Columns

2009

 

Actuele columns staan hier.  
     
     
     
  31 december 2009 (Oud en Nieuw-column)  
 

 

Goede voornemens

 

Waarom zou je je beste wensen opsparen voor het begin van 2010? Het hele jaar door stroomt mijn mailbak over van hartelijkheid en goede raad. ,,Ik hoef uw column natuurlijk niet te lezen, maar af en toe waag ik mij er toch even aan. Ik heb sterk de indruk dat u een ongelofelijke burgerlijke blaaskaak bent en dat uw genegenheid voor uw zoon trekken heeft van een soort complex. Dat u uw gezin niet anders kunt vermaken dan met elektronische speeltjes. U laat zien dat u inderdaad bij het gepeupel hoort wat op de camping niet buiten zijn mobiel kan, niet zonder tv, niet zonder laptop. U geeft uw kinderen zo een geweldig voorbeeld. Later als u oud bent, niet klagen dat ze niet in u geïnteresseerd zijn!''

 

Tien kilo afvallen, leven voor de sport, een eerzaam huisvader zijn en af en toe spontaan tegen mijn eega zeggen hoeveel ik van haar houd. Jazeker, het staat ook dit keer weer allemaal op mijn lijst met Goede Voornemens. Maar op de grens van oud en nieuw mag ik voor mijn verbeterpuntjes en leermomentjes graag te rade gaan bij mijn lezerspubliek.

 

,,Ik lees momenteel het boek 'Waarom doet mijn puber zo vreemd?' van Barbara Strauch. Misschien ook wat voor jou?''

 

,,We weten allemaal nu zo langzamerhand wel wat jouw hobby is. Schrijf ook eens een stukkie waarin het woord 'fiets' niet voorkomt.''

 

,,Als mensen de wijsheden in uw column van vandaag in de praktijk willen brengen, komen ze van de regen in de drup. Teken met alcohol behandelen is echt verkeerd. Ze kunnen als reactie gaan 'braken', waardoor de kans op een eventuele besmetting juist groter wordt. Niet doen dus.''

 

,,Ik hoop dat de beschrijving van de houding van uw dochter naar uw zoon enigszins overdreven is, want anders zou ik er toch over denken eens serieus een gesprek met haar aan te gaan en me af te vragen wat haar knelpunten zijn.''

 

,,Helaas was ik vanmorgen erg teleurgesteld over uw column en wel om de volgende zinsnede: 'ging het raam van mijn Gereformeerde Bonds-buurman open enzovoort'. Waarom is dat nodig? Het heeft alleen als gevolg dat er altijd maar weer geschimpt wordt op gelovigen. Ik zal niet ontkennen dat uw buurman 'zalvend sprak', maar is het nodig dat dit na zoveel jaar nog vermeld wordt? Jammer dat u zich tot dit soort uitspraken laat verleiden.''

 

,,Ik denk dat het de taak is van ouders om hun kinderen zelfstandig te maken, en soms wordt daar wel wat laat mee begonnen.''

 

,,Over vaatwasleed gesproken. Wat ik trouwens als laadondeskundige (want vrouw) niet begrijp is wáárom deze apparaten zó ingewikkeld in elkaar zitten, met van die aller-achterlijkste rekjes waarin geen kopje handig wil blijven staan, laat staan een wijnglas op poot. Daar kan maar één verklaring voor zijn: dit soort apparaten wordt ontwikkeld door mannen!''

 

,,Wat mij als kampeerder stoort is dat hele families met (in jullie geval) drie caravans met drie families met aanhang een eigen 'stuk grond' innemen. Als campingeigenaar zou ik hetzelfde gereageerd hebben. Laat deze families mijn camping voorbijgaan en hun geluk elders zoeken.''

 

,,Meestal lees ik uw column met genoegen, maar nu ben ik helemaal ontdaan en ben tot het besef gekomen dat u totaal niet weet waarover u spreekt.''

 

Dus wil ik mijn lijstje Goede Voornemens voor 2010 graag uitbreiden door plechtig te beloven niet meer over fietsen, het verwijderen van teken, opvoeding in het algemeen, de Gereformeerde Bond, het deskundig inladen van vaatwassers en de combinatie van kamperen en elektronica te schrijven.

 

En wil ik ten slotte nog wijzen op wetenschappelijk onderzoek waaruit blijkt dat het gemiddelde Goede Voornemen niet langer dan zes dagen meegaat.

 

Tot over een week, derhalve.

 
     
     
     
     
  31 december 2009  
 

 

Jongerenpakket

 

Het zijn moeilijke tijden voor de aspirant-vuurwerkkoper. Elke ochtend als mijn eega de krant openslaat en wordt geconfronteerd met weer een afgerukte hand of een paar ogen waaruit het licht voor eeuwig is geweken, ontsteekt ze in woede over het Jongerenpakket dat mijn zoon en ik bij Fireworks Unlimited hebben besteld. De eisen die aan hem - en dus impliciet ook aan mij - bij het afsteken worden gesteld, worden met het uur absurder. Het eindigt er waarschijnlijk mee dat we op oudejaarsavond helemaal niet meer naar buiten mogen en ons knalwerk enkele dagen na Nieuwjaar door de Explosieven Opruimingsdienst ergens op een afgelegen weiland gecontroleerd tot ontploffing wordt gebracht.

 

Het heeft dertien jaar geduurd maar eindelijk heb ik een zoon die vuurwerk wil kopen. De afgelopen jaren liep hij al wat omzichtig mee met het explosieve spul van zijn neven, maar de aandrang om zelf kanonslagen, aftershocks, grondbloemen en flying bees aan te schaffen, was er niet. Het was voor mij een voortdurende bron van zorg, te vergelijken met de periode in zijn leven dat hij geen mayonaise lustte of liever een toetje at dan een groot stuk, bij voorkeur rood, vlees. Je wilt als vader toch het allerbeste voor je kind.

 

Tot er begin deze maand - vast afgesproken werk - opeens acht folders vol vuurwerk tegelijkertijd op onze deurmat vielen. Het lijkt wel of elk tuincentrum en tankstation zich dezer dagen volledig richt op het streven om de lucht op oudejaarsavond vol met kruitdampen te blazen. Een glorieuze afsluiting van een mislukte Klimaattop. Als twee ontbrandende sterretjes, zo glinsterden de ogen van mijn zoon, en de rest van de avond bestudeerde hij minutieus de pakketaanbiedingen, zich niks aantrekkend van het belerende commentaar en de prijslimieten die zijn moeder vanachter haar laptop naar hem riep. Vuurwerk kopen is een mannending. Daar komen mijn zoon en ik wel uit.

 

Niettemin namen we, voor deze eerste keer, genoegen met het Jongerenpakket, een bonte verzameling van knal- en sierspul dat ons - wat zeg ik: de hele straat - een glorieus begin van 2010 moet bezorgen. Totdat, in de aanloop naar dit heerlijk avondje, het ochtendblad bij elk ontbijt een paar afgerukte ledematen op het bordje van mijn eega begon te deponeren. Het per internet bestelde en afgerekende vuurwerk kon niet meer worden geannuleerd, dat kon ik haar nog wel duidelijk maken. Dit is een branche van vrije jongens, daar valt niet mee te spotten. Maar ze kon wel verbieden dat er op oudejaar al bij daglicht wordt geknald (eigenlijk het leukste van pakjes aftershocks en strijkers, gewoon met een groepje vrienden door het dorp slenteren en af en toe wat om je heen gooien of een verkeersbord opblazen) en mochten wij na middernacht het huis alleen verlaten met aansteeklonten van een meter of vijf, veiligheidsbrillen en scherfvrije pakken. Bij elke calamiteit in de aanloop naar 31 december werden de eisen verder aangescherpt.

 

Gelukkig was daar Het Parool, dat dinsdagmiddag wat tegengas gaf door het interviewen van een aantal deskundigen, zoals daar zijn:

 

Plastisch chirurg Irene Matthijssen: Per jaar komen bij ons gemiddeld vierhonderd gevallen van spoedeisend handletsel. Als er daarvan tien of twintig door vuurwerk worden veroorzaakt, is het veel. Wat dat betreft zouden we veel meer gebaat zijn bij een verbod op klussen met cirkelzagen en dergelijke gevaarlijke apparatuur thuis.

 

Peter Vogel van B&B Feestartikelen: Als mensen nadenken bij het afsteken van goedgekeurd vuurwerk, is het risico miniem. Handen eraf en zo gebeurt allemaal met het illegale spul. Dát wordt steeds gevaarlijker. En:

 

Medisch manager Jos Vloemans van het Brandwondencentrum in Beverwijk: Het aantal opnames door vuurwerk is hier niet zo groot. Rond oud en nieuw zien we veel meer brandwonden ontstaan door frituurvet, bij het gourmetten of het vullen van fonduestelletjes.

 

Het Jongerenpakket is gistermiddag tussen 15 en 16 uur opgehaald in een bomvrije ruimte op een afgezet industrieterrein van ons dorp.

 

Doet u vanavond wel een beetje voorzichtig met gourmetten, alstublieft?

 

Een ongeluk zit in een klein hoekje.

 
     
     
     
     
  24 december 2009  
 
 
   

 

Het goede doel

 

Bij de volgende verbouwing zet ik een draaideur op m'n verlanglijstje. Tot die tijd worden we aan de ontbijttafel vergast op een venijnige sneeuwvlaag, elke keer als onze zoon gestrest van zijn fiets bij het schuurtje naar onze woonkeuken rent voor alles wat hij deze morgen op weg naar school nog is vergeten. Zijn handschoenen. Het werkboek voor aardrijkskunde. Zijn buitengymschoenen (want je weet maar nooit, deze winter, wat die sportleraar in zijn hoofd haalt). En, o ja, hijgt hij, bij wat wij hopen dat zijn laatste oprisping is: 'Hebben jullie nog iets voor de voedselbank?'

 

Het is de maand van de goede-doelenacties. Geen school die de kerstvakantie laat beginnen zonder in het lesrooster tijd in te ruimen voor de nooddruftigen op deze aardkloot. Leerzaam en vormend, zo'n lichtpuntje tijdens de donkerste dagen van het jaar, dat moet de achterliggende gedachte zijn. Maar jaar in, jaar uit reageren onze nazaten op elke 'Maak de wereld een beetje beter'-campagne als op de vrouw met de collectebus voor wie ze onverhoopt onze voordeur hebben geopend: 'Pap, het is voor jou!'

 

Onze dochter wordt in december een aantal uren vrijgesteld om betaalde werkzaamheden te verrichten voor hen die het minder hebben dan wij. En dat zijn er nogal wat. Edoch, elke keer weer weet ze ons een dag van te voren te verrassen met de vraag 'Of wij misschien nog wat voor haar te doen hebben?' Ja, ik weet het, dom van ons. Dat wij daar zelf niet tijdig rekening mee houden.

 

Als de vertegenwoordiger van de harde educatieve lijn in ons gezin - vaste lezers van deze informatieve rubriek vertel ik daarmee geen nieuws - heb ik altijd wel een breed scala van zinnige maatschappelijke activiteiten paraat:

 

- een bijdrage leveren aan het ruimen van gezonde, drachtige geiten in onze woonomgeving;

- gladheidbestrijding in het algemeen, of;

- het uit hun isolement halen van ingesneeuwde senioren zonder abonnement op tafeltje dekje in het bijzonder.

 

Maar in de regel komt het er op neer dat mijn eega een futiel huishoudelijk werkje bedenkt, waarvoor wij het exorbitante bedrag van 20 euro neertellen. Dit jaar was dat het 'meehelpen aan het optuigen van de kerstboom', een bezigheid waarvan ze - na het knopen van twee rode strikjes om een laaghangende tak - meteen schoon genoeg had. Op het verantwoordingsformulier omschreef zij dit als 'het leveren van een bijdrage aan interieurprojecten'.

 

Al jaren sta ik op het punt een motie bij de ouderraad van haar onderwijsinstelling in te dienen om het schoolgeld jaarlijks met een substantieel bedrag te verhogen, om verder niet meer lastig te worden gevallen met incidentele bijdragen aan welke vorm van goede doelen-actie dan ook. Nee, dan hebben ze het bij de basketbalvereniging van onze zoon beter begrepen. Voor ouders van leden die te beroerd zijn om met loten langs de deur te gaan, is het mogelijk de inkomsten van de jaarlijkse Grote Clubactie direct bij het begin van het seizoen af te kopen.

 

Wel zo handig.

 

De Voedselbank daarentegen zit niet in dat handzame goede-doelenpakket. Om de gang naar school niet nog meer vertraging te laten oplopen, gris ik - het is bij ons ook het einde van de week - een pak erwtensoep en een blik zalm van de plank, bindt deze aanzet tot een rijk kerstmaal onder zijn snelbinders, geef hem een zodanig duwtje in de goede richting dat hij het niet in zijn hoofd haalt om andermaal op zijn schreden terug te keren, en zet mij wederom aan het restant van mijn ontbijt.

 

's Middags staat hij weer met hetzelfde tasje bij ons in de voorraadkast om de erwtensoep en de zalm weer op hun plek te zetten.

 

Viel het niet in de smaak?

 

Dat niet, zegt hij zonder een spoor van schaamte.

 

Het was vorige week.

 
     
     
     
     
  17 december 2009  
 
 
 

 

 

Duurzaamheid

 

Zelf zag ik het me nog niet doen op mijn wekelijkse rondje door de supermarkt: elk potje controleren op de aanwezigheid van foute palmolie. Maar volgens 'Kassa' zat er niks anders op om de kap van het oerwoud op Borneo te voorkomen. Bril omhoog - anders krijg ik het tegenwoordig niet meer scherp - in het gangpad starend naar die veel te kleine lettertjes op de wikkels. Weet je waar die verrekte olie allemaal in zit? De oplossing zat naast Felix Meurders. De 'Directeur Duurzaamheid' van Unilever - een treurig kijkende man met een snor - die beloofde dat zijn bedrijf binnen een paar jaar, eerder gaat echt niet, alle foute leveranciers in de ban doet. Kijk, dat schiet op, dacht ik.

 

Als de man die 's avonds de lichten uit doet, zou ik mezelf ook wel mogen omschrijven als de 'Directeur Duurzaamheid' in mijn eigen gezin. Op mijn rondje door een ingeslapen doorzonwoning, stuit ik in vrijwel elke kamer op het schijnsel van de standby-knoppen van televisies, het gezoem van de harde schijven van computers, flikkerende lampjes van modems of - het toppunt van energieverspilling - de ventilator in de slaapkamer van onze dochter die zomer en winter elke nacht doorblaast omdat de tijdschakelaar het heeft begeven. Weghalen en verstoppen - echt, we hebben het geprobeerd - leidt tot hoogoplopende conflicten. Zonder het geluid valt ze niet in slaap. En de keren dat ik ergens een computer voor de nacht afsluit, blijk ik het downloadproces van oude afleveringen van 'Law & Order', de nieuwste games of obscure cd's te hebben verstoord.

 

Als 'Directeur Duurzaamheid' doe ik wat ik kan. Ik lever oud papier, lege flessen, uitgeputte batterijen en afgedankte elektronica apart in. Maar bij de oplossing van wereldwijde milieu- en klimaatvraagstukken val ik maar al te vaak aan twijfel ten prooi.

 

Waarom zou ik mijn 1 op 8 slurpende SUV aan de kant doen als de deelnemers aan de klimaattop in Kopenhagen goed zijn voor de uitstoot van 46.200 ton CO2 omdat ze allemaal met het vliegtuig komen?

Waarom maakt Toyota geen Prius die mijn caravan kan trekken?

Ik heb grote bewondering voor de eenling die in dit aardse bestaan uitsluitend kiest voor biologische groenten, zijn eigen energie opwekt met een uitwerpselenvergistingsinstallatie of zich als vrijwilliger inzet voor een oudedagsvoorziening voor legbatterijkippen. Maar als ik me zelf buig over een aanmeldingformulier voor groene stroom, blijf ik hangen bij gedachten over de vier kolencentrales die in aanbouw zijn, de Franse kernenergie die in Nederland massaal wordt ingekocht of bij mijn buurman, die geverfd hout in zijn open haard verstookt. Zou hij andere stroom krijgen dan ik, als ik ga voor 'groen'?

 

Ik wil best mijn steentje bijdragen, maar het moet niet te gek worden. Daar komt het eigenlijk wel op neer.

 

Mijn standpunt over klimaatverandering ('milieu kun je veranderen, het klimaat niet') ben ik pas serieus gaan bijstellen toen ik een Kamerlid van de club van Wilders dit bij 'Pauw en Witteman' als het officiële partijstandpunt hoorde neerzetten. Maar in mijn hart zit ik nog steeds een beetje op de lijn van de zonderlinge boer, die dinsdagavond in 'Joris' Showroom' zei: 'Er is één ding zeker aan het weer. Zoals het nu is, blijft het niet'.

 

Sturing wil ik, van de overheid. Net als die twee verstokte Chinese rokers die in een documentaire over de kwalijke praktijken van de tabaksindustrie opmerkten: 'Als roken slecht voor de gezondheid zou zijn, had de regering het wel verboden'. Na de gloeilamp moeten we doorpakken. Tot de 'Directeuren Duurzaamheid' van grote multinationals die elke week mijn supermarktkarretje vullen, zou ik willen zeggen: Geef mij eerlijke palmolie. De groenste stroom. Een schone auto die mijn caravan kan trekken.

 

Laat mij niet aanmodderen. Want op eigen kracht blijf ik toch de vegetariër die voor het schap met de foute varkenslapjes denkt: Nou, vooruit maar, ze zijn toch al dood.

 
     
     
     
     
  10 december 2009  
 
 
 

 

 

Zelfredzaamheid

 

Op het paadje van de schuur naar de keukendeur loop ik in het pikkedonker tegen de fiets van mijn dochter aan. Dwars over het pad, staat het rijwiel, als om te voorkomen dat ik er achteloos aan voorbij kan gaan. En dat blijkt ook de bedoeling. ,,Mijn zadel is kapot'', zegt ze, tussen twee happen roze koek en een op een computerscherm gefixeerde blik door. ,,Je moet er even een ander opzetten.'' Kalm blijven, onder dit soort omstandigheden. Dat heb ik wel geleerd. ,,Natuurlijk. Ik haal er even eentje uit het magazijn.''

 

De gang van de keukendeur naar de schuur maak ik elke morgen al in omgekeerde richting, om het fietsenpark rijklaar te zetten met het neuswiel richting de poort. Dat is ooit zo gegroeid in de periode dat spinnenwebben het smalle paadje overwoekerden en onze dochter zelfs met het mes op de keel niet was te bewegen zich er een weg door te banen. Dan maar niet naar school.

 

Deze ochtendroutine benut ik nu om de rijwielen te controleren op loszittende onderdelen (ze kunnen wekenlang rondrijden met een bagagedrager die nog maar aan één schroefje vast hangt), in de velg vastgedraaide snelbinders ('O, niks van gemerkt') en defecte of ontvreemde verlichting. Sinds ik mijn zoon heb aangeleerd (dat dan nog wel) om zijn lampjes onder schooltijd preventief bij zich te steken, verslijt hij bijna elke twee dagen een setje batterijen omdat het aan de binnenkant van zijn broekzak nooit meer donker wordt. Wellicht dat er in de slotverklaring van de Klimaattop in Kopenhagen iets over deze 'carbon footprint' van de schoolgaande jeugd kan worden opgemerkt.

 

Zelf zijn ze net zo gehecht aan het vervoermiddel waarvan ze compleet afhankelijk zijn voor de rit van en naar school, als een zelfmoordterrorist aan zijn regeling voor een oudedagsvoorziening.

 

Om de zelfredzaamheid bij pech onder weg te bevorderen - en niet meer om de haverklap mijn werk te hoeven verlaten voor een noodoproep - heb ik ze standaard voorzien van een busje 'Tyre Leaks' ('Dicht lekken in fietsbanden en pompt deze op'), dat ik onder schooltijd op de gekste plekken in huis tegenkom, behalve in de rugzak of het fietstasje waarin het zich zou moeten bevinden. En de ene keer dat ik wél telefonisch instructies kon geven om de 'Tyre Leaks' te gebruiken, bleek er door zowel binnen- als buitenband zo'n onvermurwbare draadnagel te steken waarmee ze in de VOC-tijd dwarsbalken aan het onderdek van Oost-Indiëvaarders vastklonken. Daar kon geen 'Tyre Leaks' tegenop.

 

'Wat nu te doen?', wilde mijn dochter vervolgens weten, want zelf schoot haar niks te binnen.

 

Ik legde haar uit dat wij - in onze tijd, net na de uitvinding van het wiel - dan op het achterbankje van een klasgenoot plaatsnamen, de kapotte fiets aan het stuur met ons meeslepend, door regen en wind, ja zelfs ijzel was geen belemmering, om op eigen kracht, want er waren nog geen mobieltjes maar ook anderszins kwam het niet in ons op om onze ouders hiermee lastig te vallen, maar dit terzijde, geheel op eigen kracht het huis te bereiken.

 

'Juist ja', sprak ze, waarna ik tien minuten later werd gebeld met de mededeling dat de fiets halverwege - toen het echt niet meer ging - op slot was gezet bij een winkelcentrum waar ik hem, op weg naar huis, mooi even kon oppikken. (Voor dat doel heb ik - wijs geworden - altijd de reservesleuteltjes van het kroost aan mijn eigen sleutelbos hangen.) Want dat kon ik toch zo goed, met een fiets aan de hand naar huis rijden?

 

Collega's zonder kinderen kunnen mij altijd haarfijn vertellen waar het allemaal is misgegaan. Maar zelf draag ik op dit soort momenten nog graag de verwondering met me mee over de vanzelfsprekendheid waarmee ik met het klimmen der jaren ben verworden van gezaghebbend ouder en opvoeder tot mobiel rijwielhersteller.

 
     
     
     
     
  3 december 2009  
 
 
 

 

 

Verlanglijstje

 

De man-die-alles-al-heeft kluift aan zijn pen en haalt maar weer eens een zucht vanuit zijn tenen. 'Verlanglijstje' staat er ambitieus op het verder nog maagdelijke vel papier voor hem op tafel. Schaar en lijmpot naast zijn rechterelleboog wachten op de dingen die komen gaan. Maar er komt niks. Sinds zijn vrouw sinterklaas heeft bestempeld tot het 'feest van de kleine cadeautjes' is de man-die-alles-al-heeft ten einde raad.

 

Grote cadeauwensen, ja, daar heeft zelfs de man-die-alles-al-heeft er nog wel een paar van in zijn achterzak. De nieuwste iMac van Apple met een lekker groot scherm. Een strandfiets van Imming uit Egmond aan Zee. De Prima Donna van DeLonghi. En, uh, tsja, dan houdt het eigenlijk wel op. De man-die-alles-al-heeft is niet veeleisend. Hij is een matig mens, mag hij zelf graag benadrukken.

 

De man-die-alles-al-heeft maakt het lang niet zo bont als zijn kinderen-die-alles-al-hebben. Eén ervan heeft een Aston Martin Rapide op haar verlanglijstje gezet. Niet voor persoonlijk gewin, overigens. Het is het eerste vierdeursmodel dat de Britse sportwagenfabrikant voor een luttele 250.000 euro op de markt brengt. Een echte gezinswagen, dus we hebben er allemaal wat aan. Maar voor hetzelfde geld is het uit balorigheid geweest. Ook zijn dochter-die-alles-al-heeft was slechts na aanhoudende pressie van haar moeder in staat tot het produceren van een verlanglijstje.

 

Haar broertje-die-alles-al-heeft hield het bescheidener. Een breedbeeldtv waarop hij ook zijn computer kan aansluiten. Maar het argument dat tegelijkertijd tv kijken en computeren dan wat lastiger wordt, maakte aan dit verlangen meteen een eind.

 

De man-die-alles-al-heeft is de eerste om de fout bij zichzelf te zoeken. Zodra hij iets nodig heeft, koopt hij het meteen. Een goed boek. Spulletjes voor zijn racefiets. Computerdingetjes. Bij de grote online winkeliers is de man-die-alles-al-heeft een gewaardeerde, terugkerende klant die met twee klikken van de muis zijn bestellingen afrondt. Nee, aan hem ligt het niet dat de verzenddienst van TNT-post moeilijke tijden doormaakt.

 

De man-die-alles-al-heeft. De naam straalt ook tevredenheid uit. Hij heeft genoeg. Hij hoeft niet meer. Natuurlijk, ook de man-die-alles-al-heeft mag nog wel graag fantaseren over wat hij allemaal niet gaat kopen als hij ooit, ooit, ooit de Staatsloterij wint. Een tweede huis in de Provence. Een boot. Een Rolls Royce Silver Spur convertible die hij permanent op het vliegveld van Nice laat staan. Lekker handig, als hij daar op vrijdagmiddag aankomt om er het weekend door te brengen. Maar misschien is een busje ook wel handig, als zijn fietsvrienden op bezoek komen om de Col de la Madone te beklimmen.

 

De vrouw van de man-die-alles-al-heeft verklaarde onlangs plechtig dat ze van hem gaat scheiden, mocht hij die tientallen miljoenen ooit winnen. Ze is ervan overtuigd dat hij er compleet aan onderdoor gaat. Ze wil de helft, en er dan meteen vandoor. Niet dat ze hem nooit meer hoeft te zien. Zo af en toe nog. Om leuke dingen te doen. Maar verder wil ze er niks mee te maken hebben.

 

De man-die-alles-al-heeft zucht nog maar eens een keer vanwege de complexiteit van het bestaan. En schrijft dan drie dingen op het verlanglijstje voor sinterklaas die hij deze week toch al van plan was te kopen. Het boek 'De lachende derde' van de journalist Peter Middendorp over Jan Peter Balkenende. Een paar nieuwe pantoffels. En een opzetstuur voor zijn mountainbike.

 

Opgelucht levert de man-die-alles-al-heeft het lijstje in bij zijn vrouw, die er een kritische blik op werpt, informeert wat zo'n opzetstuurtje gaat kosten (' van 89 tot 320 euro, dat laat ik geheel aan je beleefdheid over', zegt de man-die-alles-al heeft), waarna ze er resoluut een streep door zet.

Ja ja, hij heeft het begrepen. Sinterklaas is het feest van de kleine cadeautjes.

 

De man-die-alles-al-heeft kan niet wachten totdat die vent weer is opgekrast.

 
     
     
     
     
  26 november 2009  
 
 
   

 

Uitlachen


De plek lijkt niet toevallig gekozen. Moeder en peuter staan –
verlangend, begerig bijna - op het snijvlak van hard en mul zand, waar de mountainbike zich met het voorwiel vastbijt in een kuil, een halve slag in de rondte draait en zijn berijder van zich afwerpt. Groot en klein slaan zich op de knieën van de pret. ’Niet mij uitlachen!’, roep ik huilerig, terwijl ik moeizaam overeind probeer te komen. Eigenlijk wil ik erbij met mijn voeten op de grond stampen, maar mijn schoenen zitten nog vast aan die verrekte pedalen.


Dat ik thuis onderwerp van spot en hoon ben zodra ik mij in mijn kekke
wielerkleding hijs, ben ik inmiddels gewoon. Maar nu bespeur ik ook in
rest van de samenleving een verruwing op dit vlak. Wie zich tegen zijn
vijftigste op zijn ’all terrain bike’ nog buiten de geijkte paden begeeft, kan louter rekenen op meewarige blikken als hij ergens op de
Utrechtse Heuvelrug op zijn rug in de modder ligt. Te onaantrekkelijk voor een jonge vriendin. Te arm voor een Harley Davidson. En wat moet je dan, met een dijk van een midlife crisis?


Door de week is het allemaal nog wel te doen. De mountainbike is pas
van de muur gehaald op het moment dat het te donker werd om ’s avonds
te racefietsen. Onder de bescherming van de duisternis schudden wij,
senioren, de jaren van ons af. Niemand die ons ziet, als we met onze
schijnwerpers over de singletracks van het atb-parcours rossen of,
stiekem, de wandelpaden nemen, altijd beducht voor een overwerkende
koddebeier of duinwachter. Vorige week nog wisten we het zoeklicht van
een pickup-truck van de douane op ons gericht, voordat we –
achterlichtjes uit – ons lieten opslokken door een dennenbosje, het
hart kloppend in de keel, als Dik Troms achtervolgd door veldwachter
Flipse. Als Swiebertjes, met Bromsnor ons op de hielen.


Ook in bewoond gebied mogen we graag van asfalt of klinkers afwijken,
om strookjes groen, niet al te steile trappen of een enkel overwoekerd
voortuintje met onze robuuste banden te bedwingen. Urban bikers, dat
zijn we.


Apenkooi voor bejaarden, meent mijn dochter.


Ja, ik heb het wel afgeleerd om daar bij terugkomst vrouw en kinderen
met rode konen over te vertellen. Ook mijn trofeeën van die avondlijke
avonturen houd ik zorgvuldig verborgen sinds ik – met mijn geschaafde
knieën en blauwe plekken op de heupen – ben vergeleken met tante Els,
die bij leven met haar rollator ook niet meer zo vast ter been was.
En, weet mijn zoon, boven de vijftig (Ik: ’49!’) teken je nou eenmaal snel.


Nachtblind en een beetje angstig ben ik, op die mountainbike. Alleen
psychologen gespecialiseerd in groepsdwang kunnen mijn beweegredenen
doorgronden.


Naast het bos en het duin heb ik sinds kort ook het strand ontdekt. Na
twee oefenritjes was de tijd rijp voor de Rabo Beach Challenge
(Scheveningen-Noordwijk-Scheveningen) waar negenhonderd man en een
enkele vrouw - uit frustratie over de bijna-zomerse omstandigheden van
afgelopen zaterdag - er behagen in schiep om zeker de helft van die 43
kilometer half in het water af te leggen, met vervaarlijke sprongen de
diepe geulen nemend waarmee een brede zwin de weg naar de zee zocht.
Zeker twee van ons groepje eindigden kopje onder in zo’n stroomgat,
waarbij in elk geval één fietsbril (merk Carrera) op zee gebleven is.


Komend weekeinde rijd ik op het mountainbikeparcours in Schoorl. Het
deert me niet, als u onaangedaan over me heen stapt, mocht ik ergens
vlak voor of achter u ter aarde storten. Of wanneer uw hondje zijn
achterpootje naast mijn hoofd optilt. Ik lig tenslotte in zijn
territorium.


Maar, doe me een lol:


Niet mij uitlachen!

 
     
     
     
     
  19 november 2009  
 
 
 

 

 

Digibeet

 

Een bevriend echtpaar schakelt over op het Engels, bij zaken die niet voor kleine kinderoren zijn bestemd. Maar wij - de twee nazaten en ik - kunnen heikele digitale kwesties aan de eettafel gewoon in het Nederlands doornemen, in de wetenschap dat het bevindelijke deel van ons gezin overtuigd digibeet is. ,,Jongens, Call of Duty Modern Warfare 2 is uit voor de Xbox360. Via Torrent te downloaden op Pirate Bay.'' Of: ,,Shit, we zijn met onze modified controller door Microsoft gebanned van Xbox Live.''

 

Het is nog maar een paar maanden geleden, dat de dingen bij ons thuis prettig overzichtelijk waren. Ik zat de hele avond op een fietszadel of achter mijn computer, mijn eega las een belangwekkend boek, onderwijl haar afschuw uitsprekend over de uitwassen van de moderne tijd. Op geen enkele manier zijn we derhalve voorbereid op haar: ,,Call of Duty? Ik lees net op Twitter dat dit spel extreem gewelddadig is.''

 

De voortekenen waren er al wel. Alleen las ik ze verkeerd. Toen ze na de zomervakantie klaagde dat ze nergens in huis een plek had waar ze ongestoord kon werken, had ik met mijn tomeloze internetkoopdrift en - zoals zo vaak - gedreven door eigenbelang, die laptop al voor haar besteld. In de vaste overtuiging dat, zodra dat ding ergens een paar maanden zou liggen te verstoffen, ik weer een speeltje aan mijn uitgebreide collectie kon toevoegen.

 

Dat ik een Paard van Troje in huis had gehaald, bleek toen het ding zich al spoedig hele avonden op haar schoot begon te nestelen. En langzaam de regie over mijn leven begon over te nemen. Als passieve Twitteraar had ik me in de maanden daarvoor nog haar hoon moeten laten wegvallen, over deze moderne vorm van exhibitionisme. Nu dwong ze me opeens haar 'Openbare Bibliotheek' toe te voegen aan mijn bescheiden, doch illustere rijtje twitteraars Nico Dijkshoorn, Barack Obama en Lance Armstrong. Vanaf haar schoot krijg ik nu - drie tot vijf keer per avond - berichten als 'Nieuw in de toptitels: 'Medeplichtig' van Nicci French, http://tinyurl.com/ygoh6qz'.

Vijftig minuten 'De Wereld Draait Door' met drie gasten die een boek achter hun naam hebben staan, levert evenzoveel 'Twitters' op. Steeds weer met een url die verwijst naar de digitale catalogus van de plaatselijke bieb.

 

Goed beschouwd is die bibliotheek de bron van alle kwaad. Het instituut schudt in hoog tempo het stoffige imago van zich af en lijkt zich in moordend tempo voor te bereiden op een tijdvak waarin het ook zonder het gedrukte woord kan overleven. Als hoofd 'frontoffice' loopt mijn eega marketingcursussen af, laat zich bijpraten over de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van presentaties en public relations en marcheert - als bekeerde analoge - bij ons thuis inmiddels voor de digitale troepen uit. Nog voor de vaste internetjunks uit mijn vriendenkring mij erover hebben kunnen berichten, weet mijn vrouw mij al te vertellen dat onze woonplaats te zien is op Google Streetview. En maak ik al gebruik van Google Chrome en Google Wave? Nee zeker? Schijnt helemaal het einde te zijn.

 

Ze zit op Hyves, weet alles van Facebook, Linkedin en andere sociale (inter)netwerken. Nee, niet voor zichzelf. Alles in het belang van de goede zaak, uiteraard. Leesbevordering. Klantenbinding. Het positioneren van de bibliotheek als uw en mijn multimediapartner.

 

Met toenemende verontrusting sla ik dit alles gade, zeker nu ze ook het - voorheen door haar verfoeide - systeem van internetbankieren in combinatie met aan haar mobiele telefoon verstrekte TAN-codes heeft ontdekt. De financiële privacy die ik jarenlang koesterde voor mijn exorbitante hobbyaankopen, dreigt aan alle kanten te worden geschonden nu ook zij kennis neemt van af- en bijschrijvingen van onze gezamenlijke bankrekening.

 

Vooruitgang, moet ik haar binnenkort maar eens voorhouden, is soms ook een stapje terug doen.

 

Wordt het niet tijd dat je weer eens een goed boek gaat lezen?

 
     
     
     
     
  12 november 2009  
 
 
 

 

 

Ierland

De benauwde caravan, waar met behulp van een elektrisch
bijzetkacheltje in het toilet een provisorische 'droogkamer' voor onze schoenen en jassen is gecreëerd, zijn we ontvlucht voor een autoritje door een landschap dat zich hult in een druilerige nevel. Na 'Sesamstraat' en 'Bassie en Adriaan' is dit jaar 'Kinderen voor kinderen' de topper in het vakantierepertoire.


'Mijn vader wil naar Ierland voor de schapen en de vis,
En ik kan me daar weer gaan vervelen,
Want als het daar een keertje niet zo mistig is,
Nou, dan regent het pijpenstelen.'
 

Het deze week door de fans tot absolute favoriet uit 30 jaar
kindermuziekgeschiedenis gekozen 'Op een onbewoond eiland' stond
tekstueel veel te ver van onze nazaten af. Nog in de wieg sleepten we
onze dochter mee op een vakantie naar Cornwall, waar de oceaanwinden
en slagregens op camping Polmanter Farm in St. Ives korte metten
maakten met het doek van onze huurtent. Door de manier waarop ik
manmoedig aan de stokken bleef hangen, sta ik daar nog steeds te boek
als de uitvinder van het kitesurfen.
 

Na diverse gesprekken met medewerkers van de kindertelefoon waren we
bereid tot een concessie: we kochten een caravan. Maar voor onze
zomervakanties bleven we onverminderd naar de Britse eilanden
afreizen, altijd maar weer begeleid door het kinderkoor met de Gooise
'R':
 

'Nee nee nee! Nee papa nee! Ik wil niet naar Ierland op vakantie,'t
Wordt tijd dat ik een land zie, Met strand en zee, Een vakantie met
zon, Zonnegarantie.'
 

Gek genoeg zijn we nog nooit naar Ierland op vakantie geweest. Maar er
was weinig fantasie voor nodig om de tekst van het liedje van
toepassing te verklaren op de omgeving van Loch Duich in Schotland
(waar bij slecht weer de regen en bij mooi weer de midges, gemene
steekvliegjes, ons binnenhielden), de stranden van Noord-Devon (waar
onze nazaten alleen in zee wilden als we een - veel te ruim - wetsuit
voor ze huurden) of de rotshellingen van The Old Man of Coniston en
andere heuvels in het Lake District (waar we met onze wandelschoenen
tot boven de kuit in de van blubber verzadigde grond wegzakten).
 

Bij de keuze van een vakantiebestemming hebben we ons nog nooit wat
gelegen laten liggen aan het standpunt van de kinderen. Zodra ze min
of meer rechtstandig op hun kromme beentjes konden staan, lieten we ze
wandelingen van 15 tot 20 kilometer afleggen, bij voorkeur over
onverhard terrein. Bij terugkeer op weer zo'n Spartaans kampeerterrein
van The Caravan Club - er zijn er met bordjes 'Kinderen verboden,
honden toegestaan' - hingen ze een kwartier aan een scheefgezakt
klimrek, schopten wat tegen een lekke bal en kwamen na deze
alternatieve animatie net voor een volgende bui naar binnen voor een
spelletje scrabble en kop warme chocomelk.
 

Pas de laatste twee jaar waren we bereid tot enige concessies,
voornamelijk omdat het kroost een leeftijd bereikte waarop het ons ook
fysiek kon bedreigen. Met een reisje naar de Tarn (het zuiden van
Frankrijk) en de Zuidelijke Dolomieten (Italië) kozen we eieren voor
ons geld en zagen ze voor het eerst dat je op vakantie ook buiten - in
het zonnetje - kon ontbijten zonder lekgestoken te worden. Of 's
nachts in slaap kon vallen zonder extra fleecedekens en bedsokken.
Voor volgend jaar - waarschijnlijk de laatste keer dat onze oudste
(17) mee gaat - hebben we haar zelfs helemaal de vrije hand gegeven in
de vakantiebestemming. Als een soort 'wiedergutmachung', mag ik wel
zeggen, voor al die jaren van ontberingen.
 

Ze moest er, niet eens zo heel lang, over nadenken en kwam toen met...
 

Ja, ja, ja, we gaan naar Ierland op vakantie!

 
     
     
     
     
  5 november 2009  
 
 
   

 

Slecht nieuws
 

Er is natuurlijk niks mis met alpha- en bètavakken, maar
'slecht-nieuwsgesprekken' zouden toch ook niet misstaan op het lesroosters van de middelbare school. Toch probeert onze zoon (13) er altijd weer het beste van te maken. Hoge cijfers gooit hij ons meteen voor de voeten, slechte resultaten hebben een zekere aanloop nodig. 'Eén van de beteren, was ik nog', schetst hij doorgaans het bredere kader waarin een onvoldoende moet worden geplaatst. Maar aangezien
zijn repertoire van inleidingen niet al te breed is, valt hij in de
regel meteen met donderend geraas door de mand.


Twee maanden is hij nu bezig, in zijn tweede jaar vwo, en het besef
dat hij ten opzichte van de havo/vwo-brugklas een tandje bij moet
zetten, wil aanvankelijk niet tot hem doordringen. Bij de geringste
kritiek op zijn werkhouding - die wij in een milde bui als 'zorgeloos' zouden omschrijven - barst hij los in een pubertirade waarin hij ons -
jongbejaarden, in zijn ogen - onvoldoende inzicht in de materie verwijt. Of waarin wij ons weten afgeschilderd als types die zich handenvol zand in de ogen laten strooien door onze dochter - zijn zus - wiens enige levensdoel het najagen van negens en tienen schijnt te
zijn. Zoon: ,,En voor mij is een zeven ook heel mooi.''
 

Daar is in mijn optiek - ik heb een zwak voor de zorgelozen in deze
samenleving - weinig tegenin te brengen, temeer daar zijn eerste
resultaten zelfs nog riant boven deze 'ruim voldoende' uitkomen. Of
hij zich daarmee bevestigd ziet in zijn werkwijze - en nog iets van
zijn ijver afroomt - is niet duidelijk, maar het feit ligt er dat hij
opeens schroomvallig moet bekennen dat hij bezig is aan een
indrukwekkende reeks 4-en.
 

Hoe dat te doen?
 

Daarvoor gaat hij - heimelijk, want zo slim is hij dan weer wel - te
rade bij de deskundige bij uitstek in ons gezin, iemand die van
communiceren zijn beroep heeft gemaakt.
 

Weet hij veel.
 

In mijn tijd bestond er een goede traditie om onvoldoendes te
verzwijgen. Het klimaat was daarvoor ideaal. Mijn ouders hadden - in
die periode van wederopbouw - wel wat anders aan hun hoofd dan zich te
bekommeren om mijn schoolprestaties en bij veel klasgenoten was dat
niet anders. Als je tegen het moment dat de kwartaalrapporten
uitkwamen de grootste negatieve uitschieters wat had genivelleerd, kon
je - op een onbewaakt moment - beschroomd om een signatuur ('Ik heb
hier als ouder/opvoeder kennis van genomen') verzoeken. Mocht je om
jouw moverende redenen een kwartaaltje willen overslaan, dan was zo'n
handtekening bovendien eenvoudig vervalst.
 

Maar dat is geschiedenis. Aan het begin van het seizoen 2009/2010 zijn
wij via de school in het bezit gekomen van de inlogcodes van een
internetsite waarop alle resultaten van onze jongste nazaat worden
bijgehouden. Niks blijft meer verborgen. Hij heeft - omdat er tussen
het moment van uitdelen en invoeren van de cijfers vaak wat tijd zit -
hooguit een paar dagen om het slechte nieuws te brengen. En die moet
je benutten, adviseer ik hem, als hij mij op een middag uitlegt dat
hij zijn moeder weliswaar in kennis heeft gesteld van de ene vier,
maar de andere nog in zijn achterzak heeft gehouden. Doseren, dat is
van het allergrootste belang, in dit communicatietijdperk. Nooit alle
ellende in één keer op haar bordje gooien.
 

Mijn pappenheimers kennende, houd ik hem ook nog voor dat hij in de
avonduren - in de beslotenheid van zijn slaapkamer - niet opeens
slappe knieën moet krijgen en die tweede vier alsnog gaat opbiechten.
'Want dan weet ze natuurlijk meteen dat je hem eerder hebt verzwegen.
Het beste tijdstip is 17.30 uur, als ze net druk is met het eten, en
het heel logisch lijkt dat je het cijfer die middag pas net op school
hebt gehoord.'
 

Goed idee, bedankt voor de tip.
 

Maar 's avonds blijkt zijn geweten sterker dan mijn wijze raad. Hij
bekent - in onderbroek - niet alleen zijn laatste vier, maar vertrouwt
zijn moeder ook meteen toe dat hij daarmee ingaat tegen de strategie
van de communicatiedeskundige die hij heeft geraadpleegd.
 

Als ze naar beneden is gestampt en mij vertoornd in de blauwe ogen
kijkt, noemt ze dit smalend 'Een typisch Dick van der Plas-advies'.
 

Nee, mijn vrouw heeft geen enkele moeite met slecht-nieuwsgesprekken.

 
     
     
     
     
  29 oktober 2009  
 
 
   

 

Machteloos

Het leven wordt er niet overzichtelijker op. Neem nou de krik, die ik uit een nog nooit geopend luikje in de kofferruimte van mijn auto haal. Het ding - formaat rookpotje met een paar vreemde uitstulpingen - lijkt onmogelijk in staat een voertuig van 2000 kilo ook maar een centimeter van de grond te krijgen. En als ik ook nog bij de eerste zin van de gebruiksaanwijzing de draad kwijtraak - 'Place Jack at proper jacking location' - hak ik, na een paar keer schichtig om me heen te hebben gekeken, de knoop door. Alleen de buurvrouw die met haar bezem de bladeren van de stoep veegt, ziet hoe ik mijn fietspomp op het ventiel van de lekke band van mijn auto aansluit. Vrouwen vinden daar niks vreemds aan.


Voor iemand met twee linkerhanden vormen de kleinste tegenslagen in
het leven onoverkomelijke hinderpalen. Al weken rijd ik rond met een
rechtervoorband die eerst langzaam, maar geleidelijk aan steeds
sneller leegloopt. Eerst duurde het een week na het op spanning brengen (2,4 bar) voordat ik weer langs het gele kastje met 'lucht' van de benzinepomp moest. Toen drie dagen. En afgelopen nacht is mijn auto in één keer helemaal scheef gezakt op een band die met een zielige dikke rimpel onderuit de velg stulpt.


Wat nu te doen?


De krik pakken, auto omhoog brengen, wiel verwisselen. Dat lijkt het
meest voor de hand liggende scenario. Maar sinds mijn eerste
traumatische ervaring met dit klusje, begin ik daar liever niet aan.
Het was in de tijd dat ik werkte als medewerker van een sportredactie
en er elke zondag op uit moest om ergens in de provincie een
voetbalwedstrijd in de kelder van de onderbond te verslaan. Daartoe
verplaatste ik me in een, voor vijfhonderd gulden aangeschafte, rode
eend met gele wieldoppen en meer mankementen dan ik in de bijna
zevenhonderd woorden van dit stukje kwijt kan. Maar op een kwade
zondagochtend kwam daar ook een lekke band bij. In het bevindelijke
deel van ons oude dorp zette ik de wagen op de krik - om tijd te
winnen laat ik alle moeizame voorbereidingen maar even achterwege -
pompte het wagentje omhoog, haalde het gemankeerde wiel eraf en
herinner - de me pas dat ook mijn handrem al maanden kapot was toen
het eendje met een klap van de krik gleed en op de velg terechtkwam.
Terwijl ik moeizaam mijn linkerbeen onder het chassis vandaan trok,
ging het raam van mijn Gereformeerde Bonds-buurman open en klonk zijn,
op de dag des Heren altijd wat slepende, klaaglijke stem: ' Van der
Plas, weet je wel dat het zondag is?'


Op praktijkavonden van de Bond tegen het Vloeken wordt mijn reactie
nog wel eens als afschrikwekkend voorbeeld aangehaald.


(De kapotte handrem van de eend bracht mij - maar dit terzijde - ook
nog een keer in problemen bij een alcoholcontrole. Opgelucht dat ik
dit keer geen druppel had gedronken zette ik het blaaspijpje tegen de
lippen, bolde mijn wangen, kneep mijn ogen toe en blies zo hard dat
mijn autootje twee meter vooruit rolde en met het achterwiel tot
stilstand kwam tegen de gepoetste schoenen van meneer agent. De
blaastest was negatief, maar ik kreeg een bekeuring van 45 gulden voor
de kapotte handrem.)


Zelf sta ik er ook van versteld hoe snel ik met mijn fietspomp bijna
anderhalve bar in de tractorbanden van mijn Suv krijg, waarmee ik -
heel voorzichtig op de verkeersdrempels - naar de dichtstbijzijnde
vestiging van de Kwik-Fit rijd. Er is een mevrouw voor me die een
lampje van haar remlicht wil laten vervangen. Ook een heel gedoe,
tegenwoordig, maar een fluitje van een cent voor de receptionist, die
met een grote schroevendraaier - 'Gaat u maar even aan de kant,
mevrouwtje' - het rode plastic kapje van haar verlichtingsstrip te
lijf gaat. De ene schroef gaat er gemakkelijk uit, bij de andere
draait hij - met een steeds roder aanlopend hoofd - de blaren op zijn
handpalm.


'Sorry mevrouw, die moet worden uitgeboord, dat doen we hier liever niet.'
Daarna ontmoeten onze blikken elkaar.


Even zijn we één in onze machteloosheid, de Kwik-Fitreceptionist en ik.

 
     
     
     
     
  22 oktober 2009  
 
 
 

 

 

Uitsmijter

Eerdere staaltjes van ontluikende zelfstandigheid heb ik tijdens
vakanties van dichtbij mogen meemaken. Dan ging - met het lawaai van twee galmende kerkklokken, want zo klinkt dat, midden in de nacht in een caravan op een doodstille camping - het sms-signaal van de mobiele telefoon van één van mijn zussen af. Het hele gezin met hartkloppingen stijf overeind voor wat uiteindelijk een prangende vraag van een voor het eerst thuisgebleven neef bleek te zijn: 'Waar ligt de eiersnijder?'


De herfstvakantie is het ultieme moment voor een oefening in
zelfstandigheid. De jongen die al een paar maanden aarzelend op de
rand van het ouderlijke nest zitten, hebben maar een klein duwtje
nodig om een weekje op eigen vleugels te gaan. Het mooiste is, als ze
zichzelf dat laatste zetje geven. Zoals onze dochter (17) die, na ampel beraad, besluit ons jaarlijkse enerverende weekje Leersum aan zich voorbij te laten gaan. Zogenaamd omdat ze nog zoveel schoolwerk
heeft. Maar wij weten wel beter: het is de eerste stap in de laatste fase van onze opvoeding.


Eerder heeft ze aangekondigd volgend jaar, direct na haar examen, uit
te vliegen naar Oxford of Cambridge, waar wij - met het onbenul van
hen die niet beseffen hoe futiel dit voor een aspirant-wetenschapper
is - op reageerden met het honende verwijt dat ze nog geen ketel water
aan de kook kan brengen. Alsof wijzelf daarvoor niet de
eerstverantwoordelijken zouden zijn.


Aan mijn eigen zelfstandigheid gingen minder verbale schermutselingen
vooraf. Toen mij op mijn achttiende een zomerhuis in de schoot viel
doordat een bevriend stel groter ging wonen, was ik binnen drie dagen
het ouderlijk huis uit. Heerlijk, op eigen benen. Weg onder dat
bevoogdende juk. Dertig jaar na dato kom ik nog steeds mensen tegen
die mijn moeder herkennen als de vrouw die maandenlang met de
stofzuiger onder haar snelbinders naar mijn nieuwe onderkomen trapte
om daar de boel zo goed mogelijk te redderen. Op andere dagen had ze
in theedoeken gewikkelde pannetjes spinazie en bruine bonen - mijn
lievelingseten - in een tas aan haar stuur hangen.


Maar in de aanloop naar deze herfstvakantie zijn er met onze dochter
goede vorderingen gemaakt. Mijn snelcursus frituren doorliep ze met
goed gevolg - cum laude, mag ik wel zeggen - wat voor de rest van haar
culinaire leven in elk geval een solide basis is. Later kwam daar nog
een korte workshop uitsmijter bakken bij (haar lievelingsgerecht),
gevolgd door een training pannenkoekenbereiding. Het in de oven
schuiven van een diepvriespizza had ze toen al behoorlijk onder de
knie. Met enige tegenzin - want hiermee ging ze het wel een week
uitzingen - probeerde mijn eega haar nog de beginselen van het
aardappels koken, spinazie ontdooien en het aanbraden van een
gemarineerd speklapje bij te brengen. Maar deze aanzet tot een
fatsoenlijk maal smoorde na drie minuten in de mededeling dat ze
hoognodig naar haar kamer moest om zich aan belangrijker kwesties te
wijden.


Een dag voordat wij na het verre Leersum afreisden, sloegen we
derhalve nog een stapeltje kant-en-klaarmaaltijden in, lieten op in
het oog springende plekken van ons huis briefjes achter met de oproep
om 's nachts toch vooral deuren en ramen te sluiten, stelden een
verkorte handleiding voor het gebruik van de vaatwasmachine op en
vertrokken met bezwaard gemoed naar de Utrechtse Heuvelrug, dag en
nacht beducht op sms'jes waarin ons werd verzocht om het polisnummer
van de brandverzekering of het adres van de Voedselbank.
Maar angstig stil blijft het in onze caravan, nu al vier dagen lang,
uit mijn mobiele telefoon die voor de zekerheid naast het hoofdkussen
van mijn eega is geposteerd. Onze dochters eigen variant op 'Belt u
ons niet, wij bellen u wel' begint zich tegen ons te keren.


Zelfstandigheid is mooi, maar het moet geen vier dagen duren.


Zelf probeer ik, ook in deze uren van benauwdheid, steun en troost te
vinden in één van die Oudhollandse spreekwoorden waarin de aanleiding
voor het uitblijven van sms-contact opgesloten kan liggen:


Om een uitsmijter te bakken, heb je geen eiersnijder nodig.

 
     
     
     
     
  15 oktober 2009  
 
 
 

 

 

Trapondersteuning

Net als al die andere jongens die kromgebogen over hun stuur naar school trapten, was ik ooit Eddy Merckx of Joop Zoetemelk. Maar op weg naar de redactie ben ik nu vooral mezelf, Dick van der Plas, begenadigd wielertoerist die dit jaar op één dag de Col du Glandon, de Telegraph, de Galibier en de Alpe d'Huez reed, zijn naam verbond aan de Amstel Gold Race en Limburgs Mooiste en deze zomer de toppen van Italiaanse Dolomietenreuzen bedwong. Zelfs al rijd ik met de rem erop,
niemand komt me voorbij in de straffe tegenwind waar ik - o, pardon, neem me niet kwalijk, mevrouw - zojuist toch ben ingehaald door een rijzige dame met een grijs knotje op een fiets met trapondersteuning.


Principiële bezwaren tegen het elektrische rijwiel heb ik niet. Toen
mijn vader overleed en mijn moeder - niet in het bezit van een
rijbewijs - ook ernstig in haar mobiliteit leek te worden aangetast,
heb ik haar zelfs overgehaald om één van de eerste versies van de Gazelle Easy Glider aan te schaffen. Daartoe heb ik me - incognito - laten verleiden tot een proefrit, om haar - als de dood voor alles wat
gemotoriseerd is - ervan te overtuigen dat de fiets er niet met haar vandoor zou gaan zo gauw ze erop zou stappen, maar dat je wel degelijk nog moest trappen om vooruit te komen.
 

De eerste spijt van deze aanschaf kwam in de daarop volgende
herfstvakantie, die wij jaarlijks met de hele familie doorbrengen op
camping Ginkelduin in het mondaine Leersum. Om in het dorp te komen
dien je een heuvel in de orde van grootte van de Amerongseberg te
nemen, waar ik gewoon ben om - denk aan de demarrages van een
Contador, een Valverde - het reisgezelschap vrij achteloos een meter
of vijfhonderd los te rijden. Toen ik bij de denkbeeldige streep op de
top achterom keek om de vernedering van mijn medefietsers compleet te
maken, zag ik mijn 72-jarige moeder op haar Easy Glider op 20
centimeter in mijn wiel zitten. Stijf rechtop, glimlach op het gelaat
en twee zware tassen aan haar bagagedrager vol wijngums, kannen koffie
en amandelbroodjes.
 

Het bedrieglijke van de elektrische fiets is dat het ding pas optimaal
tot zijn recht komt bij straffe tegenwind of bergop. Wie in zijn
gewone kledij niet doorweekt van het zweet op zijn werk wil komen,
neemt dan automatisch een tandje terug. Maar het door een motortje
aangestuurde vliegwiel trekt zich daar helemaal niks van aan.
 

En dan is de Gazelle Easy Glider nog een elektrisch rijwiel zoals dat
er in mijn ogen hoort uit te zien. Een lomp model met een enorme klos
van een accu achter de zadelbuis, zodat je als naturelle fietser
meteen weet waarmee je van doen hebt. Maar er komen steeds meer
modellen op de markt waar je eerst een kwartier hijgend achter moet
hangen voordat je in de gaten hebt dat je hier met een zogenaamde
E-bike van doen hebt. Ook het publiek is aan het veranderen. De eerste
keer dat ik in de tegenaanval moest om een kwieke begindertiger met
een vrolijk dansende paardenstaart van mijn fietskwaliteiten te
overtuigen, tuurde ik uiteindelijk langer hijgend naar haar frame
(waar de accu heel geniepig in een iets dikkere dwarsbuis bleek
weggewerkt) dan naar haar welgevormde onderstel.
 

Nee, ik vind het helemaal niet erg om op weg naar mijn werk te worden
ingehaald door een uitslover op een ligfiets. Of door zo'n
pseudo-atleet in een korte broek en een rugzak vol burgerkleding. Maar
ik kan het niet uitstaan dat ik bij elke passerende senior op de
pedalen moet om vast te stellen dat het hier een rijwiel met hulpmotor
betreft. Waarom ontbreekt hier duidelijke regelgeving? Of moeten we
constateren dat Balkenende ook op dit dossier de regie kwijt is?
Laat ik er op deze plek daarom maar voor pleiten de elektrische fiets
duidelijk zichtbaar te maken in het woon-werkverkeer, middels een
kleurige plaquette op het achterspatbord, een rood vlaggetje of
desnoods een bescheiden zwaailichtje en drietonige hoorn.
Dan weet iedereen waarmee hij te maken heeft.
 

Ja, híj.
 

Want dit lijkt me geen vrouwenprobleem.

 
     
     
     
     
  8 oktober 2009  
 
 
 

 

 

Ouderavond
 

Het brugklastoontje waarmee hij de aula vol ouders al een uur belerend heeft toegesproken, laat de onderbouwcoördinator nog maar eens een octaafje omhoog gaan. Zijn 'en dan kunnen de kinderen van groep 2a nu met de mentor mee naar het lokaal' veroorzaakt wat geroezemoes onder de groep volwassen toehoorders, maar dat is geen reden voor een
koerswijziging. Ook de 'kinderen' van 2b en 2c sjokken als gedweeë veertigers en vijftigers achter hun mentor aan. ,,Beroepsdeformatie'', beoordeelt een vader naast mij het optreden van de coördinator. ,,Pure intimidatie'', vermoed ik.


Het is herfst. Tijd van vallende bladeren en ouderavonden. Nee, nog
geen tienminutengesprekken waarin je de prestaties van het kroost in
een beklemmende één-op-éénsituatie kunt doornemen. Daarvoor is het nog
te vroeg. De eerste cijfers van schriftelijke overhoringen en een
enkel proefwerk zijn thuis pas met een zekere schroom tijdens de
avondmaaltijd met ons gedeeld. ,,Ja nou, weet je, de hele klas had het heel erg slecht gemaakt, al die vragen sloegen helemaal nergens op, maar ik was nog één van de beteren en ik had toch maar een 4,6.''


Nee, klassikále ouderavonden, daar heb ik het over. Waarop je een uur
lang wordt doorgezaagd over onderwijsalgemeenheden die - voor hen die
het aandurfden om niet te gaan - ook kunnen worden samengevat op een
beduimeld A4'tje dat onze zoon na anderhalve week onderuit zijn rugzak
vist. Maar wij zijn nog zo'n ouderpaar dat vooraf een uur lang boven
onze agenda's redetwist over wie er moet worden afgevaardigd, waarbij
ik - als gevolg van het feit dat trainingsritjes op de fiets door mijn
eega niet tot de geldende excuses worden gerekend - in de regel het
onderspit delf.


Nog net niet twee aan twee en hand in hand sjokken wij, ouders van 2b,
achter de mentor naar de derde verdieping, waar we in het lokaal
plaatsnemen volgens het grondplan dat ook dient om onze nazaten
tijdens de lessen te positioneren. Dat vindt de mentor handig. Kan hij
zien wat voor vlees hij in de kuip heeft. Tot mijn opluchting blijkt
onze zoon een veilig plekje achterin de klas te hebben gekregen, want
zelfs na 35 jaar zit de angst voor een 'beurt' er nog goed in.


Niet alleen bij mij keren oude reflexen terug. Binnen een paar minuten
zijn we - gerespecteerde leden van de maatschappij - weer een klas
waar de meiden achterstevoren met elkaar beginnen te kletsen als de
leraar - volgens mijn zoon geen onaardige vent, maar verder niet
serieus te nemen - de touwtjes even laat vieren, waar de achterste rij
verveeld onderuit hangt in de banken, waar steeds dezelfde knaap de
stomme vragen stelt en waar rechts vooraan een moeder de rol op zich
neemt van het meisje dat alles beter weet. Het wachten is op Rob
Kamphues die onthult dat die statige mevrouw in rij 2 drie jaar als
prostituee in Bangkok heeft gewerkt, de man schuin voor haar een
ontsnapte tbs'er is en die zwakbegaafd ogende kerel rechtsvoor
succesvol palmeilanden in Dubai aan de man brengt.


,,Nog wat wijzer geworden?'', wil onze zoon bij thuiskomst weten.


,,Nee'', antwoord ik naar waarheid.


Hij knikt. Alles naar verwachting verlopen, dus.


Een week later is het bij onze dochter, waar de urgentie van de
bijeenkomst al in de uitnodiging wordt betwist: 'De informatie die u
op deze avond krijgt, horen onze leerlingen in de loop van de maanden
oktober en november ook zelf op school.' Dan moet je bij die
gelegenheid maar extra goed opletten, wil ik tegen onze oudste zeggen.
Maar dit keer is het mijn echtgenote die zich - wederom in Jip en
Janneke-taal - klassikaal laat uitleggen hoe onze dochter zich moet
voorbereiden op haar examens en haar route richting het hoger
onderwijs dient uit te stippelen.


,,Nog wat wijzer geworden?'', wil onze dochter bij thuiskomst weten.


Om vervolgens haar moeder al na twee zinnen het zwijgen op te leggen.
,,Dat hoef ik van jou niet te horen, dat zoek ik allemaal zelf wel uit.''


Ik geloof vast dat er mensen zijn die vinden dat klassikale
ouderavonden de band tussen opvoeder en school verstevigen.


Maar aan ons zijn ze niet besteed.

 
     
     
     
     
  1 oktober 2009  
 
 
 

 

 

Piraterij

Al drie keer heeft hij - met stemverheffing - geroepen dat 'het
helemaal geen kwaad kan' en zich - al net zo luid - beroepen op een vriendin die het kunststukje ook met succes heeft toegepast. En aangezien zijn vader meer aandacht heeft voor de warme prak dan voor de nieuwste 'firmware' van zijn zoons Nintendo DSi, stribbelt die onvoldoende tegen als hij zijn geliefde spelcomputer met één druk op de knop laat vollopen met de nieuwste besturingssoftware. Die biedt weliswaar ongekende nieuwe functionaliteit, maar maakt het in één klap
ook onmogelijk om nog langer illegaal gedownloade spelletjes af te spelen. Het duurt even voordat het verpletterende besef tot hem doordringt dat de strijd tegen de internetpiraterij zich zojuist naar de eettafel heeft verplaatst.


De tijd dat hij in zijn hoogslaper wakker lag uit vrees dat de 'online
politie' zijn lieve vader zou oppakken na het succesvol kraken van
Lego Racers II of Sonic Heroes, ligt alweer enige tijd achter hem.
Gesterkt door internationale jurisprudentie en de vaste overtuiging dat het vrijelijk vergaren van informatiedragers behoort tot de
onvervreemdbare rechten van het individu, waant hij zich onaantastbaar, achter zijn computerscherm. Bij ondervraging door de rechter hoeft hij alleen maar vol te houden dat hij gebruik maakt van 'kopieën voor thuisgebruik'. Ja, ook dat heeft hij op internet gelezen. Dan kunnen ze je niks maken.


Dat leidt tot overmoed. Hij schroomt niet om zelfs voor zijn op
duistere wijze verkregen Xbox 360-spellen, op de sites van officiële
leveranciers aan te kloppen voor de nieuwste updates. Het enige
directe gevaar komt daarbij van zijn zus, met wie hij de Xbox deelt,
die hem er met harde hand van probeert te doordringen dat zo'n
oplettende multinational hun gezamenlijke beeldscherm op zwart kan
draaien.


Zijn omgeving draagt in niet geringe mate bij aan het lichtvaardig
omspringen met de bepalingen uit de auteurswet. Op de basketbalclub
wordt zijn vader op een zaterdagmiddag weggehoond omdat er een legale
versie van Microsoft Office Home and Student uit zijn rugzak steekt.
De 99,50 euro die de beste man daarvoor heeft neergeteld had hij beter
op de bar kunnen leggen, luidt het welgemeende advies, waarna hij in
ruil voor wat alcoholische versnaperingen het volledige Officepakket -
gekraakt en wel - op een schijfje mee naar huis had mogen nemen.


Alleen de laatste weken wordt het gemoed van de zoon enigszins
bezwaard. Nu overal ter wereld de jacht op downloadsites als Pirate
Bay en Mininova is geopend en Europese regeringen wetgeving
voorbereiden om de verdere verspreiding van illegale software tegen te
gaan, tekenen er zich zorg-rimpels af boven zijn doorgaans zo
opgeruimde gelaat. Pesterig rekent zijn vader hem voor hoe lang hij
erover doet, om met zijn zakgeld van 15 euro per maand een boete van
7,5 ton af te betalen.


Ook de Nintendo firmware-actie is een geduchte knauw voor zijn
zelfvertrouwen. Het bedrijf, dat al jaren zucht onder de levendige
handel in zogenaamde R4-kaartjes waarmee illegale spellen probleemloos
op het handcomputertje kunnen worden afgespeeld, slaat terug met een
nieuw besturingssysteem dat de R4 de nek omdraait. Een korte zoekactie
op internet leert de zoon dat op alle sites waarop die R4 wordt
aangeboden, de alarmbellen nadrukkelijk rinkelen.


Maar ja, dan is het kwaad al geschied.


Onder het hoongelach van zijn zus besluit hij zijn vorige Nintendo DS
- overleden na een valpartij van zijn hoogslaper - door een handige
internetjongen voor de somma van 40 euro nieuw leven te laten
inblazen. Want daar staat de oude, nog niet piraatbestendige software
van Nintendo op. En een dag later ontdekt hij, via een tip op een
forum, de nieuwste variant op de R4 - de Acekard - waarmee
softwarepiraten Nintendo weer even te slim af zijn.


Ja, het is een handige bliksem.


Wie?

 

Daar kan ik uit juridische overwegingen niks over zeggen.


Maar bedenk wel, dat het niet mijn gewoonte is om op deze plek over
gezinsleden te schrijven.

 
     
     
     
     
  24 september 2009  
 
 
 

 

 

Ochtendrituelen

 

De ontplooiing van de één, beknot de vrijheden van de ander. Ja, die verheven gedachte gaat door me heen als mijn zoon (13) aankondigt dat hij voortaan een kwartier eerder opstaat om de krant te lezen. Een lovenswaardig initiatief, ware het niet dat het hier uitgerekend het kwartier betreft dat ik in alle rust met het ochtendblad op het toilet doorbreng.
 

Ochtendrituelen. Ieder mens heeft ze. En binnen het gezin is het mijn
taak ze zodanig in te passen dat de ander er geen hinder van heeft.
Elk begin van het schoolseizoen maak ik - als de werkplanner van een
middelgroot ziekenhuis - een denkbeeldig rooster waarmee het - met
respect voor ieders eigenaardigheden - mogelijk is om binnen het uur alle vier gewassen, gekleed en gevoed de school- of werkdag aan te vangen.


Weken duurt het, voordat alles op z'n plek valt. Het minste problemen
heb ik als rituelenplanner met ochtendgewoonten die aanvangen voordat de rest van het gezin is ontwaakt. Tussen 6.30 en 7 uur begint onze
dochter de dag bij voorkeur met het bekijken van belegen tv-series die
ergens in de kelders van het internet liggen opgeslagen, om precies om
7 uur het recht op te eisen als eerste de badkamer te betreden.
Het ochtendritueel van mijn eega begint als zij (als tweede, ook dat
is hiërarchisch bepaald) de badkamer uitkomt en begint met het
eindeloos wisselen van klerencombinaties tot het moment dat ze - immer
ontevreden met het resultaat - naar beneden gaat, om van mij te horen
dat ze het helemaal mis heeft.


Ook dat hoort bij het ritueel.


Ochtendrituelen hebben de ruimte nodig. Vandaar dat ik klokslag zeven
uur als eerste beneden ben om mij niet te bemoeien met de rituelen die
zich boven mij afspelen. Ik start de computer op en zet de oven aan
(voor de warme pistoletjes van onze dochter), waarna ik vijftien
minuten voor mezelf en de ochtendkrant heb ingecalculeerd. Daarna ruim
ik de vaatwasser leeg, kook theewater, vul twee mokken met Cocopops
(voor de nazaten) en twee met muesli (ouders en opvoeders) en zet (in
mijn ochtendjas en op slippers) de fietsen buiten van de eerste
lichting die naar school vertrekt. De diepere gedachte achter deze
door mijn dochter afgedwongen service is dat ik met mijn slaapdronken
hoofd alle spinnenwebben opvang die tussen haar en de schuur in
hangen.
 

Ergens tussen die secundaire werkzaamheden, maar meestal rond 7.15
uur, meldt onze zoon zich aan de eettafel voor een ontbijt waarbij hij
tot voor kort mijn ochtendblad als placemat en spatlap gebruikt voor
de Cocopops die hij met de motoriek en de bijbehorende geluiden van
een dronken stoker op een stoomlocomotief naar binnen schept. Daarna
jaag ik hem naar boven om rond 7.20 in de badkamer te zijn, waar hij
precies een kwartier heeft voordat ik me daar kan melden. Ergens in
dat kwartier vindt hij de tijd voor zijn volgende ochtendritueel: het
deelgenoot maken van mijn echtgenote van een belangwekkend probleem
dat hem uitgerekend op dat moment te binnen schiet. Dat kan variëren
van een verloren jas, een kwijtgeraakt etui, tot het plotseling tot de
ontdekking komen dat hem over een uur een proefwerk wiskunde wacht
waarvoor hij nog niks heeft geleerd.
 

Ondanks mijn herhaalde verzoeken om dit soort oprispingen toch vooral
voor zich te houden, hecht hij aan het ritueel dat hij zijn moeder nog
voor het ontbijt tot ontploffing kan brengen.
 

Pas als de rook weer is neergedaald, mag ik naar de badkamer om mij te
ontdoen van het spinrag dat zich in haren en nekboord heeft genesteld,
bij het reinigen van privacygevoelige delen om de haverklap gestoord
door lieden uit de eerdere badkamershifts die vergeten zijn hun haar
in de gel te zetten of hun tanden te poetsen.
 

Sinds deze week ligt die met zoveel zorg opgestelde planning compleet
overhoop. Om één minuut over zeven bonkt er iemand op de deur van het
toilet om mijn ochtendblad op te eisen. En waar blijft zijn ontbijt?
Ik weet het, ik zou er blij mee moeten zijn.
 

Een nieuwe generatie krantenlezers dient zich aan.

 
     
     
     
     
  17 september 2009  
 
 
   

 

Winderig

Het tentje van mijn drie neven staat aan de overkant van het grindpad, onder het dichte bladerdek van wat ik bij gebrek aan specifieke biologische kennis maar een boom noem. Een minuut of tien geleden heb ik de rits horen dichttrekken, gevolgd door het doffe, onverstaanbare gemompel van kerels in de postpubertijd die in de slaapzak hun van ledigheid bolstaande dag doornemen. Dan klinkt er geschreeuw, het geluid van een woest opengetrokken rits en het rumoer van twee neven
die over elkaar heen naar buiten rollen. ,,Een twaalf! Hij heeft een twaalf gelaten!'', klinkt het in een mengeling van walging en respect over het kampeerterrein in ruste.


Het fenomeen was mij tot dan toe vreemd, maar het schijnt onder
adolescenten een hit te zijn: Ranking the fart. Wie het begrip
googelt, krijgt op internet 280.000 hits, met verwijzingen naar
videofilmpjes die ik niemand zou willen aanraden en teksten die The Lancet nooit zullen halen. Van een in het openbaar tamelijk obscure
bezigheid, is het winden laten opeens een jurysport geworden, waarbij
mijn neven in hun waardering voor elkaars prestaties uitgaan van de
Nederlandse onderwijsstandaard van 1 tot en met 10. Een twaalf mag in
dat geval worden beschouwd als een indrukwekkende buitencategorie, het
allerhoogste wat je binnen de internationale fartgemeenschap kunt
bereiken.
 

Zelf zat ik er te ver vanaf om me een oordeel te kunnen vormen, maar
uit het feit dat het piramidetentje ineens een bolvormig pubtentje was
geworden, concludeerde ook ik dat ik getuige was geweest van iets
moois. En al helemaal toen de anoniem gebleven boom in die bewuste
nacht al zijn bladeren verloor. Het tentje is na onze vakantie, na een
lange zeereis met een onder Liberiaanse vlag varend schip, ergens in
een Oost-Afrikaans land begraven.
 

De verheerlijking van de wind is een mannending, veronderstel ik, want
ik kan me niet voorstellen dat vrouwen onderling zich tot zoiets
verlagen. Of ik moet me vergissen, zoals ook in de opvatting dat
'Ranking the fart' niet door jongens van boven de twintig wordt
gespeeld. Het afgelopen weekeinde was ik op stap met vijfentwintig
racefietsers, die elkaar in steeds wisselende samenstellingen - maar
met een vaste kern van oudgedienden - al 29 jaar ergens in Europa
ontmoeten om een paar dagen met elkaar te trappen.
En wat doen oude mannen onder elkaar, een lang weekeinde weg van
moeder de vrouw, op zichzelf teruggeworpen in een luxe
appartementencomplex 'mit grüppenraum' in de Duitse Eifel?
 

Ze laten winden.
 

Het liefst zo hard en zo lang mogelijk.
Voor zoiets moderns als 'Ranking the fart' zijn deze eind veertigers,
vijftigers en begin zestigers - eerzame huisvaders, met nobele
betrekkingen, een enkeling zelfs met maatschappelijk aanzien - te oud,
maar de onverholen waardering voor elkaars prestaties is er niet
minder om. In pocherige gesprekken gaat de mare van één enkele wind
die niet minder dan negen seconden aanhield. De trotse producent - of
moet ik flatulent zeggen - blijkt sinds die tijd zo'n vijftien kilo
afgevallen, waarschijnlijk op een vezelrijk dieet, want de manier
waarop hij zich op zijn racefiets door het heuvellandschap beweegt
doet vermoeden dat hij wordt aangedreven door een ploffend
eentaktmotortje. Wie in zijn kielzog door de rust en reinheid van de
Duitse Eifel trapt, snakt naar de frisse lucht van het Rürhgebied.
 

Respect van de groep.
 

Net zoals voor de man die er in slaagt om met zijn lichaamsgassen een
geïmproviseerd ontruimingsplan voor twee aanpalende slaapkamers in
gang te zetten. De ontheemden worden twee avonden lang opgevangen in
de 'grüppenraum', die - het moet gezegd - vanwege het feit dat we er
ook aten gold als een 'no-fart area' (de Duitse term wil me niet zo
gauw te binnen schieten).
 

'Ranking the fart' leek me een leuk programma-idee voor BNN. Maar
gelet op mijn recente ervaringen, zal omroep Max er wel mee aan de
haal gaan.

 
     
     
     
     
  10 september 2009  
 
 
 

 

 

Offline

 

Een dag nadat een blikseminslag ons van de internetverbinding heeft beroofd, vallen er ook fysiek slachtoffers te betreuren. Mijn vrouw en dochter staan - teruggekeerd van respectievelijk baan en bijbaan en onderweg op de fiets overvallen door heftige slagregens - als twee verzopen katten op de keukenmat. ,,Dat is niet nodig, hè'', beschouw ik het tweetal kritisch. ,,Iedereen wist dat er regen aan kwam.'' Nu druipt ook het verwijt in dikke druppels op de mat als ze hun woorden mijn kant opspugen. ,,We hadden geen buienradar!''


Wij zijn geen types die bij het eerste donderslagje alle stekkers uit
de stopcontacten trekken en met have en goed de trapkast in duiken,
wachtend tot de god van de donder op zijn bokkenwagen naar elders is
vertrokken. Net als bij busreizen met een onderbetaalde en
oververmoeide chauffeur, het eten van rauwe eierdooiers en het handen
schudden met een Mexicaan, houd ik me graag vast aan de statistieken.
Hoe vaak gebeurt het nou dat je daarbij iets overkomt? Zo ook op deze
donderdagavond, als een blikseminslag ons huis om exact 19.57 uur op
zijn grondvesten doet schudden. We - mijn eega, onze zoon en ik -
kijken elkaar enige seconden met dichtgeslagen oorschelpen aan en
prijzen ons daarna gelukkig dat onze nieuwe lcd-tv, alle
binnenhuisverlichting en de in de kamer aanwezige computerapparatuur
geen krimp geven. In de verte klinken brandweersirenes, die steeds
dichterbij komen. Zie je nou wel? De bliksem slaat altijd bij een
ander in.
 

Dan struikelt onze dochter van haar zolderkamer de trap af met een
mededeling van een voor haar ongekende impact. ,,Het internet doet het
niet meer!''
 

Dat blijkt correct. Alle pc's en laptops in onze woning doen
ogenschijnlijk onverstoorbaar hun werk, maar zijn verworden tot doodse
'stand-alones'. Ons gezin is offline.
 

Aanvankelijk ga ik er vanuit dat de hele wijk is getroffen door een
inslag in het adsl-knooppunt, zodat een gek gebelde KPN onverwijld een
monteur in een zware loden jas op zijn brommer de regen instuurt om
een en ander te verhelpen. Maar als er een paar uur later nog geen
verbinding is - wij zijn zelf geen klagers - en ons modem wel
geruststellende groene lampjes geeft onder 'line' en 'data', maar de
vier LAN-lampjes allemaal zijn uitgedoofd, vrees ik toch dat ik de
oorzaak van de storing binnenshuis moet zoeken.
 

Na een onrustige nacht volgen drie dagen van vertwijfeling (wat te
doen?), toenemende ergernis (citaatje gezinslid: 'Waarom krijgt die
loser het niet voor elkaar?') en groeiende wanhoop (wat doe ik fout?).
 

Er is - indachtig mijn adagium 'goedkoop is duurkoop' - een nieuw,
fancy modem aangeschaft, dat ik een avond lang heb proberen te
configureren met wat een verkeerde gebruikersnaam bleek. Toen dat - na
het alsnog opduiken van een acht jaar oud document uit de rommelige
familieadministratie - verholpen was, bleek ik elke keer precies twee
minuten verbinding te hebben, waarna een of andere netwerkwizzard - ik
stel me een functionaris met een grijze cape en een puntmuts voor - er
in slaagde ons weer terug te werpen naar de Middeleeuwen. Geen
internet. Als ik zaterdagmiddag om 16.45 uur ten langen leste
verbinding krijg met de helpdesk van Xs4all, geeft de dienstdoende
functionaris mij na het aanhoren van het woord 'bliksem' precies een
kwartier om bij de Primafoon (die om 17 uur dichtgaat) een nieuwe
'splitter' (die telefoon- en adsl-signaal scheidt) te halen. Ofschoon
ik het wereldrecord splitter halen met niet minder dan vijf minuten
verbeter, haalt ook deze helpdeskhint niks uit. En net als de
Primafoon trekt de helpdesk er op zaterdag om 17 uur zelf de stekker
uit.
 

Om een lang verhaal niet nog langer te maken: weer bijna 24 martelende
uren later, ontdek ik dat de steeds zo moeizaam opgebouwde
internetverbinding er niet meer uitklapt als ik de gele netwerkkabel
van mijn dochters pc (mijn kabel is blauw, die van mijn zoon grijs,
van mijn vrouw zwart) uit het modem haal. Als enige van ons hele
computerpark blijkt haar netwerkkaart tijdens de blikseminslag
doorgebrand: een bescheiden investering van een tientje, na de honderd
euro voor het modem en de 25 voor de splitter.
 

Pas als naast onze vijf computers een dag later ook alle draadloze
apparaten (Iphone, minilaptops, Nintendo DSi) weer op het netwerk zijn
aangesloten, neemt ons leven weer zijn normale loop.
 

Triest stukje, is dit eigenlijk.

 
     
     
     
     
  3 september 2009  
 
 
 

 

 

Quo Vadis?

 

Drie maanden heeft mijn jongste zus besteed aan het vinden van een Italiaanse camping waar onze neven het zwembad zonder badmuts of ballenknijper mogen betreden. Dus lijkt mij, na een reis van 1350 kilometer en vijf dagen kamperen, de vraag 'Moeten jullie niet eens gaan zwemmen?' gerechtvaardigd. Het postpuberende gezelschap - waarbij zich mijn jongste nazaat heeft gevoegd - kijkt lodderig op van Nintendo, Playstation en mobiele telefoon. 'Nou nee, dit zwembad vinden we niet veel aan. We gaan wel naar het meer.'

 

Uit de tijd dat ik met leeftijdgenoten nog op vakantie ging met een voor 750 gulden gekocht Volkswagenbusje, herinner ik me een vriend die altijd na een dag of twee vanaf de achterbank opmerkte: 'Waar gaan we eigenlijk heen?' Meestal richting Biarritz, maar hij was met elk antwoord tevreden. Dat gold ook voor mij, deze vakantie, waar de bestemming voor onze drie gezinnen (dat van mij en twee zussen) ondergeschikt was aan - in mijn ogen - niet ter zake doende nevenfactoren. Dit keer de badmuts en/of de ballenknijper, maar we hadden de campings net zo goed kunnen selecteren op de aanwezigheid van vierkante douchekoppen of de beschikbaarheid van verse ciabattabroodjes in het kampwinkeltje.

 

Mij overviel in elk geval een heerlijke achteloosheid die er nog net niet toe leidde dat ik na anderhalve dag achter de caravans van mijn twee zussen aanrijden, tegen mijn eega zei: 'Waar gaan we eigenlijk heen?'

 

Maar veel scheelde het niet. Ergens bij Trento in de buurt, wist ik nog net, maar aangezien ik in ons sleurhuttreintje de laatste plaats inneem - mijn jongste zus moet met haar veel lichtere auto met veel misbaar van toeren de bergen op, terwijl ik met onze tank rustig omhoog kan dieselen - bestond er geen enkele noodzaak tot kaartlezen of satellietnavigatie instellen. Onze Garmin OutdoorGPS veegde mijn eega resoluut van het dashboard toen het ding ons bij elke miljoenenstad de snelweg af wilde hebben om via het lokale voetpadennet een stukje af te snijden.

 

Dat ik helemaal onvoorbereid op reis ging, was overigens niet waar. Van een Italiaanse hooggebergtekenner in onze wielerclub wist ik dat je op onze plek van bestemming geweldig kon fietsen. Hij had zelfs de moeite genomen om alle beschikbare routes netjes voor me op papier uit te werken. Maar toen ik na ruim anderhalve dag - met mijn racefiets zichtbaar achterop de caravan - het kampeerterrein opreed, werd ik ogenblikkelijk aangeschoten door gelegenheidsbuurman Wil - een bonkige renner uit Best - die met een blik op mijn glimmende Trek Madone alleen maar zei: 'Morgenochtend half acht, beklimming van de Montebondone.'

 

Twee weken lang hoefde ik alleen maar achter campingbuurman Wil aan te rijden, die alle routes van mijn clubgenoot uit zijn hoofd wist. De eerste keren informeerde ik nog halverwege 'Waar gaan we eigenlijk heen?', maar later volgde ik alleen maar.

 

Als ik uit mijn zalige passiviteit werd gewekt door familieleden die suggesties wilden voor gezamenlijke familie-uitstapjes, ging ik het gezelschap met de auto voor op de fietsroutes die ik eerder met buurman Wil had gereden.

 

'Waar gaan we eigenlijk heen?'

 

Dat kun je beter niet aan mij vragen.

 

De andere dagen liet ik mij op sleeptouw nemen. Naar een stad met een Romeinse arena, waar ik op een schitterende zomeravond tussen picknickende Italiaanse operaliefhebbers de 'Barbier van Sevilla' heb ondergaan. Of - als het bij ons op de camping regende - naar een groot meer met allemaal aardige dorpjes waar altijd de zon scheen en mijn dochter de tunnels in de bergwanden herkende uit de openingsscène van de laatste James Bondfilm. En naar een stad waar we met de trein aankwamen bij een groot kanaal waarop zwarte, banaanvormige vaartuigen door mannen met een strohoedje heel onhandig met één roeispaan werden voortbewogen.

 

Ik kan het iedereen aanraden, een camping zonder badmuts of ballenknijper.

 
     
     
     
     
  27 augustus 2009  
 
 
   

 

Dodelijk wapen

 

Er is maar weinig voor nodig om mij te veranderen in een dodelijk wapen. Zet me achter het stuur van een auto van bijna 2000 kilo, hang daar een zware caravan achter, houd de klimaatbeheersing op 22 graden en laat me op de cruise control met negentig kilometer per uur naar Italië sukkelen. Binnen een kwartier schuur ik knikkebollend de klinknagels uit de vangrail. Of ik rijd met het hele spulletje - inclusief vrouw en twee kinderen - het talud af.

 

Er zijn maar weinig momenten in mijn leven dat ik mij in zo'n warme belangstelling van mijn gezinsleden mag verheugen als op de rit van en naar onze vakantiebestemming. Vanaf het moment dat ik de auto start houdt mijn eega - niet in het bezit van een E-rijbewijs, dus ongeschikt om onze sleurhut te trekken - het oog onafgebroken op mij gericht, om me bij de geringste aanvechting de oogluiken te sluiten met een corrigerende tik tot de orde te roepen. Naast haar benen staat een boodschappentas met een inhoud van 45 liter, waaruit urenlang cakejes, winegums, gevulde- en stroopkoeken, Bifi-worstjes en buizen Pringles komen, die ik in mijn gevecht tegen de slaap achter het stuur dien te vermalen. De eerste zes uur van onze reis voert ze me ook koffie, met behulp van heet water uit een thermosfles en schepjes oploscappuccino van Buisman. Daarna gaat ze over op gekoelde cola en water.

 

Achter mij zit mijn zoon die - zodra ik de vraag van mijn echtgenote 'of ik al een beetje slaap krijg' aarzelend beantwoord met 'een beetje' - de instructie heeft om haartjes uit mijn hoofd te trekken. Afgesproken is één haartje per keer - mensen die hebben kennisgenomen van de tonsuur op mijn achterhoofd weten waarom - maar in zijn enthousiasme mag hij zich ook wel eens in een plukje vergissen. Het trekken van één haartje tegelijk bezorgt mij een ondraaglijke jeuk op het betreffende deel van de huid, die onmiddellijk met woest gekrab dient te worden bestreden. Tegen betaling - in natura, maar tegen baar geld heeft hij ook geen bezwaar - is mijn zoon hier toe bereid, maar omdat hij in de regel net naast het episch centrum van de jeuk aan de gang gaat, moet ik - soms met twee handen van het stuur - in de regel zelf ook ingrijpen. (Onze dochter is onderweg te druk met het bekijken van oude afleveringen van 'Morse', het werken aan haar profielwerkstuk over Oscar Wilde of het luisteren naar door Stephen Fry ingesproken luisterboeken, dat ze zich niet wenst bezig te houden met zoiets triviaals als het overleven van de rit naar onze vakantiebestemming.)

 

Uit het bovenstaande blijkt dat alles draait om afleiding. In de regel begin ik uitgerust aan onze vakantie, ons voertuig is van alle gemakken voorzien, maar de voortkabbelende snelheid en het vaak eenvormige uitzicht vanaf de Europese snelwegen, zijn dodelijk voor de staat van alertheid waarmee ik mij in het verkeer voortbeweeg. In dat kader ben ik een groot voorstander van een televisie- of dvdscherm op het dashboard, met gevarieerde praatprogramma's als 'De Wereld Draait Door', ware het niet dat de wetgever zich daar om onbegrijpelijke redenen tegen verzet. Want zeg nu zelf: wie wel geacht wordt om om de paar seconden in zijn buitenspiegels of op de snelheidsmeter te kijken, kan zijn aandacht ook verdelen tussen een boeiend interview of hilarische fragmenten uit 'De tv draait door'.

 

Vandaar dat ik mijn toevlucht heb gezocht tot de - achter het stuur wel legale - oeroude en eigenlijk veel leukere versie van 'De Wereld Draait Door': 'Spijkers met Koppen'. Dit radioprogramma kent voor een buitenlandse reis verschillende nadelen - het wordt alleen op zaterdagmiddag tussen 12 en 14 uur uitgezonden, en dan ook nog alleen buiten de vakanties - maar die zijn eenvoudig te ondervangen door vanuit het uitzendingenarchief alle eerder dit jaar uitgezonden afleveringen te downloaden (daar zijn handige programmaatjes voor) en ze vervolgens op cd'tjes te branden. Dit jaar reed ik probleemloos naar de Italiaanse provincie Trentino op 48 uur van de leukste radio die door de publieken wordt gemaakt.

 

En door de vraag 'Heb je al slaap?' toch nog af en toe te beantwoorden met 'Een beetje' wist ik mij nog steeds verzekerd van een oneindige stroom cakejes, winegums, gevulde- en stroopkoeken, Bifi-worstjes en buizen Pringles. Voor de vorm trok mijn zoon ook af en toe een haartje uit mijn hoofd.

 

De lekkerste jeuk die je ooit hebt gevoeld.

 
     
     
     
     
  21 juli 2009  
 
 
 

 

 

Jongens van dertien

 

Dertien wordt hij, over precies een week, maar zijn echte leeftijd
heeft deze zomer iets onbestemds. Als ik, op dagen dat hij 's middags om vijf uur nog in pyjama door het huis loopt, roep dat hij een vakantiebaantje moet gaan zoeken, is hij pas twaalf. Als hij 's avonds om elf uur nog achter zijn computer zit en door zijn moeder wordt gemaand zijn bed op te zoeken, beschouwt hij dat als een onaanvaardbare inbreuk op de staat van volwassenheid die hij inmiddels heeft bereikt. Jongens van dertien. Daar is nog geen liedje van.


Al weken voordat het ministerie van onderwijs de vakantie officieel
liet ingaan, hing hij al doelloos in het huis rond. Op felgele
stencils was ons door de schoolleiding uitgelegd wat er in die hectische periode voorafgaand aan zeven weken vrij allemaal nog moest gebeuren. Maar voor hem hield dat voornamelijk in dat hij een enkele keer zijn opwachting moest maken om boeken in te leveren of een rapport op te halen. Verder was er sprake van een 'lesvrije periode', die hem niet lang genoeg kon duren.
 

Ergens ging die vondst - ik werp mij bij deze op als voorstander van
'werkvrije periodes' in alle centrale arbeidsovereenkomsten - over in
de zomervakantie, waarmee zijn dagritme niet echt ingrijpende
wijzigingen onderging. Het mannetje dat tien jaar lang om half zeven
in de morgen van nieuwe energie naast ons bed stond te stuiteren,
heeft het uitslapen ontdekt. Net als zijn zus dat al jaren eerder
deed. Als mijn eega en ik de deur achter ons dichttrekken voor weer
zo'n dag in de tredmolen waarin loonslaven naar hun pensioen sjokken,
hult het huis zich in de stilte van het mortuarium waarin - om elf
uur, twaalf uur? - twee zombies tot leven komen.
 

Beroept onze zoon zich op het Kinderwetje van Van Houten, zijn zus
stelt zich deze zomer hogere doelen dan het verdienen van een paar
grijpstuivers in bollenschuren of, zuchtend onder een dienblad, op
overvolle terrassen. Zij werpt zich op haar profielwerkstuk over iets
met Oscar Wilde, waardoor ze - of we het maar willen zien - gebukt
gaat onder vuistdikke naslagwerken die ze op elke gang door het huis
met zich meesleept. Bovendien heeft ze zich - in de week na onze
vakantie in Italië - met een klasgenoot ingeschreven voor de
'Zomerschool Klassieke Talen' die de VU en de Universiteit van
Amsterdam houden voor hen die met geen mogelijkheid tot een Tienertoer
of een weekje comazuipen en schuimparty's in Chersonissos zijn te
bewegen. Daar hadden Vergilius, Lucretius, Homerus en Sophocles
tenslotte ook de neus voor opgehaald.
 

De eerste weken van zijn vakantie liet hij zich nog wel eens overhalen
tot buitenactiviteiten als voetballen en strandvermaak. Maar nu zijn
laatste vrienden van vlees en bloed met hun ouders zijn afgereisd naar
verantwoorde vakantiebestemmingen, behelpt onze zoon zich met zijn
virtuele vrienden op Xbox Live. Voor afwisseling is even geen plaats,
nu zijn Nintendo DS ook een tweede val van zijn hoogslaper niet heeft
overleefd en het - nog precies een week, ja - even duurt voordat hem
de nieuwste generatie Nintendo DSI ten deel valt (met camera, Wifi en
andere snufjes die worden toegelicht in een handleiding zo dik als
zijn zusters naslagwerken over Oscar Wilde - want ja, ik heb het ding
al een week verstopt tussen de onderbroeken van mijn kledingkast
liggen).
 

De afgelopen week heeft hij het huis welgeteld één keer verlaten voor
een 'complete make-over', waarvoor een begeleidingsteam van een neef
plus vriendin en zijn moeder (met pinpas) op de been was gebracht om
hem bij een fancy kapper in een naburig dorp afscheid te laten nemen
van wat ik altijd zijn Jan-Peter Balkenende-coupe placht te noemen.
Zijn nieuwe 'look' vergt een dermate krachtige gel dat ik van viagra
voor het haar zou willen spreken, met voor hem als grote voordeel dat
er geen kam meer doorheen te krijgen is. Het juk van zijn eerste
twaalf levensjaren legt hij verder af door een definitieve keuze voor
de Björn Borg-onderbroek en een gebleekte jeans die voortdurend van
zijn heuploze lichaam glijdt.
 

Nog een paar dagen, dan sleep ik hem mee naar een camping in Italië.
Mijn voornemen om zijn lamlendige lijf op zijn racefiets over een paar
Dolomietencols te jagen, is inmiddels door zijn moeder de grond
ingeboord.
 

Want ja, hij is dan pas dertien.

 
     
     
     
     
  23 juni 2009  
 
 
   

 

Spook van de opera
 

Er zijn jaren geweest dat ik met graagte 154 euro neertelde om uit de klauwen van het spook van de opera te blijven. Maar nu speur ik koortsachtig het internet af naar plaatsbewijzen voor Tosca. Naast mij ligt het boek 'Opera voor dummies' dat mijn dochter heeft opengeslagen op de bladzijden waarop dit werkstuk van Giacomo Puccini voor cultuurbarbaren wordt verklaard. Ze wil de uitvoering zien in één van de mooiste aller theaters: de Romeinse Arena di Verona. Aan gezinskorting doen ze daar niet, zie ik, waardoor dit avondje uit me
maximaal vier keer 193 euro kan kosten. Maar kom, het is vakantie.


De hogere kunsten worden binnen ons gezin slechts via één lijn aan de
nazaten doorgeven: via hun moeder, die ze liever van de mythologische
Trojaanse held Aeneas voorlas dan van Pluk van de Petteflet. Zelf stak
ik daar wat armzalig bij af, met mijn reeksen Arendsoog, de Kameleon
en Bob Evers, die in onbewaakte momenten verdwenen op rommelmarkten
of, erger nog, in de veel te spaarzaam geleegde papierbak bij ons aan
de overkant van de straat.
 

Ook op muzikaal gebied houd ik me graag bij mijn eigen klassieken: bij
voorkeur door het leven beschadigde singer-songwriters, die hun werk
over bijna-doodervaringen met drank, drugs en verkeerde vrouwen voor
een tientje in achterafzaaltjes ten gehore brengen voor vroegkalende
oudere jongeren. Toen cassettebandjes nog hip waren, hadden mijn in
Spanje rentenierende vrienden de artiesten uit deze ' Dick-collectie'
voorzien van een zwarte stip. Dat betekende: alleen op te zetten in
tijden van grote zwaarmoedigheid.
 

Door inprenting - veel draaien in de auto en op vakanties in de
caravan - heb ik getracht mijn nazaten ook de liefde voor deze
zelfkant van het bestaan bij te brengen. Maar op een enkel succesje na
- onze dochter is gek op Richard Shindell, onlangs voor een habbekrats
overal in het land te beluisteren - viel ook dit cultuurzaad op de
rotsen. Mijn jongste nakomeling is niet bewust met muziek bezig, als
ik het irritante gejengel van zijn Nintendo DS buiten beschouwing
laat, tenminste. Mijn oudste laat zich in haar smaak vooral leiden
door de beeldcultuur: de soundtracks van films (Harry Potter, The Lord
of the Rings), televisieseries (de jaren zestig- en zeventig muziek
van CSI) of musicals (haar inmiddels alweer verdampende fascinatie
voor Queen komt van 'We will rock you', dat ze met school in Londen
zag).
 

Nu geeft ze zich helemaal over aan klassiek, vooral ingegeven door de
recent door haar ontdekte serie Inspector Morse, die zijn misdaden het
liefst oplost op de klanken van Wagner, Mozart, Schubert, Mendelssohn
en nog een paar van die types die nooit een fatsoenlijke gitaar in hun
handen hebben gehad. En zoals met al haar passies, gaat ze er voor de
volle 200 procent voor. Alleen deze maand zit ze twee keer met mijn
eega in het Amsterdamse Concertgebouw om zich achtereenvolgens aan
Beethoven en Dvorák te laven. Mij laten ze thuis, als de neanderthaler
waarvan een stukje van de oogkas ontbreekt.
 

Sinds ze zich heeft laten vertellen dat we in juli op een steenworp
afstand van een van de mooiste operatheaters ter wereld kamperen, moet
ik alles op alles zetten om een avondje te regelen in de Arena di
Verona, een goed bewaard Romeins amfitheater uit 30 na Christus. Het
liefst eerste rang, want van een klasgenootje hoorde ze dat je van een
avondje goedkoop (79 euro) op de trappen een blikken kont overhoudt.
Alsof het voor de vroege christenen hier vroeger zo'n pretje was,
probeer ik nog schamper, maar dat vermocht haar niet te vermurwen.
Evenmin als mijn latere tegenwerping dat die 'steenworp' afstand vanaf
onze camping in Levico Terme naar Verona nog altijd zo'n 120 kilometer
is, de voorstellingen pas om 21.15 uur beginnen (als het regent
schuift alles met de Italiaanse slag zo maar een paar uur op) en we 's
nachts die 120 kilometer ook nog terugmoeten.
 

Even leek de wetenschap dat Tosca pas weer op 15 augustus - de dag van
ons vertrek uit Italië - weer wordt opgevoerd, de nekslag voor ons
avondje opera. Maar na een korte depressie heeft mijn dochter zich
herpakt. Uit 'Opera voor dummies' mag ik kiezen uit Carmen, de Barbier
van Sevilla of de Aida.

 
     
     
     
     
  16 juni 2009  
 
 
 

 

 

Kredietcrisis
 

Het is de dag na zijn eerste kennismaking met de wondere werking van de geldautomaat en mijn aansporing om van zijn automatisch op zijn rekening overgemaakte zakgeld altijd wat contanten op zak te hebben. 'Je weet nooit wat er gebeurt en dan heb je het maar bij je. Voor noodgevallen.' Behalve met twee belegde pistoletjes, een snelle Jelle, een reep chocoladecake en drie pakjes drinken, is hij die morgen naar
school gegaan met mijn goede raad om verstandig met zijn pecunia om te gaan. Bij thuiskomst maakt hij me, met gepaste trots, deelgenoot van de eerste investering die hij van zijn noodkrediet heeft moeten doen. Een broodje frikadel. 'Dat doet iedereen, bij de snackbar aan de overkant van de school', zegt hij, terwijl hij een overgebleven pistoletje uit zijn brooddoos in de groenbak kiepert. Ook de afvalscheiding pikt hij goed op.


Het had mij persoonlijk geen goed idee geleken om zijn moeder meteen op de hoogte te stellen van het nieuwe financiële regime dat mijn zoon (12) en ik waren overeengekomen. Voor sommige dingen heeft zij nu
eenmaal wat meer tijd nodig. Dat is niet erg. Daarmee moet je weten om te gaan. Als wij mannen afspreken dat de overgeschoten tv van zolder
wel een verdieping lager, naar de slaapkamer van mijn zoon, mag
verhuizen, boor ik eerst een gat voor het kabelsnoer. Verder niks.
Gewoon voor het geval dat. Nee, stel je voor zeg: er komt helemaal
niks meer van zijn huiswerk terecht, met een tv op zijn kamer. Daar
staat toch al een computer en die Nintendo DS is ook met zijn handen
verkleefd. Een week daarop doen we dan een proef met de tv 'alleen in
het weekeinde' - natuurlijk pas als zijn schoolwerk af is - en een
paar weken later gaat het ding er nooit meer weg.


Zo pak je dat aan.


Maar als hij vier dagen later aan zijn moeder toevertrouwt dat hij een
met mij gepind tientje op rendabele wijze heeft belegd (in haar ogen:
er volledig doorheen heeft gedraaid), stort ik van mijn weg van de
geleidelijkheid meteen in de diepe afgrond van de familiale
kredietcrisis. Na het - na dat ene broodje frikadel - uitgevaardigde
verbod op de verdere aanschaf van etenswaren, had ik geen rekening
gehouden met het ingewortelde gebruik om in de brugklas tegen betaling
van een luttel bedrag - van 50 cent tot een euro - je huiswerk door
een ander te laten overschrijven.


(Zoals ik van veel moderne schoolpraktijken geen weet meer heb. Mijn
dochter vertelde me laatst dat zij in haar klas nog zo'n beetje de
enige is die de aantekeningen die de leraar op het bord schrijft, in
haar schrift overneemt. De rest van de klas loopt na afloop van de les
naar voren om met zijn Iphone een foto te maken van deze krabbels, die
thuis op de computer in breedbeeld weer tot leven worden gewekt.).


Nee, aan het kopen van huiswerk had mijn zoon zelf niet meegedaan,
natuurlijk. Maar met zijn zojuist verworven cashflow had hij hier en
daar wat uitgeleend of voorgeschoten. Ook voor de snackbar, bezoeken
aan Albert Heijn en de bakker. Alles uiteraard tegen een passende
rente en de vaste overtuiging dat het zou worden terugbetaald.
Onderling werden die schulden ook weer verhandeld, wat onze jongste
nazaat alleen maar sterkte in de overtuiging dat hij hele lucratieve
deals had afgesloten.


Leek mij wel een plausibel verhaal, moet ik zeggen. En het ultieme
bewijs dat mijn zoon in vier dagen tijd meer van het mondiale
financiële stelsel had opgestoken dan een leraar economie in vier jaar
zou kunnen bewerkstelligen.


Nee, voorlopig mag hij niet meer op eigen kracht pinnen.


Ik zei toch dat mijn vrouw wat meer tijd nodig heeft, voor sommige dingen.

 
     
     
     
     
  9 juni 2009  
 
 
 

 

 

Welkom


Wie niet is geïnteresseerd in de verbouwing van een villa in Spanje, de kredietcrisis, het generatieconflict, de technocratische samenleving, een bloedige echtscheiding, intriges, wielrennen en een happy end, kan deze column beter overslaan. Voor alle anderen, blijf nog even bij me, hier aan de rand van het zwembad van ons gastenverblijf in een wijndorpje aan de Costa Blanca. Dan draai ik even mijn laptop uit de zon, want zo kan ik niet tikken. Ja, schenk mij ook nog maar even bij, dit wordt een lang verhaal.


De verbouwing: Er is in elk geval iemand die met toenemende onrust heeft uitgezien naar ons verblijf voor het jaarlijkse fietstrainingskamp. En dat is onze gastheer, mijn in Spanje
rentenierende vriend. Niet vanaf het begin, hoor. Toen we in februari boekten, was hij nog enthousiast. Hij zou ons - mijn zwager en zijn collega, beide agenten met een bikeropleiding, plus ondergetekende -
met zijn 5000 trainingskilometers in het voorjaar wel eens een poepie
laten ruiken in dat middelgebergte achter zijn huis. Dat was toen hij
de gevolgen niet kon overzien van de ingrijpende verbouwing van zijn
droompaleis, waarvan alleen de buitenmuren zo'n beetje overeind zijn
blijven staan.
 

De kredietcrisis: Hij - die normaal gesproken de tijd aan zichzelf
heeft - is er - net als wij, loonslaven met een 40-urige werkweek -
achtergekomen dat racefietsen tijd kost. Veel tijd. En die had hij dit
jaar niet, met het toezicht op Spaanse arbeiders die in deze
kredietcrisis elk klusje op uurbasis zo lang mogelijk rekken. Toen de
landelijke overheid van het Iberisch schiereiland een paar maanden
geleden ook nog eens de buidel trok om allerlei infrastructurele
werken naar voren te halen, liepen zijn werklieden weg om in de
bebouwde kom een weg te asfalteren. Of een vervallen muur op te
trekken. Die klus bij mijn vriend namen ze hen niet meer af. Maar wie
weet hoe snel het geld van de Staat op is.
 

Het generatieconflict: Wie wel achterbleven waren twee 16-jarige
discoknapen, die op het ritme van levensgenieters - een uurtje of tien
komen, om een uur of twee aftaaien - al weken het terras aan het
betegelen zijn.
 

De technocratische samenleving: Na weken van druk uitoefenen is het
huis min of meer af, zij het dat er nog geen airco, warm water en -
minder belangrijk, deze zomer - vloerverwarming is omdat de enige man
in de wijde omtrek die deze geavanceerde, voornamelijk op
zonne-energie werkende installatie aan de praat krijgt, net aan zijn
knie is geopereerd.
 

Een bloedige echtscheiding: Ons Hollandse fietsgezelschap is er
ondertussen niet minder van geworden. Dat is ondergebracht in het huis
van de buren, die al jarenlang in een bloedige echtscheiding zijn
verwikkeld. Hun stulpje, dat zelfs in crisistijd nog een tonnetje of
acht moet doen, staat tot onzer beschikking mits we elke dag de hond
uitlaten en - voor het zwemmen - even de palmenbloesem en de wespen
uit het zwembad scheppen. Vooruit dan maar.
 

De intrige: Om zichzelf te excuseren - 'druk, druk, druk' - heeft mijn
rentenierende vriend een Engelse fietsmaat bereid gevonden om ons - op
de dagen dat hij zelf achter water, verwarming, verlichting, het
terras en de jacuzzi (die er bijligt als een bouwput) aanzit - het
snot voor de ogen te rijden. Als wij op apengapen liggen, neemt hij
het weer van hem over. Zo rijden ze ons beurtelings in de vernieling.
 

Het wielrennen: Vandaag, op onze laatste trainingskampdag, rijden we
de Koninginnerit. Over de bergtoppen van de Tudons (van zeeniveau tot
ruim 1000 meter), met in de aanloop en op de terugweg ook nog een paar
prettige bergjes, waaronder twee keer Col de Rates, bekend van de
trainingskampen van de Rabobankploeg en de Ronde van Spanje.


Happy end: Nog een paar weken, dan is zijn villa van binnen een van
alle gemakken voorzien designpaleis. En kan hij weer hele dagen
trainen, op de uren dat wij op de redactie achter de computer zitten
of - mijn zwager en zijn collega - op de mountainbike boeven aan het
vangen zijn.
 

Volgend jaar zijn we wat hem betreft weer van harte welkom.

 
     
     
     
     
  26 mei 2009  
 

 

 

Afscheid


Zoals je aan de man met wie je al 25 jaar getrouwd bent niet moet vragen waarom hij nooit uit zichzelf zegt dat hij van je houdt (’dat weet je toch?’) moet je ook niet van je 17-jarige dochter willen weten of ze je zal missen, wanneer je een weekje weg bent. ,,Wat wil je horen dat ik zeg, mam?’’, vraagt ze, hangend op haar bureaustoel terwijl ze op haar computer het ene scherm na het andere openklikt. ’Uiterst’, stel ik voor, om het gemis toch in een van haar stopwoordjes te vangen. ,,Uiterst dan’’, zegt ze, zonder op te kijken.


Mijn 12-jarige zoon, die bij ons in huis nog de meeste empatische
vermogens aan de dag legt–- wat hem bij sommige gezinsleden de bijnaam
’slijmbal’ heeft opgeleverd – komt uit zichzelf. ,,Mam, ik ga je
missen. Je doet toch in huis veel klusjes voor ons en de was blijft
ook maar liggen als jij er niet bent.’’ Dank jongen, voor deze mooie woorden. Maar er is meer. ,,Je helpt me met m’n huiswerk, smeert ’s morgens m’n brood en controleert altijd of ik m’n tas goed heb ingepakt.’’


Ja, vindt maar eens een gek die dat van me overneemt.


De zonzijde ziet hij ook. ,,Lekker de hele week laat naar bed. En net
zoveel cola drinken en chips eten als ik wil. Papa zit toch altijd
achter zijn computer of op zijn racefiets.’’

 

Afijn, ik ben even weg.


Hun vader had het me de dag ervoor al duidelijk gemaakt. ,,Hoor eens,
niet van dat kinderachtige gedoe, hoor. Je hoeft niet zielig te
kijken, maar ik gooi je er gewoon uit op Schiphol. Zonde van mijn tijd
om die auto eerst in de parkeergarage te zetten en met je mee te
lopen. Dat kost me een uur. En ik moet al eerder van mijn werk weg om
je erheen te rijden. Wat kan er nou misgaan, aan zo’n incheckbalie? Je
geeft je papieren, krijgt een instapkaart en weg ben je. Kan ik na die
formaliteiten weer een paar kilometer teruglopen naar mijn auto –
ergens op Koe 9, Klomp 8 of Tulp 3, of hoe die garagedekken in dat
gekkenhuis ook mogen heten – 12,50 euro afrekenen en op de A4
aanschuiven in de vrijdagavondfile. Dat is me allemaal teveel gedoe.’’


Een dag eerder had hij – nadat ik erom vroeg – nog wel online voor me
ingecheckt. Dat was mislukt omdat hij me op een stoel plantte waarvoor
ik extra moest betalen – die stoel maakte mij helemaal niks uit, maar
hij had daar zijn eigen ideeën over – en de site steeds vastliep op de
betaling met de creditcard. Geen enkel probleem, had hij mij
verzekerd, gewoon je naam noemen en je bevestigingsmail laten zien,
komt alles meteen in orde. Ze zullen je hooguit vragen nog een paar
euro te betalen. ,,Niet moeilijk of principieel over doen – ik weet
hoe je bent – want je verliest het toch altijd van die lui.’’


Afijn, mijn koffer heeft de grond nog niet geraakt of hij scheurt weg,
zodat ik tien minuten later voor een balie sta waar ik – dankzij dat
gedoe met die stoel van hem – van de passagierslijst blijk te zijn
afgevoerd. Ik heb een uur moeten lullen als Brugman om alsnog aan
boord te komen. Toen ik hem daar – met een rood hoofd en zwetend van
ellende – na het passeren van de douane over belde, stond meneer al in
zijn wielerpakje klaar voor de vrijdagavondtraining.


Hij moest ophangen. En het was toch allemaal gelukt? Nou dan. Hele
fijne week, schat. En of ik het compleet verbouwde huis van onze
rentenierende vrienden maar fijn opnieuw hielp inrichten, zodat hij
over anderhalve week met zijn drie racefietsvriendjes in een gespreid
bedje komt.


Enfin, ik ben even weg. En omdat het zo fijn is te weten dat er van je
gehouden wordt, kom ik over zeven dagen weer terug.


Denk ik.

 
     
     
     
     
  19 mei 2009  
 
 
 

 

 

Bolletjesslikker

I
n navolging van Tom Boonen (cocaïne), Andreas Klöden (bloeddoping) en alle andere broodfietsers die dit seizoen al tot een bekentenis zijn (of nog worden) gedwongen, kan ook ik er niet langer omheen. Ja, ik gebruik. Al jaren. Voor de zwaarste wedstrijden zoek ik mijn toevlucht tot witte bolletjes met de voorgebraden gehaktballen van Dirk van den Broek, in combinatie met de (per twee verpakte) gevulde koeken van hetzelfde supermarktconcern.


Wetenschappelijke studies geven er nog geen uitsluitsel over, maar er
zullen ongetwijfeld deskundigen zijn die menen dat je van gehaktballen
niet harder gaat fietsen. Dat doet er ook helemaal niet toe. Net als
veel andere middeltjes heeft de bal – op mij dan – een positief
psychologisch effect. Al voor mijn eerste schoolreisjes braadde mijn
moeder op de vooravond van de trip naar Efteling, Duinrell of
Omniversum haar zelfgedraaide gehaktballen die zij - nog warm en met het aanhangende jusmengsel - direct op de witte bolletjes sneed, waarna het de hele nacht kon indikken tot een goddelijk mengsel van deeg en vlees. Zes tot acht van die bollen kregen we (mijn zussen waren er iets minder dol op, maar daar had mijn moeder niks mee te maken) mee in ons rugzakje en ik kan me niet heugen dat er ooit één weer mee terugkwam. En nog steeds hoort de bal – op de heenreis naar vakantieadressen, bijvoorbeeld – tot de hoogtepunten in mijn bestaan en heb ik ook mijn nazaten inmiddels warm gemaakt voor deze
familietraditie.


Er zijn wel wielermaten die vreemd opkijken als ik – op weg naar
bijvoorbeeld een Amstel Goldrace – om een uurtje of vijf in de ochtend
in de auto aan mijn eerste broodje bal begin, spoedig gevolgd door een
tweede en een derde. Zelf bijten ze zich dan manmoedig door een
mueslireep of een bruine banaan, maar die krijg ik gewoon niet weg, op
mijn nuchtere maag. Ook halverwege een Keuten- of Gulpenerberg glijdt
het balletje gemakkelijker naar binnen dan zo’n in karamel gestold
granenmengsel met allerlei verantwoorde vitamines en mineralen. Een
man heeft vlees nodig. Dat hoefde je onze vroege voorvaderen al niet
te vertellen.


Enkele jaren geleden ben ik van de zelfgedraaide bal afgestapt en heb
ik me overgegeven aan de kant en klare exemplaren van Dirk van den
Broek. Gemak dient de mens, tenslotte, en ik weet niet wat Dirk (of
zijn vaste slager) erin stopt – ik zie soms stukjes paprika en ui –
maar ze zijn lekker pittig gekruid en na een kwartier goed doorwarmen
in de Croma zijn ze op de ideale temperatuur om tussen mijn bolletjes
te worden versneden. Met zes tot acht tegelijk gaan ze dan – bovenop
elkaar – in de plastic broodzak, die ik open op het aanrecht laat
staan om er een niet al te kleffe bende (condens!) van te maken.


Op buitenstaanders mag dit proces merkwaardig overkomen, het is me al
meerdere keren gebeurd dat ik bij bevoorradingsposten van grote
toertochten tevreden in mijn broodje beet en mij door andere fietsers
jaloers werd gevraagd: ’Wat heb jij?’ Na mijn antwoord (’Broodje bal’)
lopen ze dan gretig alle kramen met verantwoorde repen, krentenbrood
en bananen drie keer af om te kijken waar ik dat ding vandaan heb (uit
de achterzak van mijn wielershirt, maar dat zeg ik er natuurlijk niet
bij).


Nog geen enkele organisatie van een wielerronde durft eraan, aan het
broodje bal. Terwijl er toch voorbeelden zijn van grote renners – denk
aan een Johan Museeuw – die extra spierkracht dachten te halen uit een
bezoek aan dierenartsen die niet vies waren van het toedienen van
hormonen aan de veestapel van onze zuiderburen. Wat mij meteen op de
zorgelijke gedachte brengt: zou Dirk van den Broek zijn varkensvlees
soms uit België halen?


Om te voorkomen dat ik de eerste renner ben die straks positief wordt
getest op de kant en klare gehaktbal, gooi ik alles meteen maar op
straat.


Ja, ik gebruik, ik ben een bolletjesslikker.


En zolang de UCI ze niet op de verboden lijst zet, ga ik er gewoon mee door.

 

 
     
     
  12 mei 2009  
 
 
 

 

 

Jong geluk


Eerste rang zit ze, beentjes languit, op deze vroege zondagmorgen met haar kopje thee voor de achterdeur naar onze tuin te kijken. Merels en koolmeesjes voeren een wilde luchtdans op in de boom die centraal op het middenterras staat en tegen de zijkant van de garage van de buren zie ik ook de klimhortensia bewegen onder het gefladder van vleugels en opstijgend en dalend gevogelte. ,,Volgens mij vliegen de  jonkies uit’’, zegt mijn vrouw genietend. ,,Iedereen is nerveus.’’


Wij zijn de enigen in ons rijtje van zes met een tuin. De rest heeft
een ’plaats’ - die je niet hoeft aan te harken, maar kunt aanvegen -
met in het midden een groen plastic tuinameublement. In het voorjaar
staan er plastic potten met violen omheen. Een enkeling onderhoudt
langs de schutting een smalle border, volgestopt met kleurloze
sierheesters die in het tuincentrum te vinden zijn onder de S van
saai.


Geen wonder dat alle vogels uit de buurt op onze groene oase te midden van deze klinkerjungle afkomen. In de winter zitten ze, als
hangouderen in een supermarkt, op de pergola met de kale takken van de
blauwe regen, om naar de zakjes met pinda’s en zaden te duiken. Terugkerende gasten als het roodborstje scharrelen tussen de
terracottapotten op de grond hun kostje bij elkaar. In het voorjaar
zoeken de vaste stelletjes de wild woekerende klimhortensia op, die de
buurman met zijn snoeischaar manmoedig van zijn garagedak probeert te
weren. Net als de grijpgrage uitsteeksels van de bruidssluier, de
trompetbloem en al die andere klimmers en groeiers die zich in zijn
schone metselwerk willen dringen.


In de hortensia hangt een houten mezenkastje dat onze dochter dertien
jaar geleden heeft getimmerd met de boswachter van Hollands Duin,
momenteel mijn in Spanje rentenierende vriend. Het logo van zijn oude
werkgever, Staatsbosbeheer, staat er nog op maar is, net als de rest
van de kast, volledig door de muur van bladeren aan het oog
onttrokken. Al jaren is dit de vaste broedplaats van een
koolmezenechtpaar dat de hele dag in en uit vliegt alsof er in onze
tuin geen start- en landingsrechten bestaan. Daar pal naast nestelen –
ook onzichtbaar voor het menselijk oog - twee merels, die mijn vrouw
in haar tuin duldt met het tobberige gesteun van de hovenier die zijn
zorgvuldig gecomponeerde woestenij overhoop gehaald ziet door twee
rommelaars. Want dat zijn het. Die beesten wroeten potten, bakken en
borderranden met compost om, voortdurend op zoek naar alles wat maar
bruikbaar is om hun vernuftig gevlochten doorzonwoning te verfraaien.


En deze zondagmorgen is de apotheose van al dit jong geluk. Zien
konden we ze niet, maar de dagen daarvoor hoorden we al het gepiep van
de jonge aanwas uit de hortensia, als we onze fietsen uit de schuur
haalden. Zorgzame ouders scheerden vlak over onze hoofden, om
onverstoorbaar door het ritme van de naar school gaande jeugd hun
eigen kroost te voederen met insecten en wormpjes. Nog even en dan
zien we de kleintjes nog een beetje beverig op de pergola zitten, als
bungeejumpers voor hun sprong in het luchtledige. Ik moet er opuit,
met weer zo’n oude mannenclub een rondje fietsen. Maar mijn vrouw
blijft erop wachten, vanuit haar stoel de blik hoopvol naar de
klimhortensia die tot leven lijkt gekomen onder het uitvlieggeweld.
Merels en mezen overschreeuwen elkaar met hoge, schrille keelklanken,
draaien hun ingewikkelde luchtpatronen voor hun eenmanspubliek, dat
zich, nieuw kopje thee in de hand, glunderend opmaakt voor de
apotheose.


,,Schitterend’’, vindt mijn vrouw. ,,Zo mooi.’’


Bezwaard omdat ik iets van deze lentebetovering moet doorbreken met de
gang naar mijn racefiets, doe ik de achterdeur open. Van het merelnest
uit de woest zwiepende hortensia klimt de dikke, rode kater van een
paar huizen verderop moeizaam weer op het muurtje, kijkt nog een
keertje vuil achterom en springt dan aan de andere kant uit het zicht.


Mijn ’Tsja, zo is nu eenmaal de natuur’ maakt de ontzetting van de
toeschouwster op de eerste rang er zeker niet minder op.

 
     
     
     
     
  5 mei 2009  
 
 
   

 

Symboliek

De schuld lag bij een buurmeisje dat zo nodig moest trouwen met windkracht 8. Of nauwkeuriger gezegd: bij haar ouders, die ons hele rijtje hadden verzocht dit heugelijke feit met gevelversiering enige luister bij te zetten. Maar op 30 april, rond een uur of twaalf, kreeg onze afgebroken vlaggenstokhouder opeens iets symbolisch, in de uitbundig versierde straat waar wij in de uren daarvoor nog als paria’s waren beschouwd.


Niet voor het eerst, overigens, want het Oranjecomité dat de jurering
verricht voor de straatprijs voor de mooist gepavoiseerde buurt,
noteert al jaren een grimmig minpuntje zodra onze woning wordt
gepasseerd. Onze band met het vorstenhuis hoeft niet te worden
onderstreept met slingers, oranje linten en vele honderden meters, met hels kabaal klapperende vlaggetjes. Het heeft, me dunkt, zelfs iets
van majesteitsschennis, om voor de koninklijke familie op hoogtijdagen uit te pakken als bij het Nederlands elftal dat een toernooitje afwerkt.


Maar voor de nationale driekleur maak ik graag een uitzondering. Zoals bij veel eigenaardigheden in mijn karakter, mag ik daarvoor graag
verwijzen naar de periode dat ik in het leger zat. Die 14 maanden
achter een bureau op de administratie van de Landmachtstaf in Den Haag
hebben mij voor het verdere leven gevormd en opgezadeld met een niet
te ondermijnen liefde voor het protocol. Bij elke meer of minder
gerechtvaardigde aanleiding sta ik op ons balkon, om met een zeker
ceremonieel de vlag uit te steken. Al kwam me dat op 19 juni van het
vorig jaar ook op kritiek te staan omdat een meerheid van ons gezin de
verjaardag van Edwin de Roy van Zuydewijn liever in stilte aan zich
voorbij wilde laten gaan.


Maar dit jaar ontbrak de driekleur, vanwege die voor onze plastic
vlaggenstokhouder zo noodlottige windvlaag, gevolgd door mijn
onvermogen om voor 30 april iets aan dit euvel te doen. Nee, in de
voorzienigheid geloof ik niet. Laksheid, was het. Derhalve moest er
iets gebeuren in de aanloop naar 4 en 5 mei, volgens mijn eega – die
latent republikeinse gedachten koestert – de enige dagen waarop met
reden mag worden gevlagd.


De grote bouwmarktketens hebben de afgelopen jaren een belangrijke rol
gespeeld in de revival van de vaderlandslievende gevoelens door voor
een appel en ei vlaggen – compleet met houder en wimpel – aan de man
te brengen. Het was dan ook met zekere schroom dat ik mij tot de
plaatselijke Hubo wendde met de vraag ’of ik ook een losse
vlaggenstokhouder kon kopen?’ Dat bleek het geval. Ik kon zelfs kiezen
uit een plastic of een aluminium exemplaar, welke laatste mij werd
aangeraden vanwege de inwerking die zon, wind en zout – wij wonen
vlakbij de kust – op plastic houders hebben, met alle hier eeerder
geschetste, noodlottige gevolgen van dien.


Alle herstelwerkzaamheden in ons huis begin ik met de groene koffer
waarin zich mijn accuboormachine bevindt. Om bij de eerste tegenslag
(niet te vermurwen roestige schroeven), over te schakelen naar
gereedschapskist 2, waarin het robuuste handwerk ligt uitgestald. Als
ook dat niet lukt, daal ik wederom af naar de schuur voor kist 3, met
hamer, beitel en nijptang, waarmee ik uiteindelijk niet alleen de
restanten van de plastic vlaggenstokhouder maar ook twee stenen in de
muur van het balkon gedeeltelijk in mootjes hak. Kist 4 – we hebben
gelukkig een groot balkon – bevat mijn klopboormachine, pluggen en
door de Hubo niet geheel belangeloos beschikbaar gestelde
roestvrijstalen schroeven, waarmee ik onze gevel uiteindelijk voorzie
van een blinkende aluminium houder waarop mijn klusadviseur
levenslange garantie durft te geven.


Traditiegetrouw raak ik ook gewond – een gemene blaar van een op een
kiezel roodgloeiend geworden boor – en moet ik daarna nogmaals het
huis uit om vijf kilo metselspecie (de kleinst mogelijke verpakking)
aan te schaffen om alle door mij in de voegen van de balkonmuur
geslagen gaten weer dicht te smeren, voordat mijn vrouw thuiskomt.
Door lijden en wederopbouw in deze vorige alinea met elkaar te
verbinden, had ik dit stukje kunnen afsluiten zoals ik het ben
begonnen: druipend van symboliek. Maar dan had u niet geweten van de
handeling waarop ik nog het trotst ben.


Vlaggen van de bouwmarkt zijn gemaakt om te vieren. Niet om te
gedenken. Met een extra oogje, een meter onder de oranjekleurige knop,
heb ik ons exemplaar zodanig gemodificeerd dat hij ook halfstok kan.


Dat heeft die van de buren niet.

 
     
     
     
     
  28 april 2009  
 
 
 

 

 

Pashokje


Vergelijkingen met nog in leven zijnde verwanten dragen alleen boven de wieg een complimenteus karakter in zich. In de jaren daarna zijn ze uitsluitend bedoeld om de herkomst van slechte eigenschappen te duiden. Dus als ik – na vijf martelende minuten in een pashokje met een spijkerbroek die niet verder wil dan mijn bovenbenen en een T-shirt dat dankzij een neklabel op A3-formaat ergens halverwege mijn rug blijft steken – zichtbaar geërgerd voor de deur van de kledingzaak op mijn vrouw ga staan wachten, weet ik dat het niet complimenteus
bedoeld is wanneer ze me voorbijloopt met een venijnig: ’Je bent precies je dochter.’


Niet dat ze het niet geprobeerd heeft. Aan het begin van een mooie
koopavond heb ik haar wel verwachtingsvol op de fiets zien vertrekken
met haar oudste nazaat, zich zichtbaar verheugend op een paar uur
snuffelen in kledingrekken, elkaar bewonderen voor de spiegel en
daarna een cappuccino met warme apfelstrudel in een sfeervol
grand-café. In de regel stond onze dochter dan binnen een half uur
weer voor mijn neus omdat ze na de verplichte aanschaf van een
kledingstuk dat niet op de gok door haar moeder kon worden meegenomen,
haar fiets had gepakt en met een ’Nou doei, ik ga alvast’ een bonte
avond vol winkelplezier had afgebroken om voor haar computerscherm een
stuk uit het Oud-Grieks te vertalen en tegelijkertijd een van internet
gestolen aflevering van inspector Morse te bekijken.


Zelf laat ik me al zoveel jaren op afstand kleden, dat mijn eega was
vergeten van wie deze karaktertrek is geërfd. Al lang voordat het in
het televisiewereldje gemeengoed was, had ik al mijn eigen styliste.
Een paar keer per jaar hangt er bij thuiskomst een stapeltje kleding
over een stoel in de woonkamer dat ik geacht word te passen – past
altijd – waarna het in mijn kast wordt weggehangen, keurig op
hangertjes in setjes gecombineerd zodat ik me ’s morgens niet hoef af
te vragen wat nu bij wat past. Alleen voor een nieuwe spijkerbroek of
een paar schoenen ben ik – altijd na enig misbaar – bereid de gang
naar zo’n tot een halve disco getransformeerd kledingkot te maken.


Als ik mijn aversie tegen het aanschaffen van nieuwe
garderobe-onderdelen zou moeten samenvatten in één woord, kom ik tot:
pashokje. Na het behalen van mijn B-diploma heb ik me ook nooit meer
in een zwembad laten zien omdat ik er niet tegen kan me van mijn
kleding te ontdoen in een veel te krappe ruimte met te weinig haken,
geen krukje om even te zitten om je veters vast te maken en een slecht
sluitend gordijn dat niet verder reikt dan scrotumhoogte. Bovendien is
mijn echtgenote gezegend met de doortastendheid waarmee frequent
winkelende vrouwen dit gordijn openrukken op een moment dat je je in
onderbroek uit de pijp van een veel te krappe pantalon probeert te
worstelen. ’Nou, past het?’


Als ze me eenmaal in een pashokje heeft, laat ze me er ook niet meer
uit. Het gordijn blijft op de meest ongelegen momenten open en dicht
gaan om nieuwe kledingstukken naar binnen te duwen, ook van het soort
waarvan ik zeker weet dat ze altijd passen (T-shirts, maatje XL) maar
ze nog even wil zien hoe ze ’combineren’ en of ze ’me staan’. Haar
verontwaardiging als ik uiteindelijk toch uit mijn kledingisoleercel
weet te ontsnappen is deze avond zo groot, dat ze bijna vergeet me nog
naar een schoenenboer te slepen om me geroutineerd aan de twee enige
maatjes 47 die voorhanden zijn te helpen. Ik sta alweer buiten te
mokken als ze met de winkeljuf afspreekt dat een passend model met de
gewenste kleur uit een ander filiaal in een naburig dorp wordt
gestuurd.


Bevrijd keer ik huiswaarts, om een dag later op de eettafel de doos
met mijn nieuwe schoeisel aan te treffen. Type hoge gympie, merk
Yellow Cab (zie ik op de zool), lichtbruin en op de neus, de zijkant
en op de witte veters van die grote, fabrieksmatig aangebrachte
vuilstrepen die je normaal pas krijgt na een paar duizend kilometer
stevig doorstappen in een mediterraan land waar de straatvegers al een
paar maanden in staking zijn.


Mooi. En: ze zitten lekker. Heb ik gezegd.


Anders kan ik ze nog gaan ruilen ook.

 
     
     
     
     
  21 april 2009  
 
 
   

 

Getrouwde vrijgezellen


De werkplaats van de fietsenmaker vult zich met wat mijn wederhelft 'getrouwde vrijgezellen' noemt. Behelmde mannen van middelbare leeftijd in een fietspakje, met aan hun hand een rijwiel van minimaal twee keer modaal. Korte gesprekken, dito antwoorden. ,,Nog getraind?'' Een beteuterd hoofdschudden. ,,Nee, ik moest krediet opbouwen.'' De goede verstaander - en dat zijn ze hier allemaal, op de verzamelplaats van de plaatselijke wielerclub - weet genoeg. Hij mocht niet van zijn
vrouw.


Toen de wereld nog een stuk overzichtelijker was, kregen alleen kerels die te lang in de kroeg hingen, hun kinderen sloegen of achter hun
secretaresse aanjoegen ermee van doen. Maar tegenwoordig maken ook zij die lichaam en geest stalen door een substantieel deel van de week op het zadel van een racefiets door te brengen, zich vatbaar voor
kritiek. Ik verlies me er helemaal in. Heb nergens anders oog voor.
Vergeet dat ik nog een gezin heb dat liefde, tijd en aandacht nodig
heeft. En dat ook de kozijnen hoognodig aan een schilderbeurt toe
zijn.


Om maar eens een anonieme bron te citeren.


Fietsen is een tijdrovende hobby. Als je aan het begin van het jaar -
met lankmoedige instemming - besluit de Alpenreuzen in La Marmotte te
beklimmen, een trainingskamp in Spanje belegt, inschrijvingen voor de
Amstel Gold Race, Limburgs Mooiste en nog een handvol andere
toertochten de deur uit doet, weet iedere ingewijde dat daar vele
honderden uren trainingsarbeid aan vast zitten. Nee, aan de
niet-ingewijden is dat minder duidelijk gecommuniceerd. Maar als je
alles voorkauwt, neem je iemand ook niet serieus.


Bovendien, trainen doe ik zoveel mogelijk op incourante tijden. Op
zondagmorgen, tussen 8 en 11.30 uur, als de rest van het gezin het
proces van uitslapen, uitgebreid ontbijten en badderen ondergaat. Als
ik dan na 100 kilometer terugkom, moet ik voor de douche nog op mijn
beurt wachten. Doordeweeks rijd ik vooral tussen 18.30 en 21 uur,
waarna er nog een avond voor ons open ligt. En nooit meer dan één
grote toertocht per maand. Op die andere zaterdagen train ik 'gewoon',
twee tot drie uurtjes. Of pleeg ik fietsonderhoud, gezellig voor
iedereen aanspreekbaar in de achtertuin.


Wat daar op af te dingen valt? Dat ik op zaterdagavond al 'ongezellig'
ben omdat ik op zondag op tijd moet fietsen. Dat ik doordeweeks na het
avondritje nog een paar uur achter de computer kruip om mijn
trainingsgegevens en m'n wielerlog bij te houden. Dat je voor zo'n
toertocht in een uithoek van het land vaak tussen 7 en 17 uur onderweg
bent. Dat mijn vrouw na 4.15 uur geen oog meer dicht deed, toen mijn wekker afliep voor de toerversie van de Amstel Gold Race in Limburg ('s avonds om 20 uur weer thuis met twee tasjes vuile was). Dat ik de week daarvoor al een hele dag weg was voor Veenendaal-Veenendaal. Kortom, dat ik meer genegenheid aan de dag leg voor mijn carbon frame en kekke witte schoentjes dan voor mijn eigen vlees en
bloed.


Berekenender wielrenners dan ik doen om die reden op tactische
momenten een stapje terug. Laten een training lopen. Zeggen af voor
een tocht. Niet omdat ze geen zin hebben. Maar om krediet op te
bouwen. Via de ander investeren in zichzelf. De frustratie die hieruit
voorkomt laat zo'n compromiszoeker de vrije loop door - zodra de
gelegenheid zich voordoet - opzichtig jaloers aan mijn eega te laten
weten 'dat ik toch wel heel veel mag', daarmee het zaad zaaiend van de
overtuiging dat mijn teugels te veel worden gevierd.


Want is het niet zo dat ik er sta, zodra mijn gezin mij nodig heeft?
Heb ik laatst niet vele uren gestoken in de computer van mijn zoon,
die last had van chronisch blauwe Windowsschermen? En wie neemt er
zijn verantwoordelijkheid, als 's morgens om 7.45 uur de band van de
fiets van zijn dochter lek staat? Kleine dingetjes, ik weet het, maar
mijn vriend Mart, met wie ik soms de zwaarte van het bestaan deel,
verwoordde het laatst nog zo mooi. ,,De levenstaak van ons mannen
speelt zich af achter de zwarte gordijnen van het gezinspodium. Wat
zou dit familietoneel zijn zonder onze facilitering?''


Het is met een zekere schroom, dat ik hem citeer, want hij schijnt
meer recht van spreken te hebben dan ik.


Hij doet niet aan wielrennen.

 
     
     
     
     
  7 april 2009  
 
 
   

 

Stemmingen

 

Er zijn allerlei syndromen en hormonen verantwoordelijk voor
stemmingswisselingen bij de vrouw. Maar deze kende ik nog niet. ,,Het zou best eens kunnen zijn'', zeg ik bedachtzaam, als mijn maat de kaarten verzamelt en onze tegenstanders in diepe verslagenheid hun verlies verwerken, ,,dat ik het laatste potje heb verzaakt.'' Twee vlakke handen slaan met een knallende klap tegen het tafelblad en uit evenzoveel kelen klinkt het eenstemmig gekrijs dat zich in deze familiekroniek niet laat reproduceren.


Net als Louis van Gaal hebben ook wij een vast kaartclubje, dat op
ongeregelde tijdstippen bij elkaar komt. De trainer van AZ weet zich
in het veilige gezelschap van mannen, vrienden van jaren her. Wij,
mijn vriend Mart en ik, tarten elke keer het noodlot door tegen onze eigen vrouwen in het strijdperk te treden. Welk spel Louis speelt, heb ik even niet paraat. Maar dat van ons is klaverjassen, waarbij het
tekenend is voor mijn spelniveau dat ik niet weet of wij de Amsterdamse of de Rotterdamse variant hanteren. Na bestudering van het
betreffende hoofdstuk in Wikipedia neig ik naar de laatste, maar het zou ook zomaar kunnen dat ik Rotterdams speel en de rest van het gezelschap Amsterdams: spelregels zijn voor mij een knellend keurslijf dat ik tijdens een gezellige avond nog wel eens van mij af wil werpen.


Voor mijn maat en mij is klaverjassen een spel waarin we alleen maar
te winnen hebben. Als het geluk ons toelacht - want wat deskundigen
ook beweren, zonder fatsoenlijke kaarten ben je nergens - mogen wij de
tegenstander graag vernederen. Niets menselijks is ons vreemd. Als de
kaarten tegen zitten, staat voor ons het spelplezier fier overeind.
Zelfs met een handvol ellende willen we nog wel 'gaan', louter om die
mannelijke adrenalinekick te ervaren. Liever strijdend ten onder dan
het voorzichtige, louter op 'vooral maar niet verliezen' gebaseerde
spel van hen die voor de burgerlijke stand onze wederhelften vormen.


Zo niet de dames. Al lang voordat mijn maat de kaas en de worst op
tafel heeft gezet - ja, wij zijn van de gezelligheid - spelen zij met
het mes op tafel. Dat is in de beste tradities van het klaverjassen,
waarmee reputaties kunnen worden gemaakt of gebroken. Uiteindelijk is
John de Wolf bekender als valsspeler aan de kaarttafel dan als
bikkelharde verdediger van Feyenoord.


Als een eenvoudig gezelschapsspel een zaak van leven en dood wordt, is
de geringste tegenslag voldoende om de stemmingscurve finaal te doen
omslaan. Puur uit lijfsbehoud is onze avond dan ook al geslaagd als de
tegenstander de wind in de rug heeft. Dan weten wij ons in het
gezelschap van vrolijke, charmante, voorkomende vrouwen. Staan zij op
verlies, dan is elke verkeerd geplaatste opmerking, elke uiting van
onbestemde joligheid of het optrekken van een mondhoek al voldoende om
zicht te bieden op een naderend levenseinde. Jazeker, want ook fysiek
geweld (knijpen, slaan) wordt niet geschuwd.


In tegenstelling tot John de Wolf ben ik te argeloos om vals te
spelen. De keren dat ik een verkeerde kaart opgooi gebeurt dat niet om
er zelf beter van te worden. Ik zit niet op te letten. Heb het te veel
naar mijn zin. Zie mijn geest vertroebeld door een prettig stukje
grillworst. Een fijn glas wijn. Een toastje krabsalade. Zo ook deze
keer dat onze tegenstanders 'gaan', ik braaf mijn kaarten blijf
meegooien en me bij de laatste slag realiseer dat ik ergens ben
vergeten de hoogste troefkaart op te gooien. Verzaken, heet dat - een
doodzonde - maar niettemin een buitenkansje als ik er op de valreep
louter azen en tienen mee binnenhaal en de tegenpartij (die ging)
'nat' speel.


Verdoofd kijken onze wederhelften voor zich uit, een vrijwel zekere
overwinning over zestien potjes alsnog teniet zien gedaan door het
verlies van 162 hele punten. Heel bewust wacht ik nog even om de
twijfel over mijn eigen spel onder woorden te brengen. Een van de
weinige dingen die mij uit de jurisprudentie is bijgebleven, is dat
protesteren alleen rechtsgeldig is als de kaarten nog op tafel liggen.
Er is in de wetenschap nog (te) weinig bekend van de invloed van
klaverjassen op stemmingswisselingen bij vrouwen. Mij is dus niet
euvel te duiden dat ik niet wist hoe ze tot bedaren te brengen. Maar
met mijn analyse 'dat dit bewijst dat jullie dichter bij de dieren
staan dan wij mannen' lukte het in elk geval niet.

 
     
     
     
     
  31 maart 2009  
 
 
   

 

Jury


Bij het kunstrijden op de schaats, de rechtspraak in Noord-Korea en het Europese Songfestival is al aangetoond dat het oordeel van een jury niet zaligmakend is, houd ik mijn dochter voor. ,,Er hoeven maar een paar malloten in te zitten en het gaat de hele verkeerde kant op’’, temper ik haar verwachtingen voor de finale van de ’BBC Young Writers Award’, waartoe ze is doordrongen met een essay (’Pulling Acceptance across the Threshold’) dat ik alleen volledig kan bevatten met behulp van de Longman Dictionary of Contemporary English. Maar dat
kloeke woordenboek krijgt ze pas na afloop uitgereikt.


De weg erheen is lang. Op meer dan zestig scholen schrijven eind vorig
jaar honderden leerlingen van 16 tot 20 jaar hun stukken over zes door
de BBC Awards vastgestelde thema’s. De beste daarvan worden ingezonden en beoordeeld door negentig literatuurstudenten, waarna een shortlist van acht essays is opgesteld die tijdens de finale - afgelopen
zaterdag in Amsterdam - worden voorgelegd aan een jury onder
voorzitterschap van de Britse ambassadeur, H.E. Lyn Parker, en waarin
ik ook verder met de beste wil van de wereld geen malloot kan
ontdekken. Maar ouders zeggen wel vaker wat, om hun kroost te
bemoedigen.


De weg erheen is ook vol voetangels en klemmen. De zwaarste dag is als
mijn introverte oudste nazaat met een andere ’Young Writer’ van Leiden
naar Utrecht afreist voor een introductievideo voor de organisatie, twee goederenwagons voor haar eigen boemeltje ziet ontsporen, het
complete treinverkeer ontregeld weet, anderhalf uur te laat komt voor haar afspraak en bij terugkomst haar rijwiel weggesleept blijkt door
overijverige Leidse ambtenaren die alles in beslag nemen wat, keurig op de standaard, een halve meter naast een overvol rek oud roest staat geparkeerd (Fiets fout = Fiets weg). Aan de andere kant van de stad kan haar Trek na betaling van 26 euro weer worden opgehaald en mag ze – inmiddels acht uur onderweg voor een filmpje van vijf minuten – weer naar huis trappen. Onderweg begin het onbarmhartig te hagelen. En een dag later zit er in onze mailbox een ’student absent-melding’ waarin haar school meedeelt dat ’ons kind zonder melding afwezig is geweest en de volgende les(sen) heeft gemist...’.


Ja, zo gaat een land als dit om met zijn getalenteerde Young Writers.


Het moet toch niet veel gekker worden.


Ooit zelf genomineerd voor de Kampeerpersprijs met een vermeend
hilarische column over het bezoek aan een gehandicaptentoilet, mag ik
mezelf gelouterd weten op het gebied van schrijverscompetities. Maar
ik moet toegeven dat de ambiance van de kampeer- en caravanbeurs
enigszins schril afsteekt tegen die van de Lutherse Kerk, tegenwoordig
het auditorium van de Universiteit van Amsterdam. Onder leiding van
Aldith Hunkar wordt een programma afgewerkt waarbij er voor de acht
’writers’ een licht passief (ze mogen even zwaaien naar het publiek)
maar voor de acht ’public speakers’ (die hebben hun eigen competitie
voor de BBC Awards) een hyperactief programma wordt afgewerkt met een
speech en interactie uit de zaal. Van de schrijvers is er de gewraakte
video en hun bijdragen staan in het programmaboek dat vooraf en in de
pauzes wordt gespeld door de enkele honderden aanwezigen – familie van
de finalisten, maar ook docenten, betrokken Britten en andere
Angelsaksisch georiënteerden. En bovenal de special guest: het gezicht
van BBC World News, presentator en journalist Lucy Hockings.


Onze dochters inschatting van haar eigen werk blijkt een realistische.
Dat zij met een persoonlijk, vooral literair stuk is doorgedrongen tot
een finale waarin de nadruk wordt gelegd op het academisch gehalte,
noemt ze al een buitenkansje. Dat de vakjury kiest voor een, overigens
knap geschreven, essay waarin de Britse staatsomroep op zijn waarde
wordt geschat (thema: ’What BBC TV does for me’) mag evenmin een
verrassing heten. Maar uit handen van de Britse ambassadeur krijgt ze
waar ze vooraf stilletjes op had gehoopt: de ’Audience Award’ (de
publieksprijs, dankjewel Longman Dictionary).


De warme woorden van Her Majesty’s Lyn Parker doen haar goed, maar ze
is vooral verguld als na afloop BBC’s Lucy Hockings voor een praatje
op haar afstapt. ’I voted for you’, zegt ze. Waarmee mijn haarscherpe,
zakelijke slotanalyse achteraf toch nog wordt vertroebeld door
schaamteloze vadertrots.


’Zei ik het niet? De echte kenners zaten in de zaal.’

 
     
     
     
     
     
  24 maart 2009  
 
 
   

 

Lenigheid van geest
 

Zodra zijn moeder hem verbaal de les heeft gelezen over het na
schooltijd ledigen van een zoveelste zak chips, neem ook ik onze zoon nog even heimelijk apart. Net als mijn vrouw ben ik ernstig teleurgesteld in zijn gedrag, al putten we daarvoor ieder uit een verschillende bron. Zij baalt ervan dat hij – ondanks herhaalde waarschuwingen – toch weer over de schreef is gegaan. En ik omdat hij de bewijzen voor zijn overtreding zo opzichtig in de bank voor de tv heeft achtergelaten. ,,Als je alles gewoon netjes had opgeruimd, sukkel, had er geen haan naar gekraaid.’’


Nee, in het Groot Opvoedboek is hier waarschijnlijk niks over terug te
vinden, maar het hoort onmiskenbaar bij de levenslessen. Bovendien kan
ik ook mijn eigen jeugd niet verloochenen. Aan roof, moord en veel
andere misdrijven hangt een verjaringstermijn, maar op vrijwel elke heugelijke familiebijeenkomst komen mijn drie zussen met anekdotes
over hoe ik vroeger brandschattend en plunderend door de familievoorraad frisdrank en zoetwaren ging. Daarbij moet worden
aangetekend dat het hier de sobere jaren zestig betrof, waarin de cola en sinas niet in sixpacks van tweeliterflessen bij de Duitse supermarktketen werden weggesleept. Wat ik mij illegaal toeeigende, haalde ik ook rechtstreeks uit hún hongerige monden.
 

Van dat besef werd ik destijds dagelijks doordrongen. Maar het was
sterker dan ik.
 

Mijn rooftochten door het huis waren zo legendarisch dat mijn moeder
zich constant het hoofd brak over nieuwe plekken om mijn beoogde buit
te verstoppen. Maar ik was goed. Geen hoekje in het huis was veilig,
zelfs niet toen zij haar toevlucht zocht tot weinig voor de hand
liggende locaties als de trommel van de wasmachine. O, de triomf, als
ik hier een liter cassis of een zak winegums aantrof. Verstopte
sleutels van voorraadkasten haalde ik onder matrassen of de kussens
van de echtelijke sponde, of van de bodem van de bus waarin de
theezakjes werden bewaard. Mijn favoriete vondsten bestonden uit reeds
geopende flessen of zakken, omdat ik daarmee de verstopper enige dagen
in de waan kon laten dat deze plek voor mij veilig was. Uit flessen
nam ik daartoe maar een paar slokken. Bij chips, nootjes en zoetwaren
nooit meer dan een handje of twee.
 

Bij ontdekking bediende ik me van de volgende tactieken: altijd
ontkennen en – wanneer dat in twijfel werd getrokken – de bewijslast
bij de aanklagende partij leggen. (Mocht dit geschrift als een late
bekentenis worden opgevat, dan beroep ik mij tijdens de eerstkomende
familiebijeenkomst op de vrijheden van de columnist om de waarheid
naar zijn hand te zetten.)
 

Onze zoon (12) heeft wel mijn vraatlust, maar niet mijn vaardigheden
in het maskeren van de roof geërfd. Als Klein Duimpje in het grote bos
laat hij op zijn omzwervingen door het huis opzichtige sporen van
zoetwarenverpakkingen en etensresten na. En als hij al eens moeite
doet om zijn gangen onzichtbaar te maken, vinden we de bewijzen wel
bij het opschudden van de kussens van de bank en wanneer we vanaf het
toilet onder het badkamermeubel kunnen kijken. Of valt hij door de
mand door bij het avondeten na drie happen te verklaren dat hij ’vol’
zit – in feite ook de reden voor zijn verzwaarde frisdrank-, chips- en
zoetwarenregime. De gretigheid waarmee hij zich van snacks bedient,
staat haaks op zijn vermogen een fatsoenlijk bord avondeten weg te
werken.
 

Ofschoon ik ook in de opvoeding heilig geloof in de principes van Yin
en Yang, waak ik ervoor mijn zoon - zeker in het bijzijn van mijn eega
(Yin) - al te opzichtige tips te geven. Maar werkeloos aan de kant
blijven staan, dat nooit. Het verkennen van de grenzen hoort bij de
puberteit, zoals een zekere mate van gewiekstheid en bedrog - nee,
laten we het lenigheid van geest noemen - onontbeerlijk is om je in
bepaalde geledingen van de maatschappij te handhaven. Zolang hij nog
niet weet wat hij later wil worden, zorg ik ervoor dat alle opties
open blijven.
 

Ja, ook die in de politiek, de makelaardij en het internationale bankwezen.

 
     
     
     
     
  17 maart 2009  
 
 
   

 

Vaatwasserinruimdeskundige


Lange tijd heb ik gedacht dat ik de enige was, een wetenschap die gepaard ging met eenzaamheid, vertwijfeling en middernachtelijke huilbuien. Maar zaterdag, tijdens Mooi Weer De Leeuw, zag ik opeens een collega, een lotgenoot eigenlijk, iemand met dezelfde aanleg en gedrevenheid. Zelfs mijn grootste critica – de vrouw die al meer dan 25 jaar aan mijn zijde vertoeft – kon een blik van herkenning niet onderdrukken. ,,Kijk, daar heb je er nog een’’, smaalde ze. ,,Zo’n
vaatwasserinruimdeskundige.’’


Vooral vrouwen hebben geen hoge pet van ons op. Mijn collega was
middels Mooi Weer De Leeuw ingehuurd door een wanhopige man, die zijn
echtgenote voor het oog van de tv-camera’s wilde laten demonstreren hoe de vaatwasser het best kan worden volgestouwd. Alsof ik naar
Rondom Tien keek, zulke schokgolven van herkenning zag ik op mij afrollen. Elke avond moest de ongelukkige, als hij thuiskwam na een dag van hard werken, de vaatwasser in feite weer compleet leeghalen omdat zijn wederhelft er in was geslaagd met drie koffiekopjes en vier sherryglazen de machine zodanig onhandig in te richten dat er geen boterhambordje meer bij kon.
 

Het stouwen van lading is van oudsher mannenwerk. Dat was al zo in de tijd van de VOC en zelfs nu nog, met alle techniek die ons ter beschikking staat, is het aan boord van een schip nog steeds de stuurmán die hiervoor de verantwoordelijkheid draagt. De enkele keer dat je een tanker in tweeën gebroken aan een kade ziet liggen, kun je er donder op zeggen dat een stuurvrouw toezicht op het laden en lossen heeft gehad. (Nee, dit is geen mannenprietpraat: ik ben voornemens mijn bevindingen binnen afzienbare termijn te publiceren in de gezaghebbende The Scientist.)
 

De echtelijke twisten waartoe het inruimen van vuil serviesgoed in
mijn eigen gezin aanleiding geeft, openbaren zich doorgaans pas als
wij in bed liggen. Op momenten dat ik als vaatwasserinruimdeskundige
even de teugels laat vieren, word ik gewekt door het monotone gebonk
van de vinnen die tegen een verkeerd geplaatste pollepel of een te
hoog opgetaste glazen schaal slaan. Zuchtend en steunend over zoveel
onbenul mag ik dan de sponde verlaten om halverwege het programma
’Normaal’ (55 graden) met beslagen brillenglazen te redden wat er nog
te redden valt. Ook op dit soort momenten hunker ik als
vaatwasserinruimdeskundige tevergeefs naar erkenning. Als ik verkleumd
weer terugschuif onder de klamme lappen, wordt mij toegevoegd ’waar ik
me in hemelsnaam druk om maak; jouw gesnurk is tien keer erger’.
 

Als gezin hebben we toch al een moeilijke vaatwasperiode achter de
rug. Bijna drie weken lang hebben we gekampeerd in eigen huis omdat
onze tien jaar oude Miele eerst het water niet wilde wegspoelen,
vervolgens weigerde op te warmen en uiteindelijk geen water meer
innam, waardoor de vatenkwast en vloeibaar Dreft – artikelen die onze
nazaten kennen uit ons verblijf in de caravan – eraan te pas moeten
komen. Op dit soort momenten werd mijn vaatwasdeskundigheid wel
erkend, in die zin dat ik elke avond als het gezinslulletje de afwas
stond te doen terwijl vrouw en kinderen na het eten schielijk naar
zolder verdwenen om daar hun dartcompetitie af te werken.
 

Nadat de machine in drie tijdrovende sessies was gerepareerd, had ik
als vaatwasserinruimdeskundige moeite alles weer zoals vroeger op zijn
vertrouwde plek te krijgen. ,,Het lijkt wel of we in het middenrek
minder ruimte hebben dan voorheen’’, had mijn eega al een paar keer
gezegd. En inderdaad, allerlei hoge glazen pasten er opeens niet meer
in. Tevergeefs had ik dit probleem al enkele keren bestudeerd, om het
– na het uitblijven van een oplossing – maar te ontkennen. ,,Ben je
gek, dat lijkt maar zo.’’
 

Totdat mijn collega bij Mooi Weer De Leeuw ergens halverwege zijn
demonstratie twee handgrepen aan de zijkanten vastpakte en het
middenrek in een soepele beweging flink wat lager zette. Met een
triomfantelijk gezicht stond mijn vrouw op van de bank, liep naar de
keuken, deed onze vaatwasser open en herhaalde de zojuist
gedemonstreerde handeling. De rest van de avond leken de bordjes
definitief verhangen.
 

Zo ben je nog een vaatwasserinruimdeskundige.
 

En zo ben je weer een prutser

 
     
     
     
     
  10 maart 2009  
 
 
 

 

 

Stempel


Schroomvallig is het woord dat zich opdringt bij de blik waarmee de doktersassistente mijn urinecontainer met garantiesluiting in ontvangst neemt. Ze klinkt een beetje schor als ze, na een korte stilte, het woord tot me richt. ’Ik durf het bijna niet te vragen...’ Na mijn goedmoedige knikje verbreekt zij het zegel en neemt – de ogen geloken – een klein slokje.


Tsja, mijn collega’s wilden dit ook al niet geloven, maar je moet toch
wat om een zekere heroïek toe te kennen aan het groot sportmedisch
onderzoek waaraan een ambitieuze senior zich moet onderwerpen om La
Marmotte te mogen fietsen. Voor mijn 20-jarig neef volstaan tien
symbolische kniebuigingen, voordat de arts zijn bevrijdende
handtekening en stempel op het formulier zet. Ik word op een
woensdagmiddag drie uur door de mangel gehaald alsof ik voor zes maanden word afgeschoten naar de steriele atmosfeer van het ruimtevaartstation ISS.
 

Indekgedrag, oordeel ik aanvankelijk over het formuliertje dat de organisatie van La Marmotte – een eendaagse fietstocht van 174 kilometer waarbij achtereenvolgens de alpenreuzen Croix de Fer, Telegraph, Galibier en Alpe d’Huez moeten worden beklommen – van mij wil ontvangen voordat ik een startbewijs krijg. In Nederland mag je
met twee lekkende hartkleppen nog de Amstel Gold Race, Limburgs
Mooiste en de Steven Rooks Classic op één dag rijden, maar Fransen en
Spanjaarden laten je pas aan de start verschijnen als alle organen een
keer zijn doorgemeten en alle gewrichten zijn betast.
 

Van collega-fietsers hoorde ik dat met deze verplichting pragmatisch
kan worden omgegaan: je belt even naar je huisarts, laat de assistente
een stempeltje zetten en fietsen maar. Doch mijn poging mijn eigen
huisarts zo gek te krijgen – in mijn elektronisch patiëntendossier kan
hij zien dat ik, op een dagelijkse hogebloeddrukpilletje na, al 48
jaar zo gezond ben als een vis – strandden op een secretaresse die
haar certificaat klantvriendelijkheid nog in het vroegere Oostblok
heeft gehaald. Het enige dat ik van haar krijg is een lijstje met
artsen in mijn woonplaats die wel een keuringsprogramma in hun pakket
hebben.
 

Dat blijkt nog niet mee te vallen. Telkens weer stuit ik op de muur
die assistentes optrekken rond hun employee, die het zo druk zou
hebben dat hij geen krabbeltje kan/wil zetten onder de
gezondheidsverklaring van een jongbejaarde die op één dag 5000
hoogtemeters wil gaan wegtrappen. Ten einde raad wend ik me tot de
sportgeneeskundige afdeling van een streekziekenhuis, waar ik in een
ver verleden goede ervaringen heb opgedaan met een hardnekkige
hardloopblessure.
 

Op internet had ik al gezien dat mij een breed scala van
sportkeuringen ter beschikking staat, maar na het opgeven van mijn
missie (La Marmotte) en mijn leeftijd (48), blijft er volgens de
functionaris die ik aan de telefoon heb nog maar weinig te kiezen
over: het groot sportmedisch onderzoek moet en zal het worden. Naast
het opnemen van allerlei lichaamskenmerken omvat deze apk voor het
lichaam – zoals mijn lijfblad Fiets het deze maand zo treffend
omschrijft – onderzoek naar de longfunctie, een hartfilmpje in rust,
een bloed- en urineonderzoek en een maximale inspanningstest met
ECG-controle. Dat laatste houdt in dat je, beplakt met elektroden, een
kwartier lang met steeds meer weerstand de trappers rond moet krijgen,
totdat je uiteindelijk op (in mijn geval) een hartslag van 187 zit.
 

En dat is nog heel behoorlijk, vindt de sportarts, als je het
vergelijkt met de andere recreatiefietsers in hun laatste levenshelft.
Uit de grafieken die de plotter uitspuugt blijk ik bovendien 29
procent boven het gemiddelde te trappen. Na mijn bescheiden ’En dan
ben ik dit jaar nog maar nauwelijks in training’ krijgt mijn
rennersego een nieuwe boost: ’Met jouw maximale vermogen zou je ook
bij de amateurs goed kunnen meekomen.’ Over mijn koersinzicht kan hij
niet oordelen, maar ’ze rijden je er in elk geval niet af’.
 

Ook anderszins kom ik glansrijk door de keuring, al maalt de laatste
dagen wel het zinnetje door mijn hoofd waarmee de sportarts mij -
languit op zijn behandeltafel - typeerde. ’Je hebt niet echt het
postuur van een wielrenner, hè?’
 

Vijf kilo moet er zeker af. Tien zou ook helemaal niet gek zijn.
De oorzaak daarvan verwoordt hij op een prominente plek in de uitslag
van mijn groot medisch sportonderzoek:
 

’Alcohol: 15 eenheden per week’.
 

Zat er toch wijnazijn in mijn urinecontainer.

 
     
     
     
     
  3 maart 2009  
 
 
   

 

Klusvakantie

Na het succesvol witten van tientallen vierkante meters
glasvezelbehang, ben ik toe aan het fijnere werk. ,,Morgen ga ik het achterkozijn en de keukendeur verven’’, stel ik mijn eega voor, barstensvol zelfvertrouwen en met onverholen trots. Wat volgt is de pijnlijkste stilte van onze gezamenlijke klusvakantieweek. ,,Uh, ja’’, komt ze aarzelend op gang. ,,Zou je dat mij niet laten doen? Ik vind jou meer een type voor de buitenboel en de lange rechte stukken met de roller. Je smeert het er altijd zo dik op.’’


Samen doe-het-zelven verbroedert, maar kan een stel ook uit elkaar
drijven. Er zijn tv-programma’s (’Help, mijn man is klusser’) gewijd
aan relatieproblemen die (voornamelijk) mannen met twee rechterhanden
en een ongezonde dosis zelfoverschatting kunnen veroorzaken door hun
geliefde jarenlang in een bouwval te laten kamperen. Dat wij er toch
aan zijn begonnen, heeft alles te maken met het feit dat mijn
jaarlijkse fiets-wintertrainingskamp in Spanje niet doorgaat omdat het
onderkomen van mijn rentenierende vrienden momenteel rigoureus wordt
verbouwd. Het geld dat we hadden kunnen steken in een
schildersbedrijf, investeren we nu in duurzame goederen (flatscreen, nieuwe servieskast, opknappen van de meubels), wat op het Acht Uur
Journaal wordt geduid met de vaststelling dat ’de kredietcrisis ons
volk inventief maakt’.


Onze taakverdeling is vanaf het begin duidelijk: mijn vrouw zet de
lijnen uit (figuurlijk, maar ook letterlijk: met de kwast doet zij de
randjes en de naden) en ik rol overal vrolijk achteraan. Zelf heb ik
me voorgenomen deze week in goede harmonie te laten verlopen, dus geen
kwaad woord over de punctualiteit van de fijnschilder waarmee mijn
wederhelft plafond en muren te lijf gaat. Aangezien ik pas kan
beginnen als zij de randjes en de naden heeft afgewerkt (ja, ik weet
het: er zijn echtparen die het andersom doen, maar dit is nu eenmaal
ons systeem), breng ik ruwweg tweeënhalve dag van mijn vijf
vakantieklusdagen door met wachten. Negen keer – ik heb alle tijd om
het te tellen – haalt zij haar kwast over elke tien centimeter te
verven oppervlak. Dat is: heen, terug, heen, terug, heen, terug, heen,
terug en heen. Klaar. Volgende tien centimeter.


Toen ik het na anderhalve dag niet meer hield en er, heel voorzichtig,
een kleine kanttekening bij plaatste, werd ik venijnig weggezet als
een combinatie van Anton Heijboer en Herman Brood, met dien verstande
dat niet alles wat ik met de verfroller aanraak verandert in goud.
Mijn mannelijkheid krijgt in deze klusvakantieweek toch al een
geduchte knauw door de - ’handyman’ die we hebben ingehuurd om
allerlei pijnpunten uit tien jaar woonhistorie uit de weg te ruimen.
Met de achteloosheid van de ware artiest verstopt hij binnen
anderhalve dag leidingen in het beton, hangt deuren recht, kit
hardnekkige lekkages waterdicht en voorziet koelkast en vaatwasser –
die we twee jaar lang met een schroevendraaier hebben moeten
openwrikken – weer van handvaten. Ik sta erbij en kijk ernaar, als een
kleuter naar Ronaldo die een balletje hooghoudt. Af en toe maant mijn
eega mij om m’n mond dicht te doen omdat ik anders teveel huisstofmijt
verzamel.


Het is een bekend verschijnsel uit de psychologie dat ik een dag later
– opnieuw gedreven door trots en zelfoverschatting – mijn echtgenote
meetroon naar de badkamer waar ik – kijken was voor mij dezer dagen
ook leren – de wisselschakelaar demonstreer die ik eigenhandig heb
ingebouwd om weer licht boven de spiegel te maken. Een uur lang heb ik
hem laten proefbranden, maar nu het erop aankomt laat het klereding
ons in het duister staan. Als ik ongeduldig aan het halogeenlampje
draai, veroorzaak ik een steekvlam en merk ik aan de paniekkreten van
nazaten achter computer en X-boxen dat ik ook andere delen van ons
huis zonder stroom heb gezet.


Nederig loop ik naar de tuin om – op de plek waar andere ’handymen’ in
een vloek en een zucht twee nieuwe ramen hebben geplaatst – de
buitenboel in de lak te zetten.


Lekker dik, laat dat maar aan mij over.

 
     
     
     
     
  24 februari 2009  
 
 
   

 

Crisis


De aanpak van de kredietcrisis verschilt binnen het gezin niet zo gek veel van die van het kabinet. Een combinatie van bezuinigen op overbodige uitgaven en investeren in groei. ,,Wat? Honderd euro voor een uurtje bij de kapper?’’, reageer ik, licht overspannen, op een eerste potentiële bezuinigingspost in het uitgavenpatroon van mijn eega. ,,Dat kan voortaan wel wat minder.’’ De oppositie snelt onmiddellijk naar de interruptiemicrofoon. ,,We zullen jouw nieuwe racefiets afbestellen’’, krijg ik terug. ,,Kan ik daar 45 keer mijn haar van laten doen.’’ En dan zegt ze nog dat onze puberende zoon altijd het laatste woord wil hebben.


Net als de meeste modale consumenten worden wij nog niet hevig getroffen door de crisis, waardoor onze hand niet in een psychologische kramp naar de knip is gegaan. Want dat is helemaal de dood in de pot voor het bedrijfsleven, dat toch zijn producten moet blijven afzetten. Maar van een gelukkige hand van investeren is tot nog toe geen sprake. Onze nieuwe LCD Kuro 100Hz-tv van Pioneer hangt nog maar net aan de muur, of Teletekst meldt (in sprekende kleuren en vlijmscherp, dat dan weer wel) dat het bedrijf 10.000 van zijn 40.000 werknemers de laan uitstuurt.


Andere investeringen komen kennelijk ook op de verkeerde plek terecht. Bij de Amerikaanse fietsenfabrikant Trek – als gezin zijn wij wars van protectionisme; onze uitgaven moeten wereldwijd ten goede komen aan het ondernemingsklimaat – doen ze er nu al meer dan drie maanden over om het frame voor mijn nieuwe racefiets af te leveren: kennelijk draait de productie daar alleen op volle toeren om de gestolen rijwielen van Lance Armstrong binnen een dag te vervangen. De stoffeerder die ons meubilair onderhanden heeft, kampt ook niet met een te krappe orderportefeuille. Bij ons thuis wordt al weken elke avond een wrede stoelendans uitgevoerd om met vier gezinsleden op de drie enige, nog resterende stoelen terecht te komen. De laconieke achteloosheid waarmee onze schilder reageert op het annuleren van de opdracht om ons plafond opnieuw te stukadoren (we halen de witkwast er nog wel een keertje overheen) doet evenmin vermoeden dat zijn personeel hiermee direct in de deeltijd-ww belandt.


Het vermoeden dat er onder consumenten vooral sprake is van een psychologische crisis, zie ik bevestigd door bezorgde verhalen van mensen die het geld hebben om uitgaven te doen maar er voorlopig van afzien of kiezen voor een goedkopere variant. Het doodgravergezicht van Balkenende bij de presentatie van de jongste CBS-cijfers laat ook ons niet onberoerd. Met behulp van mijn eigen Big Brother – nog heel even www.postbank.nl – verdiep ik me in het uitgavenpatroon van mijn echtgenote. Niet dat dat zo exorbitant veel hoger is dan het mijne – integendeel, zal zij zeggen – maar hier kan ik zo lekker onbevooroordeeld naar kijken. Alleen als ik bijtijds word getipt door onze dochter, weet ik dat ze naar de kapper is geweest. Dus wat ligt er meer voor de hand dan bezuinigen op iets wat je niet ziet? Ook in de abonnementen voor glossy tijdschriften en de aanschaf van kleding c.q. lifestyle-snuisterijen kan structureel worden gesneden zonder dat de kwaliteit van leven binnen ons gezin er al te zeer door wordt aangetast.


Bezuinigen is ook een kwestie van timing. Zo had ik beter niet over mijn pakket van maatregelen kunnen beginnen op de dag dat de bevestiging van mijn fietsvakantieweek in de Alpen en de reservering voor mijn trainingskamp bij mijn rentenierende vriend in Spanje - Schiphol kan ook wel een steuntje in de rug gebruiken - op de deurmat ploffen. Mijn sociale partner briest iets over ongebreideld bezuinigen op andermans uitgaven en gericht investeren in mijn eigen pleziertjes en verwerpt mijn crisisaanpak zonder deze zelfs maar in stemming te brengen.


Haar tegenbod is slikken of stikken. Komend weekeinde zit ze met haar zus in het duurste hotel van Texel. De dames hebben mij de verzekering gegeven dat de plaatselijke middenstand hier tot aan het eind van deze recessie op kan teren.

 
     
     
     
     
  17 februari 2009  
 
 
   

 

Bagage


De kilometers van huis naar school zijn de eerste waarin je je kind volledig los laat. Van alles kan er gebeuren, in die twintig minuten, dus als ’s morgens iets na achten een van de nazaten zich per mobiele telefoon meldt, zijn we op alles voorbereid. Lekke banden, een afgebroken zadel, een valpartij met gekneusde ribben, een ritje met de ambulance, we hebben het allemaal meegemaakt.


Dit keer ligt het ingewikkelder: onze dochter is op onze zoon gestuit
die ergens op het industrieterrein is aangereden door een auto,
natuurlijk zijn eigen telefoon niet bij zich had, en nee, er is niks
met hem, maar zijn fiets wil niet verder en zij moet wél door want ze
heeft een herkansing PTA (een soort superproefwerk, dat meetelt voor
het eindexamen) omdat ze voor de eerste maar een beschamende 7,6 had
(dat moet weer een reguliere 8,9 worden), dus of ik - die net op het
punt sta om naar mijn werk te gaan - het maar even kan oplossen. Nou
doei!
 

De bagage waarmee je je kroost die paar kilometer naar school laat
afleggen, is altijd ontoereikend. Nee, dan heb ik het niet over die
rugzak van twaalf kilo die ze op hun rug hebben. Basale vaardigheden,
daar doel ik op, zoals de wetenschap dat je een band met een Frans
ventiel niet kunt oppompen met een klassieke fietspomp. Of kennis van
openbaar vervoerstromen, het wegenverkeersreglement en wat eenvoudige, levensreddende EHBO. En toch, elke keer weer blijkt dat er iets aan die bagage ontbreekt. Juridische kennis, bijvoorbeeld.
 

Onze zoon blijkt aangereden door een hork van een vent – er zat er ook nog eentje naast, van een jaar of dertig – in zo’n auto zoals wij die vroeger ook hadden. Een Volvo? Ja, zo’n rode. Een rode stationcar? Precies. Een rode Volvo 240 Polar Stationcar. Kenteken? Niet
genoteerd, maar hoeveel kerels in een rode Volvo zullen er vorige week
maandag rond een uur of acht in de ochtend een ventje van twaalf jaar
op een mountainbike (een blauw/zwarte Trek 3900) hebben aangereden?

 

We zijn je op het spoor, mannetje!
 

Onze zoon stak de weg over, in het bedaarde tempo dat zijn gang naar
school zo kenmerkt. Zijn vriendje reed een meter of vijf achter hem,
dus die kon nog stoppen voor de wagen die met hoge snelheid de bocht
om kwam, nog wel afremde maar toch tegen het achterwiel van mijn zoon
tot stilstand kwam. Toen hij op de grond lag, draaide de hork zijn
raampje open en riep ’Wat doe jij nou!’, gaf weer gas en reed door.
Van de Consuwijzer is momenteel op tv een verhelderend reclamefilmpje
te zien waarin een jongetje zijn kapotte speelgoedauto wil ruilen,
zonder dat hij beschikt over het aankoopbonnetje. Als de botte
winkeljuf hem voorhoudt dat hij in dat geval naar zijn garantie kan
fluiten, geeft het ventje op een juristentoontje aan dat de auto
buiten zijn schuld kapot is gegaan en dat hij derhalve recht heeft op
reparatie of vervanging. ’Dat recht mag door u niet worden beperkt of
uitgesloten.’
 

Dus, houd ik mijn jongste nazaat voor, had je die hork door zijn open
raampje moeten zeggen dat ’bij een aanrijding tussen een auto en een
kind jonger dan 14 jaar de autobestuurder volledig aansprakelijk is
voor de schade van de fietser. Dat is zelfs zo als het kind rare
dingen doet op de fiets en het ongeval dus overduidelijk de schuld is
van het kind. Een automobilist moet nu eenmaal rekening houden met het
feit dat kinderen in het verkeer onverwachte dingen kunnen doen.’
En als die hork in zijn rode Volvo 240 Polar er dan nog vandoor was
gegaan, had je hem kunnen naroepen: ’Doorrijden na een aanrijding is
een misdrijf!’ Dat laatste weet ik niet helemaal zeker, maar met een
beetje bluf kom je een heel eind in het juridisch verkeer.
Nu sleepte het slachtoffer zichzelf en zijn fiets – achterwiel dubbel,
remmen geblokkeerd – naar de kant van de weg. Had hij dan helemaal
niks tegen die hork gezegd?
 

Jawel, ’Sorry’.
 

Ik zei het al: te weinig bagage voor de gevaarlijke weg van huis naar school.

 
     
     
     
     
  10 februari 2009  
 
 
 

 

 

Treintjesman


Als opvoeder heb je ook de taak je kind in te wijden in het
sociaal-cultureel erfgoed van vorige generaties. Om die traditionele vader en zoon-dingetjes door te geven, zeker als daarmee ook nog eens de Europese economie wordt gestimuleerd. Dus kan ik het niet nalaten mijn stem te drenken in bitter verwijt als ik aan mijn jongste nazaat die ene, cruciale vraag stel: ,,Waarom speel jij eigenlijk nooit met mijn treintjes?''


Alleen om mij te kwetsen zal mijn eega later beweren dat het zelfs wat
huilerig klonk. Maar ik schaam me niet voor de ontboezeming dat ik
zelf een Märklin-jongetje was. Al lang voordat ik mijn eerste startset
kreeg, vergaapte ik me aan de locomotiefjes van mijn buurjongen Sjakie
Heemskerk, die het als nakomertje in het gezin van een
bloemenhandelaar wat breder had dan ik. Ruimte om een permanente
modelspoorbaan te bouwen was er niet, in de bescheiden flat waar mijn
ouders met vier kinderen woonden. Daardoor behielp ik mij – tussen de
maaltijden door – met de eettafel, wat mij geenszins beperkte in mijn
creatieve mogelijkheden. Integendeel, zoals iedereen weet die in zijn
jeugd ontberingen leed: het verruimde ze zelfs.
 

Mijn eerste treinstel bestond uit een zwart stoomlocomotiefje met een
aantal platte karretjes met verticale spijltjes aan de zijkant, waartussen precies twee luciferstokjes achter elkaar pasten.
Opgestapeld tussen de spijltjes kon je er op die manier zelfs een
compleet doosje in kwijt, waardoor ik heel wat regenachtige zondagmiddagen heb besteed aan het van A naar B transporteren van de inhoud van pakken Säkerhets Tändstickor (merk Zwaluw), de befaamde vinding van de Zweedse chemicus Gustaf Erik Pasch.
 

Toen ik mijn zoon – opnieuw licht aangedaan door de romantiek van mijn
eigen verhaal – voor de eerste keer vertelde over de middagen met
Sjakie en de luciferfabriek, kon ik slechts op één belangstellende
tegenvraag rekenen: wat is een lucifer? Dat krijg je in een huis met
elektronische ontstekers, gasbranders en elektrisch licht. Er groeit
een generatie op die niet meer weet hoe het voelt om een houten stokje
met een kop van kaliumchloraat over een laagje schuurpapier met fosfor
door middel van wrijvingswarmte tot ontbranding te brengen. Mijn
verzameling Märklin-treintjes heb ik op een kwade dag aan het eind van
mijn puberteit verpatst aan een neef, om me - jaren later, toen het
weer begon te kriebelen – volledig te richten op Amerikaanse
treinstellen van uiteenlopende leveranciers, verkrijgbaar bij de
postordergigant Walthers in Milwaukee. Märklin was mij te braaf, te
Beiers en te duur, al bleef ik het direct met andere liefhebbers eens
dat die Duitsers onbetwist de beste spullen maakten. Dat ze nu op het
randje van een faillissement verkeren, doet pijn aan het knapenhart
dat nog steeds in mij klopt en ik weet zeker dat Sjakie Heemskerk er
net zo over denkt.
 

De ondergang van mijn eigen treinbaan is deels gelegen in mijn –
destijds zo briljante – ingeving om hem op een tracé van twee meter
hoogte door mijn werkkamer te laten lopen, waardoor ik de beschikking
kreeg over vier sporen van zestien meter moeizaam bereikbare rails,
zeker toen de grond in de loop der jaren in bezit werd genomen door
Lego-steden, een voetbalspel en een racefiets op de rollen, waardoor
ik met mijn trapje nergens meer bij kon. Een aanzienlijk deel van de
stellingkast waarover mijn Santa Fé-locs dienen te razen, wordt nog
steeds in beslag genomen door nooit geopende bouwdozen met een
'Cottage Grove School' en een 'River Road Mercantile', alsmede stapels
'Full Color Background Scenes' die mijn baan van een authentiek
Westernsfeertje zouden moeten voorzien. In krantenartikelen over de
teloorgang van Märklin krijgt vooral de jeugd de schuld, die niet meer
te interesseren is in wat tegenwoordig vooral een hobby voor kalende,
ouwe kerels is. Maar wij, jongbejaarden met een goedgevulde
portemonnee, moeten heel wel in staat zijn om de internationale
treintjesbouwers ook in deze economisch barre tijden met onze
nostalgische liefhebberij overeind te houden.
 

Nee, Märklin moet surseance van betaling aanvragen omdat er achter al
die jongetjes van middelbare leeftijd een vrouw schuilgaat die vrijwel
dagelijks vraagt wanneer het nu eens is afgelopen met dit
kinderachtige gedoe.
 

Of is dat alleen bij mij thuis zo?

 
     
     
     
     
  3 februari 2009  
 
 
 

 

 

Bermuda Driehoek


De gevallen waarin een moeder haar bloedeigen kind wat aandoet zijn genoegzaam bekend. Vandaar dat ik - mits de dienst het toelaat - preventief een oogje in het zeil houd als onze zoon (12) thuiskomt van school. In het bijzonder ben ik alert op tekenen van agressie als hij zijn rugzak op de mat bij de keukendeur ploft, meteen koers zet naar ijskast c.q. koektrommel en het antwoord schuldig blijft op
levensvragen als: 'Waar is je muts?', 'Waar zijn je handschoenen?' en 'Had je vanmorgen ook geen tas met gymspullen bij je?'.


Vijf maanden bezoekt hij nu de brugklas van een onderwijsinstelling in een naburig dorp, maar nog steeds is het alsof hij dagelijks een retourtje naar de Bermuda Driehoek neemt. In, naar of vanuit het zwarte gat dat zijn schoolgebouw heet, slaagt hij erin essentiële kledingstukken te laten verdwijnen met een gemak dat Hans Klok tot nadenken moet stemmen. Handschoenen, sjaals en mutsen kopen we
tegenwoordig bij de groothandel omdat hij er op een bepaald moment
niet alleen zijn eigen voorraad, maar ook die van zijn zus en mij
doorheen heeft gedraaid. Naast deze dagelijkse verdwijningen zijn er
ook de wekelijkse, waartoe minder courante goederen als gymspullen,
brooddozen en met pennen, passers en geodriehoeken gevulde etuis
kunnen worden gerekend.


In eerdere belangwekkende artikelen over de psychologie van het
vergeten, hield ik me nog vast aan de voorbijgaande fase van
warhoofdigheid die in de prepuberteit geen onbekend verschijnsel is.
Maar na vijf maanden mogen we spreken van een structureel probleem dat
ook zijn weerslag heeft op de psyche van andere gezinsleden die elke
middag de stadia van verbijstering, razernij en ontgoocheling
doormaken wanneer onze zoon onverstoorbaar de cola in zijn glas laat
kolken en - als een generaal in een kansloze loopgravenoorlog - gewag
maakt van de dagelijkse verliezen. Dat hij zonder handschoenen, muts,
sjaal en gymspullen thuiskomt, is voor hem even onvermijdelijk als de
grillige spelingen der natuur.


De overeenkomst van zijn school met de Bermuda Driehoek is ook dat spullen die hij de ene dag kwijtraakt, de andere dag nooit meer terug te vinden zijn. Zelfs in de uitzonderlijke gevallen dat hij zich herinnert wáár hij bepaalde objecten heeft achtergelaten (aan de kapstok of in een kleedkamer), blijken die spontaan in rook opgegaan. Ook vaste verzamelplekken van gevonden voorwerpen - waar hij met zijn
verblijf de 1040-urennorm in het onderwijs met gemak haalt - blijken
nooit op te leveren wat hij zoekt. Bij het grootste verlies op één dag
- een paar basketbalschoenen van 125 euro, een gymshirt met het
schoollogo en een korte broek - sjouwde mijn echtgenote persoonlijk
met de conciërge vruchteloos een halve dag door het complete
onderwijslabyrint (onze zoon zat inmiddels thuis met een griepje),
waarna zijn gymtas met inhoud (van een model waarmee robuuste
huisvrouwen in de regel de Dirk van den Broek bezoeken) pas weken
later opdook onder een kast in het aardrijkskundelokaal. Maar dat is
een van de weinige successen - nou ja, successen: er waren inmiddels
al wel weer nieuwe exemplaren van de basketbalschoenen aangeschaft -
in de vijf maanden die onze eigen versie van 'Vermist' nu duurt.


Aangezien hij afgelopen week wel thuiskwam met een rapport dat bol
stond van de achten, negens en tienen, heeft bij mij het vermoeden
postgevat dat hij zijn hersenen (bewust of onbewust) kan in- of
uitschakelen. Zoals een topsporter de hele dag kan luieren om te
pieken bij het vestigen van een wereldrecord op de honderd meter
sprint, zo houdt hij zijn brein naar schatting twintig uur per dag in
een soort halfslaap, waarbij er wel eens een basketbalschoentje of
muts bij inschiet.


Met belangstelling volg ik dan ook de experimenten in de psychiatrie
om via implantaten onder de schedel en bepaalde stroomimpulsen op
afstand - bijvoorbeeld als hij zich in de buurt van kapstokken of
kleedkamers bevindt - gedragsveranderingen te bewerkstelligen. Maar in
de voorwaarden van de nieuwe, aanvullende Gezinspolis van CZ kan ik
daarover nog niks vinden.


Tot die tijd zou het fijn zijn als er op ons plekje bij de achterdeur
constant eerstelijns psychologische zorg beschikbaar is.

 
     
     
     
     
  27 januari 2009  
 
 
 

 

 

Badmuts (3)


Nee, ik denk niet dat alle Italianen naar salami ruikende
maffiabaasjes zijn. Behoudens de types die ik op het Journaal
afgevoerd zie worden door de Carabinieri alsmede een paar honderd vuilnismannen in Napels, beschouw ik ze over het algemeen als gastvrij en voorkomend, vooral tegen mijn (blonde) echtgenote.


Ja, ik had het vorige week op deze plek weliswaar over corrupte spaghettivreters met de eigenaardige gewoonte om in hun zwembaden alleen mensen met een badmuts toe te laten, maar na de bewering in de eerste zin dat wij ook op reis gaan om 'onze vooroordelen jegens de mensch in den vreemde weg te nemen', leek het me wel grappig om daarna lekker los te gaan met wat je – na een paar borrels en met een vette knipoog, mag ik hopen - op een verjaardag van verkeerde types over Italianen te horen krijgt.


Nee, dat is niet het op het verkeerde been zetten van de lezer. Omdat
de tekst van dit stukje cursief is gedrukt, het op de doorgaans
luchtige pagina 'Gesprek van de Dag' staat en er aan de zijkant een
fotootje van een vent met zijn schoenen op een stoel bij is geplaatst,
mag gevoegelijk worden aangenomen dat het hier niet het
hoofdredactioneel commentaar over de toestand in het Middellandse
Zee-gebied betreft, maar een column.


Ja, ik vind dat ik in een column de werkelijkheid mag uitvergroten en
de lezer - maar bovenal mezelf - een spiegel mag voorhouden. (Op
momenten van zwakte toon ik mij graag van mijn burgerlijkste kant,
juist op vakantie.)


Nee, wij nemen geen spaghettisaus in een Knorr-zakje mee als we naar
Italië gaan. (Hooguit als onderdeel van het overlevingspakket op een
doorgangsadres.)


Ja, ik vind het ook irritant als een colonne Nederlanders een
buitenlandse camping in bezit neemt, het eigen stuk grond afbakent en
tot diep in de nacht over de aanbiedingen in de dichtstbijzijnde Lidl
discussieert terwijl ik de slaap probeer te vatten.


Nee, aan mij heeft u geen last. Als ik niet aan het racefietsen ben,
lig ik onder mijn luifel in mijn luie stoel te lezen.


Ja, best saai, dat vindt mijn vrouw ook. Zeker als ik dan geen 'boe'
of 'ba' zeg.


Nee, dat mijn neven zelf badmutsen zijn, hoeft u mij niet meer te
vertellen. Ook de tegenstrijdigheid in het feit dat ze de hele dag met
een petje op lopen, maar in het zwembad uitsluitend blootshoofd willen
zijn, was mij niet ontgaan. Daar heb ik zelfs (meerdere) alinea's aan
besteed in Badmuts 1 en Badmuts 2.


Ja, ik vind salami ook best wel lekker ruiken.


Nee, een vergelijking tussen Italiaanse campingbrochures en 'Mein
Kampf' zou ik ook zeer ongepast vinden.


Ja, ik heb goede nota genomen van alle Italiaanse campingbazen - mij
inmiddels met naam en toenaam bekend, dank u wel - die een sieraad
zijn voor de kampeersector en ik heb er tevens alle begrip voor als
zij groepen Nederlanders als hierboven beschreven (eigen grond
afbakenen, met stemverheffing de Lidl verheerlijken) met een vage
smoes van hun grondgebied weren.


Nee, de eigenaar van camping Mario is ongetwijfeld geen vettige,
kleine gluiperd met een druipsnor. Ik ken de man niet eens (zie de
passage over vooroordelen twee kolommen terug).


Ja, ik vind ook dat mijn neven liever een jaar door Australië kunnen
gaan trekken, dan nog met hun ouders en oom op vakantie te gaan. Maar
ja, ik kan ze er niet toe dwingen. Wel zijn er aanwijzingen dat dit
het laatste jaar is dat ze met ons meegaan.


Nee, het Oostblok trekt ons niet zo, als kampeerland. Maar ook dit is
ongetwijfeld een vooroordeel.


Ja, er waren genoeg lezers die het badmutsprobleem bij hun (puberende)
kinderen herkenden en mij waardevolle campingtips gaven. Dank
daarvoor.


Nee, er komt geen Badmuts 4, dat beloof ik hierbij plechtig.
 

 


Zo, hiermee hoop ik alle vragen en misverstanden over Badmuts 1 en
Badmuts 2 bij de lezers te hebben beantwoord c.q. weggenomen. En dan
nog dit:
Ja, we hebben inmiddels een camping gevonden waar de badmuts niet verplicht is.
Nee, ik ga niet zeggen welke. Kan ik het van de zomer allemaal nog een
keer uitleggen als u onverhoopt naast me wilt gaan staan.

 
     
     
     
     
  20 januari 2009  
 
 
 

 

 

Badmuts (2)


Ofschoon wij ook op reis gaan om onze vooroordelen jegens de mensch in den vreemde weg te nemen, bevestigt de eigenaar van camping Mario onze bangste vermoedens. De onbetrouwbare Italiaan reageert op telefoontjes, mails noch faxen, waarmee onze enige hoop op een badmutsloze vakantie in dit maffialand de grond in wordt geboord.


Wat eraan vooraf ging: we gaan op vakantie naar Italië en nemen mee:
drie auto's, drie caravans, drie gezinnen met – behalve onze eigen
twee nazaten – drie neven van 17, 18 en 20 jaar oud. Wat nemen zij
(altijd schuilgaand onder een Ali B-petje of gebreide muts) absoluut
niet, nooit, never mee: een badmuts. En vind in die laars maar eens
een camping met zwemparadijs waarin deze rubberen reserveschedel niet
verplicht wordt gesteld.


Tachtig tot honderd uur heeft mijn jongste zus inmiddels besteed aan
haar zoektocht op internet. Wij – het gezin van mijn andere zus en dat
van mijzelf – doen niks. Bewust niet. Wij wachten, op het grimmige af,
wat er in onze mailbak belandt. Uitgesproken is het niet, maar omdat haar zoons het fanatiekst tegen de badmuts (een knieval voor hun zelfrespect!) ageren, is het niet aan ons om deze onverkwikkelijke kwestie op te lossen. Onze dochter is sowieso geen zwemmer. En onze
zoon gaat desnoods met een roze stola en een koksmuts het water in, als de reglementen dat voorschrijven. In zijn blote kont? Ook goed. De andere, wat gematigder neef, is eveneens bereid zich te schikken, al
was het maar omdat hij zich thuis gedeisd moet houden sinds hij zich
zonder medeweten van het ouderlijke gezag heeft laten voorzien van
drie opvallende, Chinese tattoo's op zijn onderarm.


Net voor de fatale datum van de Vakantiebeurs – als de rest van
Nederland zich ook op internet begeeft om campings af te struinen –
komt er witte rook uit de computer van mijn zus. Het is haar gelukt!
Een badmutsloze camping, met lovende recensies op het internet en een
digitale brochure vol vrolijke zwembadplaatjes waarop geen badmuts is
waar te nemen. Wat dan wel? Uitsluitend jonge meiden van een jaar of
16, in strak gesneden bikini's, waarvan mijn neven vermoeden dat deze
een jaar of twee geleden op de gevoelige plaat zijn vastgelegd en dat
de dames – want dat zijn het inmiddels – tot de vaste, geslachtsrijpe
gasten van dit kampeerterrein behoren. Iedereen blij, derhalve.
Mails en faxen gaan richting Mario, en als die onbeantwoord blijven,
waagt mijn zwager er ook nog wat telefoontjes aan. Maar de kleine
gluiperd met die druipsnor – Mario wordt er in onze beleving niet
mooier op – vermag niet op te nemen.


Mijn jongste zus heeft inmiddels in 'reviews' op internet gelezen dat
dit de gebruikelijke werkwijze van het mannetje is. Je kunt mailen,
faxen en bellen tot je een ons weegt, maar als dit vettige, naar
salami riekende campingbaasje in april de luiken van zijn
receptiegebouwtje haalt, schuift hij met zijn fatterig geschoende
voeten de stapels smeekbedes van kampeerders opzij, wist zijn mailbak
en vergeeft de spaarzame plekken op zijn badmutsloze paradijs aan zijn
vaste, al net zo onbetrouwbare cliëntèle. Zo gaat dat, in dit
pizzaland, de 'reviews' zijn daar duidelijk over.


Na nog dertig uur van moedeloos makend surfen vindt mijn zus nog
enkele kampeerterreinen waarvan de eigenaar geen bezwaar heeft tegen
een enkele los drijvende hoofdhaar in zijn pierenbadje, maar in geen
van de gevallen lukt het om daar nog voor drie caravans – liefst naast
het elkaar, want dan heb je nog wat grondoppervlak op die toch al niet
ruim bemeten Italiaanse schijtcampings – een plekje te vinden.
Maar dan is daar, even onverwacht als een begrotingsoverschot onder
het bewind van Berlusconi, een mail van Mario, onze Mario, de man die
in commentaren op internet en – ik geef het eerlijk toe – ook in onze
beleving een klein beetje symbool stond voor die hele vermaledijde
toeristische sector in deze ten onrechte tot de EU toegelaten
boevennatie.


Wat schrijft ie, wat schrijft ie, deze moedige strijder tegen de
badmutsgestapo? Dit vaatje gulle gastvrijheid, deze heerlijke
zuidelijke charmeur, met zijn prettig losse manier van zakendoen?
Even wachten, even wachten. Excuses, excuses, bladiebladiebla, helaas
zijn al onze plekken voor het komende seizoen al toebedeeld aan onze
vaste...


Zei ik het niet?


Corrupte spaghettivreter!

 
     
     
     
     
  13 januari 2009  
 
 
   

 

Badmuts (1)

Zelf kan ik ook wel wat redenen bedenken om niet naar een bepaald land op vakantie te gaan: te koud, te nat, te heet, te kaal, te druk, te saai, te duur, te ver - en dan beperk ik me nog tot de nadelen met één lettergreep. Maar nu stuit een kampeervakantie naar Italië op een veto vanwege een voorwerp dat wat mij betreft nog nooit een rol in welke afweging dan ook heeft gespeeld: de badmuts.


De schaatskoorts heeft geen vat kunnen krijgen op het deel van onze
familie dat is belast met de planning van de zomervakantie. Normaal
weten we in deze tijd van het jaar al maanden waar we aan toe zijn,
maar door omstandigheden zijn we laat, erg laat. En de tijd dringt,
want morgen begint in Utrecht de vakantiebeurs en kun je het helemaal
wel schudden om op willekeurig welke camping dan ook drie plekjes
naast elkaar te vinden. Want dat is, net als in 2008, het
uitgangspunt: we laten ons vergezellen door de gezinnen van mijn twee
zussen. Niet dat die zo gezellig zijn, maar onze puberende nazaten
hebben het zo leuk met elkaar. Bovendien heeft mijn ene zwager een
racefiets, en de ander twee rechterhanden, ook nooit verkeerd om in
den vreemde bij je te hebben.


In het puberende deel van het reisgezelschap zit ook het probleem. Alle problemen, mag ik gerust zeggen. Net als in 2008 staan de 17- en 18-jarigen voor de belangrijkste beslissing die zij tot nog toe in hun leven hebben moeten nemen: ga en wil ik nog wel met mijn ouders op
vakantie? Het antwoord op die vraag wordt aanvankelijk in grote mate
hormonaal gestuurd, waardoor ik me – zoals in alle belangrijke
opvoedkundige kwesties – zo lang mogelijk van een oordeel onthoud. Maar uiteindelijk blijkt toch vooral om praktische redenen de knoop te worden doorgehakt, als blijkt dat drie geheel verzorgde weken op een topcamping ergens in Zuid-Europa veel goedkoper zijn dan een weekje bieren met zeven ongeschoren leeftijdgenoten op Terschelling of in Salou.


Aangezien ook bij de keuze van de camping de ratio ver te zoeken is,
houd ik me ook daarbij angstvallig aan de zijlijn. Vanaf die plek zag
ik in 2007 (in de voorbereiding op de zomer van 2008) hoe de discussie
zich toespitste op de vraag in welk Frans zwemparadijs je verplicht
was een zogenaamde 'ballenknijper' te dragen. Dit is een kleine, strak
om heupen en liezen sluitende zwembroek, waarin je als gezonde
Hollandse jongen – een categorie waartoe mijn neven zich om
onduidelijke redenen rekenen – niet gezien wilt worden. Hun
zwembroeken beginnen net boven de enkels en zijn wijder dan de
pantalons waarin Volendammer palingvissers zich door toeristen laten
vereeuwigen. Uiteindelijk vonden we een door een Nederlandse
organisatie bestierd vakantieoord, waar de 'ballenknijper' nog niet
als basisvoorwaarde in het campingreglement was opgenomen.


In modeland Italië – waarheen de reis dit jaar zou moeten gaan –
blijkt de lange, wijde zwembroek in het campingleven geen belangrijk
item. De angst voor een verdwaalde schaamhaar in het gezuiverde
chloorwater is hier veel minder groot dan de aversie voor schedelroos,
wortelschimmel, Seborrosch eczeem (ja, die moest ik ook opzoeken, maar
het bestaat) en andere aandoeningen op en rond de hoofdhuid.
Derhalve is in elk zichzelf respecterend zwembad een badmuts
verplicht, zo bleek na een internetrondgang van mijn zussen langs zo'n
tachtig tot honderd meersterrencampings. Bij pogingen de neven alsnog
te overreden tot het bedekken van de weerbarstige haardos, viel bij
hen afgelopen zondag tijdens een familiebijeenkomst veelvuldig het
woord 'zelfrespect', als voornaamste argument om in dit leven
badmutsloos te blijven. Ook mijn suggestie dat veel campingbazen er
geen problemen mee hebben als dit artikel wordt vervangen door een
bandana (ik draag er zelf in de zomer eentje onder mijn wielerhelm,
wat mij dus wel het toppunt van stoer leek) vermocht hen niet over de
streep te trekken.


De grootste tegenstander van de haarbedekking in het zwembad – die
voor zijn wekelijkse bezoek aan oma dit keer zijn lichtbruine,
gebreide meidenmutsje (met klep) had vervangen door een koket hoog Ali
B.-petje dat achterstevoren op zijn hoofd stond – schudde nog maar
eens gedecideerd het hoofd.


Nee hoor mensen, uit zelfrespect zit Italië er dit jaar waarschijnlijk niet in.

 
     
     
     
     
  6 januari 2009  
 
 
   

 

Cultuurrrrrrrrrrr!

 

In de multimedia darkroom waartoe voorheen mijn werkkamer is verworden, hangen mijn nazaten op hun rug op twee bureaustoelen als een waanzinnige op de consoles van hun Xbox 360 te tikken. Op het beeldscherm voor hen wordt een gerechtvaardigde oorlog uitgevochten. Ik knip het zolderlicht aan, trek het verduisteringsgordijn van het Veluxraam omhoog, druk het televisietoestel uit en roep, met de monterheid van de hopman: ’Kom op, we gaan schaatsen!’

 

De uitdrukking is van een excentrieke oom, die hem gebruikt bij alle vormen van barbarisme die op zijn levenspad komen. ,, Ze hebben geen cultuur!’’, waarbij hij de ’r’ vervaarlijk over zijn tong laat rollen. Zo beklaag ik me minuten later bij mijn eega als ik op de bovenste verdieping van ons huis ben weggehoond door twee passief kerstvakantie vierende pubers. ,,Ze hebben geen cultuurrrrrrrrrr!’’

 

Schaatscultuur, bedoel ik.

 

Van mijn dochter bestaan foto’s hoe ze op het bevroren water van de Oude Rijn in de buurt van mijn ouderlijk huis achter een stoel schuifelde, bijgestaan door mijn vader zaliger die zich bij alle tijdrovende buitenklusjes met ons kroost (fietsen en schaatsen leren) graag liet inschakelen. Dankzij haar skeelerervaring kreeg ze de slag destijds – we hebben het over 1997 - redelijk snel te pakken, maar dat bleek geen basis om tien ijsloze jaren te overbruggen. Onze zoon is in datzelfde jaar geboren en kan slechts terugzien op de schaatservaring die hij luttele weken geleden opdeed tijdens een sportdag van zijn school, waar hij op gehuurd materiaal (Ik: ’Wat voor schaatsen waren het?’ Hij: ’Blauwe.’ Ik: ’Hij heeft geen cultuurrrrrrrr!’) aan de boarding van een kunstschaatsbaan in een oude veilinghal heeft gehangen. Skeeleren kon hij ook nooit.

 

Mijn eigen schaatsbloed begint alleen sneller te stromen van natuurijs. Niet van het uitgetrapte ijs van de opgespoten landijsbaan, waar krukkende kleuters en verliefde stelletjes een paar genoeglijke uren beleven. Nee, het inktzwarte ijs van plassen, vaarten en poldersloten, langs monumentale molenviergangen, stilgelegde maalderijen en boerenhoeves die normaal alleen met wrakke pontjes bereikbaar zijn. Het ijs dat in authentieke gehuchten waar een Randstedeling normaal niks te zoeken heeft, eenvoudige kraampjes torst waar mollige deernen met rode konen hun goedgevulde snert en warme chocolademelk serveren. Het ijs dat om de tien kilometer meter wordt onderbroken door een te lage brug, waar meerkoeten, eenden en ander waterspul een laatste toevlucht hebben gezocht in een wak en waar je over vloerkleden, rubber matten en houten vlonders een provinciale weg moet oversteken. Over dat ijs heb ik het, waar naar mest en biest ruikende kerels in wrakke houten huisjes een stempel zetten op je beduimelde kaart, bij de finish goed voor een medaille die – na een trotse rondgang langs familieleden – ergens in een lade verdwijnt, twee verhuizingen meemaakt en dan stiekem door je eega wordt weggegooid.

’Ze heeft geen cultuurrrrrrrrr!’

 

Op dat ijs wacht ik nu al anderhalve week. Op het Journaal heb ik wel beelden gezien van bont uitgedoste schaatsers met het slijm in hun vlassige baardjes die op vennenpoeltjes of de randen van het Veluwemeer een paar honderd meter recht vooruit konden schaatsen. Maar het wachten is op een tocht van minimaal vijftig kilometer, waarop halverwege de gaten in je onwennige enkels slijten en je na afloop, op een houten steiger bij een uitspanning, het bloed uit je noren laat lopen.

 

Mijn twee maten te kleine Vikings – ooit persoonlijk aangemeten door  een medewerker van Jan van der Hoorn (Elfstedentochtwinnaar uit 1956) in Ter Aar – zijn achter het luik van onze multimedia zolder gevist en bij de lokale fietsenmaker (en sponsor van ’Voorwaarts’, zoals ijsclubs horen te heten) in de juiste ronding is geslepen. Nadat mijn echtgenote er twee keer bijna haar benen over brak, zijn ze verhuisd van de mat bij de achterdeur naar de kofferbak van mijn auto.

 

Zodra dat gejojo met die temperaturen over is en we nog een paar dagen stevige vorst krijgen, hoef ik alleen maar achter het stuur te springen, op weg naar Nergenshuizen, Vergetenoord of Uierontstekingerbrug, waar ik mijn stempelkaart in ontvangst neem van een onverstaanbaar mompelend boertje achter een tafeltje met een Perzisch tapijtje, een glaasje jonge jenever en een asbak vol vochtige sigarenstompjes.

 

Cultuur mensen, schaatscultuurrrrrrrrrr!

 
     
     
     
Naar de columns uit 2008