Nieuw op deze site:

 

 

Dossier Dolomieten

 

Alles over de Dolomieten Marathon 2010 staat hier.

 
 

Elders in het gezin

Het weblog van mijn wederhelft

 

Wonen in Spanje

Het weblog van onze rentenierende vrienden in Jalón, Costa Blanca

 
 

Wielerclubs en sites

 

IJsclub Voorwaarts

Wielervereniging Katwijk

Noordbikers

 

HTWV

(Hijgend Trekken Wij Voort)

Club Ciclista Xaló

 

 
Alles over La Marmotte 2009
Klik hier
 
 

 

Trainingskamp Spanje 2009

Klik hier

 

 

 

 

Stukjes tikken is mijn vak, maar fietsen doe ik voor de lol. De meeste kilometers draai ik in de Duin- en Bollenstreek, maar enkele keren per jaar ben ik op trainingskamp bij mijn rentenierende vriend in Jalón, Costa Blanca, of elders in Europa aan het trappen. Op deze site  verslagen van trainingsritjes, officiële toertochten en vakantietrips. Want stukjes tikken over fietsen doe ik ook voor de lol.

 
 
 

 

Pretvaderen is het centrale thema van een column die ik wekelijks schrijf voor de dagbladen van HDCmedia (Noordhollands Dagblad, Haarlems Dagblad, IJmuider Courant, Leidsch Dagblad en Gooi en Eemlander). Maak op deze site, behalve met wielrennen, ook kennis met een prettige kijk op het vaderschap.

 

Naam: Dick van der Plas Leeftijd: 50

Woonplaats: Katwijk

 
 
 
 
 
 

 
 
 
 
 
 
 
 
 

Programma 2010

 

Maart:

Joop Zoetemelk Classic vanuit Leiden

 

April:

Trainingskamp in Spanje

(van 6 t/m 13)

Hart van de Bollenstreek

 

 Mei:

Waalse Pijl (15 mei)

Route des Amblèves (Ardennen, 29 mei)

 

Juni:

Jean Nelissen Classic

(Vianden, 12 juni)

Trainingskamp

Dolomieten (27 juni)

 

Juli:

Dolomieten Marathon

(4 juli)

 

Augustus:

Vakantie (Ierland)

 

September:

Fietsweek

Vogezen (HTWV)

 

Oktober:

Herfstmountainbiken

in Leersum

 

November:

Rabo Beach Challenge

 
 
 

 
 
 
 

 

     
 

Ierland, zomer 2010

Zaterdag 17 juli

Het extreme zomerweer maakt Nederland tot een gevaarlijk land voor caravankampeerders. De krant van wakker Nederland voorspelde gisteren dat in de loop van volgende week opnieuw zware slagregens en dito windstoten de campings zullen teisteren, met omgewaaide en dobberende sleurhutten tot gevolg. Nee, er zit niks anders op dan dit onder de klimaatverandering zuchtende thuisland te verlaten en uit te wijken naar een eiland dat - klimatologisch gezien - al wekenlang een toonbeeld van stabiliteit is: voortdurend een graadje of vijftien en elke dag wel wat regen. Juist, Ierland! Rond het middaguur rijden we naar Hoek van Holland, om vanavond rond 20 uur (Engelse tijd) in Harwich aan te komen. Morgen steken we over naar Wales en maandagmiddag varen we van Fishguard (Wales) naar Rosslare (Ierland).

 
 
 
 

Zondag 18 juli, Fishguard

Sinds het ons één keer eerder is overkomen, behoort het tot de vaste vakantie-nachtmerries binnen ons gezin: helemaal vooraan in de rij van het parkeerdek op de veerboot staan met een auto die niet wil starten. Toch is mijn vrouw de enige die meteen argwaan heeft, als mijn Kia bij het instappen niet reageert op de afstandbediening. Ik niet. Als de ontvangst een beetje slecht is - kan best, op zo'n ferry - heeft ie dat wel vaker. Gewoon met de sleutel gaan de deuren ook open. De dashboardverlichting gaat aan, de radio doet het en vol vertrouwen draai ik de contactsleutel om. Niets. Helemaal niets. Alleen als ik de deur open doe, hoor ik een zacht gereutel als ik probeer te starten. Maar dat is dan ook alles. Voor ons gaat de laadklep open, links en rechts beginnen auto's te rijden en wij staan stil, met achter onze caravan een lange sliert campers, vrachtwagens en personenbusjes die ook geen kant op kunnen.

Een onwillige permanente stroomdraad die de auto met de sleurhut verbindt, heeft in de zeven uur dat de zonnige overtocht op de gloednieuwe Hollandica van de Stena Line duurde, onze accu leeggetrokken. Tenminste, dat hoop ik. In een ander geval zie ik ons met het hele spul van de boot gesleept en op een desolaat parkeerterrein wachten op een monteur die het ook zo gauw niet weet. Mijn eega is nog pessimistischer en ziet onze complete vakantie al stranden in dit vrachtruim. Mijn dochter smst op de achterbank naar vrienden dat ze zich dood schaamt. Maar als na tien minuten een doodkalme bootsman met een mobiele stroomkoffer mij gebaart de motorkap open te doen en zijn defibrilator aansluit op mijn stroombron, zijn we na vijf seconden weer op weg. En zelfs het ritje van een kwartier van de boot naar de overnachtingscamping in Harwich blijkt een dag later voldoende om de accu van genoeg stroom te voorzien om ons ook op weg te helpen voor de rit naar Fishguard, van de ene naar de andere kant van Engeland.

Rond half negen vertrokken we - mijn zus Mary en zwager Hans reizen met hun caravan met ons mee - vanmorgen vroeg met een graadje of negentien van de oostkust, om onderweg naar de westkust langzaam te worden opgeslokt door het Engelse klimaat. Harde wind en drizzle: venijnige stuifregen. Maar eenmaal aangekomen in Fishguard, waar we morgen de ferry naar Ierland nemen, is het zwaarbewolkt maar droog. Camping Fishguard Bay ligt schitterend op de kliffen, je loopt zo de fameuze coastal footpaths op, vanuit de caravan hebben we zicht op zee - van de kampeerbaas moeten we uitkijken naar dolfijnen en een ons onbekende haaiensoort - en overal is gratis Wifi. Als mijn dochter merkt dat ze zelfs de nieuwste aflevering van Top Gear op deze zondagavond via streaming video van de BBC direct kan mee kijken, kan deze vakantie niet meer stuk.

 
 
 
 

Maandag 19 juli, Fishguard

Drie dagen onderweg zijn we, en pas vanavond rond half zeven zetten we voet op Ierse bodem. Kan dat niet sneller? Ja, met het vliegtuig is het nog geen anderhalf uur. En als we vrijdagavond de nachtboot hadden genomen en zaterdag overdag een race tegen de klok waren aangegaan, hadden we er zaterdagavond kunnen zijn. Maar dit is wel zo relaxt. In feite hebben we alleen zondag de hele dag gereden en zou je de zaterdag (Hoek van Holland-Harwich) en deze maandag (Fishguard-Rosslare) als veredelde rustdagen kunnen zien. Vanmorgen hadden we zelfs nog een paar uur om Fishguard te bekijken, voordat de ferry om half drie aan de oversteek van de Ierse zee begon.

Leuk stadje, Fishguard, aan de ene kant typisch Engels (het deed ons een beetje aan Cornwall denken), maar ook weer typisch Welsh, al was het maar in de opschriften van de naambordjes. Van daaruit was het ruim 3,5 uur naar de overkant, op een behoorlijk ruige Ierse zee. Buiten begon het te spetteren, dus brachten we de tijd door in de theaterzaal van het schip met lezen, internetten, klaverjassen en Harry Potter 6 kijken, temidden van Ierse gezinnen met veel te veel kinderen. Wereldwijd, las ik ergens, schijnen er 70 miljoen mensen met een Ierse afstamming rond te lopen. Geen wonder.

De camping die we op een kwartier rijden van de boot hadden uitgezocht reden we per ongeluk voorbij (nergens het beloofde bord te zien) en aan terugrijden hebben we een hekel. Het kampeerterrein dat ons bij een tankstation aan de M25 werd aanbevolen, bleek een verlaten asfaltstrip bij een hondenkennel te zijn, dus duurde het (iets minder relaxt) tot 20.30 uur voordat we in Tramore een goed alternatief vonden. Morgenochtend rijden we door naar de Ring of Kerry (nog 267 kilometer te gaan), waar we na vier dagen in feite pas op onze eerste echte plek van bestemming aankomen. Had dat sneller gekund? Jazeker. Maar dat heb ik al uitgelegd.

 
 
 
 

Dinsdag 20 juli, Caherdaniel

Aan voorbereiding heb ik niks gedaan, voor deze Ierland-vakantie. Ik vaar volledig blind op mijn eega, die de afgelopen maanden indrukwekkende stapels reisgidsen verzamelde. Maar toen ik uit haar lijst deze camping onder ogen kreeg, wist ik waar ik mijn eerste dagen in Ierland wilde doorbrengen. Ik was zelfs bereid er een mailtje aan te wagen, waar ik - behoudens een automatisch gegenereerde ontvangstbevestiging - nooit antwoord op kreeg. Maar zelfs in dit hoogseizoen zijn op mooiste camping van de Ring of Kerry - Wavecrest, net onder Caherdaniel - voor onaangekondigde gasten nog wel plekjes te vinden. 

Een kleine driehonderd kilometer moesten we er vandaag voor rijden, over wegen die zelfs in België voor gemotoriseerd verkeer zouden zijn afgesloten. Op sommige plekken waren vijf verschillende soorten asfalt - in evenzoveel kleuren - over en naast elkaar geplakt. De miljardensubsidies van de EU zijn overduidelijk niet in het wegennet van Kerry gestoken. Het gerammel van kopjes, glazen en pannen uit de stuiterende caravan aan mijn trekhaak moet tot in Dublin te horen zijn geweest. Maar waar op de spiegelgladde snelwegen tussen Harwich en Fishguard vijf van onze beste wijnglazen aan diggelen gingen en in splinters door het hele interieur lagen, bleef nu alles heel. En wie klaagt er over asfalt, als je er dit uitzicht voor terug krijgt? De komende dagen krijgt niemand mij hier uit mijn stoel, behoudens voor een wandeling, een stukje fietsen of een bezoek aan een eerbiedwaardige gelegenheid waar Murphy's wordt geschonken. 

 
 
 
 

Woensdag 21 juli, Caherdaniel

Gewoon een dagje Ierse dingen doen. De Ring of Kerry afstruinen, vijf keer aan een wandeling beginnen en die evenzoveel keren weer afbreken (vanwege slagregens of onoverkomelijke obstakels als zeearmen en rivieren), op gepaste afstand boven ontzagwekkende kliffen hangen, (schier)eiland hoppen en een koe aanrijden. Een wat aanrijden? Een koe, maar daarover later meer.

Beter weer, is ons door de campingbazin beloofd, maar dat gaat maar ten dele op. We worden wakker met regen op het caravandak en wat volgt is een dag waarin de omstandigheden per kwartier veranderen. Dan weer een stralend zonnetje, dan weer regen, gevolgd door felle opklaringen, woeste wolkenluchten, harde wind en mist die net zo snel opkomt als hij weer verdwijnt. Alles in een vrij onvoorspelbaar ritme, waardoor we onderweg sneller van kleding, paraplu's en poncho's wisselen dan een model op de catwalk. Nee, saai is het hier niet.

Dat geldt ook voor de terugweg naar de camping, stuiterend over het golvende asfalt van de Ring of Kerry. Vanuit wagen 1 zien wij hoe een boer zijn vee bijeendrijft voor het oversteken van de weg, als één van de koeien een por krijgt van een stier, onder de wapperende armen van de agrariër heenduikt en achter ons de rijbaan op holt. In de achteruitkijkspiegel zie ik hoe mijn zwager (met wagen 2) het dier in de flank raakt, hoe het door zijn hoeven zakt, op zijn rug rolt en na wat heen en weer rollen overeind krabbelt. Ogenschijnlijk ongedeerd, maar het bloed dat uit allebei zijn neusgaten loopt duidt volgens de boer op inwendige bloedingen. 'Die haalt de avond niet', meldt hij nuchter over zijn dubbele strop, want de koe blijkt ook nog zwanger. De auto is er aanmerkelijk beter aan toe: een gebroken koplamp en een ingedeukte nummerplaat.

 'I am sorry for your cow', zegt mijn zwager. 'I am sorry for your car', antwoordt de boer. 'It's only a car', vindt mijn zwager. 'It's only a cow', meent de boer. Het is duidelijk, wij zijn meer ontdaan van dit onverwachte eind aan een dagje Ierse dingen doen dan hij.

 
 
 
 

Donderdag 22 juli, Caherdaniel

Zelfs de Ieren op onze camping in Caherdaniel vinden dit maar een matige zomer. De buren van mijn zwager - uit Dublin, maar geregelde gasten hier op Wavecrest, aan de Ring of Kerry - zuchten al weken onder een lagedrukgebied dat het vasteland van Europa wél stabiel mooi weer oplevert. Maar vandaag zijn de rollen omgekeerd. Van collega Paul krijg ik uit de Dordogne per sms de mededeling 'Hollands weer' door en ook vriend Mart meldt uit het zuiden van Frankrijk dat het met bakken uit de hemel komt. Goed nieuws, voor ons. Voor het eerst sinds we zaterdag de oversteek waagden, worden we wakker met het zonnetje in de caravan. Het waait nog wel stevig, maar dat vinden we geen probleem. Als het te warm wordt, heb je daar met wandelen alleen maar last van.

Voor ons doen blijven we redelijk dicht bij huis. We rijden een stukje langs de Ring of Kerry en maken een wandeling door een soort fjordenlandschap waar we - het dreigt een gewoonte te worden - geregeld stuiten op bordjes met Private en afgesloten hekken. Grote stukken grond zijn hier nog particulier bezit en de landeigenaren houden niet van pottenkijkers en trespassers.

Tussen de middag zijn we in Sneem, waar The Hungry Knight er prat op gaat de beste fish and chips van Ierland te serveren. Hij is inderdaad niet beroerd, maar we houden de komende weken ons eigen vergelijkend warenonderzoek voordat we de beker uitreiken. Graag waren we nog even in Sneem gebleven, al was het maar om getuigen te zijn van de Paddy Power Irish National Wife Carrying Championship. Maar morgen rijden we verder naar het noorden, om ergens bij de Cliffs of Mohair ons kampement op te slaan. In de vaste overtuiging dat we er qua uitzicht alleen maar op achteruit kunnen gaan.

 
 
 
 

 

Vrijdag 23 juli, Doolin

 

De derde camping met oceanview, met dit keer als extraatje de fameuze Cliffs of Moher in ons blikveld. Vlak buiten Doolin staan we, een dorp van niks maar wel de officieuze muziekhoofdstad van Ierland. Meer kroegen dan huizen en overal wordt gespeeld. Het landschap is kaler en ruiger dan in Kerry en de ontwerper van onze camping Nagle's Caravan Park heeft zich daar door laten inspireren. Het zou ook kunnen dat de man in een vorig leven vliegvelden aanlegde. Maar we staan keurig waterpas en het gratis draadloos internet reikt tot in de caravan. En achter een muurtje zitten de allerdappersten uit ons gezelschap zelfs bij veertien graden nog gewoon lekker buiten.

 

 

Zo'n 250 kilometer reden we vandaag, het eerste gedeelte dwars door het Nationaal Park Killarney. Om de paar honderd meter zou je hier kunnen stoppen voor een fotoshoot, maar op de smalle wegen zijn er maar een paar plekken waar je auto met caravan even snel langs de kant zet. Zoals bij Lady's View, waar de hofdames van koningin Victoria zich al lieten bekoren door het uitzicht.

 

 

Vlak onder Limerick was ons aangeraden ook even te stoppen in Adare, een dorp dat je eerder in de Engelse Cotswolds verwacht dan op het Ierse platteland. Jammer dat dit advies ook aan alle busoperators in Noordwest-Europa was gegeven en de doorgaande provincialeweg N21 zich met al zijn verkeer dwars door dit idyllische geheel perst. Maar omdat fotograferen de kunst van het weglaten is, valt er toch nog wat van te maken.

 

 

 

 

 
 
 
 

Zaterdag 24 juli, Doolin

 

Ieren geloven in sprookjes. World's tallest leprechaun ('s wereld grootste kabouter) is vandaag 50 geworden. En moet voor straf de hele dag met dit T-shirt rondlopen.

 
 
 
 

 

Zaterdag 24 juli, Doolin

 

Zonde van het geld, oordeelt onze zoon, als we acht euro neertellen voor een parkeerplaats bij de Cliffs of Moher. Als we naar dit officieuze wereldwonder wandelen, is het zicht nog geen vijftig meter en er valt een venijnige miezer - drizzle - uit de lucht. Maar als ik de Ieren ergens om bewonder, is het wel hun vermogen om zich niks aan te trekken van zoiets onbeduidends als het weer. Al een week lang zie ik roodharigen bij 14 graden in zee zwemmen, barbecuen in de stromende regen en hardnekkig in korte broek en T-shirt windkracht 7 trotseren. En die houding wordt beloond. Als we een tijdje over de stenen balustrade in het grijze niets hebben gestaard, lost de nevel langzaam op.

 

 

De kliffen die bijna 200 meter loodrecht uit zee oprijzen vormen een indrukwekkend natuurverschijnsel, maar er omheen is een behoorlijk circus gecreëerd met een bezoekerscentrum, winkels, een restaurant en enorme parkeerplaatsen waar personenauto's en bussen uit alle windstreken komen aanrijden. Maar goed, dat is bij de Chinese Muur en de Borobudur niet anders en je doet jezelf toch tekort als je Moher om die reden principieel zou mijden.

 

 

Aan het eind van het officiële uitzichtpunt staat een kleine gedenksteen om de gevallenen - dat mag hier letterlijk worden opgevat - te gedenken. Daarna volgt een bord waarop het met klem wordt afgeraden om door te lopen. Maar dat wordt zelfs door mij - met mijn hoogtevrees - genegeerd. Pas na een paar honderd meter langs het voetpad te hebben geschuifeld, wordt de aanblik van alle malloten die zich aan het uiterste randje laten fotograferen mij te veel. Voor mij uit wandelen mijn zwager, zus en eega manmoedig door, maar ik neem mezelf in bescherming tegen de onzichtbare hand die me in het grijze niets probeert te trekken.

 

 

Het mag dan een uitgelezen moment lijken om op de dag dat je 50 wordt over de rand van een 200 meter hoge klif te stappen, ik geef er de voorkeur aan om ergens tussen Moher en Doolin een gerenommeerd restaurant op te zoeken om met Guinness - ook uitermate geschikt om Irish Beef in te smoren - een toost uit te brengen op deze mijlpaal. Dank voor alle goede wensen!

 

 
 
 
 

 

Zondag 25 juli, Doolin

 

Dat bewonder ik ook in de Ieren: dat ze het predikaat 'troosteloos' op een landschap kunnen plakken en er een toeristische attractie van de eerste orde van weten te maken. Dat gaat op voor de Burren. Een somber kalkzandsteengebied - hier en daar ook wel vergeleken met een maanlandschap - vol grotten, ondergrondse stroompjes en rotsspleten waarin de zeldzaamste bloemen bloeien. Een erfenis van eeuwen drukt op deze streek. Zo bouwde de prehistorische bevolking duizenden jaren voor Christus hier al haar dolmen.

 

 

We beginnen onze rondrit in Doolin geheel in stijl, dat wil zeggen: onder een gesternte dat je gerust troosteloos mag noemen. Dezelfde mist als gisteren hangt over zee en land, en uit de hemel valt drizzle. Het is een graad of vijftien. Maar al een kilometer of vijf verderop wordt het droog en blijkt het begrip troosteloos niet alleen op ons een grote aantrekkingskracht uit te oefenen. Op de parkeerplaatsen en uitzichtpunten langs de kustweg zoeken campers en busjes troost bij elkaar.

 

 

De eindeloze rotsplateaus worden op deze kustweg onderbroken door troosteloze dorpjes en dito begraafplaatsen, die in hun vervallen staat weer mooi worden van lelijkheid. Niet minder indrukwekkend dan de dolmen zijn de eenvoudige, verweerde gedenktekens die de nabestaanden voor hun doden hebben opgericht, de namen onleesbaar geworden door schimmels en mossen.

 

 

 

De kerk is niet alleen een plek om te rouwen en te begraven, maar ook om te vieren. In het vissersdorpje Ballyvaughan lopen we tegen een parochiefeest aan, met springkussens voor de kleintjes, eigen gebakken taart en scoones en natuurlijk veel Ierse muziek, met traditionele nummers waarin de troosteloosheid van het bestaan wordt gevangen in de klanken van de fiddle, de gitaar en de trekharmonica.

 

 

In Kilfenora komt de mist weer opzetten en kunnen de ruitenwissers aan de bak om de tranen weg te wissen die de drizzle op onze voorruit achterlaat. Dikke wolken rollen traag over het heuvellandschap en zelfs voor vervallen burchten en landhuizen komen we de auto niet meer uit. Tot we in Doolin aankomen - het muziekdorp dat we morgen weer verlaten voor een camping ergens bij Galway - blijft het allemaal van een heerlijke troosteloosheid.

 

 

 

Een andere kijk op dezelfde gebeurtenissen via het weblog van mijn eega: prretjes blog

 
 
 
 

 

Maandag 26 juli, Galway

 

Altijd luisteren naar autochtonen, is het devies op vakantie. Dus als Ierse buren op de camping in Kerry beweren dat Galway een veel leukere stad is dan hun woonplaats Dublin, is een extra tussenstop zo gemaakt. Vanuit Doolin - waar het voor de derde achtereenvolgende dag mistig en miezerig is - ligt de levendige studentenstad op de route naar Clifden (Connemara), onze volgende bestemming op dit rondje Ierland. Het veertiendaagse Art-festival is er net afgelopen en de beroemde Galway-races (paardenrennen) beginnen woensdag, dus volgens de eigenaar van de stadscamping hebben we mazzel: een dag eerder of een dag later en we hadden geen plekje gehad. Nu zitten we na tachtig kilometer hobbelen over de slechtste wegen die we ooit met een caravan hebben bereden - vooral op het eerste stuk door de Burren was 30 kilometer per uur eigenlijk al te snel voor de deur van onze koelkast - na de drizzle van Doolin zowaar in de zon.

 

Het kampeerterrein ligt aan de oceaan, maar het stadscentrum is nog geen vier kilometer verderop: loopafstand, oordelen wij. Inclusief het geslenter door de winkelstraten maken we deze middag onze tot nog toe langste wandeling van de vakantie. Veertien kilometer staat er na afloop op de teller van mijn gps (meten is weten). En, belangrijker, de Ierse campingburen hebben gelijk: Galway is een leuke stad. Levendige winkelstraatjes met  felgekleurde gevels, een keur aan goede straatartiesten en - nog nooit eerder in deze vorm gezien - menselijke reclameborden. Het schijnt hier goedkoper te zijn om iemand de hele dag met een verwijsbord in zijn hand te laten staan dan de precariorechten voor een vaste reclame-uiting op te hoesten.

 

Voor de snelle lunchhap vallen we op advies van onze zoon terug op de McDonald's - hij wist overtuigend duidelijk te maken dat hij er op onze vorige zomervakantie voor het laatst was geweest - maar in het Quartier Latin van Galway eindigen we de stadswandeling met Guinnes in een van de mooiste pubs die ik van binnen heb gezien. De naam ben ik even kwijt, maar een volgende keer loop ik er zo weer naar toe.

 
 
 
 

 

Dinsdag 27 juli, Clifden

 

Het zigeurnerleven bevalt ons. Het opbreken, de caravan aanhaken en een paar uur verderop de boel weer neerzetten begint een prettige routine te worden. Zelfs het uitklapbare Lidl-tentje van onze dochter - dat zich wonderwel goed houdt in het Ierse klimaat - kent voor mij bij het opvouwen geen geheimen meer. Vandaag rijden we richting onze zevende camping, van Galway naar Clifden, Connemara, door de ANWB-reisgids omschreven als een ruig gebied met veenland, bergen en een rotsachtige kust. Volgens insiders uit onze vriendenkring een van de mooiste streken van Ierland, wat wij onderweg al meteen onderschrijven omdat het landschap ons zoveel aan Noordwest-Schotland doet denken. Langs de doorgaande provinciale wegen zetten de Ieren borden met een maximumsnelheid van 100 kilometer per uur, maar zelfs zonder caravan is 50 vaak al onverantwoord hard. Over de tachtig kilometer naar Clifden doen wij - stuiteren wij, moet ik eigenlijk zeggen - bijna twee uur. In de cd-speler van de auto ook deze vakantie weer een halve jaargang Spijkers met Koppen (vooraf eerlijk van internet gestolen), het beste radioprogramma van Nederland. Vandaag is (op cd 4) Luka Bloom de speciale gast. Zijn liedjes zijn de perfecte soundtrack bij het landschap dat zich voor ons ontrolt.

 

 

Ierse kampeerburen hebben ons een camping pal aan zee aangeraden, maar je hoeft die autochtonen natuurlijk niet in alles te volgen. Een paar kilometer meer landinwaarts staan we wat beschutter, op een parkachtig terrein tussen heuvels en bij meren. Nadat we de 14de verjaardag van zoon Steven bescheiden hebben gevierd, rijden we de fameuze Skyroad, die een paar kilometer van onze caravans begint. De smalle weg maakt een rondje hoog over de landtong van Clifden Bay met spectaculaire vergezichten over de Atlantische Oceaan.

 

Clifden wordt beschouwd als de hoofdstad van Connemara. Het marktstadje dateert uit het begin van de negentiende eeuw en leunt tegenwoordig vooral op het toerisme. Behalve restaurants en pubs domineren kunst- en sieradenwinkels het straatbeeld. Er zijn zaken waar speciaal voor de verveeld wachtende mannelijke toeristen buiten op de stoep houten bankjes zijn neergezet. Mijn eigen verslaving ligt een kilometer buiten het stadje, waar ik door mijn eega en kroost moet worden weggesleept van het handjevol vissersboten dat aan de monding van Clifden Bay ligt afgemeerd.

 
 
 
 

 

Woensdag 28 juli, Clifden

 

Aan mijn outdoor-gps, het kaartmateriaal en mijn gore-tex wandelschoenen ligt het niet. Maar de keren dat ik op eigen gezag een fatsoenlijke wandeling in ruig terrein tot een goed einde heb gebracht, zijn de afgelopen tien jaar op de vingers van één hand te tellen. In het Connemara National Park lopen we geen kans om te verdwalen of onneembare hindernissen op ons pad te vinden. De wandelroutes zijn hier uitgezet in vier kleurtjes, zogenaamde schillen rond het bezoekerscentrum die oplopen in moeilijkheidsgraad. Wij combineren vandaag blauw met rood, de moeilijkste, die voert naar de top van Diamond Hill. Het eerste deel is zelfs begaanbaar voor rolstoelers, meldt de beambte in het centrum, maar dat blijkt het zoveelste gevalletje van Ierse humor te zijn. Ik zou in elk geval niet graag iemand met een beperking voortduwen op de grove kiezels die met gulle hand op de tracks zijn gestrooid. En na een paar kilometer moet er serieus worden geklommen.

 

 

 

Voor Ierse begrippen is dit een fantastische dag. De zon breekt geregeld door het wolkendek en het uitzicht is, zeker na alle mist en drizzle die we hebben gehad, onovertroffen. Jassen en bodywarmers kunnen uit. Alleen de toppen van de bergen steken in de nevel, maar dan heb je ook het idee dat je een behoorlijk eind de hoogte in gaat. Op de top van Diamond Hill is het winderig en koud en vandaar kunnen we, een paar kilometer verderop, ook ons volgende reisdoel al zien: Kylemore Abbey.

De abdij ziet er - zeker van een afstand - uit als een middeleeuws kasteel, maar is in feite pas 150 jaar oud. Het bouwwerk is neergezet in opdracht van de niet onbemiddelde Mitchell Henry als een geschenk voor zijn bruid, Margaret Vaughan. Zij toonde zich op hun huwelijksreis zo gecharmeerd van Connemara dat manlief spontaan een stuk grond van 13.000 hectare aanschafte en er een buitenmodel zomerhuis neerzette, inclusief neogotische kerk en ommuurde Victoriaanse tuin. Lang heeft zijn eega er niet van mogen genieten, want tijdens een reis naar Egypte stierf ze op 45-jarige leeftijd aan Nijlkoorts. Het landgoed ging een paar keer over in andere handen, tot het uiteindelijk een nonnenklooster werd. Ook de zusters liggen inmiddels allemaal op het kerkhof en Kylemore Abbey met zijn tuinen is inmiddels een van de belangrijkste toeristische attracties van Connemara.

De weg terug naar ons eigen landgoed - camping Shanaheever bij Clifden - voert langs de bergketen die bekend staat als de 'Twelve Bens'. Woest en ruig land dat voornamelijk wordt bevolkt door loslopende schapen die zo aandoenlijk uit hun ogen kijken dat mijn eega er heel wat voor over heeft om ze op de foto te krijgen. Die beesten mogen onverstoorbaar langs de kant van de weg liggen als je met 80 kilometer per uur vlak langs ze raast, zodra je stopt nemen ze onmiddellijk de benen.

 
 
 
 

 

Donderdag 29 juli, Clifden

 

Voor de komst van het kreeftenbootje is het al een mooi strandje om een beetje rond te klooien - over rotsen te klimmen, aan een anker te hangen of in poeltjes te zoeken naar vormen van zeeleven. Maar net als we willen wegrijden van die plek boven Cleggan, aan de rafelige kust van Connemara, komt het aanvaren. De motor heeft het kort daarvoor begeven en met trage slagen roeien de vissers naar de kant. Het is sowieso al geen gelukkige trip geweest voor de mannen, met maar één kreeft in de fuiken. Maar als er bij het aanlanden een groepje toeristen vier camera's tegelijk op je richt, is het allemaal toch niet voor niks geweest.

 

 

 

Het is voor ons een dag zonder vastomlijnde plannen: een beetje toeren langs de kust en maar zien wat dat oplevert. Bij laag tij willen we eventueel oversteken naar het eiland Omey, een tocht die dan te voet of zelfs met de auto kan worden gemaakt. Twee allochtonen die - minder opdringerig dan wij - met hun handen in de zakken bij de kreeftenvissers staan te kijken, weten te vertellen dat we zes uur hebben om heen en terug te komen. Ruim voldoende om de angst voor een volgend trauma met droogvallende stukken zee - bij St. Michaels Mount in Cornwall zijn we jaren geleden eens overvallen door opkomend tij - weg te nemen.

 

 

 

 

Het is, als iemand het water van de zee in het afvoerputje heeft laten weglopen, een wandeling van ongeveer een kilometer naar Omey, waar 250 mensen wonen. Borden geven de rij- en looprichting aan, maar dat is vooral handig als de route weer begint onder te lopen. Bij onze overtocht is de zandvlakte wel een paar honderd meter breed, ook nadat we een compleet rondje eiland hebben gemaakt dat eindigt bij het eeuwenoude kerkhof aan zee. En uiteraard wil ik dan ook nog wel even met mijn auto de zee in.

 

 

Na Guinness, scones, soep van de dag en patat bij Sweeney's Bar rijden we nog even terug naar Clifden. Morgen keren we Connemara alweer de rug toe. Zwager Hans en zus Mary gaan via Dublin terug naar huis, hun zoveelste vakantie van dit jaar zit er op. Wij hebben nog een week waarvan we zeker drie dagen in de Wicklow Mountains, net onder Dublin, willen doorbrengen. Een laatste rondje door de winkelstraatjes hoort voor de vrouwen in ons gezelschap bij het afscheidsritueel. Wij mannen kennen onze eigen rituelen.

 

 
 
 
 

 

Vrijdag 30 juli, Roundwood

 

Houden we het nog een beetje droog, is de meest gestelde vraag in mijn gmail-bak. Over het algemeen wel. Er is nog geen dag geweest dat we er niet op uit konden omdat het met bakken uit de lucht kwam. Een beetje drizzle, mist en af en toe een bui zien de Ieren gewoon als hoogzomer. Maar vandaag regent het bij het opstaan katten en honden - zelfs de autochtoonse buren spreken van terrible weather - al is dat ook nu geen reden om er niet op uit te gaan. Mary en Hans vertrekken om 07.45 uur vanuit Clifden richting Dublin, waar ze vanmiddag de stad nog even willen bekijken en morgenochtend de boot naar Engeland nemen. Wij rijden een uur later in dezelfde richting de iets meer dan 300 kilometer naar Roundwood, in de Wicklow Mountains, een ruig berggebied een uurtje onder de Ierse hoofdstad. Roundwood is het hoogst gelegen stadje van de republiek, vermeldt de ANWB-gids, en met Vartry House heeft het ook de hoogst gelegen pub van het land binnen de gemeentegrenzen. Dat is vooral sneu voor die andere pubs in het dorp die net een paar meter lager liggen.

 

 

 

Onze camping, die ook Roundwood heet, is een pleisterplaats voor buitensporters. Als we er rond een uur of twee in de vrijdagmiddag aankomen - het is hier zowaar droog - is er nog bijna niemand. Een paar uur later lijkt het of half Dublin op zijn bergschoenen is uitgelopen. Onze caravan staat nog redelijk rustig tussen de campers, maar een veld verderop worden honderden felgekleurde tentjes aan het zicht onttrokken door een inferno van barbecue- en kampvuren. Het zal me verbazen als al die etende en drinkende Ieren morgenochtend nog een stap kunnen verzetten. Aan onze dochter gaat dit allemaal voorbij. Na vier dagen in het achterlijke Connemara beschikt ze in onze sleurhut weer over draadloos internet. 

 

 
 
 
 

 

Zaterdag 31 juli, Roundwood

 

Nu weten we in elk geval waarom het zo druk is op onze camping in Roundwood: de Ieren hebben een Bank Holiday, een lang weekend. Geen enkel plekje op het kampeerterrein is onbenut, zodat we vandaag ons heil zoeken bij de oudste overblijfselen van het christendom in Europa, de kloosternederzetting bij Glendalough. De 30 meter hoge round tower dateert uit de negende eeuw, het bijbehorende kerkje uit de twaalfde. Alles staat hier in het teken van St. Kevin, die het glooiende gebied tussen de twee meren (de letterlijke betekenis van Glendalough) ideaal vond voor zijn kluizenaarsbestaan. Bij alle grote toeristische trekpleisters in Ierland zijn het gek genoeg niet de Ieren die domineren: overal - van de Cliffs of Moher tot Kylemore Abbey - worden tijdens onze vakantie busladingen Spaanse scholieren gelost. Zelfs met mist en drizzle geven ze het landschap iets exotisch, al wekken de jongeren zelf vaak de indruk hier op strafkamp te zijn. Als je even door je knieën gaat, kun je ze allemaal achter een grafzerk laten verdwijnen.

 

 

 

Een truc die ook opgaat bij familieleden die plotseling in beeld opduiken. Typisch Iers weer vandaag, overigens. Het ene moment lopen we in de regen, een minuut later schijnt de zon uitbundig. Onze geplande wandeling rond de meren van Glendalough valt daardoor in het water, maar in Wicklow - waar we vooral heen rijden om te tanken en te pinnen - is er weer geen vuiltje aan de lucht. Wicklow is, behalve de naamgever voor dit gebied (Wicklow Mountains) een stadje van krabbenvissers, zeilers en uitbaters van lifestylewinkeltjes. Voor Spaanse scholieren hoort het niet tot de grote toeristische trekpleisters van het land. En dat is ook weleens prettig.

 
 
 
 

 

Zondag 1 augustus, Roundwood, Ierland

 

Zelf zou ik het te druk vinden, al dat volk over de vloer, maar ik heb wel respect voor types die honderd man twaalf jaar lang aan de aanleg van hun tuinterras laten werken. Richard Wingfield was er zo eentje, de eerste burggraaf van Powerscourt. Vooral het kiezelmozaïek schijnt een heel gedoe te zijn geweest.

 

 

Het is, net als in het Verenigd Koninkrijk, ook in Ierland een goede gewoonte om onderkomens die echt buitensporig zijn nog gewoon een 'House' te noemen. Vandaag waren wij in en rond Powerscourt House (and Gardens) op een kilometer of vijftien van onze camping in Roundwood. Het optrekje dateert ergens uit 1750, maar er is nog eeuwen aan gesleuteld. En het werk van de tuinmannen is nooit af.

 

 

 

 

En dan nu de keerzijde van dit romantische geheel: het complex is in 1974 compleet afgebrand en jarenlang had niemand er geld voor over om het weer op te bouwen. Totdat een stelletje slimme zakenlui voor het enorme landgoed een plan ontwikkelde met onder meer de aanleg van een chique golfbaan en een dito Ritz-Carlton hotel (inclusief restaurant van Gordon Ramsay). Het kasteel zelf bevat - echt waar - een compleet winkelcentrum, inclusief roltrap naar de eerste verdieping. Maar dat zie je er aan de buitenkant gelukkig niet van af.

 

 

Zes kilometer verderop ligt Powerscourt Waterfall, met zijn 121 meter Ierlands hoogste. Het stroompje maakt nog steeds deel uit van hetzelfde landgoed Powerscourt, maar dat verhindert de uitbaters niet om hier voor een tweede keer entreegeld te heffen. Voor de Ieren is het - ook in de regen - een populaire barbecueplek. En een mooi decor voor familiekiekjes.

 

 

 

De Wicklow Mountains worden doorsneden door wegen van landschappelijk en historisch belang, zoals de Military Road en de Excalibur Drive, waarover eeuwenlang soldaten hebben gemarcheerd. Het ritje terug naar de camping is daardoor voor mij - met mijn legerervaring - ook altijd de moeite waard.

 

 

 

Voor mijn vrouw halen ze de beroerte, maar voor mij willen deze schapen best even poseren.

 
 
 
 

 

Maandag 2 augustus, Roundwood, Ierland

 

Dalkey, boertig vissersdorpje aan de verarmde oostkust van Ierland, zou je zeggen als je deze beelden ziet. Op het piertje van het haventje proberen wat lokalo's een avondmaal bij elkaar te scharrelen. Hun dialect is zo zwaar dat het gesprek wat moeizaam op gang komt, totdat ('I am from Holland') de geneugten van Amsterdam ter sprake komen. Binnen een half uur liggen die vanuit Katwijk in feite onder handbereik, verzeker ik ze.

 

 

Het is zwaarbewolkt, droog en er staat nauwelijks wind. Bij het klimmen en dalen is het zelfs warm te noemen. Het toeristenboekje heeft ons op deze plek zeehondjes beloofd, maar die laten zich vandaag niet zien. Bootjes doen het ook goed, op de foto. Maar daarvoor alleen zijn we niet naar Dalkey gekomen. Samen met Killiney, waar onze wandeling begint, vormt dit namelijk de goudkust van Dublin. De begroeiing en de glooiende kustweg zijn mediterraan te noemen, als je er een zonnetje bij denkt. Het stuk tussen Nice en Menton ziet er net zo uit.

 

 

 

 

Hier wonen geen anonieme krabbenvissers, maar Ieren die iedereen kent. Bono heeft een huis in Dalkey. En The Edge, ook van U2. Van Morrison zit hier ergens. De meiden van The Corrs. Enya. We gluren over hekken. Trotseren beveiligingscamera's om enorme tuinen af te speuren. Kijken in de getinte ruiten van langszoevende Bentley's en Range Rovers. Beklimmen Killiney Hill voor een beter uitzicht over de wijk die Bel Eire wordt genoemd. Maar net als de zeehondjes laten de beroemdheden zich vandaag niet zien.

 
 
 
 

 

Dinsdag 3 augustus, Dublin

 

Niet The Ring of Kerry, de Cliffs of Moher of het landschap van Connemara zijn de belangrijkste publiekstrekkers van Ierland. De meeste bezoekers - zo'n miljoen per jaar - komen sinds 2000 naar de Guinness Storehouse, een tot interactief museum (experience heet dat tegenwoordig) omgebouwd pakhuis op het immense fabrieksterrein in Dublin waar het beroemde, donkere stout wordt gemaakt dat zo'n beetje het handelsmerk - en in elk geval het belangrijkste exportproduct - van het eiland is.

 

 

Het Guinness-complex, dat een complete wijk van Dublin beslaat, oogt van bovenaf als een vervallen verzameling gebouwen uit de negentiende eeuw. Achter de gevels denk je nog de kuipers te horen die de houten vaten dichtslaan en het briesen van de paarden die het bier op rammelende wagens naar de cafés vervoeren.

 

 

Maar het oude storehouse is hypermodern ingericht: zeven verdiepingen totaaltheater in de vorm van een enorm glas bier, met als schuimkraag een ronde panoramabar van waaruit je een schitterend uitzicht over de Ierse hoofdstad hebt. Op vertoon van het toegangskaartje krijg je hier ook een gratis pint geschonken. In de aanloop daar naartoe weet je inmiddels alles over het brouwproces, de distributie, de reclame en de uitgekiende marketingstrategie van het bedrijf. Op de begane grond is - als een logisch verlengstuk van die strategie - The Store ingericht.

 

 

Eerlijk gezegd vond ik Guinness - thuis, in Nederland - nooit te zuipen. Maar op vakantie mag ik me graag verliezen in de zeden en gebruiken van de autochtone bevolking. Het donkere bier hoort bij dit land, het smaakt hier veel beter dan ik me ooit heb gerealiseerd. En de rest van het gezin - althans, het deel dat boven de 18 is - is het met me eens.

Met enige moeite - onze TomTom kon de camping niet vinden - zijn we vandaag naar de rand van Dublin verkast, waar we donderdag de boot naar Engeland nemen. Ruim anderhalve dag hebben we, om de hoofdstad te verkennen. Morgen doen we het intellectuele gedeelte met boeken en schrijvers, vandaag staat in het teken van de drank. Na de Guinness lopen we door de beroemde uitgaanswijk, die net als de legendarische horecagelegenheid 'Temple Bar' heet. Een soort Quartier Latin met kleurige kroegen en bijzondere winkeltjes, de afgelopen jaren mooi opgeknapt door stadsvernieuwers met een goed oog voor de historie en het levendige karakter van de wijk.

 

Ik heb zomaar het idee dat we het hier wel anderhalve dag uithouden.

 
 
 
 

 

Woensdag 4 augustus, Dublin

 

Na de drank en het lichtzinnig vermaak van gisteren nu een dag van kunst en cultuur in Dublin. We beginnen in de Old Library van het Trinity College, één van de grootste onderzoeksbibliotheken in de wereld. De historische Long Room is bijna 65 meter lang en herbergt zo'n 200.000 van de oudste boeken van de universiteit. Fotograferen is er om niet nader toegelichte redenen ten strengste verboden, maar als je per ongeluk het knopje van het toestel aanraakt dat voor je buikt hangt, kan niemand daar iets aan doen, natuurlijk (foto boven). Er is een aparte tentoonstelling gewijd aan het Book of Kells, een rijk geïllustreerde kopie van de vier Evangeliën die meer dan duizend jaar oud is. Maar daar stond een suppoost mij als een cipier gluiperig in de gaten te houden.

 

 

De Ieren koesteren niet alleen hun middeleeuwse geschriften, ook de grote auteurs uit de negentiende eeuw raken hier niet in de vergetelheid. Na Trinity College wandelen we naar Merrion Square, waar - tegenover het huis dat hem een aantal jaren onderdak bood - een standbeeld van Oscar Wilde staat. Al voordat zij aan hem haar omvangrijke profielwerkstuk wijdde, was onze dochter in de ban van deze (toneel)schrijver, dichter en estheet, die tot op de dag van vandaag wordt gelezen en nog vaker wordt geciteerd.

 

 

 

Zelf sta ik graag wat langer stil bij de cultuur met een kleine c, die je in Dublin op elke straathoek tegenkomt. Een plekje in de luwte met je camera is ook hierbij een aanbeveling, want voor je het weet maakt zo'n joker je - tot schaamte van je kroost - onderdeel van zijn act als je iets te opdringerig staat te knippen (foto boven). Mijn eega vluchtte, met mijn dochter in haar kielzog, een pand in van haar eigen held. Ik geloof dat er Tommy Hilfiger op de gevel stond.

 

 

Op ons rondje Ierland kregen we van verschillende Ieren te horen dat Dublin een gevaarlijk, vuil en ook anderszins weinig aantrekkelijke oord was. Na twee dagen in dat Sodom en Gomorra te hebben rondgedwaald, zijn wij een andere mening toegedaan. Dublin is een leuke, levendige stad, overzichtelijk opgedeeld in quarters met elk hun eigen karakter, waar we ons geen seconde onprettig hebben gevoeld. Integendeel. Anderhalve dag is misschien te kort om in verkeerde wijken te belanden of tegen foute types aan te lopen, maar daarin zal Dublin niet verschillen van elke andere metropool. Met weemoed maken wij morgen vanuit Dublin Port de oversteek naar het Verenigd Koninkrijk.

 
 
 
 

 

Donderdag 5 augustus, Dublin Port

 

In mijn hart blijf ik altijd de zeeman die ik nooit ben geweest. Door Maarten 't Hart werd hij afgelopen zondag bij Zomergasten nog weggezet als een prutser, maar door de jongensboeken van K. Norel wilde ik tot mijn tiende levensjaar stuurman op de grote vaart worden. De mooiste manier van reizen is voor mij nog steeds per schip. Waar de rest van de familie zich stierlijk hangt te vervelen in een restaurant, blijf ik de hele overtocht het liefst bovendeks, van het uitvaren tot het afmeren. Zelfs het sfeertje bij het inschepen - het doelloos rondhangen tussen de vrachtwagenchauffeurs - vind ik mooi.

 

 

 

 

Vandaag varen we van Dublin Port naar Holyhead (Wales), waarvoor de wekker in de caravan rond half zes afloopt. En de nacht is toch al zo kort omdat wij - mijn eega misschien nog wel meer dan ik - voor zo'n vroege overtocht worden geplaagd door angstdromen over lekke banden, files, niet startende auto's of ander ongemak waardoor we pas in de haven aankomen als we de boot in de verte zien wegvaren. Maar niets van dat al. Rond half acht staan we met het hele spul voor terminal 2 (Stena Line), rond half negen varen we weg, een kwartier later zitten we aan een uitgebreid Engels ontbijt en tegen twaalven rijden we in Wales de wal op. Weer 450 kilometer verder draaien we de pootjes van de caravan uit op een kampeerterrein in Cambridge, waar we vlak voor de sluitingstijd van een buurtwinkeltje zelfs de drankvoorraad nog even kunnen aanvullen. Met Guinness, om het af te leren.

 

 
 
 
 

 

Vrijdag 6 augustus, Cambridge

 

Al geruime tijd probeert onze dochter ons ervan te doordringen dat studeren in Leiden toch een beetje behelpen is, als je het vergelijkt met een studie aan imposante Engelse colleges als Oxford en Cambridge. Maar dat was tegen mijn zere been. 'Kijk eens naar het Academiegebouw aan het Rapenburg! Dat herbergt ook een historie van eeuwen. Vorsten en regeringsleiders - die hier afstudeerden - hebben er hun handtekening op de muren gezet.' En meer van die quasi-overtuigende teksten. Vandaag liep ik in haar kielzog door Cambridge, waar we een dagje stukslaan voordat we morgen via Harwich weer naar Hoek van Holland varen. Met een rechte rug, want je moet van goede huize komen om mij van standpunt te laten veranderen. En ik moet zeggen: al na honderd meter buiten de parkeergarage stond het voor mij vast en bij elke stap door het stadje van 120.000 inwoners - van wie 25.000 student - werd ik er meer in bevestigd:

 

 

 

 

 

Studeren in Leiden is inderdaad een beetje behelpen.

 
 
 
 

 

Zaterdag 7 augustus, Harwich-Hoek van Holland

 

Voor wie geen zeemansbloed in de aderen heeft stromen, is acht uur bij volle bewustzijn op een schip een behoorlijk lange tijd. Maar mijn poging om van onze dagafvaart in Harwich alsnog een nachttrip te maken, mislukte vrijdag. Boot vol. Dus eindigden we onze rondreis door het Verenigd Koninkrijk en Ierland op de plek waar we hem drie weken ook begonnen: op de camping in Harwich. In de stromende regen braken we daar vanmorgen om 7 uur op, reden de 4,5 kilometer naar de kade en scheepten in op de Stena Brittanica. Engels ontbijten, internetten (gratis wifi op het schip, ook op volle zee), lunchbuffetten, lezen, patiencen en een beetje rondhangen. Of bootjes kijken, natuurlijk, maar dat is voor mij binnen het gezin een eenzame hobby.

 

 

 

In Hoek van Holland regende het zo mogelijk nog harder dan in Harwich en dat bleef het tot ver in de avond doen. Terwijl de rest van het gezin even snel de vuile was uit de caravan haalde, reed ik naar de Albert Heijn voor de weekendboodschappen. Het gewone leven is weer begonnen.

 
     
     
     
     
  Naar de rest van het wielerseizoen 2010  
     
  Naar het wielerseizoen 2009  
     
  Weer naar boven op deze pagina