| |
|
| |
|
|
| |

Alles voor de club
Wielrennen
is een individuele sport. Maar als je een aantal individuen
bij elkaar zet, heb je een club. In Spanje rijd ik bij
de
Club
Ciclista Xaló, in Nederland bij de
Noordbikers. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
Trainingskampen |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
april 2007
Eigenlijk zou ik dit keer met mijn politiek-incorrecte
neef afreizen naar Spanje, maar wegens een hardnekkige
blessure moest die verstek laten gaan. Zijn plaats werd
ingenomen door mijn zwager Rinus, die in de bergen zijn
vuurdoop onderging. In totaal reden we in een week tijd
750 kilometer en overbrugden we 10.000 meter
hoogteverschil. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |

Donderdag 19 april
Als je op reis gaat naar verre en vreemde oorden, kun je
mijn zwager Rinus er wel bij hebben. Hij is politieman,
lid van de Mobiele Eenheid, werkte jaren met paarden bij
de Bereden Groep, was rechercheur en - niet onbelangrijk
voor een fietsvakantie in Spanje - volgde bij de politie
ook een Biker-opleiding. En als er onderweg iemand moet
worden staande gehouden, mag hij optreden als
hulpofficier van justitie. Maar vandaag had hij het
meest aan de
vaardigheden die hij in zijn jeugd opdeed als knecht op
een veehouderij. De poes van mijn rentenierende vriend
heeft - na een conflict met een rivaliserende kater -
een wond die zijn halve kop in een bloederige massa
heeft veranderd. Van de dierenarts moet het beest
absoluut binnenblijven, maar het eerste wat hij
vanmiddag deed toen hij even buiten mocht piesen, was
zijn jeukende schedel in het zand wentelen. Zelf schenk
ik op dat soort momenten graag nog even een wit wijntje
in, terwijl mijn zwager de poes in verzekerde bewaring
stelt en met mijn rentenierende vriend de wond
uitspoelt. En dat terwijl hij hier gewoon als invaller
is. Mijn politiek-ontspoorde, 18-jarige neef is te
geblesseerd om dit tweede trainingskamp van dit jaar in
Jalon aan de Costa Blanca mee te maken. Maar er hoefde
niet veel overredingskracht te worden uitgeoefend om het
ticket over te laten schrijven op naam van zijn oom,
mijn zwager dus. Twee uur na aankomst op het vliegveld
van Valencia zaten we al op de fiets, voor ons eerste
rondje van 55 kilometer om het materiaal en de benen te
testen. Mijn zwager, die op twee wielen nog nooit een
serieuze berg beklommen heeft maar verder wel een
sportief leven leidt, reed als een beest omhoog en
daalde - in mijn optiek, maar ik heb hoogtevrees - als
een kamikazepiloot. Mijn rentenierende vriend, die
eerder in een mail had aangekondigd dat hij ons deze
week zo zou laten afzien dat we nooit meer op
vrijwillige basis naar hem zouden afreizen, vroeg mij
halverwege vertwijfeld of ik nog meer van dit soort
familieleden had. Onze hoop is gevestigd op de ritten
van meer dan honderd kilometer, die deze week op het
programma staan. Mijn zwager heeft dit jaar - als
rijksambtenaar - namelijk nog nooit meer dan 70
kilometer op een dag afgelegd. En mijn rentenierende
vriend en ik zijn natuurlijk geen katjes om zonder
handschoenen aan te pakken.   |
|
| |
|
|
| |

Vrijdag 20 april
Onderweg heb ik nog geprobeerd om het aan ze uit te leggen: ik heb te veel hersens om snel af te dalen. Als ik met 60, 70 kilometer per uur een berg afsuis, kan ik me heel goed inbeelden wat er gebeurt als ik op het laatste moment door mijn remmen schiet. In de bocht uitglijd over los gesteente. Op de verkeerde weghelft tegen een tegemoetkomende auto klap. Maar mijn twee fietsmaten worden niet geplaagd door dit soort gedachten. Mijn zwager, die tot gisteren nog nooit een serieuze berg heeft beklommen, kleeft op 10 centimeter afstand van
het achterwiel van mijn rentenierende vriend, als die zich met doodsverachting naar omlaag stort. Pure onnozelheid. Hun contact met de weg gaat via twee smalle bandjes,
waarin voor 7,5 bar lucht is geperst. Je moet er toch niet aan denken dat zo'n stukje rubber op volle snelheid explodeert. En dat is nu mijn probleem. Ik denk er wel aan. Ik denk ook aan mijn vrouw en kinderen. De lezers van mijn weblog. De samenleving in zijn geheel. Wat een verlies zou het zijn, als ik met fiets en al via de kloof van de hel naar de hemelpoort glijd. Zij denken helemaal nergens aan. Wat een zaligheid moet dat zijn. Bijna 140 kilometer hebben we vandaag
getrapt, en meer dan 2000 meter hoogteverschil overbrugd, bij een temperatuur van een graadje of 25. Bergop kon ik de mannen nog imponeren met mijn klimkuiten en de vele honderden kilometers trainingsarbeid die ik in Nederland voor dit trainingskamp heb geinvesteerd. Maar bergaf moet ik ze elke keer laten gaan. Onderaan weer zo'n puist, als ze trouw op me wachten, leg ik het nog maar een keer uit. Ik heb te veel hersens om snel af te dalen. 'Blij mee!', zegt mijn zwager grijnzend. Woorden van 1 lettergreep. Geen persoonlijke voornaamwoorden. Dat is nou typisch voor die lui. Ik heb het er maar mee te doen, deze week.  |
|
|
|
|
|

Zaterdag
21 april
Alle
keren dat ik in Spanje op trainingskamp ben, is het
niet alleen de bedoeling dat ik aan mijn conditie
werk, maar ook dat ik vijf kilo afval. Maar om de
een of andere reden slaag ik daar maar niet in.
Zelfs al rijden we 3000 kilometer in een week, na
afloop wijst de weegschaal hooguit hetzelfde aan, of
blijk ik zelfs nog een kilo aangekomen. Geen idee
hoe dat komt, al zijn er altijd wel verzachtende
omstandigheden aan te voeren. Zoals deze week. Ik
ben hier voor het eerst met mijn zwager Rinus: net
zo groot als ik (1.94 meter), alleen tien kilo
lichter. Vel over been, wat u zegt. Dat vergt grote
aanpassingen van mijn rentenierende vriend en mij.
Op onze eerste grote bergrit stortte mijn zwager na
vijftig kilometer in, waar wij - allebei toch wel
een kilootje of vijf te zwaar - nog vrolijk
doortrapten. Zo'n broodmagere fietsmaat moet
constant blijven eten om niet voortdurend met de
hongerklop van zijn rijwiel te vallen. Dus ja, wat
moet je? Op onze tochten strijken we nu na zo'n
veertig kilometer klimmen en dalen neer op een
terras, waar we de vreemdste bestellingen doen.
Altijd een literfles cola (voor de suiker), een tros
bananen (voor de koolhydraten), drie toetjes (in de
regel een flink stuk taart) en drie cortado's
(koffie met een scheutje melk) met flink veel
suiker. Na nog eens veertig kilometer wordt er
gestopt voor een uitgebreide driegangenlunch, met
paella of macaroni vooraf, vlees met aardappelen en
groente als hoofdgerecht en - opnieuw - een lekker
stuk taart als toetje. Dus ja, waarom we niet
afvallen is ons een raadsel. Maar we zijn in elk
geval lekker solidair met mijn zwager. En hij met
ons? Vergeet het maar! Waar mijn rentenierende
vriend en ik tussen de middag ons flesje wijn bij de
lunch wegklokken ('s lands wijs, 's lands eer) en
ons na afloop van de maaltijd nog tegoed doen aan
een carajillo (koffie met cognac), neemt hij geen
druppel alcohol tot zich. Vanmiddag, op onze tocht
van 115 kilometer, doceerde mijn rentenierende
vriend dat het menselijk lichaam bij grote
inspanningen eerst de alcohol gaat afbreken. Dat
ziet het namelijk als vergif. Mijn lichaam toch
niet?, vroeg ik geschrokken. Maar sindsdien gooit
mijn zwager er na elke lunch nog een schepje
bovenop, om ons in de vernieling te rijden.
Vanmiddag was hij daar bijna in geslaagd, als niet
uitgerekend net onder de top van de beklimming
vanuit Moraira naar Benissa alle alcohol in ons lijf
was opgebrand. Waarna we hem er vervolgens gewoon
weer uitreden op onze vetreserves. Volgende week
gaan we pas weer aan de lijn. |
|
|
|
|
|


Zondag 22
april
Normaal
rijden we altijd strak in het tenue van onze sponsor
Kees' Fietsshop, maar op wat wij eigenlijk
beschouwen als een rustdag, mag het ook allemaal wel
een keer wat losser. Bovendien, na drie dagen
trappen zijn onze oranje-zwarte pakjes wel aan een
sopje toe. Mijn zwager en ik kleden ons in stemmig
zwart en blauw, en moeten even met de ogen knipperen
als onze rentenierende vriend naar buiten stapt. Hij
heeft een vuurrode broek aan (de enige man die ik
tot nog toe in een vuurrode broek heb gezien was
Prins Claus, op een oude kalender van Ons
Vorstenhuis), met daarboven een Spaans shirt in de
schreeuwende kleuren blauw, geel en groen. We
krijgen van hem een verhandeling over hoe belangrijk
het is om in opvallende kledij over het asfalt te
scheuren: voor medeweggebruikers ben je beter
zichtbaar, wat de veiligheid vergroot. En dat is
vandaag geen overbodige luxe: voor ons rondje Bernia
draaien we, om een beetje op te warmen voor de klim,
een rondje door de vallei, waarbij we langs
de drukste rommelmarkt van de Costa Blanca moeten.
Voetgangers die zonder op of om te kijken de weg
oversteken, wijken geschrokken terug als ze onze
rentenierende vriend zien aankomen. Als Mozes door
de Rode Zee baant hij zich met 30 kilometer per uur
een weg door de menigte. Alleen verderop, op het
platteland, dreigt het bijna fout te gaan. Als hij
weer met 60 kilometer per uur een helling afsuist,
rijdt een boertje met een witte bestelwagen vanuit
een parkeerstrook zo de weg op. Auto en fiets
schieten rakelings langs elkaar. En dat is maar goed
ook, want ik zag de
krantenkoppen
al voor me: 'Kleurenblinde automobilist rijdt als
papegaai verklede wielrenner aan'.
  |
|
|
|
|
|

Maandag 23
april
Ergens
tussen Pego en Oliva zijn we m'n zwager kwijt. Hij
heeft halverwege deze kilometerslange weg wel even
aangegeven dat hij 'er even af moest', maar daarbij
ging ik er vanuit dat hij even lekker uit de wind
aan de
staart van ons groepje wilde hangen. We rijden
vandaag met Grupo A van de Club Ciclista Xalo, de
absolute klasbakken van het dorp, vandaag bestaande
uit Javi en Armando. Meer klasbakken zijn er even
niet. We
doen een redelijk vlakke ronde, omdat we onderweg
aan de kust bij Javea nog naar wielerwedstrijden
willen kijken. Pas bij de verkeerslichten in Oliva
missen we m'n zwager. Mijn rentenierende vriend weet
te vertellen dat hij onderweg de indruk kreeg dat
hij nodig moest plassen, maar nadat we bijna een
kwartier hebben gewacht, bleek daar tussen de
sinaasappelbomen ook een behoorlijk drukje bij
gekomen. Als we even later stoppen bij een
benzinestation voor een blikje cola en een cakeje
(Grupo A is een
sober
gezelschap, dat louter voor de sport fietst), moet
mijn zwager opnieuw naar het toilet. En als wij een
uurtje later bij weer een ander benzinestation
moeten wachten op Javi, die wij met onze vele
klimkilometers behoorlijk op afstand hebben
gefietst, grijpt mijn zwager dit onderhoud aan voor
opnieuw een sanitaire stop. 'Hij werkt bij de
politie', legt mijn rentenierende vriend uit aan
Armando: 'Policia.' Aha, knikt Armando, hij begrijpt
het. 'De politie. Hetzelfde als bij ons in Spanje',
zegt hij. 'Koffie drinken en pissen.'
  |
|
|
|
|
|

Dinsdag 24
april
Elke
keer als hij door mijn rentenierende vriend op
afstand wordt gefietst, bedient de Spanjaard Armando
van de fietsclub CC Xalo zich van dezelfde stoplap:
'Ja, maar jij hebt
geen
werk!' Dan kun je net zoveel trainen als je wilt,
wil hij maar zeggen. Nu heeft hij daarmee in de
regel een punt, maar zondag kon mijn vriend -
wijzend naar mijn zwager en mij - reageren met: 'Ik
moet de hele week
met die gekken op pad. Noem je dat
geen werk!' Om ons een lesje te leren, had Armando
nog wel een routesuggestie: heen over de Col de
Rates, dan doorklimmen naar Tarbena, afdalen, en
weer klimmen naar Guadalest en Confrides, dan
afdalen naar Benasau, dan weer omhoog de Tudons op (de
hoogste bergketen hier), een stukje afdalen, dan
weer vanaf een andere kant de Tudons op, afdalen
naar Benasau en dan dezelfde weg terug: weer omhoog
naar Confrides en Guadalest, afdalen, dan weer
bij
Tarbena omhoog, doorklimmen naar de Col de Rates en
terug naar huis. In totaal hadden we daarmee vandaag
160 kilometer op de teller staan en een
hoogteverschil van 3000 meter overbrugd (zie het
profiel). Voor mijn rentenierende vriend en mij was
dit reden om bij de lunch af te zien van het
gebruikelijke flesje wijn. Maar de carajillo hebben
we ons niet laten ontnemen. En mijn zwager Rinus?
Zijn bondige commentaar luidde na afloop: 'Ik ben
nog nooit zo verrot geweest als vandaag.' En, laat
ik het maar eerlijk toegeven: er zijn dagen dat ik
het als werknemer van HDC Media minder zwaar heb
gehad. Maar je bent lekker buiten, werkt een beetje
aan je conditie en je krijgt nog een bruine kop ook.
Nee, je moet gaan werken.
  |
|
|
|
|
|


Woensdag 25
april
Eerder
deze week had ik het al gezegd tegen mijn
fietsmaten. 'Jullie weten wel dat je moe bent, maar
jullie zijn niet intelligent genoeg om je er ook
naar te gedragen.' Dat was meestal op een moment dat
ze op de macht de teller krampachtig boven de dertig
probeerden te houden op een venijnig stuk vals plat.
Of weer als een dolle een helling afdoken. Na de
monsterrit van gisteren zouden we vandaag, onze
laatste dag in Spanje, wat rustiger aan doen. Maar
een telefoontje van David - zoon van een Engels lid
van onze fietsclub en voormalig jeugdkampioen van
Wales - of hij een dagje met ons mocht meerijden,
gooide roet in het eten. Zodra hij op de fiets
stapt, is mijn rentenierende vriend namelijk opeens
weer een junior van 16 en doet hij niets liever dan
David
uitdagen in de sprint, voor een bloedstollende
afdaling of een wedstrijdje wie het eerste boven is.
En wie hangt er dan amechtig in het wiel? Juist, uw
logschrijver. Maar er waren verzachtende
omstandigheden. De 650 kilometer die ze al in de
benen hadden, was vandaag goed af te zien aan de
koppies van mijn maten. En David traint nooit meer
dan 50 kilometer achter elkaar. Na 40 kilometer op
de beklimming van de Alt de Margarida durf ik dan
ook gerust een wijntje te nemen tijdens onze
almuerzo in Bar Ta Casa. En een carajillo toe,
natuurlijk. Meer dan 100 kilometer rijden we toch
nog, vandaag, en de momenten dat David en mijn
rentenierende vriend alsnog de kolder in de kop
krijgen, zijn op de vingers van een hand te tellen.
Na een kilometer of negentig begint mijn oude lijf
weer een beetje op temperatuur te komen en rijd ik
na Pego en bij Orba naar boven alsof ik de hele week
nog niks heb gedaan. Na Parcent neem ik, op de grote
plaat, opnieuw de kop en vlak voor Jalon sla ik nog
een aanval af van mijn zwager, die heel
linkeballerig al kilometers bij me in het wiel heeft
gezeten. Maar net voor de denkbeeldige streep voel
ik wat langs me heen suizen: een 16-jarige,
voormalig jeugdkampioen van Wales. Het is genoeg
geweest, mensen. We gaan naar huis. Voordat ik zelf
ook van dommigheid niet meer besef hoe moe ik
eigenlijk ben.  |
|
|
|
|
|
Een terugblik in foto's |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
 |
|
| |
|
|
| |
Trainingskamp februari 2007
Normaal fiets ik er in het late voorjaar of de zomer,
als de temperatuur kan oplopen tot ver boven de dertig
graden. Maar, zoals ook veel beroepsrenners weten,
eigenlijk is februari de ideale maand om met je
racefiets de Costa Blanca op te zoeken. In Nederland is
het guur, nat en koud, terwijl je in Spanje al lekker in
het zonnetje kunt fietsen tussen de bloeiende
amandelbomen en rijpe sinaasappels. Voor mijn eerste
trainingskamp meldde ik mij op 14 februari bij onze
rentenierende vrienden in Jalón, zo'n vijf kwartier
rijden ten zuiden van Valencia. Een week lang fietsten
Edwin en ik ruim 400 kilometer, als opwarmertje naar een
lang wielerseizoen. |
|
| |
|
|
| |

Donderdag
15 februari
Het
wijzertje naast de weegschaal van de lopende band is
onverbiddellijk: de tas die ik de dag ervoor nog met
twee vingers kon optillen - hoe zwaar kunnen een paar
wielrenbroekjes nu zijn? - blijkt opeens meer dan 24,5
kilo. Het meisje van de Vueling-balie is onverbiddellijk.
Er moet wat uit. Het maximum is 20 kilo, daarboven moet
ik voor elke kilo betalen. Wat ik uit mijn tas haal, mag
gek genoeg wel als handbagage mee. Daar wordt het
vliegtuig niet lichter van, wil ik bijdehand opmerken,
maar het is mijn ervaring om niet met dit soort
functionarissen in discussie te gaan. Ook tot mijn eigen
verbazing haal ik er een enorme stapel tijdschriften,
een kilo belegen boerenkaas en een aantal boeken uit,
die van harte welkom moeten zijn bij onze vrienden in
het culturele niemandsland dat Costa Blanca heet. Met
mijn rugzak (laptop met toebehoren, externe harde schijf,
iPod, nog wat losse elektronica), vier kilo
tijdschriften, wat boeken en een stuk belegen boerenkaas
probeer ik vervolgens de barrière van de
controlepoortjes te nemen. Mijn met koper beslagen
zelfmoordriem heb ik thuis achtergelaten, mijn telefoon
zit in mijn tas, net als alle ijzerwaren die normaal in
mijn broekzakken zitten. Maar toch geven alle systemen
vandaag terreuralarm af. Ik word van top tot teen
gefouilleerd, moet mijn imposante bergschoenen uitdoen
(de fietsclub van Jalón maakt zaterdag een
amandelbomen-bloesemwandeling) en word onderworpen aan
een derdegraads verhoor over een zakmes dat zich in mijn
rugzak zou bevinden. Ik ontken in alle toonaarden, maar
de beambte die mijn spullen een voor een uitpakt vindt
uiteindelijk een Gall & Gall-kurketrekker die we op
vrijdagmiddag op de krant gebruiken om een
redactiewijntje open te trekken. Als alles wat ik bij me
heb nog een keer door de scanner is gegaan - inclusief
mijn bergschoenen en het stuk boerenkaas, want je weet
maar nooit - mag ik door. Ruim twee uur en een bonkige
landing verder zit ik mijn Hollandse verkoudheid uit te
zweten in een auto die opwarmt bij een temperatuur van
24 graden. Op het terras van onze vrienden wordt copieus
in het zonnetje geluncht - inclusief twee bescheiden
roseetjes - maar mijn verstopte neus gaat 's middags pas
echt open tijdens onze eerste fietstocht naar Fleix,
waar we hellinkjes van een procent of zestien moeten
nemen. Er is geen betere remedie tegen een beginnend
griepje dan hartslag 185. Ging ik hier vorig jaar niet
veel soepeler omhoog? Mijn dag begon en eindigt met een
weegschaal, dit keer in de badkamer van het huis in
Jalón. Hij wijst consequent zes kilo teveel aan. Het
meisje van Vueling is gelukkig nergens te bekennen.
  |
|
| |
|
|
| |

Vrijdag 16 februari
Als
ik nu in Nederland was geweest, had ik met mijn zere
keel en snotterneus een bekertje Hot Coldrex genomen en
was ik lekker bij de kachel gekropen. Nu rijd ik in
korte broek en shirt met korte mouwen een bergetappe van
meer dan 100 kilometer, waarbij we in totaal 1450 meter
hoogteverschil overbruggen. De route naar Vall d'Ebo
gaat over een klassieke bergpas met mooie
haarspeldbochten. Mijn rentenierende vriend en ik kunnen
hem op reserve rijden: er zijn een paar steile stukjes
van 13 procent maar verder is hij goed te doen. Dat
geldt niet voor het gedeelte na Vall d'Ebo, waar de weg
stijgt en daalt met percentages van 16 (dat staat op de
borden) tot 20 procent (zo voelt het). Ik ben niet
helemaal fit, kan ik met recht tegen mijn fietsmaat
zeggen, als ik enkele tientallen meters na hem boven kom.
Dat is maar gedeeltelijk te wijten aan mijn
trainingsachterstand. Ik snuit omstandig mijn neus en
dep mijn waterige ogen. Maar voort gaat het weer. De
thermometer op mijn fietscomputer wijst gemiddeld 23
graden Celsius aan, maar in de beschaduwde afdalingen
kan het behoorlijk afkoelen. Dan komen de
windstoppertjes tevoorschijn. Halverwege stoppen we voor
de lunch in Al Patro, een karakteristiek Spaans dorpje.
Het minuscule terras (2 tafeltjes) van bar Keles ligt
vol in de zon. El patron brengt een voedzame maaltijd,
met brood, salade, varkensvlees, inktvis, patatten en
een fles wijn. Hot Coldrex heeft hij niet, maar we nemen
genoegen met een lekker stuk taart en koffie met cognac.
Dat is ook goed, als je niet helemaal fit bent.
 |
|
| |
|
|
| |

Zaterdag 17 februari
Eigenlijk
zou je elke dag wakker moeten worden met de zon op je
gezicht. Lekker met een kopje thee de koesterende
stralen in je opnemen en je langzaam overgeven aan het
idee dat je de hele wereld aan kunt. Die gedachte
vervliegt een uur later als we de Bernia beklimmen. Mijn
rentenierende fietsmaat en coach heeft - gelukkig zonder
zich iets aan te trekken van mijn superieure
ochtendgevoelens - na de lange tocht van gisteren een
route van 54 kilometer uitgestippeld. Maar wel eentje
die een hoogteverschil van 750 meter overbrugt (zie
profiel). En bij de langste beklimming, die van de
Bernia, slaat de pap in mijn benen. Een week geleden
werd hier voor de beste amateur-wielrenners in de
provincie Marina Alta nog een klimtijdrit georganiseerd
waarbij de snelheid van de toppers op 28 kilometer per
uur lag. Dat is nu ongeveer de temperatuur die mijn
fietscomputer in de volle zon aangeeft. Mijn snelheid
ligt iets boven de 11 kilometer per uur en ik krijg er
gewoon niet meer uitgeperst. Als mijn fietsmaat had
voorgesteld om halverwege te keren, had ik het gedaan.
Maar dat doet hij niet. Ik leeg - bij een
luchtvochtigheid van 23 procent - de ene bidon water na
de andere, maar ik blijf droge lippen en een dito keel
houden. Typisch geval van de droogteklop. Daar houd ik
het maar op. In de afdeling stoppen we bij een terrasje
voor koffie, cola en mineraalwater en zien we een
groepje profs voor een volgwagen uit naar boven racen.
Ze zijn jong, slank en scherp en ik voel me oud, dik en
slap. Als ik 's middags boven mijn lamsbout zit op het
zonovergoten terras van restaurant Valbón in Alcalali
kan ik me wat gemakkelijker met die gedachte verzoenen.
Schenk nog maar eens in, camarero. Op de gewone fietsen
rijden we door de amandelbloesem en de
sinaasappelboomgaarden naar huis en laten ons voldaan
onderuit zakken in de ligstoelen. Eigenlijk zou je elke
dag in slaap moeten vallen met de zon op je gezicht.
 |
|
| |
|
|
| |

Zondag 18 februari
Rare
jongens, die Spanjaarden. Op zaterdag gaat bij ons om
07.00 uur de wekker af omdat we gaan wandelen met... de
fietsclub. Ik ben hier te gast, dus het 'waarom?' krijg
ik niet over mijn lippen. We hadden om 10.00 uur ook met
juf Carmen van de Spaanse les uit het dorp een
bloesemtocht in de vallei kunnen lopen, maar wij
prefereren het gezelschap van echte Spanjaarden. De
wandelgroep van de Club Ciclista Xaló bestaat deze
morgen uit drie Nederlanders (mijn rentenierende
vrienden en ik) en drie lokalo's: Juan, Gabi en Thomas,
de dorpsdokter. Dat is handig, als we onderweg een been
breken. We verzamelen bij bar Juan (een andere Juan), en
zien tot ons genoegen dat de Spanjaarden een Nederlandse
gewoonte hebben overgenomen. Gabi heeft een thermosfles
bij zich, met koffie, veronderstellen wij. Maar het is
een thermosfles zonder koffie. Gabi loopt naar de bar,
bestelt zes espresso's en laat die door de ober één
voor één in de thermosfles gieten. Niks Hollandse
kneuterigheid. Wij gaan met de fiets en de Spanjaarden
met de auto naar de voet van de bergketen aan de rand
van het dorp en lopen daar via geiten- en koeienpaadjes
(er liggen verse keutels, maar de toros laten zich niet
zien) omhoog. Het is een pittige klim waarbij al na een
paar honderd meter onze fleecetruien uitgaan. Alleen de
Spanjaarden hebben nergens last van. Terwijl ik omhoog
sjok in mijn doorweekte zwarte T-shirt houden zij hun
trui en hun jas aan, en heeft gids Gabi zelfs een
ijsmuts op. Geen druppeltje zweet komt eronder vandaan.
We worden beloond met een fantastisch uitzicht: we
kijken over valleien en bergen, en zien in de nevel de
eilanden Ibiza en Formentera liggen. Bij de picknick op
de top blijkt andermaal hoeveel beter de lokalo's zich
op deze tocht hebben voorbereid: onze bidons met water
steken schril af tegen de bota (een kleine wijnzak) en
de literflessen bier die uit hun rugzakken komen. Gabi
deelt zijn espresso in kleine plastic kopjes en er gaan
zakken chips en pinda's rond. Dan dalen we via dezelfde
route weer af, heel voorzichtig, om onze achillespezen
te ontzien. Want morgen moet er weer worden gefietst.
Nee, niet met de wandelclub.
 |
|
| |
|
|
| |

Maandag 19 februari
Het
gespannen opvangen van signalen van mogelijke neerslag
herken ik van de vroege zondagmorgen met mijn eigen
clubje, de Noordbikers uit Noordwijk. Hier in Spanje
leggen wij rond zeven uur - mijn rentenierende vrienden
in de ene, en ik in de andere slaapkamer - op dezelfde
manier onze oren te luister. Is dat het ruisen van de
palm voor ons raam? Of een bui? In Spanje is de regel
nog nadrukkelijker dan bij ons in Nederland: bij regen
wordt er niet gefietst. Na een lange periode van droogte
komt hier een laagje blubberfilm op de weg te liggen,
die spekglad is als hij nat wordt. Vooral afdalen is dan
een levensgevaarlijke onderneming. Deze zondagmorgen is
het weliswaar bewolkt maar droog, al staat er wel een
stevige wind. Er komen bij het verzamelpunt bar Rincón
in Jalón tien fietsers opdagen: drie Nederlanders, twee
Engelsen en vijf Spanjaarden. Onze route wordt voor een
deel bepaald door het carnaval, dat afgelopen nacht in
alle hevigheid is losgebarsten. We kunnen niet over Pego,
waar nog teveel dronken volk over straat loopt. Maar ook
onderweg is het niet helemaal veilig. Bij Orba heeft een
verklede feestganger zijn auto in een flauwe bocht van
een helling met een flinke snelheid tegen een betonpaal
geparkeerd. Goed dat wij niet van de andere kant kwamen.
Onze fietsclub splitst zich na een kilometer of tien:
drie Spanjaarden en mijn rentenierende vriendin vinden
dat er teveel wind staat en snijden een stuk af. De twee
Spanjaarden die zich wel bij ons (twee Hollanders en
twee Engelsen) aansluiten, volgen dat voorbeeld een
kwartiertje later. Maar ik voel me in mijn element: een
redelijk vlakke route en een stevige bries. In Nederland
weet ik op de racefiets niet beter. Als buitenlanders
nemen we wel de Spaanse gewoonte van de almuerzo over:
in La Xara duiken we rond een uur of tien een bar in
voor brood en wijn. Net als in de kerk, zegt Gareth,
één van de Engelsen. Bijna weer terug in Jalón halen
we de rest van de fietsclub weer in, die zich - na een
kortere route en een valpartij die een van de
Spanjaarden uitschakelde - heeft getrakteerd op een
uitgebreider maal met brood, wijn en vis. En ook daar is
in religieus opzicht op de zondagmorgen natuurlijk niks
mis mee.
 |
|
| |
|
|
| |

Dinsdag 20 februari
Een
fietsroute van een kilometertje of 130 hadden we in
gedachten, maar in de ochtenduren - echt waar - goot het
van de regen. Vandaar dat we besloten tot een regeldagje.
Wijn halen bij de coöperatie in het dorp (vijf liter
wit en vijf liter rosé voor 8,50 euro; de benzine - 97
eurocent per liter - is duurder) en in Altea de
kentekenplaten met toebehoren oppikken voor een
geïmporteerde auto, verzekering afsluiten, dat werk. Op
weg naar de kust trok het al een beetje open en kwamen
we de ene na de andere wielrenner tegen. En in Altea
zelf werd het compleet zonnig, waardoor we na gedane
zaken de boulevard maar opzochten voor een biertje met
tapas en daarna nog een menuutje - flesje wit erbij - op
een mooi terras. In emails naar het verre vaderland doen
onze rentenierende vrienden er altijd heel tobberig
over, maar dit schijnt het normale verloop van 'regeldagjes'
voor pensionado's te zijn. Je loopt naar binnen bij een
zogenaamde 'gestor' (in de regel een Nederlander met een
administratiekantoor die de weg weet in de
ondoorzichtige Spaanse regelgeving), zegt wat je wilt
hebben, bedankt er vriendelijk voor en binnen een paar
minuten sta je weer buiten. De rekening volgt later.
Alleen het frauderen met hun AOW-uitkering doen ze op
eigen kracht, mag je hopen. Toen zelfs op de boulevard
van Altea de wielrenners rond ons tafeltje begonnen te
cirkelen, moesten wij er 's middags ook aan geloven. Een
rondje door de vallei van een kilometer of vijftig. Meer
zat er na de tapas, de paëlla, het bier en de witte
wijn niet in. Maar dit was tenslotte een regeldagje.
 |
|
| |
|
|
| |

Woensdag 21 februari
Vijf
internetsites raadpleegt mijn rentenierende vriend elke
dag om te bekijken welk weer het wordt, maar voor
vandaag zitten ze er allemaal naast. Er is ons een dijk
van een depressie beloofd, met bewolking en regen, op
basis waarvan wij rond een uur of twee hebben
gereserveerd in een mooi restaurant,
Casa Cantó in Benissa.
Je moet toch wat. Maar we staan op met een schraal
zonnetje en het is droog, waardoor er op deze laatste
dag van het trainingskamp toch kan worden gefietst. We
rijden langs de kust naar Javea, beklimmen de Montgo,
een puist van een berg waarvan de weg gelukkig de
makkelijkste route volgt. Daarna gaat het richting Denia,
waar we in de grootste fietsenwinkel uit de wijde omtrek
kijken of het nieuwste wielrenshirt van Team Discovery
al te koop is. Vanaf 2 maart pas, señor. Onderweg komen
we wel twee echte profs van Discovery tegen, in het
nieuwe shirt. Zij rijden bij Orba naar beneden, waar wij
omhoog klimmen, dus of het nu Basso of Popovitsj is die
ons passeerde, zullen we nooit weten. En puf om ze in te
halen, hadden we ook niet meer. Onderweg stoppen we voor
fotoshoots bij sinaasappelstalletjes en vissersbootjes.
De thermometer op onze fietscomputer is inmiddels
opgeklommen van 10 tot 23 graden. Bijna 100 kilometer
hebben we op de teller staan als we rond half twee weer
bij het huis in Jalón aankomen. Onze zwetende lijven
moeten worden gedoucht voor Casa Cantó, maar nadat we
eerder in de week verstoken waren van stroom, hebben we
nu geen water. De deo-spuit doet wonderen. Tussen de
middag zijn we hier gewend aan wielrenmenuutjes van een
euro of acht, maar het is verbazingwekkend wat ze voor
26,50 euro met het menu Casa Cantó voor je op tafel
zetten. Kom er maar eens om, in ons eigen mooie
vaderland. En de aankleding en het uitzicht zijn ook nog
top. We rijden met de zon op de voorruit terug naar Vall
del Pop, in de hoop nog twee uurtjes op het terras de
voorbije dagen te overpeinzen. Maar omringd door de
bergen is het bij het huis bewolkt en nevelig. Logisch,
niet minder dan vijf internetsites hadden ons dat voor
vandaag voorspeld.
 |
|
| |
|
|
| |
Donderdag 22
februari
Of hij zijn
vader nog een beetje miste, wilde mijn vrouw van mijn
zoon weten. 'Jazeker', zei hij, 'maar het leven gaat
door. Dus eigenlijk merk ik er niet zoveel van.' Als man
weet je dan dat het tijd is om terug te keren naar huis
en je positie in het gezin weer in te nemen. Ruim 400
kilometer hebben we gefietst, de afgelopen week, en een
aantal duizenden hoogtemeters zijn er overbrugd. Dat hadden er
meer kunnen zijn, maar voor zo vroeg in het seizoen is
het helemaal niet gek. Ik wilde in deze trainingsweek
6,5 kilo afvallen, maar het positieve nieuws is dat ik
met al het goede van het Spaanse land niet ben
aangekomen. Ik heb even kunnen ruiken aan de
naderende lente en mijn eerste verbrande neus van dit
jaar opgelopen. En weer een paar dagen kunnen optrekken
met mijn rentenierende fietsmaat en de leden van de Club
Ciclista Xaló. Wat kan een week die een eeuwigheid lijkt, zo snel voorbij vliegen. In een druilerige
motregen vertrok ik gistermorgen vanaf Valencia, zodat
de overgang naar de regen op Schiphol niet eens zo groot
was. Een paar uur later stond ik achter de tap van de
basketbalvereniging voor mijn maandelijkse bardienst en
sinds vanmorgen zit ik weer achter mijn bureau op de
redactie. En dat is dan wel een cultuurschok, vergeleken
met het relaxte, gastvrije Spaanse leventje bij mijn
vrienden in Jalón, die na mijn vertrek onmiddellijk weer
terugzakten in hun levensritme van jongbejaarden
(inclusief middagdutje). Maar het leven gaat door, aldus mijn
kleine huisfilosoof. En als het nog een kleine twee
maanden doorgaat, mag ik alweer terug naar
Spanje.
 |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
|
|
|
|
|
|