| |
|
| |
|
|
|
|
| |
Een jaar
ging voorbij
Op
deze pagina staan de columns die ik ongeveer een jaar
geleden schreef tijdens het ziekbed en rond het
overlijden van mijn vader, Marinus van der Plas. Ze
bevat verder elementen uit zijn afscheidsdienst en
fragmenten van de floppy met het tekstbestand
’Overlijden’ dat hij voor zijn vrouw en kinderen
achterliet.
|
|
| |
|
|
| |
.
Nog geen
afscheid
Voor de
groothandel in gevoelens zijn we allebei niet in de
wieg gelegd. Kleine zelfstandigen in emoties zijn
we, mijn dochter en ik, die hun koopwaar maar
moeizaam uitventen. Daarom kan ik het ook zo goed
begrijpen dat ze opa liever een brief schrijft, dan
hem te vertellen hoeveel ze van hem houdt. Geen
afscheidsbrief, benadrukt ze in de eerste zin, want
ze hoopt hem nog heel lang bij zich te houden. Maar
eigenlijk weten opa en zij wel dat dit ijdele hoop
is. Met een verbijsterende snelheid wordt zijn lijf
aangetast door de tumoren die zich, ook voor de
medici, zo lang verborgen hebben gehouden.
Haar
andere opa stierf in de nacht, zo onverwacht en
plotseling dat haar brief, vacuüm verpakt in
plastic, nog weken op zijn graf heeft gelegen
voordat hij een plekje vond in ons
herinneringsalbum. Geen afscheid kunnen nemen is
zwaar. Maar afscheid nemen ook, merkt ze nu, zes
jaar ouder dan de zevenjarige die ze toen was.
Normaal dansen haar lange vingers met enorme
snelheid blind over het toetsenbord. Deze brief
schrijft ze met de hand, zorgvuldig haar gedachten
componerend.
Zes
weken geleden is het nog maar, dat hij met ons op
herfstvakantie was. Op onze kilometerslange
wandelingen langs de Rijn liep hij traditiegetrouw
een eindje vooruit op de rest, zodat hij in zijn
eentje wat kon mijmeren en genieten van het Duitse
heuvellandschap. Vaak haalde mijn zoon hem dan in,
om samen een stukje op te lopen, of wat uit te
rusten op een bankje totdat wij ze hadden ingehaald.
Hij kon er nog hard om lachen toen zijn kleinzoon,
wel van het grote gebaar, op één van die momenten,
hoog tussen de wijnvelden van Boppard, verzuchtte:
,,Mooi dat we dit nog mogen meemaken, opa, voordat
we doodgaan.’’
Eigenlijk voelde hij zich al anderhalf jaar niet
goed. De pijn zeurde in zijn lijf en er was die
voortdurende vermoeidheid die hem – de man die tien
jaar geleden, op zijn zestigste, zijn zoon er op de
racefiets nog wel eens uitreed – zo vreemd was.
Eerder dan alle dokters die zich bleven vasthouden
aan onderzoeken die geen verontrustende dingen
lieten zien, wist hij dat er iets grondig mis was
met hem. Wat had hij aan goede uitslagen, als zijn
lijf hem wat anders vertelde? Op de dinsdag dat hij
van de internist te horen kreeg dat er uitzaaiingen
in zijn lever waren gevonden, was dat voor hem
alleen maar een bevestiging. De man die vijf weken
daarvoor nog twaalf kilometer kon wandelen, vond
toen al wankelend zijn weg tussen zijn bed en de
stoel waarin hij liefst zit, omdat de pijn dan het
minst is.
De brief
van mijn dochter aan haar opa staat vol met kleine,
maar daardoor grote herinneringen. Aan hoe hij haar
leerde schaatsen of haar liet zien hoe je platte
steentjes scheerde over het water. Aan de gesprekken
die ze samen voerden, wanneer ze op vakanties in
Engeland of Schotland - alweer enkele honderden
meters voor de rest uit - door de bergen liepen. Ze
heeft spijt, schrijft ze, dat ze bij de laatste
herfstvakantie er niet wat vaker met ons op uit is
getrokken, maar met haar neefjes veel bij de caravan
bleef.
Als ze
een paar dagen later met haar broertje op het bankje
voor zijn stoel zit, heeft hij al gelezen wat een
fantastische opa ze hem vindt. Ze hoeft nu niet veel
meer te zeggen, en opa vindt het fijn om te praten.
Hij neemt deze dagen de tijd voor zijn kinderen en
zijn kleinkinderen, om met een zachte, bijna
fluisterende stem eindeloos verhalen en
herinneringen op te halen. En om ze voor te houden
dat het leven voor hen nog zoveel moois in petto kan
hebben. Dat het voor hem op zijn eind loopt, daar
heeft hij vrede mee.
Hoe vaak
het nog kan, weet ik niet. Maar we zullen nog een
aantal keren aanschuiven, op het bankje voor zijn
stoel. Niet om veel te zeggen, maar om te luisteren.
Als ons nog iets van het hart moet, schrijven we het
wel op. Dan zijn we op ons best, mijn dochter en ik.
|
|
| |
|
|
| |
Erfenis
De
strijd om de nalatenschap ontbrandt gewoonlijk pas
als de overledene boven aarde staat. Maar zolang kan
mijn zoon (9) niet wachten. ,,Als opa dood is’’,
zegt hij, als we onze auto parkeren voor het
appartement van mijn vader, ,,krijg ik dan ook wat
van de erfenis?’’ Bij gebrek aan vermogen is de
verdeling van het familiebezit bij ons thuis nooit
een kwestie geweest. Dus vraag ik hem verbaasd
waaraan hij dan denkt, bij een erfenis? ,,Iets waar
ik wat aan heb’’, zegt hij, ,,net als toen bij opa
Simon.’’ Ook bij de dood van mijn schoonvader kan ik
me niet herinneren dat er iets van een erfenis naar
mijn zoon is gegaan. ,,De sjoelbak’’, zegt hij in de
lift naar de zesde etage, geïrriteerd over zoveel
onbenul.
De
wetenschap dat artsen niks meer voor hem kunnen
betekenen, lijkt een bevrijdend effect op mijn vader
te hebben. Hij ontvangt, weggedoken in de kussens
van zijn stoel, familieleden, vrienden en
oud-collega’s, die hij met zijn tot een hees
gefluister verworden stem, urenlang toespreekt.
Alles wat hij nog kwijt wil, komt eruit in een lange
monoloog. In zijn leven heeft hij – beroepsmatig,
maar ook privé – veel mensen begeleid in hun laatste
levensfase. Vanuit die ervaring bepaalt hij heel
nadrukkelijk wat hij wel, en vooral wat hij beslist
niet wil. Geen oppervlakkige prietpraat, is één van
zijn stelregels. De gesprekken moeten ergens over
gaan, anders zijn ze zonde van zijn kostbare tijd.
En ook niet door elkaar heen praten, alsjeblieft.
Hij geniet zichtbaar van het feit dat hij het
volledig voor het zeggen heeft. Nooit was zijn
gehoor, dat op een meter afstand om hem heen zit,
aandachtiger. Hij heeft heel nadrukkelijk de regie
van zijn eigen afscheid.
De
nachten zijn, zonder aanloop en de slaap die maar
niet wil komen, voor hem lichamelijk het zwaarst. Op
mijn vraag hoe hij ze doorkomt in zijn stoel (’Kijk
je een beetje televisie?’) kijkt hij me bijna
verontwaardigd aan. ,,Televisie? Ik zat mijn hele
leven al liever in een sterfhuis dan in de
bioscoop.’’ Hij koestert de sfeer die het naderende
einde met zich meebrengt. Op de drempel van de dood,
als alle aardse ballast wegvalt, wordt voor hem de
kern van het leven geraakt. Daar mag hij in die
stille uren graag over mijmeren.
Aan het
eind van de week blijkt hoeveel het afscheid nemen
van zijn krachten heeft gevergd. Hij moet aan de
morfine en stort, na weer zo’n doorwaakte nacht,
letterlijk in. Hij raakt de regie kwijt. Bijna 24
uur zakt hij weg in een diepe slaap, waaruit hij op
zondagmorgen maar moeizaam ontwaakt. Ik zit naast
zijn stoel als we praten over wat hij na zijn
pensionering als zijn levenswerk is gaan beschouwen:
het vastleggen van verhalen van zeevissers. Zijn
merkwaardige loopbaan, die hem voerde van
ambachtelijk kuiper tot bijstandsmaatschappelijk
werker van de sociale dienst, is hij ooit begonnen
in de visserij. Die eerste liefde koestert hij nog
steeds. Een groot aantal van zijn verhalen is
verwerkt in het boek ’Vissersbloed’ dat enkele
maanden geleden uitkwam. In zijn computer zit nog
veel meer materiaal voor een volgende uitgave.
Zijn
handen schokken en zijn stem valt af en toe weg, als
hij adressen voor me opzoekt van mensen die nog
moeten worden geïnterviewd, uitlegt hoe zijn archief
in elkaar zit en aangeeft wie me allemaal kunnen
helpen bij het opzoeken van foto’s en het
controleren van gegevens. Aan het eind van ons
gesprek vallen zijn ogen weer dicht. Tijd om te
gaan.
,,Waar
hebben jullie het over gehad?’’, wil mijn zoon
weten, als we weer in de lift naar beneden staan.
,,Opa’s
erfenis’’, zeg ik.
Hij
knikt begrijpend, man van de wereld die hij is.
Vertel
hem wat over erfenissen.
|
|
| |
|
|
| |
Voorspelbaar
Die mysterieuze
gedaante met de zeis is voor ons een voorspelbaar
mannetje geworden. Mijn vader glijdt zo snel weg,
dat zijn overlijden nog maar een kwestie van dagen,
van uren is. Op woensdagmiddag verlaat hij zijn met
kussens en een schapenvacht opgetuigde stoel en
belandt in bed. Zijn sterfbed. Hij ziet grauw en
grijs, voelt zich dodelijk vermoeid en is met zijn
hees gefluister nauwelijks meer te verstaan. Het is
genoeg geweest. Als ik die middag bij hem op bezoek
kom, loop ik direct door naar de slaapkamer. Op
alles voorbereid, ben ik, maar niet op een leeg bed.
Mijn vader zit weer tussen de kussens in zijn
favoriete stoel en neemt met mijn zus een fotoalbum
door. Hij heeft trek, zegt hij. In kibbeling.
Vanaf
het moment dat mijn vader te horen kreeg dat zijn
ziekte niet meer te behandelen is, nu drie weken
geleden, hebben wij kunnen wennen aan het idee van
de dood. Maar niet zoals mijn vader, die er al
geruime tijd mee leeft. Nadat de laatste onderzoeken
ondubbelzinnig uitwezen dat zijn ziekte was
uitgezaaid naar vitale organen, lieten wij ons nog
verbazen door de snelheid waarmee de tumoren zijn
lijf aantastten. Maar ook die snelheid werd
vertrouwd. In een korte periode zagen we hem
aftakelen. Werd hij elke dag magerder. Grauwer.
Verloor zijn stem aan kracht. Werd het lezen
moeizamer. Net als het vasthouden van zijn kopje of
de tuitbeker waaruit hij zijn water dronk.
De
bezoekersstroom waarvan hij de eerste dagen zo had
genoten, droogde op. Hij kon het niet meer aan.
Familieleden kunnen urenlang stil bij je zitten,
maar vrienden vragen aandacht. En die kon hij niet
meer opbrengen. De enkele trouwe kameraad die nog
bij hem langskomt, volstaat met het vasthouden van
zijn hand. Mijn vader ligt roerloos op bed, af en
toe wat prevelend. Mijn vrouw moet zich
vooroverbuigen om te horen wat hij zegt.
,,Hoe
lang gaat dit nog duren?’’
Voor hem
mag het afgelopen zijn.
Een paar
uur later zit hij aan de kibbeling, komt de kleur
terug op zijn wangen en krijgt hij weer interesse in
de post. Zelfs in die van de Postbank. Ik moet een
nieuwe pincode voor de Girofoon invoeren – de oude
is hij kwijtgeraakt na een paar keer het verkeerde
nummer te hebben ingetoetst – en in de stoel
luistert hij nog naar de laatste af- en
bijschrijvingen. Ik verstuur nog wat nota’s voor hem
aan de weekbladen waarvoor hij visserijverhalen
schrijft. De ochtend daarop verwoordt hij tegenover
de dokter de twijfel die hem nu bekruipt, als hij de
muur van kaarten, brieven en e-mails ziet waarmee
zijn afscheid van dit leven wordt begeleid.
,,Wat
als ik toch nog beter word, dokter? Als ik volgend
jaar weer over de Boulevard loop?’’
Het is
de vreemdste geruststelling die je kunt krijgen: de
dokter verzekert hem dat dat niet zal gebeuren.
Toch
voelt deze opleving alsof we weer wat lucht hebben
gekregen. De steen waarmee ik de laatste dagen
voortdurend op mijn maag liep, is naar een plekje
gerold waar ik hem wat minder voel. Bijna routineus
neem ik op vrijdagmiddag met mijn vader nog wat
details voor zijn uitvaartdienst door en tik ik de
tekst uit die hij graag op de kaart wil hebben. Je
weet tenslotte maar nooit. Als ik wegga, vraag ik
wat hij gaat eten.
Broodje
kroket.
De
ochtend daarop bestelt hij bij mijn zus twee
sliptongetjes.
Mijn
moeder – die haar eigen vader in het verpleeghuis al
stiekem bijvoerde met al het slechte uit de frituur
– glundert. Het mannetje met de zeis is wat minder
voorspelbaar geworden.
Laat hij
ons maar verrassen.
|
|
| |
|
|
| |
Over de
knie
Met de status van
een doosje paperclips of de brievenweger slingerde
hij jarenlang rond op zijn bureau om plotseling –
zoals dat soms met floppy’s gaat – van grote
betekenis te worden. ’Overlijden’ staat er op de
diskette waarop mijn vader beschrijft hoe hij
begraven wil worden. Met enige terughoudendheid, dat
wel, want ’een mens regelt gauw te veel en legt vaak
nog over dood en graf heen zijn wil op aan zijn
nabestaanden’. Maar na dit aarzelende begin geeft
hij zich toch over aan een gedetailleerde opsomming
van hoe het allemaal moet verlopen. Wat hij te
triviaal vindt om aan het geschreven woord toe te
vertrouwen, geeft hij – tussen neus en lippen –
mondeling aan ons door. ’Waardige kleding’, vindt
hij belangrijk, op zijn uitvaart. Rokken tot over de
knie, dames, licht hij desgevraagd toe.
De
eerste verslaglegging op de floppy dateert van 1999
en mijn vrouw en ik stonden onbedoeld aan de wieg
van het begrafenisrelaas. Toen mijn schoonvader in
dat jaar plotseling overleed, worstelden we als
familie bij het organiseren van de uitvaart met de
vraag: hoe zou hij het gewild hebben? Welke tekst
vond hij mooi, welke liedjes had hij willen horen?
Maar ook met heel praktische zaken als: wie moeten
er allemaal een kaart? Het kostte ons dagen om een
complete adreslijst samen te stellen.
Een paar
weken daarna begon mijn eigen vader met het
vastleggen van al deze zaken op zijn floppy, die hij
sinds die tijd met een zekere regelmaat heeft
bijgewerkt.
Je
ideeën over de uitvaart aan het papier toevertrouwen
in een periode dat je nog volledig gezond bent, is
één ding. Maar in de wetenschap dat je nog maar
korte tijd te leven hebt, wordt alle
vrijblijvendheid gestript. Nu hij zijn krachten
geleidelijk voelt afnemen, gaat er geen dag voorbij
zonder dat we - soms maar heel kort – over zijn
begrafenis praten. Dan wil hij een tekst wijzigen,
op de floppy. Wisselt de uitvaartdienst van locatie.
Of voert hij een andere dichter op, die zijn
afscheid van dit leven moet verwoorden. Hij is een
liefhebber van de poëzie van onze grote vaderlandse
schrijvers – Achterberg, Marsman, Reve - en in zijn
geest tuimelen de toepasselijke strofen over elkaar
heen.
Vooral
in de eenzaamheid van de nacht mijmert hij – in de
stoel waarin hij, zoals een broer van hem het deze
week omschreef, ’als een vorst zit te sterven’ –
over zijn uitvaart. De dag daarop stop ik de
diskette dan weer in zijn computer om nog wat
wijzigingen door te voeren. De tekst bevat
informatie over hoe hij wil worden opgebaard, waar
de dienst moet worden gehouden en waar hij begraven
wil worden. In het gedeelte dat door de jaren heen
aan alle wijzigingen is ontkomen, schrijft hij met
veel relativeringsvermogen over zichzelf en zijn
uitvaart, en drukt hij ons als nabestaanden toch
vooral op het hart om de kosten beperkt te houden.
Waar hij
aanwijzingen geeft, gebeurt dat steeds met grote
terughoudendheid. De eerste keer dat ik de tekst op
de floppy opende, las ik dat ’mijn zoon Dick
misschien een paar woorden tot mijn nagedachtenis
zou kunnen spreken’. ,,Een beetje kritiek en humor
mogen best, en verder van de dode niets dan goeds.’’
Ik verdenk hem ervan dat hij heel goed weet dat elke
weifelend geformuleerde zin voor ons de waarde heeft
van een laatste wilsbeschikking.
Op weer
zo’n zondagmorgen dat wij vrezen dat het elk
ogenblik afgelopen kan zijn, trekt mijn vrouw de
zwarte rok aan die ze een paar dagen daarvoor heeft
gekocht. Als ze in de kamer van mijn ouders
rondloopt om koffie in te schenken, hoor ik mijn
vader met zijn zwakke fluisterstem nog wat tegen
haar zeggen.
,,Mooie
rok.’’
Ze wist
dat hij erop zou letten. Hij is vlot, zwierig en vol
glitters, maar valt keurig over de knie.
|
|
| |
|
|
| |
Wegsluimeren
Als hij met zijn magere,
blote lijf uit de douche stapt, is mijn zoon op z’n
kwetsbaarst. ,,Eigenlijk’’, bibbert hij, terwijl ik
hem een handdoek aangeef, ,,eigenlijk is het best
wel zielig voor mij. Mijn ene oma heeft Alzheimer en
mijn opa gaat dood aan kanker.’’ De tranen uit zijn
ogen vermengen zich met het water dat nog uit zijn
haar loopt. Hij verbergt zijn hoofd in de handdoek,
begint met beide handen te wrijven en komt, met de
rode vlekken nog in zijn gezicht, weer tevoorschijn
om te melden dat hij al op het tweede level van
Prince of Persia zit. Hij droogt zich slordig af en
holt naar zijn computer. Halverwege de trap
herinnert hij zich nog iets. ,,Ik heb vakantie!’’
Met een
familielid dat op sterven ligt, is december een
maand vol emotionele hoogte- en dieptepunten.
Kinderen zijn meesters in die afwisseling. Het ene
moment zakken ze weg in een peilloos verdriet, om
het andere moment met volle teugen te genieten van
pakjesavond, een nieuwe film of het vooruitzicht van
het vuurwerk. Het bewuste afscheid van opa heeft ze
diep geraakt, maar mijn zoon en mijn dochter sluiten
zich bewust af voor de verdere aftakeling. Ze willen
niet meer op bezoek bij de man die elke dag
magerder, zwakker en verwarder wordt. Ze willen zich
hem herinneren zoals hij twee maanden geleden nog
was.
Met alle
festiviteiten rond sinterklaas, kerst en oud en
nieuw is december ook een lastige maand, met iemand
die op sterven ligt. Het maakt een dilemma van zaken
die normaal zo vanzelfsprekend zijn. Tussen het
ritme van de dagelijkse bezoeken aan mijn ouders
door, laten we het leven zoveel mogelijk zijn loop
nemen. Maar elke keer als we iets leuks doen, bepaal
ik me schuldbewust bij dat allesoverheersende feit:
mijn vader gaat dood. Bij de nieuwe film van Harry
Potter. Als ik met mijn dochter en een neefje op de
racefiets zit. Bij het etentje met de schoonfamilie,
in een prachtig restaurant. Als ik midden in de
nacht wakker schiet uit zo’n zeldzame, droomloze
slaap.
Mijn
vader gaat dood.
Op
kerstavond wacht ik in de kamer van mijn ouders op
het verpleeghuisbed dat wordt bezorgd. Mijn vader
glijdt langzaam weg in een coma en mijn moeder, die
hem al die tijd zelf heeft verzorgd, moet van de
dokter de thuiszorg toelaten. Het bed wordt in de
kamer in elkaar gezet door iemand die al de hele dag
spoedritten rijdt naar mensen die in hetzelfde
schuitje zitten. Als hij maar niet doodgaat met
kerst, heeft mijn moeder in de weken daarvoor steeds
gezegd. Dat vond ze altijd zo erg, als dat andere
mensen overkwam.
Het is
voor het eerst dat ik kerst, het feest van de
geboorte, zo nadrukkelijk associeer met de dood.
Maar het blijkt al een trend. Op het bankje naast
mijn vaders bed liggen, onaangeroerd, de
kerstbijlagen van de kranten. Het Volkskrant
Magazine staat volledig in het teken van het
afscheid van het leven. Als hij nog in staat was om
te lezen, had mijn vader hem gespeld. Als ik wist
dat het tot hem zou doordringen, had ik hem
voorgedragen uit de bijdrage van Jan Wolkers, die
vaststelt dat zonder uitzicht op het sterven elke
handeling in het leven zinloos is. Hij zou diens
kijk op het overlijden hebben gedeeld. ’Laat de
sterveling wegsluimeren. Onderbreek zijn vlucht niet
met gewauwel.’
Ik kijk
zelf vooral gefascineerd naar de foto’s van mensen
die rond het lichaam van een opgebaarde overledene
staan. Ik let op de leeftijden van de doden. De
meesten zijn veel jonger dan mijn vader, die van
1935 is. Het grijpt me aan, maar het laat me ook
mijn eigen situatie relativeren. Dezelfde nevel die
de contouren van het plezier vervaagt, trek ik deze
dagen ook op om de scherpe kanten van mijn emoties
te halen. Zie je wel, het kan altijd nog erger. Je
kind verliezen, of je vrouw. Er zijn zoveel mensen
van wie de vader doodgaat of is doodgegaan.
Ik ben
jaloers op mijn kinderen omdat ik niet volledig kan
ondergaan in vreugde en verdriet.
Eigenlijk best zielig voor mij.
|
|
| |
|
|
| |
Echt
waar
Vandaag wordt
mijn vader begraven. Al sinds middernacht bonkt die
zin door mijn hoofd. Op het ritme van de kerkklok
die naast ons huis de uren aftelt, neem ik voor de
zoveelste keer de afscheidsdienst door. Half twee,
met mijn drie zussen rijd ik de kist door de kerk.
Twee uur, in mijn toespraak probeer ik mijn vader
weer een beetje tot leven te brengen. Half drie, we
lopen, dwars door het dorp, naar het graf. Zo wilde
mijn vader het graag. Een stille stoet, onder het
gebeier van de klok. Half vier, slaat de kerkklok
naast ons huis. Nog tien uur te gaan. Dan wordt mijn
vader begraven.
Zes
weken lang heb ik op deze plek zijn ziekteproces
beschreven. We hebben het er samen nooit over gehad,
maar ik wist dat hij mijn stukken las. Toen dat niet
meer ging, las mijn vrouw ze aan hem voor. Maar
altijd als ik er niet was. Daar voelden we ons
allebei beter bij.
Voor
lezers die van mij een luchtiger toon gewend zijn,
was het even wennen. ,,Het is toch wel echt waar?’’,
zei iemand tegen me in de supermarkt, een dag na het
eerste stukje in de krant.
Het zou
mooi zijn als ik het allemaal had verzonnen,
mevrouw.
Bestaat
er zoiets als een mooie dood? Het leven van mijn
vader ging uit als een kaarsje, om half zeven op
donderdagmorgen. Hij stierf letterlijk in mijn
moeders armen, na een korte, nauwelijks hoorbare
zucht. Een mooie dood. De dagen daarvoor waren
minder mooi. Na de periode waarin hij als een vorst
in zijn stoel had zitten sterven, belandde hij in
bed: mager, uitgeteerd en verward door de
medicijnen. Eén van die engelen van de thuiszorg
sloot uiteindelijk een morfinepomp aan, waarna hij
binnen 48 uur heel rustig overleed.
Zes
weken lang hebben we ons op dit moment voorbereid,
maar de werkelijkheid overvalt je altijd. Er volgt
een ontlading. Heel kort, want de dood zet een
bedrijvig proces in gang. De dokter komt, om het
overlijden vast te stellen. Daarna de vrouwen van de
begrafenisondernemer, om mijn vader af te leggen. De
begrafenisondernemer zelf. De predikant. Tussen de
middag hebben we alles voor elkaar, tot en met de
rouwkaart en de geschreven enveloppen. Met soep en
broodjes zitten we naast het verpleeghuisbed waarop
mijn vader ligt in zijn beste pak, zonder bril.
Want, zei hij altijd, als je je ogen dicht hebt,
hoef je ook je bril niet op. Hij heeft een glimlach
om zijn mond, de geamuseerde, licht spottende trek
waarmee hij vaak de wereld inkeek.
Ik oefen
in mijn eerste telefoongesprek om zonder vol te
schieten te vertellen dat mijn vader is overleden.
Poging
mislukt.
Ik blijf
eraan werken. Maar niet op het moment dat we onze
kinderen moeten vertellen dat opa is gestorven. Mijn
dochter heeft ons ’s morgens halsoverkop het huis
horen verlaten en is al op het ergste voorbereid. Er
wordt gehuild, maar later ook gevoetbald, als alle
neefjes en nichtjes elkaar opzoeken. ,,We moeten
maar doen zoals opa heeft gezegd’’, laat mijn zoon
in de loop van de dag weten. ,,Er niet te lang bij
stilstaan.’’ De saus met zalm en pasta die we hem
voorzetten (’het vieste dat ik ooit heb gegeten’)
moesten we maar nooit meer klaarmaken. Dan moet hij
steeds weer aan opa’s dood denken.
Die
avond hangt hij, een zak chips in de hand,
ontspannen boven de glasplaat waaronder mijn vader
ligt, om opa nog van alles te vertellen. Ik hoor,
zoals hij dat kon, mijn vader brommen. ,,Kijk je
uit, met die vette tengels aan mijn kist.’’
We
beleven een bizarre oud en nieuw, met mijn vader
opgebaard in de kamer waar hij na zijn pensionering
zijn vissersverhalen schreef. Het is gezellig. En
wat zeg je na twaalven tegen elkaar? Gelukkig
Nieuwjaar. Er vloeien weer tranen.
De klok
slaat. Vier uur. Er maalt veel door je hoofd, als de
slaap niet wil komen.
Vandaag
wordt mijn vader begraven.
Het is
echt waar, mevrouw.
|
|
| |
|
|
| |
Bij het
afscheid van mijn vader
De dood en ik,
wij reizen altijd samen, citeert mijn vader één van
zijn gewaardeerde dichters op de floppy met het
opschrift ’Overlijden’, die hij jarenlang in zijn
bureau bewaarde. En zo was het. Hij was altijd bezig
met de dood, zij het vaak op een hele nuchtere,
aardse manier. Hij knipte overlijdensadvertenties of
gedichten uit die hij mooi vond. Citeerde – te pas
en, vond ik, soms ook te onpas – uit sombere
gedichten. Op vakanties hadden kerkhoven en
grafschriften een grote aantrekkingskracht op hem.
Hij begeleidde veel mensen in hun laatste levensfase
en genoot, hoe merkwaardig het ook klinkt, van de
sfeer die het naderende einde opriep. ’Ik zit liever
in een sterfhuis dan in de bioscoop’, zei hij de
afgelopen weken een keer tegen me. Voor iemand met
deze instelling, had hij in het zicht van de dood de
tijd van zijn leven.
Ik dacht
altijd dat die fascinatie voortkwam uit angst voor
de dood. Maar ik had het mis. Als iets ons de
afgelopen periode duidelijk is geworden, is het wel
dat hij geen enkele vrees koesterde om te sterven.
Dat had vooral te maken met die andere, de
religieuze manier waarop hij omging met de dood.
Mijn
vader heeft nooit geloofd met als doel in de hemel
te komen. Voor hem was het geloof iets om in de
dagelijkse praktijk handen en voeten te geven. Als
vakbondsman, als ouderling, in zijn werk als
bijstandsmaatschappelijk werker. Hij hield niet van
preken. Hij gebruikte zijn geloof om sociaal en
rechtvaardig te zijn.
Mijn
vader komt uit een gezin met elf kinderen. Samen met
zijn broer Jan, inmiddels ook overleden, vormde hij
vaak een span. Jan bedacht de streken, mijn vader
voerde ze uit. En kreeg later ook vaak de klappen.
Hij was impulsief, zorgde altijd voor commotie. Als
hij na het afsluiten van de maaltijd met
bijbellezing en gebed naar buiten liep, kon hij
binnen tien seconden de pony van een paard en wagen
op hol jagen. Als de voerman hem dan tot aan de
eettafel van het ouderlijk huis nazat, sprak mijn
opa, de bijbel nog opengeslagen in zijn hand, op
dramatische toon: ,,Hij zat hier net nog aan de
tafel!’’
Er zijn
tientallen van dit soort verhalen, die ons vooral
werden doorverteld op verjaardagen, en tijdens lange
wandelingen op vakanties. Er zitten klassiekers bij,
die ik vele tientallen keren moet hebben aangehoord.
Zijn
karakter veranderde in de loop der jaren niet
wezenlijk. Hij bleef impulsief, driftig soms,
ongemakkelijk, als de dingen niet verliepen zoals
hij wilde. De uitdrukking: ’Zo ben je precies je
vader’, is bij ons thuis geen compliment.
Ik krijg
hem steeds vaker te horen.
Mijn
moeder, met wie hij 48 getrouwd was, hield hem met
haar nuchtere kijk op de dingen met beide benen op
de grond. Hij was met hart en ziel aan haar gehecht
en was zonder haar in het dagelijks leven ook vrij
hulpeloos. ’Pie, waar zijn mijn sokken?’, is ons
gezin nog zo’n gevleugelde uitdrukking, om die
hulpeloosheid te onderstrepen. Eén van zijn grootste
angsten was, dat zij voor hem zou overlijden.
,,Zonder jou zou ik mezelf in het water rijden’’,
zei hij altijd tegen haar. ,,Jij redt het wel
alleen. Jij bent sterk.’’
Vooral
waar mijn vader onrecht of sociale misstanden zag,
kon hij enorm uit zijn slof schieten. In de jaren
dat hij als kuiper werkte bij haringhandel Niek
Parlevliet in Katwijk stond hij als vakbondsman vaak
met een rode kop tegenover zijn werkgever. Hij was
degene die voor het bedrijf een sociale paragraaf
opstelde. Als er moest worden overgewerkt of ergens
een klus werd afgesproken, mocht er pas met werken
worden begonnen als mijn vader over de prijs had
onderhandeld. Het waren jaren waarin hij zich voor
zijn gezin ’het lazerus werkte’, zoals hij dat zo
plastisch kon zeggen.
Hij had
een hekel aan zijn overall en het zware werk in de
kuiperij, maar diezelfde reder Niek Parlevliet bood
hem de kans om die wereld de rug toe te keren.
Inmiddels wethouder van de gemeente Katwijk deed hij
een goed woordje voor mijn vader toen de functie van
gemeentelijk deurwaarde vacant was.
Mijn
vader werd ambtenaar.
Als
iemand die alleen lagere school had, maakte hij pas
echt een ontwikkeling door toen hij naar de dienst
Sociale Zaken werd overgeplaatst. Hij volgde lessen
op de bestuursschool en werd uiteindelijk
bijstandsmaatschappelijk werker. In het begin werd
er in dit progressieve milieu wat vreemd tegen hem
aan gekeken, tegen de echte Katwijker, de ouderling,
die alleen maar met de Bijbel bezig leek. Maar met
dat beeld maakte hij korte metten. Hij was breed
ontwikkeld, was goed in staat om zijn geloofsleven
buiten zijn werk te houden en bleek niet te beroerd
om zich – beïnvloed door de geitewollensokken om hem
heen – te laten verleiden tot het lezen van
feministische literatuur.
Dat
leidde soms tot misverstanden. Een wat oudere
bibliotheekmedewerkster die hem niet helemaal
begreep, riep mijn vader eens heimelijk achter een
kast, waar ze een boek uit plukte en tegen hem zei:
,,Hier, mijnheer Van der Plas, hier staan ook hele
vieze dingen in.’’
Bij de
Sociale Dienst bleef hij wel de man die zich enorm
druk kon maken als hij vond dat iemand op grond van
ambtenarij of een benepen uitleg van de regeltjes,
onrecht werd gedaan. Net zoals tegenover reder
Parlevliet, kon hij met een rode kop van kwaadheid
tegenover zijn afdelingschef staan.
Hij was
altijd vol van zijn werk. Mijn vrouw en ik zijn
jarenlang met mijn ouders op vakantie gegaan. Hij
wist dat hij met mij niet moest spreken over
kerkgeschiedenis of dode Nederlandse dichters. Dus
als we dan door het Schotse landschap liepen, begon
hij vaak verhalen over de Sociale Dienst. ,,Ik heb
een cliënt…’’, was dan altijd zijn openingszin, en
dan kwam er weer een lang relaas over iemand die
door het leven of door een starre ambtenaar
onrechtvaardig was behandeld.
Ik heb
altijd veel geduld met hem gehad.
Voor ons
kinderen was hij aan de ene kant streng – ’eten en
je mond houden’, was een uitdrukking die hij aan de
maaltijd vaak gebruikte – maar aan de andere kant
liet hij ons ook erg vrij. Als hij kwaad was, was
hij het ook zo weer vergeten. Als je iets fout deed,
kon je een tik krijgen. Maar verder deed hij niet
aan straf. Als je kwaad op hém was, kon je ook alles
tegen hem zeggen. Dan lachte hij dat speciale lachje
van hem, en werd je nog kwader.
Voor
zijn kleinkinderen was hij geen opa die verhaaltjes
voorlas, of spelletjes met ze deed. Hij was het
liefst actief. Leerde ze schaatsen, ging met ze
wandelen of fietsen. Zelf ontdekte hij pas op
55-jarige leeftijd het sporten. Hij kocht een
racefiets en hardloopschoenen en zo kon je hem vaak
over de Boulevard zien gaan, in zijn lichtgevende
paarse trainingspak en met een witte band om zijn
hoofd. Zoals alles, deed hij ook dit met overgave.
Er werd meteen vijftien kilometer gehold. En op de
fiets lette hij meer op de snelheidsmeter dan op de
omgeving. Dat leverde hem onder meer een gebroken
sleutelbeen op. Hij kon niet rustig aan doen, alles
was competitie. Ik was wel eens kwaad op hem, als
hij me, na een beloofd rustig rondje, helemaal had
uitgewoond. Dat vond hij het mooiste dat er was,
zijn zoon in de vernieling rijden of lopen.
Na zijn
pensionering zette hij zich met dezelfde overgave
aan het schrijven van visserijverhalen. De visserij
was zijn eerste passie en eigenlijk een liefde voor
het leven. Hij heeft aan het begin van zijn werkzame
leven vijf jaar gevaren en ik heb wel eens de fout
gemaakt – nota bene in een krantencolumn - om dat
een ’blauwe maandag’ te noemen. Ik vond natuurlijk
ook dat hij als ambtenaar niet kon schrijven, maar
ik raakte gaandeweg onder de indruk van de inzet, de
gedrevenheid en de kennis van zaken waarmee hij zijn
stukken maakte. Ik weet een beetje wat het werktempo
van een gemiddelde journalist is en ik durf gerust
te beweren dat mijn vader in die vijf jaar meer
stukken heeft geschreven dan een gemiddelde
broodschrijver in zijn hele loopbaan.
Hij
legde het relaas van de gewone visserman vast,
verhalen vol romantiek en spanning, maar ook van
ontberingen en verdriet. De bekroning op zijn werk
was het prachtige boek ’Vissersbloed’ dat hij samen
met Maljaard van der Gugten van boekhandel Van den
Berg maakte. Hij leefde tekort om nog te kunnen
genieten van een bijna paginagroot artikel in De
Volkskrant over zijn boek, of van de erkenning die
hij van het Katwijkse gemeentebestuur kreeg bij de
uitreiking van de jaarlijkse Meerburgprijs.
Hij had
ervan genoten, en was er verguld mee geweest. Want
mijn vader was ook een ijdele man.
De
afgelopen tien jaar kan ik me geen begrafenis
herinneren, waarop mijn vader niet het woord voerde,
om de overledene – een broer, zwager of oud-collega
– recht te doen met een mooi ’In Memoriam’.
Persoonlijk, gedetailleerd en altijd ook doorspekt
met een geestelijk woord. Want mijn vader bleef op
gezette tijden een ouderling, ook al was hij
jarenlang uit het ambt. Hij besloot zijn toespraken
altijd met een mooi gedicht van één van de grote
vaderlandse poëten. Dat mag ik niet. Mijn vader
heeft bepaald dat mijn vrouw Irene dat moet doen.
Mijn
vader was niet iemand die de dingen op zijn beloop
liet.
Ook zijn
eigen uitvaart niet.
(Uitgesproken door zoon Dick tijdens de
afscheidsdienst van Marinus van der Plas.)
|
|
| |
|
|
| |
Afscheid
Ik ga op weg
en laat mijn huis
verdonkren
in het avondrood
-
o, ga niet
weg,
de nacht is groot.
ik kan niet blijven
lieveling,
de dood ontbood mij
tot zijn kring;
vergeef mij
dat ik achterlaat
wat ik zozeer
heb liefgehad:
mijn huis, mijn
stad,
mijn kleine straat
en u
mijn eigen hart,
ik hoor een lied
een grote stem
-
zijt gij dan
niet
van mij?
van hem
o, vrouw die
eenzaam
achterblijft
in het verwaaiend
avondrood
o dood, o stem
de nacht is groot
en sterk de stem
die tussen slaap
en morgenrood
roept uit het
nieuw Jeruzalem.
Hendrik Marsman
(Tijdens de
begrafenis
uitsproken door
schoondochter
Irene.)
|
|
| |
|
|
| |
Bij mijn
overlijden
Hoewel ik met een
zekere dichter moet zeggen ’De dood en ik, wij lopen
altijd samen’, ben ik geneigd om, wat mijn
begrafenis betreft, de dingen op zijn beloop te
laten. Daarbij heb ik overwogen dat een mens gauw te
veel regelt en vaak nog, over dood en graf heen,
zijn wil oplegt aan zijn nabestaanden. Dat is mijns
inziens niet goed. Bovendien ben je ook geneigd om,
wanneer je eenmaal aan het regelen bent, veel meer
op papier te zetten dan strikt nodig is.
Het feit
dat ik tot nu toe niets heb willen vastleggen,
betekent niet dat ik van tijd tot tijd niet
fantaseer over mijn overlijden en begrafenis.
Echter, het is mij in de loop der jaren gebleken dat
een mens vaak van gedachten verandert, ook soms over
zeer wezenlijke zaken. Vandaar mijn terughoudendheid
in deze. Bovendien vind ik mijzelf totaal
onbelangrijk om veel aandacht aan mijn toekomstige
begrafenis te besteden. Het belangrijkste vind ik
dat jullie goed voor je moeder zorgen, maar daarvan
ben ik zo overtuigd dat ik het eigenlijk niet hoef
te benoemen.
Dat ik
het toch doe, is meer gelegen in het feit dat ik
jullie daarmee duidelijk wil maken hoeveel ik van
haar hou en hoezeer ik met hart en ziel aan haar
gehecht ben, dan dat ik mij zorgen over haar maak
als ik eerder dan zij zou komen te overlijden.
Ik zou
graag opgebaard willen staan, zonder bril. Een bril
is om te zien, vind ik. Als je slaapt heb je ook
geen bril op, vandaar.
Tijdens
de rouwdienst zou ik graag willen dat psalm 43 vers
1 tot en met 4 (oude berijming) wordt gezongen. Want
van deze psalm is vers 1 mijn lijflied.
Geduchte God, hoor mijn gebeden,
strijd voor mijn recht, en maak mij vrij
van
hen, die, vol arglistigheden
gerechtigheid en trouw vertreden,
opdat
mijn ziel Uw naam belij'
en U
geheiligd zij.
Ik heb,
hoe kan het ook anders, altijd graag psalmen
gezongen, zowel in de oude- als de nieuwe berijming.
Verder zou het lijflied van mijn schoonfamilie Van
Duijn – ’Ruwe stormen mogen woeden’ – in de liturgie
kunnen worden opgenomen. Graag zag ik dat tijdens de
dienst door mijn schoondochter Irene het gedicht
’Afscheid’ van Marsman wordt voorgedragen. Onze Dick
zou misschien een paar woorden tot mijn
nagedachtenis kunnen spreken. Een beetje kritiek en
humor mag best wel in zijn speech worden verwerkt en
verder van de dode niets dan goeds.
Op de
rouwkaart beginnen met een strofe uit een gedicht
van Gerrit Achterberg:
Het
is niet te denken,
dat
hij me straks niet zal wenken
op
het terras
dier
andere weide
aan
gene zijde
van
stof en as.
De
begintekst bedenken jullie zelf maar. En dan, onder
mijn naam, ’Gedenk mij, mijn God ten goede’ uit
Nehemia 13, vers 31. Dit niet ter opsiering, maar
als uitdrukking van mijn geestelijke leven, vooral
in de latere jaren van mijn leven.
Mijn
leven overziend kan ik niet anders zeggen dan dat
ik, net als de meeste stervelingen, veelal aards
geluk gezocht en nagejaagd heb. De Prediker noemt
dat: najagen van wind. Anderzijds zeg ik het Gerard
Reve na: ’Dat ik nooit anders heb gezocht, dan U,
dan U alleen’.
Dat is
de paradox in het leven van iemand die van jongs af
aan is ingescherpt dat wij vreemdelingen en
bijwoners zijn op deze aarde en die zich vaak bewust
is geweest van zijn Godsgemis en vaak met een zeker
heimwee naar Hem heeft verlangd. Daarom, of jullie
het willen geloven of niet, heb ik nooit echt
gestreefd naar aards bezit. We zijn hier maar even.
Ik heb
altijd een diep besef gehad dat een mens hier op
deze aarde alleen maar geluksmomenten kent. Homo
peccator, dat wil zeggen: de mens is een zondaar.
Hij staat voor God schuldig en met lege handen. Ik
kan daar verder ook niets aan doen, het is nu
eenmaal niet anders met ons gesteld. Ik heb
natuurlijk ook van het leven genoten. Maar altijd
lag daarnaast de melancholie op de loer.
Ik heb
ook geloofservaringen gehad. Momenten die ik als het
ware beleefde in een verzoende betrekking door
Chistus met God te staan. Dat zijn ijkpunten in het
leven die je nooit meer loslaten. Overigens sta ik
wel in de traditie van de Hervormde Kerk, maar ben
ik me er altijd van bewust geweest dat dat allemaal
maar mensenwerk is.
Eén raad
wil ik jullie geven: probeer je kruis, voor zover je
dat is opgelegd, vrolijk te dragen (oud
doopformulier) en te genieten van alle ijdele dagen
die God jullie geeft.
Het
overlijden van mijn kleinzoon Aaron heeft ook in
mijn leven diepe sporen achtergelaten. Vooral ook
het verdriet van Mary, Hans en de kinderen. Ik kan
niet nalaten om dit even te zeggen.
Ik hou
van jullie allemaal intens veel en vraag vergeving
voor alles wat ik verkeerd heb gedaan, en dat is
niet gering. Wat niet goed is, is niet geschreven,
zeg ik bij deze Gerrit Achterberg na.
Marinus
van der Plas,
geboren
25 februari 1935 te Katwijk.
(Uit het tekstbestand
’Overlijden’, dat mijn vader op een floppy in zijn
bureau bewaarde.)
|
|
|
|
|
|
|
|