De geboorte van een
pretvader
De term ‘pretvader’ werd geboren ergens
rond het middernachtelijk uur, het tijdstip waarop veel bevallingen zich
aankondigen. Aan de wieg stond mijn echtgenote die, gehuld in een walm van
passief meegerookte sigaretten en zelfgenuttigde witte wijn, onze slaapkamer
binnenstormde, genadeloos aan het lichtknopje draaide en in één keer het donzen
pantser van mijn lijf trok. ,,Die andere vaders mogen dan thuis weinig
uitvoeren, jij spant wel de kroon! Maar vanaf nu gaat het hier allemaal
anders.’’
Ik kreunde. Zoals alleen mannen
kunnen kreunen van wie de vrouw net terugkeert van de halfjaarlijkse reünie van
de zwangerschapsgym.
Het gezamenlijk toewerken naar
een bevalling schept bij vrouwen dezelfde band die oud-strijders van een
KNIL-regiment ertoe brengt elkaar tot op hoge leeftijd te blijven ontmoeten. De
pufclub die in 1992 werd geformeerd voordat mijn dochter werd geboren komt nog
steeds met grote regelmaat bij elkaar. En sinds de geboorte van mijn zoon, ruim
vier jaar later, is daar nog een tweede groep reünisten bijgekomen.
Het eerste gezelschap
beschouw ik als betrekkelijk onschuldig. De dames zijn inmiddels aan de
verkeerde kant van de dertig beland en hebben de wijsheid en de rust gekregen
die bij deze leeftijd hoort. Voor het andere gezelschap koester ik een grote
vrees. Mijn echtgenote zit daar als betrekkelijk ouwetje (40) tussen meiden van
begin twintig die met de komst van hun eerste nazaat hun jeugdige idealen nog
niet hebben afgezworen. Het centrale thema van die laatste samenkomst is in de
regel de man-vrouwverhouding in het algemeen en de rol van de man bij de
opvoeding van de kinderen in het bijzonder. De conclusie van deze besprekingen
is steevast dat de echtgenoot niet voldoet aan het beeld van de moderne jonge
vader zoals dat door de geďllustreerde tijdschriften wordt geschetst. En wat aan
het begin van de avond nog een kleine ergernis is, groeit aan het eind van de
avond bij ons in de slaapkamer elke keer uit tot een constitutionele crisis.
,,Sinds we een afwasmachine
hebben, doe jij helemaal niets meer in het huishouden!’’
- ,,Dat is niet waar. Ik rol
op maandagmorgen de vuilnisbak naar de stoeprand. En ik leg elke avond de kleine
op bed.’’
,,Ja, en dan veeg je, op weg
naar zijn bed, met je voet het speelgoed op de grond naar de kant. Dat ik dan de
volgende ochtend kan opruimen.’’
- ,,En op dinsdag- en
donderdagavond, als jij aan het werk bent, maak ik voor de kinderen het eten
klaar.’’
,,Dat ik ’s middags al in de
pannen kant en klaar heb gezet, zodat je het alleen maar hoeft op te warmen.’’
- ,,En op zaterdagochtend pas
ik toch ook op, als jij naar de bieb bent?’’
,,Dat is de enige ochtend dat
ze ’s morgens al om half acht voor Kindernet zitten, terwijl jij nog op je nest
ligt.’’
- ,,En ik ga met ze fietsen,
naar de dierentuin, naar basketbal, naar...’’
,,Dat doe je allemaal, ja. Je
bent een Pretvader.’’

In vrijwel alle columns
wordt de hoofdrol gespeeld door mijn hierboven al geďntroduceerde vrouw Irene,
onze dochter Maaike (1992) onze zoon Steven (1996). Ik wil hen alledrie bedanken
als inspiratiebronnen tegen wil en dank en speciaal voor Irene mijn bewondering
uitspreken voor het moedig en geduldig dragen van de rol van lijdend voorwerp.
Zij was voor alle columns mijn eerste lezer en de keren dat ze voor bepaalde
passages als censor optrad, kan ik op de vingers van één hand tellen. Voordat ze
werden gebundeld kon ‘mijn’ eindredacteur bij het LD Job de Kruiff het opbrengen
ze alle 52 nog eens na te lezen op vertikkingen en taalfouten.
Hoewel (of misschien wel:
Juist omdat) mijn columns zijn geschreven vanuit de visie van de man, krijg ik
de meeste reacties van vrouwen. En naar verluidt is het ook de vrouw van
uitgever Chris de Graaf geweest die hem heeft aangespoord om ze te bundelen. Ook
haar wil ik bedanken, mede namens al degenen die de stukjes de afgelopen jaren
aan de vluchtigheid van het medium krant ontrukten, door ze te sparen in
schoenendozen, in plakboeken en (dat vind ik zelf de eervolste plek) op
prikborden in het toilet.
Dick van der Plas, april
2001
|