Alles voor de club

Wielrennen is een individuele sport. Maar als je een aantal individuen bij elkaar zet, heb je een club. In Spanje rijd ik bij de Club Ciclista Xaló, in Nederland bij de Noordbikers.

 
 
 
     
 

Trainingskampen

 
     
   
 

april 2007

Eigenlijk zou ik dit keer met mijn politiek-incorrecte neef afreizen naar Spanje, maar wegens een hardnekkige blessure moest die verstek laten gaan. Zijn plaats werd ingenomen door mijn zwager Rinus, die in de bergen zijn vuurdoop onderging. In totaal reden we in een week tijd 750 kilometer en overbrugden we 10.000 meter hoogteverschil.

 
     
 

 

 
 

Donderdag 19 april

Als je op reis gaat naar verre en vreemde oorden, kun je mijn zwager Rinus er wel bij hebben. Hij is politieman, lid van de Mobiele Eenheid, werkte jaren met paarden bij de Bereden Groep, was rechercheur en - niet onbelangrijk voor een fietsvakantie in Spanje - volgde bij de politie ook een Biker-opleiding. En als er onderweg iemand moet worden staande gehouden, mag hij optreden als hulpofficier van justitie. Maar vandaag had hij het meest aan de
vaardigheden die hij in zijn jeugd opdeed als knecht op een veehouderij. De poes van mijn rentenierende vriend heeft - na een conflict met een rivaliserende kater - een wond die zijn halve kop in een bloederige massa heeft veranderd. Van de dierenarts moet het beest absoluut binnenblijven, maar het eerste wat hij vanmiddag deed toen hij even buiten mocht piesen, was zijn jeukende schedel in het zand wentelen. Zelf schenk ik op dat soort momenten graag nog even een wit wijntje in, terwijl mijn zwager de poes in verzekerde bewaring stelt en met mijn rentenierende vriend de wond uitspoelt. En dat terwijl hij hier gewoon als invaller is. Mijn politiek-ontspoorde, 18-jarige neef is te geblesseerd om dit tweede trainingskamp van dit jaar in Jalon aan de Costa Blanca mee te maken. Maar er hoefde niet veel overredingskracht te worden uitgeoefend om het ticket over te laten schrijven op naam van zijn oom, mijn zwager dus. Twee uur na aankomst op het vliegveld van Valencia zaten we al op de fiets, voor ons eerste rondje van 55 kilometer om het materiaal en de benen te testen. Mijn zwager, die op twee wielen nog nooit een serieuze berg beklommen heeft maar verder wel een sportief leven leidt, reed als een beest omhoog en daalde - in mijn optiek, maar ik heb hoogtevrees - als een kamikazepiloot. Mijn rentenierende vriend, die eerder in een mail had aangekondigd dat hij ons deze week zo zou laten afzien dat we nooit meer op vrijwillige basis naar hem zouden afreizen, vroeg mij halverwege vertwijfeld of ik nog meer van dit soort familieleden had. Onze hoop is gevestigd op de ritten van meer dan honderd kilometer, die deze week op het programma staan. Mijn zwager heeft dit jaar - als rijksambtenaar - namelijk nog nooit meer dan 70 kilometer op een dag afgelegd. En mijn rentenierende vriend en ik zijn natuurlijk geen katjes om zonder handschoenen aan te pakken. 

 
 
 
 

Vrijdag 20 april

Onderweg heb ik nog geprobeerd om het aan ze uit te leggen: ik heb te veel hersens om snel af te dalen. Als ik met 60, 70 kilometer per uur een berg afsuis, kan ik me heel goed inbeelden wat er gebeurt als ik op het laatste moment door mijn remmen schiet. In de bocht uitglijd over los gesteente. Op de verkeerde weghelft tegen een tegemoetkomende auto klap. Maar mijn twee fietsmaten worden niet geplaagd door dit soort gedachten. Mijn zwager, die tot gisteren nog nooit een serieuze berg heeft beklommen, kleeft op 10 centimeter afstand van
het achterwiel van mijn rentenierende vriend, als die zich met doodsverachting naar omlaag stort. Pure onnozelheid. Hun contact met de weg gaat via twee smalle bandjes, waarin voor 7,5 bar lucht is geperst. Je moet er toch niet aan denken dat zo'n stukje rubber op volle snelheid explodeert. En dat is nu mijn probleem. Ik denk er wel aan. Ik denk ook aan mijn vrouw en kinderen. De lezers van mijn weblog. De samenleving in zijn geheel. Wat een verlies zou het zijn, als ik met fiets en al via de kloof van de hel naar de hemelpoort glijd. Zij denken helemaal nergens aan. Wat een zaligheid moet dat zijn. Bijna 140 kilometer hebben we vandaag getrapt, en meer dan 2000 meter hoogteverschil overbrugd, bij een temperatuur van een graadje of 25. Bergop kon ik de mannen nog imponeren met mijn klimkuiten en de vele honderden kilometers trainingsarbeid die ik in Nederland voor dit trainingskamp heb geinvesteerd. Maar bergaf moet ik ze elke keer laten gaan. Onderaan weer zo'n puist, als ze trouw op me wachten, leg ik het nog maar een keer uit. Ik heb te veel hersens om snel af te dalen. 'Blij mee!', zegt mijn zwager grijnzend. Woorden van 1 lettergreep. Geen persoonlijke voornaamwoorden. Dat is nou typisch voor die lui. Ik heb het er maar mee te doen, deze week.

 

 

    

 

Zaterdag 21 april

 

Alle keren dat ik in Spanje op trainingskamp ben, is het niet alleen de bedoeling dat ik aan mijn conditie werk, maar ook dat ik vijf kilo afval. Maar om de een of andere reden slaag ik daar maar niet in. Zelfs al rijden we 3000 kilometer in een week, na afloop wijst de weegschaal hooguit hetzelfde aan, of blijk ik zelfs nog een kilo aangekomen. Geen idee hoe dat komt, al zijn er altijd wel verzachtende omstandigheden aan te voeren. Zoals deze week. Ik ben hier voor het eerst met mijn zwager Rinus: net zo groot als ik (1.94 meter), alleen tien kilo lichter. Vel over been, wat u zegt. Dat vergt grote aanpassingen van mijn rentenierende vriend en mij. Op onze eerste grote bergrit stortte mijn zwager na vijftig kilometer in, waar wij - allebei toch wel een kilootje of vijf te zwaar - nog vrolijk doortrapten. Zo'n broodmagere fietsmaat moet constant blijven eten om niet voortdurend met de hongerklop van zijn rijwiel te vallen. Dus ja, wat moet je? Op onze tochten strijken we nu na zo'n veertig kilometer klimmen en dalen neer op een terras, waar we de vreemdste bestellingen doen. Altijd een literfles cola (voor de suiker), een tros bananen (voor de koolhydraten), drie toetjes (in de regel een flink stuk taart) en drie cortado's (koffie met een scheutje melk) met flink veel suiker. Na nog eens veertig kilometer wordt er gestopt voor een uitgebreide driegangenlunch, met paella of macaroni vooraf, vlees met aardappelen en groente als hoofdgerecht en - opnieuw - een lekker stuk taart als toetje. Dus ja, waarom we niet afvallen is ons een raadsel. Maar we zijn in elk geval lekker solidair met mijn zwager. En hij met ons? Vergeet het maar! Waar mijn rentenierende vriend en ik tussen de middag ons flesje wijn bij de lunch wegklokken ('s lands wijs, 's lands eer) en ons na afloop van de maaltijd nog tegoed doen aan een carajillo (koffie met cognac), neemt hij geen druppel alcohol tot zich. Vanmiddag, op onze tocht van 115 kilometer, doceerde mijn rentenierende vriend dat het menselijk lichaam bij grote inspanningen eerst de alcohol gaat afbreken. Dat ziet het namelijk als vergif. Mijn lichaam toch niet?, vroeg ik geschrokken. Maar sindsdien gooit mijn zwager er na elke lunch nog een schepje bovenop, om ons in de vernieling te rijden. Vanmiddag was hij daar bijna in geslaagd, als niet uitgerekend net onder de top van de beklimming vanuit Moraira naar Benissa alle alcohol in ons lijf was opgebrand. Waarna we hem er vervolgens gewoon weer uitreden op onze vetreserves. Volgende week gaan we pas weer aan de lijn.


 

Zondag 22 april

 

Normaal rijden we altijd strak in het tenue van onze sponsor Kees' Fietsshop, maar op wat wij eigenlijk beschouwen als een rustdag, mag het ook allemaal wel een keer wat losser. Bovendien, na drie dagen trappen zijn onze oranje-zwarte pakjes wel aan een sopje toe. Mijn zwager en ik kleden ons in stemmig zwart en blauw, en moeten even met de ogen knipperen als onze rentenierende vriend naar buiten stapt. Hij heeft een vuurrode broek aan (de enige man die ik tot nog toe in een vuurrode broek heb gezien was Prins Claus, op een oude kalender van Ons Vorstenhuis), met daarboven een Spaans shirt in de schreeuwende kleuren blauw, geel en groen. We krijgen van hem een verhandeling over hoe belangrijk het is om in opvallende kledij over het asfalt te scheuren: voor medeweggebruikers ben je beter zichtbaar, wat de veiligheid vergroot. En dat is vandaag geen overbodige luxe: voor ons rondje Bernia draaien we, om een beetje op te warmen voor de klim, een rondje door de vallei, waarbij we langs de drukste rommelmarkt van de Costa Blanca moeten. Voetgangers die zonder op of om te kijken de weg oversteken, wijken geschrokken terug als ze onze rentenierende vriend zien aankomen. Als Mozes door de Rode Zee baant hij zich met 30 kilometer per uur een weg door de menigte. Alleen verderop, op het platteland, dreigt het bijna fout te gaan. Als hij weer met 60 kilometer per uur een helling afsuist, rijdt een boertje met een witte bestelwagen vanuit een parkeerstrook zo de weg op. Auto en fiets schieten rakelings langs elkaar. En dat is maar goed ook, want ik zag de krantenkoppen al voor me: 'Kleurenblinde automobilist rijdt als papegaai verklede wielrenner aan'.

 

 

 


 

Maandag 23 april

 

Ergens tussen Pego en Oliva zijn we m'n zwager kwijt. Hij heeft halverwege deze kilometerslange weg wel even aangegeven dat hij 'er even af moest', maar daarbij ging ik er vanuit dat hij even lekker uit de wind aan de staart van ons groepje wilde hangen. We rijden vandaag met Grupo A van de Club Ciclista Xalo, de absolute klasbakken van het dorp, vandaag bestaande uit Javi en Armando. Meer klasbakken zijn er even niet. We doen een redelijk vlakke ronde, omdat we onderweg aan de kust bij Javea nog naar wielerwedstrijden willen kijken. Pas bij de verkeerslichten in Oliva missen we m'n zwager. Mijn rentenierende vriend weet te vertellen dat hij onderweg de indruk kreeg dat hij nodig moest plassen, maar nadat we bijna een kwartier hebben gewacht, bleek daar tussen de sinaasappelbomen ook een behoorlijk drukje bij gekomen. Als we even later stoppen bij een benzinestation voor een blikje cola en een cakeje (Grupo A is een sober gezelschap, dat louter voor de sport fietst), moet mijn zwager opnieuw naar het toilet. En als wij een uurtje later bij weer een ander benzinestation moeten wachten op Javi, die wij met onze vele klimkilometers behoorlijk op afstand hebben gefietst, grijpt mijn zwager dit onderhoud aan voor opnieuw een sanitaire stop. 'Hij werkt bij de politie', legt mijn rentenierende vriend uit aan Armando: 'Policia.' Aha, knikt Armando, hij begrijpt het. 'De politie. Hetzelfde als bij ons in Spanje', zegt hij. 'Koffie drinken en pissen.'

 


 

Dinsdag 24 april

 

Elke keer als hij door mijn rentenierende vriend op afstand wordt gefietst, bedient de Spanjaard Armando van de fietsclub CC Xalo zich van dezelfde stoplap: 'Ja, maar jij hebt geen werk!' Dan kun je net zoveel trainen als je wilt, wil hij maar zeggen. Nu heeft hij daarmee in de regel een punt, maar zondag kon mijn vriend - wijzend naar mijn zwager en mij - reageren met: 'Ik moet de hele week met die gekken op pad. Noem je dat geen werk!' Om ons een lesje te leren, had Armando nog wel een routesuggestie: heen over de Col de Rates, dan doorklimmen naar Tarbena, afdalen, en weer klimmen naar Guadalest en Confrides, dan afdalen naar Benasau, dan weer omhoog de Tudons op (de hoogste bergketen hier), een stukje afdalen, dan weer vanaf een andere kant de Tudons op, afdalen naar Benasau en dan dezelfde weg terug: weer omhoog naar Confrides en Guadalest, afdalen, dan weer bij Tarbena omhoog, doorklimmen naar de Col de Rates en terug naar huis. In totaal hadden we daarmee vandaag 160 kilometer op de teller staan en een hoogteverschil van 3000 meter overbrugd (zie het profiel). Voor mijn rentenierende vriend en mij was dit reden om bij de lunch af te zien van het gebruikelijke flesje wijn. Maar de carajillo hebben we ons niet laten ontnemen. En mijn zwager Rinus? Zijn bondige commentaar luidde na afloop: 'Ik ben nog nooit zo verrot geweest als vandaag.' En, laat ik het maar eerlijk toegeven: er zijn dagen dat ik het als werknemer van HDC Media minder zwaar heb gehad. Maar je bent lekker buiten, werkt een beetje aan je conditie en je krijgt nog een bruine kop ook. Nee, je moet gaan werken.

 


 

Woensdag 25 april

 

Eerder deze week had ik het al gezegd tegen mijn fietsmaten. 'Jullie weten wel dat je moe bent, maar jullie zijn niet intelligent genoeg om je er ook naar te gedragen.' Dat was meestal op een moment dat ze op de macht de teller krampachtig boven de dertig probeerden te houden op een venijnig stuk vals plat. Of weer als een dolle een helling afdoken. Na de monsterrit van gisteren zouden we vandaag, onze laatste dag in Spanje, wat rustiger aan doen. Maar een telefoontje van David - zoon van een Engels lid van onze fietsclub en voormalig jeugdkampioen van Wales - of hij een dagje met ons mocht meerijden, gooide roet in het eten. Zodra hij op de fiets stapt, is mijn rentenierende vriend namelijk opeens weer een junior van 16 en doet hij niets liever dan

David uitdagen in de sprint, voor een bloedstollende afdaling of een wedstrijdje wie het eerste boven is. En wie hangt er dan amechtig in het wiel? Juist, uw logschrijver. Maar er waren verzachtende omstandigheden. De 650 kilometer die ze al in de benen hadden, was vandaag goed af te zien aan de koppies van mijn maten. En David traint nooit meer dan 50 kilometer achter elkaar. Na 40 kilometer op de beklimming van de Alt de Margarida durf ik dan ook gerust een wijntje te nemen tijdens onze almuerzo in Bar Ta Casa. En een carajillo toe, natuurlijk. Meer dan 100 kilometer rijden we toch nog, vandaag, en de momenten dat David en mijn rentenierende vriend alsnog de kolder in de kop krijgen, zijn op de vingers van een hand te tellen. Na een kilometer of negentig begint mijn oude lijf weer een beetje op temperatuur te komen en rijd ik na Pego en bij Orba naar boven alsof ik de hele week nog niks heb gedaan. Na Parcent neem ik, op de grote plaat, opnieuw de kop en vlak voor Jalon sla ik nog een aanval af van mijn zwager, die heel linkeballerig al kilometers bij me in het wiel heeft gezeten. Maar net voor de denkbeeldige streep voel ik wat langs me heen suizen: een 16-jarige, voormalig jeugdkampioen van Wales. Het is genoeg geweest, mensen. We gaan naar huis. Voordat ik zelf ook van dommigheid niet meer besef hoe moe ik eigenlijk ben.

Een terugblik in foto's


     
 

Trainingskamp februari 2007

Normaal fiets ik er in het late voorjaar of de zomer, als de temperatuur kan oplopen tot ver boven de dertig graden. Maar, zoals ook veel beroepsrenners weten, eigenlijk is februari de ideale maand om met je racefiets de Costa Blanca op te zoeken. In Nederland is het guur, nat en koud, terwijl je in Spanje al lekker in het zonnetje kunt fietsen tussen de bloeiende amandelbomen en rijpe sinaasappels. Voor mijn eerste trainingskamp meldde ik mij op 14 februari bij onze rentenierende vrienden in Jalón, zo'n vijf kwartier rijden ten zuiden van Valencia. Een week lang fietsten Edwin en ik ruim 400 kilometer, als opwarmertje naar een lang wielerseizoen.

 
     
 

 

 

Donderdag 15 februari

 

Het wijzertje naast de weegschaal van de lopende band is onverbiddellijk: de tas die ik de dag ervoor nog met twee vingers kon optillen - hoe zwaar kunnen een paar wielrenbroekjes nu zijn? - blijkt opeens meer dan 24,5 kilo. Het meisje van de Vueling-balie is onverbiddellijk. Er moet wat uit. Het maximum is 20 kilo, daarboven moet ik voor elke kilo betalen. Wat ik uit mijn tas haal, mag gek genoeg wel als handbagage mee. Daar wordt het vliegtuig niet lichter van, wil ik bijdehand opmerken, maar het is mijn ervaring om niet met dit soort functionarissen in discussie te gaan. Ook tot mijn eigen verbazing haal ik er een enorme stapel tijdschriften, een kilo belegen boerenkaas en een aantal boeken uit, die van harte welkom moeten zijn bij onze vrienden in het culturele niemandsland dat Costa Blanca heet. Met mijn rugzak (laptop met toebehoren, externe harde schijf, iPod, nog wat losse elektronica), vier kilo tijdschriften, wat boeken en een stuk belegen boerenkaas probeer ik vervolgens de barrière van de controlepoortjes te nemen. Mijn met koper beslagen zelfmoordriem heb ik thuis achtergelaten, mijn telefoon zit in mijn tas, net als alle ijzerwaren die normaal in mijn broekzakken zitten. Maar toch geven alle systemen vandaag terreuralarm af. Ik word van top tot teen gefouilleerd, moet mijn imposante bergschoenen uitdoen (de fietsclub van Jalón maakt zaterdag een amandelbomen-bloesemwandeling) en word onderworpen aan een derdegraads verhoor over een zakmes dat zich in mijn rugzak zou bevinden. Ik ontken in alle toonaarden, maar de beambte die mijn spullen een voor een uitpakt vindt uiteindelijk een Gall & Gall-kurketrekker die we op vrijdagmiddag op de krant gebruiken om een redactiewijntje open te trekken. Als alles wat ik bij me heb nog een keer door de scanner is gegaan - inclusief mijn bergschoenen en het stuk boerenkaas, want je weet maar nooit - mag ik door. Ruim twee uur en een bonkige landing verder zit ik mijn Hollandse verkoudheid uit te zweten in een auto die opwarmt bij een temperatuur van 24 graden. Op het terras van onze vrienden wordt copieus in het zonnetje geluncht - inclusief twee bescheiden roseetjes - maar mijn verstopte neus gaat 's middags pas echt open tijdens onze eerste fietstocht naar Fleix, waar we hellinkjes van een procent of zestien moeten nemen. Er is geen betere remedie tegen een beginnend griepje dan hartslag 185. Ging ik hier vorig jaar niet veel soepeler omhoog? Mijn dag begon en eindigt met een weegschaal, dit keer in de badkamer van het huis in Jalón. Hij wijst consequent zes kilo teveel aan. Het meisje van Vueling is gelukkig nergens te bekennen.

 
 
 
 

 

Vrijdag 16 februari

 

Als ik nu in Nederland was geweest, had ik met mijn zere keel en snotterneus een bekertje Hot Coldrex genomen en was ik lekker bij de kachel gekropen. Nu rijd ik in korte broek en shirt met korte mouwen een bergetappe van meer dan 100 kilometer, waarbij we in totaal 1450 meter hoogteverschil overbruggen. De route naar Vall d'Ebo gaat over een klassieke bergpas met mooie haarspeldbochten. Mijn rentenierende vriend en ik kunnen hem op reserve rijden: er zijn een paar steile stukjes van 13 procent maar verder is hij goed te doen. Dat geldt niet voor het gedeelte na Vall d'Ebo, waar de weg stijgt en daalt met percentages van 16 (dat staat op de borden) tot 20 procent (zo voelt het). Ik ben niet helemaal fit, kan ik met recht tegen mijn fietsmaat zeggen, als ik enkele tientallen meters na hem boven kom. Dat is maar gedeeltelijk te wijten aan mijn trainingsachterstand. Ik snuit omstandig mijn neus en dep mijn waterige ogen. Maar voort gaat het weer. De thermometer op mijn fietscomputer wijst gemiddeld 23 graden Celsius aan, maar in de beschaduwde afdalingen kan het behoorlijk afkoelen. Dan komen de windstoppertjes tevoorschijn. Halverwege stoppen we voor de lunch in Al Patro, een karakteristiek Spaans dorpje. Het minuscule terras (2 tafeltjes) van bar Keles ligt vol in de zon. El patron brengt een voedzame maaltijd, met brood, salade, varkensvlees, inktvis, patatten en een fles wijn. Hot Coldrex heeft hij niet, maar we nemen genoegen met een lekker stuk taart en koffie met cognac. Dat is ook goed, als je niet helemaal fit bent.

   

 
 
 
 

Zaterdag 17 februari

Eigenlijk zou je elke dag wakker moeten worden met de zon op je gezicht. Lekker met een kopje thee de koesterende stralen in je opnemen en je langzaam overgeven aan het idee dat je de hele wereld aan kunt. Die gedachte vervliegt een uur later als we de Bernia beklimmen. Mijn rentenierende fietsmaat en coach heeft - gelukkig zonder zich iets aan te trekken van mijn superieure ochtendgevoelens - na de lange tocht van gisteren een route van 54 kilometer uitgestippeld. Maar wel eentje die een hoogteverschil van 750 meter overbrugt (zie profiel). En bij de langste beklimming, die van de Bernia, slaat de pap in mijn benen. Een week geleden werd hier voor de beste amateur-wielrenners in de provincie Marina Alta nog een klimtijdrit georganiseerd waarbij de snelheid van de toppers op 28 kilometer per uur lag. Dat is nu ongeveer de temperatuur die mijn fietscomputer in de volle zon aangeeft. Mijn snelheid ligt iets boven de 11 kilometer per uur en ik krijg er gewoon niet meer uitgeperst. Als mijn fietsmaat had voorgesteld om halverwege te keren, had ik het gedaan. Maar dat doet hij niet. Ik leeg - bij een luchtvochtigheid van 23 procent - de ene bidon water na de andere, maar ik blijf droge lippen en een dito keel houden. Typisch geval van de droogteklop. Daar houd ik het maar op. In de afdeling stoppen we bij een terrasje voor koffie, cola en mineraalwater en zien we een groepje profs voor een volgwagen uit naar boven racen. Ze zijn jong, slank en scherp en ik voel me oud, dik en slap. Als ik 's middags boven mijn lamsbout zit op het zonovergoten terras van restaurant Valbón in Alcalali kan ik me wat gemakkelijker met die gedachte verzoenen. Schenk nog maar eens in, camarero. Op de gewone fietsen rijden we door de amandelbloesem en de sinaasappelboomgaarden naar huis en laten ons voldaan onderuit zakken in de ligstoelen. Eigenlijk zou je elke dag in slaap moeten vallen met de zon op je gezicht.

   

 
 
 
 

Zondag 18 februari

Rare jongens, die Spanjaarden. Op zaterdag gaat bij ons om 07.00 uur de wekker af omdat we gaan wandelen met... de fietsclub. Ik ben hier te gast, dus het 'waarom?' krijg ik niet over mijn lippen. We hadden om 10.00 uur ook met juf Carmen van de Spaanse les uit het dorp een bloesemtocht in de vallei kunnen lopen, maar wij prefereren het gezelschap van echte Spanjaarden. De wandelgroep van de Club Ciclista Xaló bestaat deze morgen uit drie Nederlanders (mijn rentenierende vrienden en ik) en drie lokalo's: Juan, Gabi en Thomas, de dorpsdokter. Dat is handig, als we onderweg een been breken. We verzamelen bij bar Juan (een andere Juan), en zien tot ons genoegen dat de Spanjaarden een Nederlandse gewoonte hebben overgenomen. Gabi heeft een thermosfles bij zich, met koffie, veronderstellen wij. Maar het is een thermosfles zonder koffie. Gabi loopt naar de bar, bestelt zes espresso's en laat die door de ober één voor één in de thermosfles gieten. Niks Hollandse kneuterigheid. Wij gaan met de fiets en de Spanjaarden met de auto naar de voet van de bergketen aan de rand van het dorp en lopen daar via geiten- en koeienpaadjes (er liggen verse keutels, maar de toros laten zich niet zien) omhoog. Het is een pittige klim waarbij al na een paar honderd meter onze fleecetruien uitgaan. Alleen de Spanjaarden hebben nergens last van. Terwijl ik omhoog sjok in mijn doorweekte zwarte T-shirt houden zij hun trui en hun jas aan, en heeft gids Gabi zelfs een ijsmuts op. Geen druppeltje zweet komt eronder vandaan. We worden beloond met een fantastisch uitzicht: we kijken over valleien en bergen, en zien in de nevel de eilanden Ibiza en Formentera liggen. Bij de picknick op de top blijkt andermaal hoeveel beter de lokalo's zich op deze tocht hebben voorbereid: onze bidons met water steken schril af tegen de bota (een kleine wijnzak) en de literflessen bier die uit hun rugzakken komen. Gabi deelt zijn espresso in kleine plastic kopjes en er gaan zakken chips en pinda's rond. Dan dalen we via dezelfde route weer af, heel voorzichtig, om onze achillespezen te ontzien. Want morgen moet er weer worden gefietst. Nee, niet met de wandelclub.  

   

 
 
 
 

Maandag 19 februari

Het gespannen opvangen van signalen van mogelijke neerslag herken ik van de vroege zondagmorgen met mijn eigen clubje, de Noordbikers uit Noordwijk. Hier in Spanje leggen wij rond zeven uur - mijn rentenierende vrienden in de ene, en ik in de andere slaapkamer - op dezelfde manier onze oren te luister. Is dat het ruisen van de palm voor ons raam? Of een bui? In Spanje is de regel nog nadrukkelijker dan bij ons in Nederland: bij regen wordt er niet gefietst. Na een lange periode van droogte komt hier een laagje blubberfilm op de weg te liggen, die spekglad is als hij nat wordt. Vooral afdalen is dan een levensgevaarlijke onderneming. Deze zondagmorgen is het weliswaar bewolkt maar droog, al staat er wel een stevige wind. Er komen bij het verzamelpunt bar Rincón in Jalón tien fietsers opdagen: drie Nederlanders, twee Engelsen en vijf Spanjaarden. Onze route wordt voor een deel bepaald door het carnaval, dat afgelopen nacht in alle hevigheid is losgebarsten. We kunnen niet over Pego, waar nog teveel dronken volk over straat loopt. Maar ook onderweg is het niet helemaal veilig. Bij Orba heeft een verklede feestganger zijn auto in een flauwe bocht van een helling met een flinke snelheid tegen een betonpaal geparkeerd. Goed dat wij niet van de andere kant kwamen. Onze fietsclub splitst zich na een kilometer of tien: drie Spanjaarden en mijn rentenierende vriendin vinden dat er teveel wind staat en snijden een stuk af. De twee Spanjaarden die zich wel bij ons (twee Hollanders en twee Engelsen) aansluiten, volgen dat voorbeeld een kwartiertje later. Maar ik voel me in mijn element: een redelijk vlakke route en een stevige bries. In Nederland weet ik op de racefiets niet beter. Als buitenlanders nemen we wel de Spaanse gewoonte van de almuerzo over: in La Xara duiken we rond een uur of tien een bar in voor brood en wijn. Net als in de kerk, zegt Gareth, één van de Engelsen. Bijna weer terug in Jalón halen we de rest van de fietsclub weer in, die zich - na een kortere route en een valpartij die een van de Spanjaarden uitschakelde - heeft getrakteerd op een uitgebreider maal met brood, wijn en vis. En ook daar is in religieus opzicht op de zondagmorgen natuurlijk niks mis mee. 

 
 
 
 

Dinsdag 20 februari

Een fietsroute van een kilometertje of 130 hadden we in gedachten, maar in de ochtenduren - echt waar - goot het van de regen. Vandaar dat we besloten tot een regeldagje. Wijn halen bij de coöperatie in het dorp (vijf liter wit en vijf liter rosé voor 8,50 euro; de benzine - 97 eurocent per liter - is duurder) en in Altea de kentekenplaten met toebehoren oppikken voor een geïmporteerde auto, verzekering afsluiten, dat werk. Op weg naar de kust trok het al een beetje open en kwamen we de ene na de andere wielrenner tegen. En in Altea zelf werd het compleet zonnig, waardoor we na gedane zaken de boulevard maar opzochten voor een biertje met tapas en daarna nog een menuutje - flesje wit erbij - op een mooi terras. In emails naar het verre vaderland doen onze rentenierende vrienden er altijd heel tobberig over, maar dit schijnt het normale verloop van 'regeldagjes' voor pensionado's te zijn. Je loopt naar binnen bij een zogenaamde 'gestor' (in de regel een Nederlander met een administratiekantoor die de weg weet in de ondoorzichtige Spaanse regelgeving), zegt wat je wilt hebben, bedankt er vriendelijk voor en binnen een paar minuten sta je weer buiten. De rekening volgt later. Alleen het frauderen met hun AOW-uitkering doen ze op eigen kracht, mag je hopen. Toen zelfs op de boulevard van Altea de wielrenners rond ons tafeltje begonnen te cirkelen, moesten wij er 's middags ook aan geloven. Een rondje door de vallei van een kilometer of vijftig. Meer zat er na de tapas, de paëlla, het bier en de witte wijn niet in. Maar dit was tenslotte een regeldagje.

 
 
 
 

Woensdag 21 februari

Vijf internetsites raadpleegt mijn rentenierende vriend elke dag om te bekijken welk weer het wordt, maar voor vandaag zitten ze er allemaal naast. Er is ons een dijk van een depressie beloofd, met bewolking en regen, op basis waarvan wij rond een uur of twee hebben gereserveerd in een mooi restaurant, Casa Cantó in Benissa. Je moet toch wat. Maar we staan op met een schraal zonnetje en het is droog, waardoor er op deze laatste dag van het trainingskamp toch kan worden gefietst. We rijden langs de kust naar Javea, beklimmen de Montgo, een puist van een berg waarvan de weg gelukkig de makkelijkste route volgt. Daarna gaat het richting Denia, waar we in de grootste fietsenwinkel uit de wijde omtrek kijken of het nieuwste wielrenshirt van Team Discovery al te koop is. Vanaf 2 maart pas, señor. Onderweg komen we wel twee echte profs van Discovery tegen, in het nieuwe shirt. Zij rijden bij Orba naar beneden, waar wij omhoog klimmen, dus of het nu Basso of Popovitsj is die ons passeerde, zullen we nooit weten. En puf om ze in te halen, hadden we ook niet meer. Onderweg stoppen we voor fotoshoots bij sinaasappelstalletjes en vissersbootjes. De thermometer op onze fietscomputer is inmiddels opgeklommen van 10 tot 23 graden. Bijna 100 kilometer hebben we op de teller staan als we rond half twee weer bij het huis in Jalón aankomen. Onze zwetende lijven moeten worden gedoucht voor Casa Cantó, maar nadat we eerder in de week verstoken waren van stroom, hebben we nu geen water. De deo-spuit doet wonderen. Tussen de middag zijn we hier gewend aan wielrenmenuutjes van een euro of acht, maar het is verbazingwekkend wat ze voor 26,50 euro met het menu Casa Cantó voor je op tafel zetten. Kom er maar eens om, in ons eigen mooie vaderland. En de aankleding en het uitzicht zijn ook nog top. We rijden met de zon op de voorruit terug naar Vall del Pop, in de hoop nog twee uurtjes op het terras de voorbije dagen te overpeinzen. Maar omringd door de bergen is het bij het huis bewolkt en nevelig. Logisch, niet minder dan vijf internetsites hadden ons dat voor vandaag voorspeld.

 
 
 
 

Donderdag 22 februari

Of hij zijn vader nog een beetje miste, wilde mijn vrouw van mijn zoon weten. 'Jazeker', zei hij, 'maar het leven gaat door. Dus eigenlijk merk ik er niet zoveel van.' Als man weet je dan dat het tijd is om terug te keren naar huis en je positie in het gezin weer in te nemen. Ruim 400 kilometer hebben we gefietst, de afgelopen week, en een aantal duizenden hoogtemeters zijn er overbrugd. Dat hadden er meer kunnen zijn, maar voor zo vroeg in het seizoen is het helemaal niet gek. Ik wilde in deze trainingsweek 6,5 kilo afvallen, maar het positieve nieuws is dat ik met al het goede van het Spaanse land niet ben aangekomen. Ik heb even kunnen ruiken aan de naderende lente en mijn eerste verbrande neus van dit jaar opgelopen. En weer een paar dagen kunnen optrekken met mijn rentenierende fietsmaat en de leden van de Club Ciclista Xaló. Wat kan een week die een eeuwigheid lijkt, zo snel voorbij vliegen. In een druilerige motregen vertrok ik gistermorgen vanaf Valencia, zodat de overgang naar de regen op Schiphol niet eens zo groot was. Een paar uur later stond ik achter de tap van de basketbalvereniging voor mijn maandelijkse bardienst en sinds vanmorgen zit ik weer achter mijn bureau op de redactie. En dat is dan wel een cultuurschok, vergeleken met het relaxte, gastvrije Spaanse leventje bij mijn vrienden in Jalón, die na mijn vertrek onmiddellijk weer terugzakten in hun levensritme van jongbejaarden (inclusief middagdutje). Maar het leven gaat door, aldus mijn kleine huisfilosoof. En als het nog een kleine twee maanden doorgaat, mag ik alweer terug naar Spanje.