Twitter: @dickvanderplas

 
 

 

Elders in het gezin

Het weblog van mijn wederhelft.

 
 

 

Wonen in Spanje

Het weblog van onze rentenierende vrienden in Jalón, Costa Blanca.

 
 

 

Alles over La Marmotte 2011

Klik hier

 
 

 

HTWV

Alles over de HTWV-jubileumweek 2010 vind je hier.

 
 

 

Ierland 2010

Alles over onze zomervakantie in het land van drizzle, Guinness en kabouters overzichtelijk op een rijtje op deze pagina.

 
 
 

 

Dossier Dolomieten

 

Alles over de Dolomieten Marathon 2010 staat hier.

 
 
 

Wielerclubs en sites

 

Afdeling Wielersport

IJsclub Voorwaarts Katwijk

Noordbikers

 

HTWV

(Hijgend Trekken Wij Voort)

Club Ciclista Xaló

 

 
Alles over La Marmotte 2009
Klik hier
 
 

 

Trainingskamp Spanje 2009

Klik hier

 

 

 

 

Stukjes tikken is mijn vak, maar fietsen doe ik voor de lol. De meeste kilometers draai ik in de Duin- en Bollenstreek, maar enkele keren per jaar ben ik op trainingskamp bij mijn rentenierende vriend in Jalón, Costa Blanca, of elders in Europa aan het trappen. Op deze site  verslagen van trainingsritjes, officiële toertochten en vakantietrips. Want stukjes tikken over fietsen doe ik ook voor de lol.

 
 
 

 

Pretvaderen is het centrale thema van een column die ik wekelijks schrijf voor de dagbladen van HDCmedia (Noordhollands Dagblad, Haarlems Dagblad, IJmuider Courant, Leidsch Dagblad en Gooi en Eemlander). Maak op deze site, behalve met wielrennen, ook kennis met een prettige kijk op het vaderschap.

 

Naam: Dick van der Plas Leeftijd: 50

Woonplaats: Katwijk

 
 
 
 
 
 

 
 
 
 
 
 
 
 
 

Programma 2011

 

Maart:

12 maart Witte Kruis Classic, Den Haag

19 maart Joop Zoetemelk Classic, Leiden

 

April:

2 april Rabo Bergtoer, Ochten

23 april Ronde van Noord-Holland, Oostzaan

26 -30 april

Trainingskamp Spanje

 

Mei:

1 mei Elfdorpentocht, Stompwijk

15 mei Abdijentocht La Trappe

29 mei Jean Nelissen Classic, Vianden (Luxemburg)

 

Juni:

4 juni Waalse Pijl, Spa

(Belgie)

 

Juni/Juli:

26 juni-2 juli Marmotteweek, Bourg d’Oisans

(Frankrijk)

 

Augustus:

Vakantie

 (Cornwall en Wales)

20 aug Mergerllandroute

 

September:

Fietsweekend

Vlaanderen (HTWV)

 

Oktober:

Herfstmountainbiken

in Leersum

 

November:

Rabo Beach Challenge,

Scheveningen

 
 
 

 
 
 
 

 

     
 

 

 

 

Cornwall & Wales 2011

Een zomervakantie

Woensdag 20 juli 2011

Elke vakantie begint voor ons met voor de deur kamperen. Het schoonmaken en inrichten van de caravan duurt drie dagen. Het uitladen - over ruim drie weken - niet langer dan drie kwartier. Handgeklokte tijd. Mijn eega is chef Inpakken van alles wat zich binnen de wanden van onze caravan bevindt, van kleding tot mondvoorraad. Zelf ben ik van alles waar een stekker aan zit én van wat er allemaal in de luiken aan de buitenkant van de sleurhut is gestouwd, van de gasflessen tot de satellietschotel. Voor mij begint het ultieme kampeergevoel altijd met het opnieuw activeren van de satellietdecoder, al was het alleen maar om straks aan de overkant van de Noordzee - de reis gaat naar Cornwall en Wales - nog twee dagen Tour de France, Tour du Jour en Avondetappe mee te pakken.

 
 
 
 

Zondag 24 juli 2011, Looe (GB)

Aan de gemiddelde Roma- of Petalo-familie hoef je niet uit te leggen dat een caravan een ultiem gevoel van vrijheid symboliseert. Daar houd ik me dan maar aan vast, in verbale confrontaties met de rest van de wereld die een sleurhut als het toppunt van burgerlijkheid beschouwt. Aangezien ik sinds mijn vroegste jeugd - onder invloed van de boeken van K. Norel - het onbestemde verlangen koester om stuurman op de Grote Vaart te worden, vind ik de combinatie van caravan rijden en boten de ultieme vorm van op reis gaan. Binnen het uur ben je van Katwijk in Hoek van Holland, waar aan boord van de Stena Hollandica het zeegat lonkt met alle van romantiek gespeende geneugten als wifi op het hele schip, een tv-wall met onder meer de Tour de France en nog een stuk of acht zenders, en om de zoveel meter een bar met Murphy's Stout van de tap. Maar dan nog zijn er momenten dat ik me daarvan losruk om op een winderig dek naar de bootjes te kijken, met aan het roer van die jongetjes die wel hun vroegste droom hebben waargemaakt.

Bij het gevoel van vrijheid dat het reizen met een caravan bij mij oproept - ook mooi: onderweg parkeren op truckerplaatsen met internationale chauffeurs - hoort dat we een vakantie niet tot in detail plannen. Het reisdoel is min of meer bekend - Cornwall en Wales - en verder zien we wel. Na een eerste overnachting op onze vaste doorgangscamping in Harwich (onder), staan we inmiddels - 600 kilometer verderop - in Looe. Veel verder dan de camping (helemaal boven) zijn we vandaag nog niet gekomen. Morgen mag ik mijn wandelschoenen aantrekken en via een steil kustpad afdalen naar zo'n kleurrijk haventje uit de reisgidsen, begeleid door het welgemeende gekreun van mijn nazaten: 'Nee hè, niet wéér bootjes kijken.' 

 
 
 
 

Maandag 25 juli 2011, Looe (GB)

Dat is het voordeel van Alzheimer Light: ook dingen die je al gezien hebt, bekijk je steeds weer met nieuwe ogen. Twaalf jaar geleden was ik ook al eens in Looe, een levendig - zuurpruimen zouden zeggen: toeristisch - vissersplaatsje aan de oostelijke kant van Cornwall. Maar een van de weinige dingen die ik me ervan herinner is dat er een aan één oog blinde zeehond in de haven rondzwom die Nelson heette en zijn dagen sleet met vis bietsen bij de afslag. Ook de pepermuntjes die mijn moeder hem destijds voerde, aanvaardde hij in dank

Aangezien ook zeezoogdieren niet het eeuwige leven hebben, ging ik er geen moment vanuit dat ik het dier in levende lijve terug zou zien. Daarin werd ik niet teleurgesteld. Nelson bleek al in 2003 te zijn overleden, maar houdt zelfs na zijn verscheiden een oogje op de aanvoer in de visafslag van Looe. In brons gegoten, weliswaar, met achter zijn staart een plaquette waarin een beknopte levensbeschrijving en stervensdatum is gebeiteld. Alleen de doodsoorzaak staat er niet bij, maar dat zal ongetwijfeld een vet hart of een overdosis pepermunt zijn geweest. Gelukkig is het volk, dat zo met zijn gestorven, eenogige zeehonden omgaat.

 

 

 
 
 
 

Dinsdag 26 juli 2011, Polperro (Cornwall, GB)

Wie zich het programma Sterrenslag met Joop Zoetemelk herinnert, weet dat wielrenners een vrij eenzijdige conditie hebben. Het is geen probleem om negen uur de pedalen rond te malen, maar een half uurtje hollen behoort al gauw tot de onmogelijkheden. De oude generatie renners liep zo min mogelijk: zodra ze van het zadel kwamen, gingen ze languit op de bank of op het ledikant (Joop: 'De Tour wordt in bed gewonnen'). Meewarige blikken waren dan ook mijn deel toen ik mijn fietsmaatjes moest vertellen dat mijn racefiets bij deze vakantie thuis in het schuurtje achterbleef. Ik moet drie weken wandelen. 

 

Niet wandelen op een strak gelegd voetpad of met houtsnippers bestrooid bosweggetje. Wie naar Cornwall gaat, verplaatst zich bij voorkeur via het Coastal Foothpad, een stelsel van uitgesleten en met keien bestrooide sporen die op het golven van de kustlijn omhoog en omlaag gaan. Na twee dagen vakantie heb ik meer spierpijn dan na het voltooien van La Marmotte, een fietstocht van 174 kilometer over vier Alpencols van de buitencategorie. En dan ook nog eens op plekken waarvan ik niet wist dat ik er spieren had, zoals achter mijn scheenbenen.

 

 

 

Wat mij hier letterlijk op de been houdt, zijn niet alleen mijn geliefde bootjes en idyllische havenplaatsjes - zoals vandaag Polperro - die aan het eind van elke strompeltocht op mij wachten. Het is ook de gedachte dat de recente successen van met name Noren en Australiërs in de Tour de France hebben aangetoond dat ook succesvolle wielrenners zich meer en meer ontwikkelen tot allround sporters, die niet allen trappen, maar ook lopen, skiën en langlaufen, of in het krachthonk aan hun conditie werken. Dat is wat mij drijft tijdens weer zo'n martelgang in de brandende zon - ja, het is hier on-Engels warm - met een zware rugzak vol proviand en truien, want 'in Cornwall kun je nooit weten'. Ik loop, ik sjouw en ik zweet om een betere fietser te worden.

 

 
 
 
 

Woensdag 27 juli 2011, Fowey (Cornwall, GB)

De schipper en het bootsmeisje van de Polruan Ferry hebben wat met elkaar. In de kleine stuurhut kunnen ze tijdens de overtocht naar Fowey niet van elkaar afblijven. Niet dat ze opzichtig staan te zoenen, nee, de liefde is nog in de fase van subtiliteiten. Zij geeft hem een duwtje. Hij trekt speels aan heur haar. Dan leunen ze even een momentje tegen elkaar aan. Halverwege het brede water mag zij een stukje sturen. Hij houdt zijn ene hand op de handle waarmee het motorvermogen wordt geregeld. Met zijn andere leidt hij haar hand op het roer.

 

Voordat we getuigen zijn van deze ontluikende romance, hebben we er onze dagelijkse tippel voor de helft opzitten. We moeten dezelfde weg ook weer terug, al is dat niet bepaald een straf. Dit deel van Zuid-Engeland heeft een subtropisch klimaat, wat ik altijd toeschreef aan het feit dat het hier 's winters nauwelijks vriest. Maar het kan 's zomers ook echt subtropisch warm zijn. We worden wakker onder een staalblauwe lucht, sjouwen langs de kust in de brandende zon en liggen 's avonds voor Jaffa in onze ligstoelen totdat de koperen ploert achter de bomen van de camping verdwijnt. Het lijkt wel vakantie. De vijf kilometer over het kustpad naar Polruan is een van de mooiste stukjes Coastal Foothpad van Cornwall: schitterende vergezichten, mediterrane strandjes en overal de vissersbootjes die mijn vader - zelf oud-visserman - boze geesten noemde omdat ze in het donker op volle zee zomaar voor hun eigen kotter konden opduiken.

 

 

 

Het bootsmeisje laveert wat schokkerig tussen de zeilscheepjes en roeivletjes door waarmee de baai tussen Polruan en Fowey ligt bezaaid. Dan draait ze als een wilde aan het kleine roer om de bocht naar het haventje te maken, waar ze ons met een flinke klap tegen de kade opvaart. De motor brult als hij in zijn achteruit wordt gegooid. De schipper lacht, geeft het bootsmeisje nog een speelse duw en trekt aan haar staart. Vanavond vraagt hij haar mee uit. Zeker weten.

 

 
 
 
 

Donderdag 28 juli 2011, Rose, Perranporth (Cornwall, GB)

Als er hier een instituut als De Rijdende Rechter bestaat, hoeft dat zich niet bezig te houden met zoiets onnozels als het recht van overpad. Want dat is in het Verenigd Koninkrijk tot in het absurde geregeld. Ons eerste verkenningsrondje vanaf de nieuwe camping in Rose, gemeente Perranporth, aan de westelijke surfkust van Cornwall, voert door een uitgestrekt militair terrein waar wordt geoefend met landmijnen en met scherp wordt geschoten. Maar door dat soort futiliteiten laat het smalle kustpad zich niet onderbreken. Wie geen meter van de singletrack wijkt, zorgvuldig van (wit en rood gemarkeerde) paal tot paal loopt en alle waarschuwingen voor explosies en kogelregens die om de paar honderd meter op de borden staan ter harte neemt, kan gewoon doorlopen. Desnoods tot de dood erop volgt.   

 

Net als over het vers geploegde land van een boer, die honderden met kleine plantjes ingezaaide voren over zijn perceel heeft getrokken, om - precies in het midden - een strook vrij te houden voor iedereen die zo nodig met wandelschoenen over zijn eigendom moet akkeren. En datzelfde lot ondergaan niet alleen keuterboertjes maar ook aristocraten, beheerders van golfterreinen en andere grondbezitters die in Nederland de bordjes 'Verboden toegang' per gros bestellen om het gepeupel van hun bezit te weren. En wie zich daar niet aan houdt, krijgt met De Rijdende Rechter te maken.

 
 
 
 

Vrijdag 29 juli 2011, Newquay (Cornwall, GB)

Geen kustplaats zo ordinair en troosteloos, of er is wel een haventje dat het geheel naar een hoger plan tilt. Beschimpt en verguisd ben ik binnen mijn gezin voor mijn drang naar de kade, voor mijn innerlijke GPS die in elk gehucht feilloos de visafslag vindt, voor de duizenden foto's van (citaatje:) wéér diezelfde bootjes. Vandaag, in Newquay, is het al niet anders. In marstempo ga ik door de winkelstraatjes met surfkleding, tattooshops en fish and chips-kotten. Een vluchtige blik slechts werp ik op de goudgele stranden die plankridders vanuit heel Europa naar deze westkust van Cornwall lokken.

Want als man met een missie, heb ik maar één doel: het haventje. Vrijwel altijd de enige plek waar een door toeristen vergeven kuststadje authentiek is gebleven.

Toch ben ik vandaag niet degene die de grenzen van onze parkeertijd opzoekt om langs de bolders en viskisten te sjouwen en mijn geheugenkaartje vol te schieten. Voor het eerst deze vakantie is de rest van het gezelschap niet van de kades af te slaan en moet ik zowaar met mijn ellebogen werken om een beetje ruimte te creëren voor een vrij cameraschootsveld. De reden? Drie hongerige bedelzeehonden die zich verdringen rond elk binnenkomend bootje waarop iemand de moeite neemt om een makreel buiten boord te hangen. Het gekir en gekwezel ('O, wat lief, o wat schattig') over zoveel aaibare aandoenlijkheid is niet van de lucht. Als dat de komende week in elk havenplaatje zo gaat, zou dit wel eens het einde van mijn fascinatie voor havenwezen kunnen betekenen. Ik kom hier voor het stoere vissersleven, voor bedelende zeehonden ga ik wel naar het Dolfinarium. Laat dit nobele zeezoogdier niet verworden tot de meeuw van de Zuid-Engelse kust!

 

 
 
 
 

Zaterdag 30 juli 2011, St. Agnes (Cornwall, GB)

Het is hemelsbreed maar een paar kilometer van de bedelzeehondenkijkers in het haventje van Newquay naar de dolfijnenspotters langs de kust van St. Agnes. Ze staan op een uitstekende rots, honderd meter boven het water van de oceaan, en hebben zojuist een school van zo'n tien witsnuiten voorbij zien tuimelen. Of we ook even willen kijken?

Een dolfijn op doorreis wacht op niemand en met de telelens van een fotocamera zijn ze inmiddels al niet meer waar te nemen. Maar met de professionele kijkers van de lokalo's zien we in de verte de bollende ruggen nog door het water schieten. De spotters wachten hier niet alleen op dolfijnen, maar zien ook geregeld groepen walvissen aan zich voorbij trekken. Echte walvissen hè, niet van die bultruggen die op commando voor een haring naast een bootje omhoog springen.

Na het schreeuwerige Newquay is St. Agnes in meerdere opzichten een verademing. Een typisch Cornish dorpje met steile straatjes en knusse winkeltjes, waar de bibliotheek nog geopend is door een 'local author' als John le Carré, die hier een huis heeft. Voor ons is St. Agnes het begin- en eindpunt van een wandeling van ruim tien kilometer over heuvels en kliffen, waarvoor we eerst bij de plaatselijke bakker proviand inslaan. We hebben ons deze vakantie een beetje van de fish and chips afgekeerd en proberen in elk dorp de plaatselijke pasties uit: een klont deegwaren met de meest uiteenlopende vullingen - van kip tot lam - maar altijd met genoeg uien om elke vorm van campingconstipatie tegen te gaan. 

Zelfs voor een wielrenner is wandelen hier geen straf. Het uitzicht is elke paar kilometer compleet anders: van heidepaars en bremgeel kleurende hellingen tot de verspreid in het landschap staande restanten van oude tinmijnen. Het smalle pad voert dit keer dan wel niet langs loodrechte, steile wanden, maar iemand met hoogtevrees moet bij elke bocht toch op zijn hoede zijn, zeker nadat mijn zwager mij heeft verzekerd dat - wanneer je hier struikelt - je zonder enig houvast honderd meter naar beneden rolt, om ergens tussen de kusthaaien in het water te eindigen

.

Talrijker en beter zichtbaar dan de dolfijnen zijn hier de surfers die zich, bij kalm weer, vooral tevreden stellen met langdurig dobberen, in afwachting van de enkele breker die ze in staat stelt een paar tellen op hun plank te staan. Zo eindigen we onze wandeling op een strandje van The National Trust zoals we hem een paar uur eerder zijn begonnen: als spotters van tuimelaars.  

 
 
 
 

Zondag 31 juli 2011, Bedruthan (Cornwall, GB)

Hoe voelt hoogtevrees? Alsof iemand probeert om je aan je ingewanden de peilloze afgrond in te trekken. Vrijwel elke wandeling die we hier in Cornwall maken belooft 'spectacular cliffs and dramatic sea stacks', waarbij ik het voortdurende gevecht voer met de onzichtbare hand die zich in mijn buikwand boort. Ik voel het niet alleen als ik zelf aan de rand van zo'n honderd meter hoge kustwand sta, als mijn dierbaren zich te dicht naar het luchtledige begeven heb ik het minstens zo erg. Voor mijn gemoedsrust is het dan ook goed dat de nazaten vandaag verkiezen in de caravan te blijven Xboxen, als wij in behoorlijk Engels weer - het miezert soms - de volgende waarschuwing op de wandelroute in de wind slaan: Coast path very close to unguarded cliff edges. Take care in windy weather and with children and dogs.

 

 

De angst van de acrofoob is vrij irreëel. Ik heb voor mijn ogen nog nooit iemand naar beneden zien storten. Maar wie de nieuwsuitzendingen in de zomermaanden een beetje volgt, weet dat er elk jaar tientallen landgenoten om het leven komen omdat ze zo nodig over het randje van een spectaculaire waterval of een diepe kloof wilden kijken, om nog maar te zwijgen van hen die dit gevaar moedwillig opzoeken door aan een slecht gezekerd touwtje of met de blote handen aan een rotswand te hangen. Acrofobie zie ik zelf dan ook niet als een aandoening, maar als een uitvloeisel van gezond verstand. En weet, dat ik dit slechts heel even opzij heb gezet om de volgende opname (met telelens) te maken:

 

 

 
 
 
 

Maandag 1 augustus 2011, St. Ives (Cornwall, GB)

Bederf nooit een goede herinnering met de werkelijkheid. Toen wij achttien jaar geleden in het voorseizoen St. Ives bezochten, was het een rustig kuststadje van kunstenaars en vissers. En ergens had ik ook niet de illusie dat ik die sfeer van toen, in het hoogseizoen en bijna twee decennia later, weer terug zou vinden. Zeker, de artiesten en ambachtslieden waren er nog. Maar de files naar de parkeerplaatsen, de opstoppingen in de nauwe straatjes en de pizza- en fish & chipscultuur hakten er toch harder in dan ik had gedacht. Ik wist in elk geval niet hoe snel ik het drooggevallen haventje moest inlopen om nog iets van mijn oude St. Ives-gevoel op te snuiven.

 

En van een afstandje hè, dan kun je ook de rauwe werkelijkheid behoorlijk wegfilteren: Als je een beetje wegloopt van het toeristengewoel, lijken de huisjes, het piertje en de bootjes nog gewoon op de aquarellen die hier aan het begin van de jaren negentig - toen ik onze dochter van nu 1.86 meter nog in een draagzak op mijn rug had en onze zoon nog niet geboren was - voor de tientallen galeries werden geschilderd.

 

Is er, behalve het haventje, dan helemaal niks meer authentieks aan St. Ives? Jazeker, het verstilde kerkhof aan de andere kant van het centrum, waar zelfs de doden zicht op zee hebben. En de achterafstraatjes, waar de tijd ook lijkt te hebben stilgestaan en onze toenmalige fish & chipsleverancier nu ook de jongste generatie Van der Plas tot zijn clientèle mag rekenen. Maar dan snel weer terug naar de zompigheid van het drooggevallen haventje, waar ik me met mijn schoenen laat vastzuigen in mooie herinneringen en het licht - zelfs met zware bewolking - van elke foto een schilderijtje maakt.

 

 
 
 
 

Dinsdag 2 augustus 2011, Port Isaac (Cornwall, GB)

Anderhalve week Cornwall hebben mij van een fietser in een loper veranderd. De spierpijn is weg, ik krijg geen kramp meer van stijgen of dalen en draai mijn bergschoenen niet meer om voor wandelingen van tien tot vijftien kilometer met bepakking door ruw terrein. Maar wat heb ik daaraan, als ik op 20 augustus de Mergellandroute in Zuid-Limburg moet rijden?

Port Isaac is dit keer het begin- en eindpunt van een wandeling over The Rollercoaster Path. Elk jaar op 3 oktober - bij de viering van Leidens Ontzet - word ik door collega's gedwongen om plaats te nemen in de engste attractie van de kermis, in de regel iets wat vier keer over de kop gaat, zes haakse bochten maakt en uiteindelijk tegen een betonnen muur tot stilstand komt. Gezellig, zo'n traditie. Dit wandelpad van Port Isaac naar Port Quin golft inderdaad als een achtbaan over de steile kliffen die de zee van het land scheiden, maar ons wandeltempo ligt zo traag dat mijn maag niet één keer omdraait. Zelfs het feit dat iemand het houten hek dat met ons meeloopt consequent aan de - voor mij - verkeerde kant van het pad heeft geplaatst, deert de acrofoob in mij niet.

Het keerpunt van deze achtbaan ligt bij Port Quinn, niet meer dan een handjevol huizen, een slipway en een rotsachtig haventje dat alleen nog dienst lijkt te doen voor het uitvaren van kano's. Om een fietser te motiveren op het laatste deel van de koers nog even aan te zetten, laat je hem volgens de reclame achter een hengel met een plak ontbijtkoek aan trappen. Voor mij als wandelaar volstaat de belofte van vissersbootjes om ook de laatste vier kilometer - over een relatief makkelijke route door het veld - stevig terug te stappen naar Port Isaac.

Degene die zich in ons gezin als eerste ten prooi ziet vallen aan dementie, heeft voorlopig nog het beste geheugen. 'Port Isaac? Daar hebben we achttien jaar geleden de twee schilderijen boven onze eettafel gekocht. En dat is waar je vader een krabsnack at, waar hij de rest van de dag misselijk van was. Weet je dat dan niet meer?' Nee eerlijk, het zegt me helemaal niks. Pas als ik op de slipway van het haventje sta, bekruipt me - heel vaag - iets van een déjà vu. Een haventje en een paar bootjes, meer heb ik niet nodig om alles na een rollercoaster weer op zijn plek te laten vallen.

 
 
 
 

Woensdag 3 augustus 2011, 17.00 uur St. Michael's Mount

Tussen 'Kom op, we gaan' en daadwerkelijk vertrekken, kan bij vrouwen een stief kwartiertje zitten. Er moeten afscheidsrituelen worden afgewerkt, half afgemaakte anekdotes tot een eind gebracht of - zoals vandaag het geval was - na de 'cream tea' in het restaurant van The National Trust nog een toilet te worden gefrequenteerd. Behalve wat ergernis bij het mannelijk deel van het gezelschap brengt dit doorgaans geen verstrekkende problemen met zich mee. Behalve als je op St. Michael's Mount - de Engelse tegenhanger van Le Mont Saint Michel - zit

.

 

De berg van Sint Michael - voorheen een klooster, nu een goed geconserveerd kasteel - ligt op een eiland dat bereikbaar is via een voetpad dat bij eb droogvalt.

 

 

Om niet de schande van de terugtocht per boot te hoeven meemaken, is het zaak de getijdentabel te bestuderen voordat de oversteek naar St. Michaels Mount wordt gemaakt. Achttien jaar geleden - ja, daar ga ik weer - werden we hier al eens overvallen door de plotseling opkomende vloed en kreeg mijn vader bijna een paniekaanval toen ik - met mijn eenjarige dochter op mijn rug - de gang naar het vasteland door het water maakte. Dus zeg niet dat we niet gewaarschuwd zijn. Bovendien staat er een informatiebord bij de toegangsweg naar het eiland, dat vandaag vermeldde: laag water 14.10 uur, hoog water 20.20 uur. Ergens halverwege die tijdspanne ligt dus het omslagpunt, zeg rond een uur of vijf. Nog net op tijd, dus, als we na thee met scones, jam en clotted cream om 16.45 uur de terugtocht aanvaarden. 'Kom, we gaan.' Juist op dat moment klinkt er een sirene. 'Het kasteel gaat zeker dicht', veronderstelt mijn vrouw, en vertrekt naar het toilet.

 

 

En in het kwartier dat ook mijn zus en zwager de latrine bezoeken, er ongetwijfeld nog wat wordt rondgekeuteld bij de souvenirshop en mijn nazaten en ik onze ziel in lijdzaamheid bezitten, verandert het toegangspad binnen een paar minuten van droog plaveisel in een langzaam vollopende binnenzee.

 

 

Mijn bergschoenen zijn van goretex en in principe waterdicht. Maar als ze van bovenaf vollopen, zijn ook deze Meindl's veroordeeld tot een vernederend verblijf in het tot droogkamer ingerichte toilet van onze caravan. En dat allemaal omdat er tussen 'Kom we gaan' en het uiteindelijke gaan, een stief kwartiertje zat.

 

 

Woensdag 3 augustus 2011, 14.30 uur, Mousehole

Weinig bootjes vandaag, hoor ik de vaste bezoekers van dit weblog mopperen. Nou, dat is te zeggen... Voordat we al watertrappelend van St. Michael's Mount kwamen, wurmden we ons een paar kilometer verderop bijna letterlijk met de auto door de nauwe straatjes van het havenplaatsje Mousehole.

Om de naam van dit stadje te verklaren, laten we de camera een kwartslag zwenken naar de havenhoofden en horen we schippers uit lang vervolgen tijden verzuchten: 'Wat!? Moeten we door dat gaatje naar binnen?'

Als deze varensgezellen destijds ook maar iets grover in de mond waren geweest, had Mousehole dus gewoon Schijtgaatje geheten.

 
 
 
 

Donderdag 4 augustus 2011, Padstow (Cornwall, GB)

In het hoe en waarom zal ik me na de vakantie wel eens verdiepen, maar het havenstadje Padstow is in de greep van BBC-sterrenkok Rick Stein. Zozeer zelfs dat boze tongen inmiddels spreken van Padstein. Allerlei zaken heeft de gerenommeerde kok, publicist en tv-persoonlijkheid er inmiddels, variërend van een prestigieuze Michelin-tent tot een café, maar ook snuisterijwinkeltjes en een patisserie dragen zijn naam op de gevel. Rick Stein beheerst het levendige straatbeeld in Padstow.

Onze nazaten zijn toe aan een dagje rust in de caravan, wat het voor ons financieel een stuk aantrekkelijker maakt om ons over te geven aan de kookkunsten van Rick Stein. Voor zijn sterrenrestaurant hadden we weliswaar maanden geleden moeten reserveren, maar aan de havenkant heeft het culinaire wonderkind nog een eetgelegenheid waar je - met een beetje geduld - gewoon zonder wachtlijst terecht kunt.

Een wachtrij is er uiteraard wel. Twéé wachtrijen zelfs: eentje om te bestellen ('Order here') en eentje om af te halen, enige tijd nadat je hebt betaald. Om binnen te kunnen zitten moet je ook weer in de rij staan, maar de meeste klanten in dit etablissement van de sterrenkok kunnen dit niet opbrengen. Die eten gewoon buiten, op het geïmproviseerde terras, en wij sluiten ons na een klein half uurtje met onze maaltijd bij hen aan.

Als het niks is, dan schrijf ik hem op mijn website helemaal kapot, had ik mijn mede-eters vooraf beloofd. Maar eerlijk is eerlijk, Rick Stein's fish and chips zijn de lekkerste die ik ooit in Engeland heb gegeten. Op het oog niks bijzonders, al doet het blaadje groen en het schijfje citroen een beetje prestigieus aan. Trendy bakje ook wel, helaas al snel te vettig om voor bewaarexemplaar in aanmerking te komen. Maar de in een smakelijke korst verpakte vis is van uitstekende kwaliteit, net als de olie waarin hij is gebakken, en de patat is zo lekker dat ik er niet eens aan denk om de tube mayonaise die ik voor dit soort gelegenheden standaard bij me heb, uit mijn rugzak te halen. Mede op aandringen van mijn fietsmaat Graham Shepley - die mij inmiddels per mail voor deze kwalijke mayogewoonte heeft berispt - eet ik deze goddelijke fish and chips zoals Rick Stein en al die andere Britten het bedoeld hebben: met salt en vinegar. Afgezet tegen de concurrentie is een bedrag van 8 euro per portie weliswaar aan de forse kant, maar dan nog heb je een sterrenmaaltijd voor een snackbarprijs.

 
 
 
 

Vrijdag 5 augustus 2011, Porthcurno (Cornwall, GB)

In het bijzonder waar het cultuuruitingen met de grote C betreft - klassieke muziek, ballet, toneel, opera - zou je mij een cultuurbarbaar kunnen noemen. Dat ik inmiddels wel op de verzendlijst van de nieuwsbrief van de opera van Verona sta en binnen afzienbare tijd ook gerekend mag worden tot de vrienden van The Minack Theatre in Portcurno, heeft alles te maken met tijd, locatie en omstandigheden. In de vakantieperiode ben ik milder ten opzichte van aansporingen om iets aan cultuur met een grote C te doen, en al helemaal als ik overtuigd word door een bijzondere plek of gelegenheid.

The Minack Theatre op de kliffen van Porthcurno wordt wel het mooiste openluchttheater in de wereld genoemd. Dat heeft alles te maken met het adembenemende decor voor dit in Griekse stijl uitgehouwen schouwtoneel. Met de opera van Verona heeft The Minack Theater gemeen dat een voorstelling een echt volksgebeuren is: de entreeprijzen zijn betrekkelijk laag (de duurste plekken zijn hier 9,50 pond), waardoor hele families op de tribunes plaatsnemen. Naar het theater of de opera in de openlucht is bovendien een mooie gelegenheid voor een picknick. In dat opzicht hebben de vrouwen in ons gezelschap zich uitstekend aangepast aan de volksaard, met schalen vol wraps, pastasalades, een fles wijn en genoeg snacks om ook de nazaten een middag koest te houden: Al voor de spelers het strijdtoneel betreden, kan de voorstelling voor mij al niet meer stuk.

Eerder deze week moesten we al een keer onverrichterzake terugkeren omdat er geen kaartjes meer te krijgen waren, maar voor de vrijdagmatinee lukt het nog wel. We missen de sfeer door het invallen van de duisternis, maar mogen ons koesteren in een warm zonnetje. Het hele jaar door wordt The Minack Theatre aangedaan door fameuze gezelschappen. Vandaag voert de Shattered Windscreen theatre company voor ons Cyrano de Bergerac op van Edmond Rostand, vertaald en bewerkt door Anthony Burgess, schrijver van onder andere A Clockwork Orange. Aan hen lag het dus zeker niet, dat ik tijdens het tweeënhalf durende spektakel in deze wonderbaarlijk mooie ambiance al gauw de draad van het verhaal kwijtraakte. Maar de gozer met die lange neus ging dood aan het eind, zoveel heeft deze cultuurbarbaar er nog wel van begrepen.

 

 
 
 
 

Zaterdag 6 augustus 2011, St. Anthony Head (Cornwall, GB)

Ons verblijf op camping Treamble Valley voor nog een derde keer verlengen zou een beetje gênant zijn, dus vertrekken we morgen richting Wales. Maar dat is eigenlijk de enige reden, want ik zou er op deze plek moeiteloos nog eens tien dagen aan kunnen vastknopen. Onze mede-kampeerders komen naar deze plek bij Perranporth voor de surfstranden, wij omdat je er binnen een uur zo'n beetje heel Cornwall van noord naar zuid en van oost naar west bestrijkt. Vandaag rijden we 40 kilometer naar St. Anthony Head, het uiterste puntje van een schiereiland tegenover Falmouth en St. Mawes voor onze afscheidswandeling.

Alles wat Cornwall zo aantrekkelijk maakt in een ommetje van nog geen tien kilometer. Daar hoeft verder geen tekst meer bij.

 
 
 
 

Maandag 8 augustus 2011, Cardiff (Wales)

Ongetwijfeld vond ze het de afgelopen twee weken ook onbegrijpelijk wat ik in al die havenplaatsjes en bootjes in Cornwall zag, dus sjokte ik vandaag zonder commentaar achter mijn dochter aan langs voor haar memorabele plekken in Cardiff. Meer in het bijzonder: Cardiff Bay. Dit trendy uitgaansgebied van de hoofdstad van Wales is de thuisbasis van twee van haar favoriete televisieprogramma's: Doctor Who en het daaruit voortgekomen Torchwood.

De opnamen voor deze laatste science fictionserie zijn inmiddels voor een deel naar Amerika verplaatst en dat valt niet goed bij de die-hardfans, getuige de klaagmuur die in het hart van Cardiff Bay is opgericht. 'Onder de hartekreet We want Torchwood Cardiff hangt de muur vooral vol met even dramatische als hilarische oproepen om één van de weggeschreven sterspelers, Ianto Jones, in de serie te laten terugkeren. Maar dat is alles wat ik erover meld, want mijn dochter vindt elke regel die ik eraan besteed een verregaande inmenging in haar privéleven.

Om de verschillende interesses binnen ons reisgezelschap niet ook de rest van de dag te laten  botsen, splitsen we ons op. Nou ja, opsplitsen... Ik ga in mijn eentje cultuur snuiven, de anderen gaan - ik kan het ook niet mooier maken - winkelen. Ik begin bij twee monumenten die vrijwel naadloos in elkaar overvloeien - zeker als je ze vanuit een bepaalde hoek fotografeert - het eeuwenoude Cardiff Castle en het gloednieuwe Millennium Stadium, tot de oplevering van het nieuwe Wembley met 90.000 plaatsen het grootste stadion van het Verenigd Koninkrijk.

Dan van de hypermoderne bibliotheek naar, ook in één shot te vangen - een van de oudste horecagelegenheden:The Duke of Wellington. En zo gaan in Cardiff op allerlei plekken oud en nieuw harmonieus hand in hand.

Ja, zelfs bij het winkelen, want op mijn zwerftocht door het compacte centrum loop ik onvermijdelijk ook de cultuurbarbaren weer tegen het lijf. Niet in de sfeervolle, karakteristieke markthal van Cardiff, natuurlijk, maar in de moderne winkelstraten en bijna megalomane shoppingmalls waarmee het stadshart is volgeplempt. Want - en dat zal niet voor niks zijn - bijna negentig procent van het complete winkelaanbod in de hoofdstad van Wales is overdekt.

 
 
 
 

Dinsdag 9 augustus 2011, Crickhowell (Wales)

Na de overdekte winkelcentra en science fictiondecors van Cardiff gaan we vandaag terug naar de natuur. In het achterland van Zuid-Wales liggen twee uitgestrekte nationale parken die in elkaar overlopen en ook nog eens gezegend zijn met sinistere namen als de Brecon Beacons en The Black Mountains. Zelfs onze oudste nazaat is er - om haar moverende redenen - enthousiast over: er schijnt ook hier wel eens een aflevering van Torchwood te zijn opgenomen. 

Via Abergavenny rijden we naar Crickhowell, een stadje met meer outdoorwinkels dan kledingzaken en dat is altijd een goed teken. Bij de lokale tourist information beveelt een ouwe taaie ons een rondje Table Mountain aan: een op een blauw A4'tje uitgeschreven wandeling waarvoor ik tot voor kort een zekere huivering voelde. Ik hou niet van - ook nog eens in technisch Engels geformuleerde - aanwijzingen als: ga linksaf bij een kromgegroeide boom, steek bij de zesde platte steen een beek over en volg dan de bosrand totdat je bij een middelgrote mierenhoop rechtsaf slaat. Een man met legerervaring vertrouwt liever op zijn intuïtie en zijn gps, ook bij een tocht die - zoals bij deze Tafelbergtrip - ruwweg alleen omhoog en omlaag voert.

Maar het moet gezegd - nou ja, misschien is het beter om het niet te zeggen, maar ik doe het toch - dat we deze vakantie nog niet één keer zijn verdwaald sinds ik het lezen van de routebeschrijvingen heb uitbesteed aan mijn dochter. Ik sjok er - vandaag zelfs met twee lege batterijen in de Garmin die aan mijn riem hangt - achteraan met de lijdzaamheid van een bejaarde op een geheel verzorgde reis. Tot nog toe heb ik mijn gps vooral gebruikt om een 'marker' te zetten bij de plek waar we onze auto hebben achtergelaten, maar zelfs die voorzorgsmaatregel acht ik inmiddels niet meer nodig. Onderweg in deze door de natuur gebreide lappendeken neem ik uitgebreid de tijd voor de vraag waar nu precies mijn kwaliteiten als outdoorgids liggen. In het delegeren? Of in het kennen van mijn eigen zwakheden?

 
 
 
  Woensdag 10 augustus 2011, Newport (Wales)

Tsja, nu begint eigenlijk een heel ander verhaal....

Waarom eindigt dit weblog abrupt op dinsdag 9 augustus?

- Op woensdag 10 augustus, ergens tussen 8 en 9 uur in de ochtend op de camping in Newport (Wales), scheurde en splitste mijn aorta. En niet zo kinderachtig ook: de scheur liep van de hartklep, via de aortaboog naar een groot deel van de afdalende aorta. Ik lag op bed te lezen in de caravan, mijn vrouw was naar het toiletgebouw en mijn zoontje vond dat ik opeens wel erg rare snurkgeluiden begon te maken. Toen mijn wederhelft terugkwam van de douche, was ik al bewusteloos.

 

Voel je dat niet aankomen, zo'n scheurende aorta?

- Soms wel, in de vorm van hevige pijn op de borst. Maar ik had, waarschijnlijk door mijn legerervaring, nergens last van. Ook in de dagen en weken ervoor niet. Op dinsdag liep ik nog met volle bepakking een berg op in een afgelegen deel van de Brecon Beacons. Als daar de aorta zich had gesplitst, had ik het waarschijnlijk niet kunnen navertellen.

 

Waarom dan nu wel? Een gescheurde aorta pompt toch binnen drie minuten al het bloed uit je lijf?

- Die van mij scheurde relatief gunstig: op een zodanige manier dat er eigenlijk twee pijpen ontstonden, waarbij de één de ander dichtdrukte. Daardoor werd ik niet meteen leeggepompt.

 

Nog meer mazzel?

- Jazeker. Dat ik dus snel door mijn gezin werd gevonden, waardoor er binnen een kwartier een ambulance op de camping stond. En dat in het ziekenhuis van Newport - waar ik eerst werd heengebracht - een goede diagnose werd gesteld en dat ze door hadden dat er maar één plek in de buurt was waar ik kon worden geholpen: het universiteitsziekenhuis van Cardiff, een kilometer of tien verderop. Daar had ik ook nog eens het geluk dat professor Ulrich von Oppell - een Zuid-Afrikaan en een wereldvermaarde hartchirurg - kon worden opgeroepen om mij weer op lappen.

 

Geen eenvoudig klusje, dus?

- Von Oppell is er 12 uur mee bezig geweest. Hij repareerde niet alleen mijn aorta, maar en passant ook nog een meegescheurde hartklep. Mazzel was ook dat ik - door de vele duizenden kilometers die ik had gefietst voor La Marmotte - in topconditie was, en nooit had gerookt. Anders was het alsnog misgegaan. Na de operatie heb ik zes dagen in coma gelegen en daarna nog eens twee dagen bij bewustzijn op de intensive care, voordat ik naar een ziekenzaal mocht. Op donderdag 1 september kreeg ik toestemming om naar huis te vliegen. Mijn vrouw is al die tijd bij me gebleven - ze kon na in totaal bijna 7 weken in de sleurhut geen caravan meer zien - de kinderen vlogen anderhalve week eerder dan ik naar huis, omdat de school van mijn zoon weer begon. Er zijn geregeld vrienden en familieleden overgekomen om mijn echtgenote gezelschap te houden en mij een beetje afwisseling op de bezoekuren te bezorgen. 

 

Weer helemaal beter?

- Nou, wel gerepareerd, maar nog niet meteen het ventje. Het revalideren duurt een aantal maanden en in het Leids Universitair Medisch Centrum wordt de komende tijd ook bekeken hoe het kwam dat ik zo'n extreem dunne aorta had en word ik ook gecontroleerd op eventuele andere zwakke plekken rond hart en bloedvaten. Maar uiteindelijk hoop ik dat ik er beter uit kom dan ik was. Het gaat nu al elke dag een beetje beter: ik hang uren voor de tv, wandel weer (momenteel al een uur), maar krijg na een half uur voor de computer zwarte vlekken voor mijn ogen. Er zijn ook wat operatiewonden die nog niet helemaal zijn geheeld.

 

Wanneer ga je weer aan het werk?

- Zodra ik groen licht krijg van de cardioloog. Maar ik verwacht zelf niet voor november. Wel wil ik in de loop van oktober weer beginnen met mijn wekelijks column. Als ze me bij de krant nog als columnist willen hebben, tenminste..

 

Hoe kan ik nog een beetje op de hoogte blijven van het ziekteverloop?

In elk geval via mijn twitter-account: http://twitter.com/#!/dickvanderplas.

 
     
     
     
     
  Weer naar boven op deze pagina  
     
  Terug naar Dicks Log