik alleen uit narcose wil bijkomen om alle slangen die
me in leven houden uit mijn lijf te trekken. Mijn
overlevingskans ligt dagenlang een behoorlijk eindje
buiten de gangbare prognoses.
Dat verklaart in elk geval de opluchting in de stemmen
van het IC-personeel dat mij een handje komt geven
voordat ik na drie weken ziekenhuis terugvlieg naar
Nederland.
,,Hé, weet je nog wie we zijn?''
Ik heb werkelijk geen idee.
Maar zonder jullie was ik er niet meer geweest.
Vrijdag 7 oktober
Met wielrennen had het nog weinig te
maken, maar nog geen acht weken nadat mijn aorta
scheurde en zeven weken nadat ik in een ziekenhuis in
Wales uit een coma ontwaakte, zat ik weer op mijn Trek
Madone. Gekkenwerk, vond mijn eega, die nog steeds denkt
dat iemand op een racefiets zijn hoofd op het stuur
legt, de ogen naar binnen draait en niet rust met het op
de trappers stampen totdat hij bloed opgeeft. En,
toegegeven, zo gaat het er bij mijn fietsclubje ook vaak
aan toe. Maar op een racefiets kun je ook rustig rijden,
genietend van de omgeving en van je soepel lopende
karretje van carbon, waarbij de hartslagmeter van de
Garmin nauwkeurig aangeeft wanneer je de grens van de
'piekbelasting' - die ik van de cardioloog nog niet moet
opzoeken - hebt bereikt. Zo'n genoeglijk rondje
Katwijk-De Zilk heb ik erop zitten en het voelde goed en
vreemd tegelijk. Vreemd omdat ik al na 14 kilometer bij
het keerpunt in de duinen het gevoel in mijn bovenbenen
had dat ik normaal boven de 200 kilometer krijg: alsof
alle kracht er langzaam uitloopt. Dat doen de liters
antibiotica die ze drie ziekenhuisweken lang in me
hebben gepompt, kennelijk met het spierstelsel van een
mens. Op dit eerste ritje - dat ze me natuurlijk niet
meer afnemen - zullen er nog vele moeten volgen voordat
alle chemische troep uit mijn lijf is.
Maandag 3 oktober
Voor
iemand van wie zeven weken geleden de aorta is gescheurd
en die pas zes weken is bijgekomen uit een coma, zit ik
er bij als een goudhaantje. De cardioloog constateert
het met een zekere verbazing, nadat hij bij binnenkomst
in zijn spreekkamer al heeft benadrukt dat ik 'heel,
heel veel geluk' heb gehad.
Mijn gebruikelijke 'Geluk dwing je af' laat ik maar
achterwege. Hier past even geen luchtigheid. Mijn
lichaam heeft er bovendien hard genoeg voor gewerkt. Een
vriend die me de eerste week na mijn ontslag uit het
ziekenhuis thuis opzocht, sms't dat hij nog steeds het
beeld op zijn netvlies heeft van het 'vermagerde wrak'
dat ik toen was. Vooral de afgelopen
drie weken ben ik met sprongen vooruit gegaan. Het
wandelrondje van een paar honderd meter rond mijn huis
heb ik inmiddels uitgebreid tot tochten van 8 tot 10
kilometer, er zit weer een paar kilo meer vlees op mijn
botten en mijn door voedingstubes veroorzaakte krakende
stemgeluid is ook weer zo goed als normaal. Mijn
borstbeen doet alleen nog pijn als ik kuch of nies, wat
door een chronische verkoudheid overigens vaker gebeurt
dan mij lief is. De
cardioloog hoeft me, na bestudering van een echo en een
ECG, pas over een half jaar weer terug te zien. Hij
draagt me voorlopig even over aan het 'Marfan-team' van
het LUMC, dat gaat uitzoeken hoe het komt dat mijn aorta
spontaan in tweeën scheurde en of dit waarschijnlijk
iets te maken heeft met het
Syndroom van Marfan waaraan ik zou kunnen lijden.
Ondertussen mag ik 'alles' weer, behalve bungeejumpen,
diepzeeduiken en parachute springen. Dat wil niet zeggen
dat ik alles meteen al weer kán. Door de ingrijpende
operatie, de langdurige periode onder narcose en de vele
liters antibiotica die daarna in me zijn gepompt, is
mijn conditie ernstig aangetast. Daar helpen drie weken
stevig doorstappen op het niveau van een krasse
zeventiger nog maar weinig aan. Bij alles wat ik
de komende periode ga doen om daar verandering in te
brengen - ik denk vooral aan: veel fietsen - moet ik
voorlopig 'piekspanningen' vermijden. Bij het Rijnlands
Revalidatiecentrum in Leiden gaan ze mijn hart en aorta
onder begeleiding weer laten wennen aan de condities die
me ergens volgend jaar met de racefiets bovenop de Mont
Ventoux moeten brengen. Maar dat is een droom.
Voorlopig nog even niks tegen de hoofdzuster zeggen...
Als je zelf een tijdje
verstek laat gaan met je krantencolumn, gaat je dochter
met het onderwerp aan de haal. Haar column stond op
woensdag 22 september op de Wetenschapspagina van het
Leidsch Dagblad.
Nacht
Het
is de vreemdste nacht van mijn leven. Vijf mensen (mijn
moeder, broertje, oom, tante en ik) waken in een klein
kamertje in The University Hospital of Wales in Cardiff.
Mijn vaders hart klopt niet meer. Ergens op de Cardiac
Thoracic Intensive Care probeert een chirurg zijn leven
te redden. Iedereen slaapt en de wereld is gekrompen tot
slechts dit vertrek, met vier stoelen, een bank en drie
lelijke schilderijen.
Mijn vaders hart staat stil en zijn
hersenen zijn gekoeld om ze te beschermen tegen schade.
De Engelsen gebruiken voor de operatiekamer het woord ‘theatre’.
Dat roept bij mij een beeld op van kunst, van
schoonheid, van spektakel. Misschien is de man die mijn
vaders aorta repareert ook wel een kunstenaar. Dat moet
nog blijken.
De televisie wordt overstemd door een
stemmetje in mijn hoofd dat fluistert: ,,Mijn vader is
aan het doodgaan.” De tijd speelt een wreed spelletje
met ons. Het is alsof we gestraft worden voor elk moment
dat we ooit verspild of niet genoeg gewaardeerd hebben.
Op 10 augustus 2011 om negen uur ‘s ochtends is mijn
vader onwel geworden en zes uur later lag hij op de
operatietafel. Na een onrustige middag op de camping
waar we onze vakantie vierden, zijn we teruggegaan naar
dat benauwde kamertje dat toen de hele wereld werd.
Om half drie ’s nachts stapt er een verpleegster binnen.
Vier van ons staan op, mijn broertje slaapt nog op de
bank. Ze zegt dat mijn vader over een half uur uit de
operatiekamer komt en vertrekt weer. We blijven in
verwarring achter. Mijn tante kijkt naar mij, want in
momenten van wanhoop lijkt iedere Geneeskundestudent een
expert: ,,Betekent dat dat zijn hart weer klopt?” Ik
weet het niet. Toch antwoord ik: ,,Ja. Ja, ik denk het
wel. Zijn hart klopt weer.” En het kleine beetje hoop
dat nog door de lucht zweefde, verwarmt ineens de hele
kamer.
Na twaalf uur opereren komt de chirurg
zelf. We houden onze adem in. Pure stilte, daarna de
belangrijkste woorden die ik ooit gehoord heb: “He’s
alive.”
We mogen naar hem toe. Mijn vader ligt op de Intensive
Care in een kunstmatig coma aan de beademing. Door het
koelen van zijn hersenen heeft hij het koud en rilt hij.
Ik bedenk me hoe geweldig menselijk het is, om te
rillen. Hoe alleen de levenden het koud kunnen hebben.
Om half vier ’s nachts verlaten we het
ziekenhuis. Met elke stap die we lopen, wordt de wereld
weer een beetje groter. Het kleine stemmetje in mijn
hoofd schreeuwt nu onophoudelijk en ik kan alleen maar
luisteren: ,,Mijn vader leeft nog!”
Ja, ze
bestaan: webloglezers en krantenabonnees die op eigen
houtje op zoek gaan naar het antwoord op het mysterie:
waar is Dick van der Plas gebleven? Om hun zoektocht wat
te vergemakkelijken, hieronder wat
Veelgestelde vragen
Waarom eindigt het
verslag van je vakantie abrupt op
dinsdag 9 augustus en ontbreekt sinds die tijd ook je
column in de krant?
- Op woensdag 10 augustus, ergens tussen
8 en 9 uur in de ochtend op de camping in Newport
(Wales), scheurde en splitste mijn aorta. En niet zo
kinderachtig ook: de scheur liep van de hartklep, via de
aortaboog naar een groot deel van de afdalende aorta. Ik lag op bed te
lezen in de caravan, mijn vrouw was naar het
toiletgebouw en mijn zoontje vond dat ik opeens wel erg
rare snurkgeluiden begon te maken. Toen mijn wederhelft
terugkwam van de douche, was ik al bewusteloos.
Voel je dat niet aankomen, zo'n
scheurende aorta?
- Soms wel, in de vorm van hevige pijn op
de borst. Maar ik had, waarschijnlijk door mijn
legerervaring, nergens last van. Ook in de dagen
en weken ervoor niet. Op dinsdag liep ik nog met volle
bepakking een berg op in een afgelegen deel van de Brecon Beacons. Als daar de aorta zich had gesplitst,
had ik het waarschijnlijk niet kunnen navertellen.
Waarom dan nu wel? Een gescheurde
aorta pompt toch binnen drie minuten al het bloed uit je
lijf?
- Die van mij scheurde relatief gunstig:
op een zodanige manier dat er eigenlijk twee pijpen
ontstonden, waarbij de één de ander dichtdrukte.
Daardoor werd ik niet meteen leeggepompt.
Nog
meer mazzel?
- Jazeker. Dat ik dus snel door mijn
gezin werd gevonden, waardoor er binnen een kwartier een
ambulance op de camping stond. En dat in het ziekenhuis
van Newport - waar ik eerst werd heengebracht - een
goede diagnose werd gesteld en dat ze door hadden dat er
maar één plek in de buurt was waar ik kon worden
geholpen: het universiteitsziekenhuis van Cardiff, een
kilometer of tien verderop. Daar had ik ook nog eens het
geluk dat professor Ulrich von Oppell - een
Zuid-Afrikaan en een wereldvermaarde hartchirurg - kon
worden opgeroepen om mij weer op lappen.
Geen eenvoudig klusje, dus?
- Von Oppell is er 12 uur mee bezig
geweest. Hij repareerde niet alleen mijn aorta, maar
en passant ook nog een meegescheurde hartklep.
Mazzel was ook dat ik - door de vele duizenden kilometers die
ik had gefietst voor La Marmotte - in topconditie was,
en nooit had gerookt. Anders was het alsnog misgegaan.
Na de operatie heb ik zes dagen in coma gelegen en
daarna nog eens twee dagen bij bewustzijn op de
intensive care, voordat ik naar een ziekenzaal mocht. Op
donderdag 1 september kreeg ik toestemming om naar huis
te vliegen. Mijn vrouw is al die tijd bij me gebleven -
ze kon na in totaal bijna 7 weken in de sleurhut geen caravan
meer zien - de kinderen
vlogen anderhalve week eerder dan ik naar huis, omdat de
school van mijn zoon weer begon. Er zijn geregeld
vrienden en familieleden overgekomen om mijn echtgenote
gezelschap te houden en mij een beetje afwisseling op de
bezoekuren te bezorgen.
Weer
helemaal beter?
- Nou, wel gerepareerd, maar nog niet
meteen het ventje. Het revalideren duurt een aantal
maanden en in het Leids Universitair Medisch Centrum
wordt de komende tijd ook bekeken hoe het kwam dat ik
zo'n extreem dunne aorta had en word ik ook
gecontroleerd op eventuele andere zwakke plekken rond
hart en bloedvaten. Maar uiteindelijk hoop ik dat ik er
beter uit kom dan ik was. Het gaat nu al elke dag een
beetje beter: ik hang uren voor de tv, wandel weer
(momenteel al een uur), maar krijg na een half uur voor
de computer zwarte vlekken voor mijn ogen. Er zijn ook
wat operatiewonden die nog niet helemaal zijn geheeld.
Wanneer ga je weer aan het werk?
- Zodra ik groen licht krijg van de
cardioloog. Maar ik verwacht zelf niet voor november.
Wel wil ik in de loop van oktober weer beginnen met mijn
wekelijks column. Als ze me bij de krant nog als
columnist willen hebben, tenminste..
Hoe kan ik nog een beetje op de hoogte
blijven van het ziekteverloop?