| |
|
|
| |
|
| |
|
|
|
| |
Columns
2009
|
Actuele columns staan
hier. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
31 december
2009 (Oud en Nieuw-column) |
|
| |
Goede voornemens
Waarom zou je je beste wensen
opsparen voor het begin van 2010? Het hele jaar door
stroomt mijn mailbak over van hartelijkheid en goede
raad. ,,Ik hoef uw column natuurlijk niet te lezen, maar
af en toe waag ik mij er toch even aan. Ik heb sterk de
indruk dat u een ongelofelijke burgerlijke blaaskaak
bent en dat uw genegenheid voor uw zoon trekken heeft
van een soort complex. Dat u uw gezin niet anders kunt
vermaken dan met elektronische speeltjes. U laat zien
dat u inderdaad bij het gepeupel hoort wat op de camping
niet buiten zijn mobiel kan, niet zonder tv, niet zonder
laptop. U geeft uw kinderen zo een geweldig voorbeeld.
Later als u oud bent, niet klagen dat ze niet in u
geïnteresseerd zijn!''
Tien kilo afvallen, leven
voor de sport, een eerzaam huisvader zijn en af en toe
spontaan tegen mijn eega zeggen hoeveel ik van haar houd.
Jazeker, het staat ook dit keer weer allemaal op mijn
lijst met Goede Voornemens.
Maar
op de grens van oud en nieuw mag ik voor mijn
verbeterpuntjes en leermomentjes graag te rade gaan bij
mijn lezerspubliek.
,,Ik lees momenteel het boek
'Waarom doet mijn puber zo vreemd?' van Barbara Strauch.
Misschien ook wat voor jou?''
,,We weten allemaal nu zo
langzamerhand wel wat jouw hobby is. Schrijf ook eens
een stukkie waarin het woord 'fiets' niet voorkomt.''
,,Als mensen de wijsheden in
uw column van vandaag in de praktijk willen brengen,
komen ze van de regen in de drup. Teken met alcohol
behandelen is echt verkeerd. Ze kunnen als reactie gaan
'braken', waardoor de kans op een eventuele besmetting
juist groter wordt. Niet doen dus.''
,,Ik hoop dat de
beschrijving van de houding van uw dochter naar uw zoon
enigszins overdreven is, want anders zou ik er toch over
denken eens serieus een gesprek met haar aan te gaan en
me af te vragen wat haar knelpunten zijn.''
,,Helaas was ik vanmorgen
erg teleurgesteld over uw column en wel om de volgende
zinsnede: 'ging het raam van mijn Gereformeerde Bonds-buurman
open enzovoort'. Waarom is dat nodig? Het heeft alleen
als gevolg dat er altijd maar weer geschimpt wordt op
gelovigen. Ik zal niet ontkennen dat uw buurman 'zalvend
sprak', maar is het nodig dat dit na zoveel jaar nog
vermeld wordt? Jammer dat u zich tot dit soort
uitspraken laat verleiden.''
,,Ik denk dat het de taak is
van ouders om hun kinderen zelfstandig te maken, en soms
wordt daar wel wat laat mee begonnen.''
,,Over vaatwasleed gesproken.
Wat ik trouwens als laadondeskundige (want vrouw) niet
begrijp is wáárom deze apparaten zó ingewikkeld in
elkaar zitten, met van die aller-achterlijkste rekjes
waarin geen kopje handig wil blijven staan, laat staan
een wijnglas op poot. Daar kan maar één verklaring voor
zijn: dit soort apparaten wordt ontwikkeld door mannen!''
,,Wat mij als kampeerder
stoort is dat hele families met (in jullie geval) drie
caravans met drie families met aanhang een eigen 'stuk
grond' innemen. Als campingeigenaar zou ik hetzelfde
gereageerd hebben. Laat deze families mijn camping
voorbijgaan en hun geluk elders zoeken.''
,,Meestal lees ik uw column
met genoegen, maar nu ben ik helemaal ontdaan en ben tot
het besef gekomen dat u totaal niet weet waarover u
spreekt.''
Dus wil ik mijn lijstje
Goede Voornemens voor 2010 graag uitbreiden door
plechtig te beloven niet meer over fietsen, het
verwijderen van teken, opvoeding in het algemeen, de
Gereformeerde Bond, het deskundig inladen van
vaatwassers en de combinatie van kamperen en elektronica
te schrijven.
En wil ik ten slotte nog
wijzen op wetenschappelijk onderzoek waaruit blijkt dat
het gemiddelde Goede Voornemen niet langer dan zes dagen
meegaat.
Tot over een week, derhalve. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
31 december
2009 |
|
| |
Jongerenpakket
Het zijn moeilijke tijden voor de
aspirant-vuurwerkkoper. Elke ochtend als mijn eega de
krant openslaat en wordt geconfronteerd met weer een
afgerukte hand of een paar ogen waaruit het licht voor
eeuwig is geweken, ontsteekt ze in woede over het
Jongerenpakket dat mijn zoon en ik bij Fireworks
Unlimited hebben besteld. De eisen die aan hem - en dus
impliciet ook aan mij - bij het afsteken worden gesteld,
worden met het uur absurder. Het eindigt er
waarschijnlijk mee dat we op oudejaarsavond helemaal
niet meer naar buiten mogen en ons knalwerk enkele dagen
na Nieuwjaar door de Explosieven Opruimingsdienst ergens
op een afgelegen weiland gecontroleerd tot ontploffing
wordt gebracht.
Het heeft dertien jaar
geduurd maar eindelijk heb ik een zoon die vuurwerk wil
kopen. De afgelopen jaren liep hij al wat omzichtig mee
met het explosieve spul van zijn neven, maar de aandrang
om zelf kanonslagen, aftershocks, grondbloemen en flying
bees aan te schaffen, was er niet. Het
was
voor mij een voortdurende bron van zorg, te vergelijken
met de periode in zijn leven dat hij geen mayonaise
lustte of liever een toetje at dan een groot stuk, bij
voorkeur rood, vlees. Je wilt als vader toch het
allerbeste voor je kind.
Tot er begin deze maand -
vast afgesproken werk - opeens acht folders vol vuurwerk
tegelijkertijd op onze deurmat vielen. Het lijkt wel of
elk tuincentrum en tankstation zich dezer dagen volledig
richt op het streven om de lucht op oudejaarsavond vol
met kruitdampen te blazen. Een glorieuze afsluiting van
een mislukte Klimaattop. Als twee ontbrandende
sterretjes, zo glinsterden de ogen van mijn zoon, en de
rest van de avond bestudeerde hij minutieus de
pakketaanbiedingen, zich niks aantrekkend van het
belerende commentaar en de prijslimieten die zijn moeder
vanachter haar laptop naar hem riep. Vuurwerk kopen is
een mannending. Daar komen mijn zoon en ik wel uit.
Niettemin namen we, voor
deze eerste keer, genoegen met het Jongerenpakket, een
bonte verzameling van knal- en sierspul dat ons - wat
zeg ik: de hele straat - een glorieus begin van 2010
moet bezorgen. Totdat, in de aanloop naar dit heerlijk
avondje, het ochtendblad bij elk ontbijt een paar
afgerukte ledematen op het bordje van mijn eega begon te
deponeren. Het per internet bestelde en afgerekende
vuurwerk kon niet meer worden geannuleerd, dat kon ik
haar nog wel duidelijk maken. Dit is een branche van
vrije jongens, daar valt niet mee te spotten. Maar ze
kon wel verbieden dat er op oudejaar al bij daglicht
wordt geknald (eigenlijk het leukste van pakjes
aftershocks en strijkers, gewoon met een groepje
vrienden door het dorp slenteren en af en toe wat om je
heen gooien of een verkeersbord opblazen) en mochten wij
na middernacht het huis alleen verlaten met
aansteeklonten van een meter of vijf, veiligheidsbrillen
en scherfvrije pakken. Bij elke calamiteit in de aanloop
naar 31 december werden de eisen verder aangescherpt.
Gelukkig was daar Het Parool,
dat dinsdagmiddag wat tegengas gaf door het interviewen
van een aantal deskundigen, zoals daar zijn:
Plastisch chirurg Irene
Matthijssen: Per jaar komen bij ons gemiddeld
vierhonderd gevallen van spoedeisend handletsel. Als er
daarvan tien of twintig door vuurwerk worden veroorzaakt,
is het veel. Wat dat betreft zouden we veel meer gebaat
zijn bij een verbod op klussen met cirkelzagen en
dergelijke gevaarlijke apparatuur thuis.
Peter Vogel van B&B
Feestartikelen: Als mensen nadenken bij het afsteken van
goedgekeurd vuurwerk, is het risico miniem. Handen eraf
en zo gebeurt allemaal met het illegale spul. Dát wordt
steeds gevaarlijker. En:
Medisch manager Jos Vloemans
van het Brandwondencentrum in Beverwijk: Het aantal
opnames door vuurwerk is hier niet zo groot. Rond oud en
nieuw zien we veel meer brandwonden ontstaan door
frituurvet, bij het gourmetten of het vullen van
fonduestelletjes.
Het Jongerenpakket is
gistermiddag tussen 15 en 16 uur opgehaald in een
bomvrije ruimte op een afgezet industrieterrein van ons
dorp.
Doet u vanavond wel een
beetje voorzichtig met gourmetten, alstublieft?
Een ongeluk zit in een klein
hoekje. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
24 december
2009 |
|
| |
|
|
| |
Het goede
doel
Bij de volgende verbouwing zet ik een
draaideur op m'n verlanglijstje. Tot die tijd worden we
aan de ontbijttafel vergast op een venijnige sneeuwvlaag,
elke keer als onze zoon gestrest van zijn fiets bij het
schuurtje naar onze woonkeuken rent voor alles wat hij
deze morgen op weg naar school nog is vergeten. Zijn
handschoenen. Het werkboek voor aardrijkskunde. Zijn
buitengymschoenen (want je weet maar nooit, deze winter,
wat die sportleraar in zijn hoofd haalt). En, o ja,
hijgt hij, bij wat wij hopen dat zijn laatste oprisping
is: 'Hebben jullie nog iets voor de voedselbank?'
Het is de maand van de
goede-doelenacties. Geen school die de kerstvakantie
laat beginnen zonder in het lesrooster tijd in te ruimen
voor de nooddruftigen
op deze aardkloot. Leerzaam en vormend, zo'n lichtpuntje
tijdens de donkerste dagen van het jaar, dat moet de
achterliggende
gedachte zijn. Maar jaar in, jaar uit reageren onze
nazaten op elke 'Maak de
wereld
een beetje beter'-campagne als op de vrouw met de
collectebus voor wie ze onverhoopt onze voordeur hebben
geopend: 'Pap, het is voor jou!'
Onze dochter wordt in
december een aantal uren vrijgesteld om betaalde
werkzaamheden te verrichten voor hen die het minder
hebben dan wij. En dat zijn er nogal wat. Edoch, elke
keer weer weet ze ons een dag van te voren te verrassen
met de vraag 'Of wij misschien nog wat voor haar te doen
hebben?' Ja, ik weet het, dom van ons. Dat wij daar zelf
niet tijdig rekening mee houden.
Als de vertegenwoordiger van
de harde educatieve lijn in ons gezin - vaste lezers van
deze informatieve rubriek vertel ik daarmee geen nieuws
- heb ik altijd wel een breed scala van zinnige
maatschappelijke activiteiten paraat:
- een bijdrage leveren aan
het ruimen van gezonde, drachtige geiten in onze
woonomgeving;
- gladheidbestrijding in het
algemeen, of;
- het uit hun isolement
halen van ingesneeuwde senioren zonder abonnement op
tafeltje dekje in het bijzonder.
Maar in de regel komt het er
op neer dat mijn eega een futiel huishoudelijk werkje
bedenkt, waarvoor wij het exorbitante bedrag van 20 euro
neertellen. Dit jaar was dat het 'meehelpen aan het
optuigen van de kerstboom', een bezigheid waarvan ze -
na het knopen van twee rode strikjes om een laaghangende
tak - meteen schoon genoeg had. Op het
verantwoordingsformulier omschreef zij dit als 'het
leveren van een bijdrage aan interieurprojecten'.
Al jaren sta ik op het punt
een motie bij de ouderraad van haar onderwijsinstelling
in te dienen om het schoolgeld jaarlijks met een
substantieel bedrag te verhogen, om verder niet meer
lastig te worden gevallen met incidentele bijdragen aan
welke vorm van goede doelen-actie dan ook. Nee, dan
hebben ze het bij de basketbalvereniging van onze zoon
beter begrepen. Voor ouders van leden die te beroerd
zijn om met loten langs de deur te gaan, is het mogelijk
de inkomsten van de jaarlijkse Grote Clubactie direct
bij het begin van het seizoen af te kopen.
Wel zo handig.
De Voedselbank daarentegen
zit niet in dat handzame goede-doelenpakket. Om de gang
naar school niet nog meer vertraging te laten oplopen,
gris ik - het is bij ons ook het einde van de week - een
pak erwtensoep en een blik zalm van de plank, bindt deze
aanzet tot een rijk kerstmaal onder zijn snelbinders,
geef hem een zodanig duwtje in de goede richting dat hij
het niet in zijn hoofd haalt om andermaal op zijn
schreden terug te keren, en zet mij wederom aan het
restant van mijn ontbijt.
's Middags staat hij weer
met hetzelfde tasje bij ons in de voorraadkast om de
erwtensoep en de zalm weer op hun plek te zetten.
Viel het niet in de smaak?
Dat niet, zegt hij zonder
een spoor van schaamte.
Het was vorige week. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
17 december
2009 |
|
| |
|
|
| |
Duurzaamheid
Zelf zag ik het me nog niet doen op
mijn wekelijkse rondje door de supermarkt: elk potje
controleren op de aanwezigheid van foute palmolie. Maar
volgens 'Kassa' zat er niks anders op om de kap van het
oerwoud op Borneo te voorkomen. Bril omhoog - anders
krijg ik het tegenwoordig niet meer scherp - in het
gangpad starend naar die veel te kleine lettertjes op de
wikkels. Weet je waar die verrekte olie allemaal in zit?
De oplossing zat naast Felix Meurders. De 'Directeur
Duurzaamheid' van Unilever - een treurig kijkende man
met een snor - die beloofde dat zijn bedrijf binnen een
paar jaar, eerder gaat echt niet, alle foute
leveranciers in de ban doet. Kijk, dat schiet op, dacht
ik.
Als de man die 's avonds de
lichten uit doet, zou ik mezelf ook wel mogen
omschrijven als de 'Directeur Duurzaamheid' in mijn
eigen gezin. Op mijn rondje door een ingeslapen
doorzonwoning, stuit ik in vrijwel elke kamer op het
schijnsel van de standby-knoppen van televisies, het
gezoem van de
harde
schijven van computers, flikkerende lampjes van modems
of - het toppunt van energieverspilling - de ventilator
in de slaapkamer van onze dochter die zomer en winter
elke nacht doorblaast omdat de tijdschakelaar het heeft
begeven. Weghalen en verstoppen - echt, we hebben het
geprobeerd - leidt tot hoogoplopende conflicten. Zonder
het geluid valt ze niet in slaap. En de keren dat ik
ergens een computer voor de nacht afsluit, blijk ik het
downloadproces van oude afleveringen van 'Law & Order',
de nieuwste games of obscure cd's te hebben verstoord.
Als 'Directeur Duurzaamheid'
doe ik wat ik kan. Ik lever oud papier, lege flessen,
uitgeputte batterijen en afgedankte elektronica apart
in. Maar bij de oplossing van wereldwijde milieu- en
klimaatvraagstukken val ik maar al te vaak aan twijfel
ten prooi.
Waarom zou ik mijn 1 op 8
slurpende SUV aan de kant doen als de deelnemers aan de
klimaattop in Kopenhagen goed zijn voor de uitstoot van
46.200 ton CO2 omdat ze allemaal met het vliegtuig komen?
Waarom maakt Toyota geen
Prius die mijn caravan kan trekken?
Ik heb grote bewondering
voor de eenling die in dit aardse bestaan uitsluitend
kiest voor biologische groenten, zijn eigen energie
opwekt met een uitwerpselenvergistingsinstallatie of
zich als vrijwilliger inzet voor een oudedagsvoorziening
voor legbatterijkippen. Maar als ik me zelf buig over
een aanmeldingformulier voor groene stroom, blijf ik
hangen bij gedachten over de vier kolencentrales die in
aanbouw zijn, de Franse kernenergie die in Nederland
massaal wordt ingekocht of bij mijn buurman, die geverfd
hout in zijn open haard verstookt. Zou hij andere stroom
krijgen dan ik, als ik ga voor 'groen'?
Ik wil best mijn steentje
bijdragen, maar het moet niet te gek worden. Daar komt
het eigenlijk wel op neer.
Mijn standpunt over
klimaatverandering ('milieu kun je veranderen, het
klimaat niet') ben ik pas serieus gaan bijstellen toen
ik een Kamerlid van de club van Wilders dit bij 'Pauw en
Witteman' als het officiële partijstandpunt hoorde
neerzetten. Maar in mijn hart zit ik nog steeds een
beetje op de lijn van de zonderlinge boer, die
dinsdagavond in 'Joris' Showroom' zei: 'Er is één ding
zeker aan het weer. Zoals het nu is, blijft het niet'.
Sturing wil ik, van de
overheid. Net als die twee verstokte Chinese rokers die
in een documentaire over de kwalijke praktijken van de
tabaksindustrie opmerkten: 'Als roken slecht voor de
gezondheid zou zijn, had de regering het wel verboden'.
Na de gloeilamp moeten we doorpakken. Tot de 'Directeuren
Duurzaamheid' van grote multinationals die elke week
mijn supermarktkarretje vullen, zou ik willen zeggen:
Geef mij eerlijke palmolie. De groenste stroom. Een
schone auto die mijn caravan kan trekken.
Laat mij niet aanmodderen.
Want op eigen kracht blijf ik toch de vegetariër die
voor het schap met de foute varkenslapjes denkt: Nou,
vooruit maar, ze zijn toch al dood. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
10
december
2009 |
|
| |
|
|
| |
Zelfredzaamheid
Op het
paadje van de schuur naar de keukendeur loop ik in het
pikkedonker tegen de fiets van mijn dochter aan. Dwars
over het pad, staat het rijwiel, als om te voorkomen dat
ik er achteloos aan voorbij kan gaan. En dat blijkt ook
de bedoeling. ,,Mijn zadel is kapot'', zegt ze, tussen
twee happen roze koek en een op een computerscherm
gefixeerde blik door. ,,Je moet er even een ander
opzetten.'' Kalm blijven, onder dit soort omstandigheden.
Dat heb ik wel geleerd. ,,Natuurlijk. Ik haal er even
eentje uit het magazijn.''
De gang van de keukendeur naar de schuur
maak ik elke morgen al in omgekeerde richting, om het
fietsenpark rijklaar te zetten met het neuswiel richting
de poort. Dat is ooit zo gegroeid in de periode dat
spinnenwebben het smalle paadje overwoekerden en onze
dochter zelfs met het mes op de keel niet was te bewegen
zich er een weg door te banen. Dan maar niet naar
school.
Deze
ochtendroutine benut ik nu om de rijwielen te
controleren op loszittende onderdelen (ze kunnen
wekenlang rondrijden met een bagagedrager die nog maar
aan één schroefje vast hangt), in de velg vastgedraaide
snelbinders ('O, niks van gemerkt') en defecte of
ontvreemde verlichting. Sinds ik mijn zoon heb
aangeleerd (dat dan nog wel) om zijn lampjes onder
schooltijd preventief bij zich te steken, verslijt hij
bijna elke twee dagen een setje batterijen omdat het aan
de binnenkant van zijn broekzak nooit meer donker wordt.
Wellicht dat er in de slotverklaring van de Klimaattop
in Kopenhagen iets over deze 'carbon footprint' van de
schoolgaande jeugd kan worden opgemerkt.
Zelf zijn ze net zo gehecht aan het
vervoermiddel waarvan ze compleet afhankelijk zijn voor
de rit van en naar school, als een zelfmoordterrorist
aan zijn regeling voor een oudedagsvoorziening.
Om de zelfredzaamheid bij pech onder weg
te bevorderen - en niet meer om de haverklap mijn werk
te hoeven verlaten voor een noodoproep - heb ik ze
standaard voorzien van een busje 'Tyre Leaks' ('Dicht
lekken in fietsbanden en pompt deze op'), dat ik onder
schooltijd op de gekste plekken in huis tegenkom,
behalve in de rugzak of het fietstasje waarin het zich
zou moeten bevinden. En de ene keer dat ik wél
telefonisch instructies kon geven om de 'Tyre Leaks' te
gebruiken, bleek er door zowel binnen- als buitenband
zo'n onvermurwbare draadnagel te steken waarmee ze in de
VOC-tijd dwarsbalken aan het onderdek van
Oost-Indiëvaarders vastklonken. Daar kon geen 'Tyre
Leaks' tegenop.
'Wat nu te doen?', wilde mijn dochter
vervolgens weten, want zelf schoot haar niks te binnen.
Ik legde haar uit dat wij - in onze tijd,
net na de uitvinding van het wiel - dan op het
achterbankje van een klasgenoot plaatsnamen, de kapotte
fiets aan het stuur met ons meeslepend, door regen en
wind, ja zelfs ijzel was geen belemmering, om op eigen
kracht, want er waren nog geen mobieltjes maar ook
anderszins kwam het niet in ons op om onze ouders
hiermee lastig te vallen, maar dit terzijde, geheel op
eigen kracht het huis te bereiken.
'Juist ja', sprak ze, waarna ik tien
minuten later werd gebeld met de mededeling dat de fiets
halverwege - toen het echt niet meer ging - op slot was
gezet bij een winkelcentrum waar ik hem, op weg naar
huis, mooi even kon oppikken. (Voor dat doel heb ik -
wijs geworden - altijd de reservesleuteltjes van het
kroost aan mijn eigen sleutelbos hangen.) Want dat kon
ik toch zo goed, met een fiets aan de hand naar huis
rijden?
Collega's zonder kinderen kunnen mij
altijd haarfijn vertellen waar het allemaal is misgegaan.
Maar zelf draag ik op dit soort momenten nog graag de
verwondering met me mee over de vanzelfsprekendheid
waarmee ik met het klimmen der jaren ben verworden van
gezaghebbend ouder en opvoeder tot mobiel
rijwielhersteller. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
3
december
2009 |
|
| |
|
|
| |
Verlanglijstje
De man-die-alles-al-heeft
kluift aan zijn pen en haalt maar weer eens een zucht
vanuit zijn tenen. 'Verlanglijstje' staat er ambitieus
op het verder nog maagdelijke vel papier voor hem op
tafel. Schaar en lijmpot naast zijn rechterelleboog
wachten op de dingen die komen gaan. Maar er komt niks.
Sinds zijn vrouw sinterklaas heeft bestempeld tot het 'feest
van de kleine cadeautjes' is de man-die-alles-al-heeft
ten einde raad.
Grote cadeauwensen, ja, daar heeft zelfs
de man-die-alles-al-heeft er nog wel een paar van in
zijn achterzak. De nieuwste iMac van Apple met een
lekker groot scherm. Een strandfiets van Imming uit
Egmond aan Zee. De
Prima
Donna van DeLonghi. En, uh, tsja, dan houdt het
eigenlijk wel op. De man-die-alles-al-heeft is niet
veeleisend. Hij is een matig mens, mag hij zelf graag
benadrukken.
De man-die-alles-al-heeft maakt het lang
niet zo bont als zijn kinderen-die-alles-al-hebben. Eén
ervan heeft een Aston Martin Rapide op haar
verlanglijstje gezet. Niet voor persoonlijk gewin,
overigens. Het is het eerste vierdeursmodel dat de
Britse sportwagenfabrikant voor een luttele 250.000 euro
op de markt brengt. Een echte gezinswagen, dus we hebben
er allemaal wat aan. Maar voor hetzelfde geld is het uit
balorigheid geweest. Ook zijn dochter-die-alles-al-heeft
was slechts na aanhoudende pressie van haar moeder in
staat tot het produceren van een verlanglijstje.
Haar broertje-die-alles-al-heeft hield
het bescheidener. Een breedbeeldtv waarop hij ook zijn
computer kan aansluiten. Maar het argument dat
tegelijkertijd tv kijken en computeren dan wat lastiger
wordt, maakte aan dit verlangen meteen een eind.
De man-die-alles-al-heeft is de eerste om
de fout bij zichzelf te zoeken. Zodra hij iets nodig
heeft, koopt hij het meteen. Een goed boek. Spulletjes
voor zijn racefiets. Computerdingetjes. Bij de grote
online winkeliers is de man-die-alles-al-heeft een
gewaardeerde, terugkerende klant die met twee klikken
van de muis zijn bestellingen afrondt. Nee, aan hem ligt
het niet dat de verzenddienst van TNT-post moeilijke
tijden doormaakt.
De man-die-alles-al-heeft. De naam
straalt ook tevredenheid uit. Hij heeft genoeg. Hij
hoeft niet meer. Natuurlijk, ook de man-die-alles-al-heeft
mag nog wel graag fantaseren over wat hij allemaal niet
gaat kopen als hij ooit, ooit, ooit de Staatsloterij
wint. Een tweede huis in de Provence. Een boot. Een
Rolls Royce Silver Spur convertible die hij permanent op
het vliegveld van Nice laat staan. Lekker handig, als
hij daar op vrijdagmiddag aankomt om er het weekend door
te brengen. Maar misschien is een busje ook wel handig,
als zijn fietsvrienden op bezoek komen om de Col de la
Madone te beklimmen.
De vrouw van de man-die-alles-al-heeft
verklaarde onlangs plechtig dat ze van hem gaat scheiden,
mocht hij die tientallen miljoenen ooit winnen. Ze is
ervan overtuigd dat hij er compleet aan onderdoor gaat.
Ze wil de helft, en er dan meteen vandoor. Niet dat ze
hem nooit meer hoeft te zien. Zo af en toe nog. Om leuke
dingen te doen. Maar verder wil ze er niks mee te maken
hebben.
De man-die-alles-al-heeft zucht nog maar
eens een keer vanwege de complexiteit van het bestaan.
En schrijft dan drie dingen op het verlanglijstje voor
sinterklaas die hij deze week toch al van plan was te
kopen. Het boek 'De lachende derde' van de journalist
Peter Middendorp over Jan Peter Balkenende. Een paar
nieuwe pantoffels. En een opzetstuur voor zijn
mountainbike.
Opgelucht levert de man-die-alles-al-heeft
het lijstje in bij zijn vrouw, die er een kritische blik
op werpt, informeert wat zo'n opzetstuurtje gaat kosten
(' van 89 tot 320 euro, dat laat ik geheel aan je
beleefdheid over', zegt de man-die-alles-al heeft),
waarna ze er resoluut een streep door zet.
Ja ja, hij heeft het begrepen.
Sinterklaas is het feest van de kleine cadeautjes.
De man-die-alles-al-heeft kan niet
wachten totdat die vent weer is opgekrast. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
26 november
2009 |
|
| |
|
|
| |
Uitlachen
De plek lijkt niet toevallig gekozen. Moeder en peuter
staan –
verlangend, begerig bijna - op het snijvlak van hard en
mul zand, waar
de mountainbike zich met het voorwiel vastbijt in een
kuil, een halve
slag in de rondte draait en zijn berijder van zich
afwerpt. Groot en
klein slaan zich op de knieën van de pret. ’Niet mij
uitlachen!’, roep
ik huilerig, terwijl ik moeizaam overeind probeer te
komen. Eigenlijk
wil ik erbij met mijn voeten op de grond stampen, maar
mijn schoenen
zitten nog vast aan die verrekte pedalen.
Dat ik thuis onderwerp van spot en hoon ben zodra ik mij
in mijn kekke
wielerkleding hijs, ben ik inmiddels gewoon. Maar nu
bespeur ik ook in
rest van de samenleving een verruwing op dit vlak. Wie
zich tegen zijn
vijftigste op zijn ’all terrain bike’ nog buiten de
geijkte paden
begeeft, kan louter rekenen op meewarige blikken als hij
ergens op de
Utrechtse Heuvelrug op zijn rug in de modder ligt. Te
onaantrekkelijk
voor een jonge vriendin. Te arm voor een Harley Davidson.
En wat moet
je dan, met een dijk van een midlife crisis?
Door de week is het allemaal nog wel te doen. De
mountainbike is pas
van de muur gehaald op het moment dat het te donker werd
om ’s avonds
te racefietsen. Onder de bescherming van de duisternis
schudden wij,
senioren, de jaren van ons af. Niemand die ons ziet, als
we met onze
schijnwerpers over de singletracks van het atb-parcours
rossen of,
stiekem, de wandelpaden nemen, altijd beducht voor een
overwerkende
koddebeier of duinwachter. Vorige week nog wisten we het
zoeklicht van
een pickup-truck van de douane op ons gericht, voordat
we –
achterlichtjes uit – ons lieten opslokken door een
dennenbosje, het
hart kloppend in de keel, als Dik Troms achtervolgd door
veldwachter
Flipse. Als Swiebertjes, met Bromsnor ons op de hielen.
Ook in bewoond gebied mogen we graag van asfalt of
klinkers afwijken,
om strookjes groen, niet al te steile trappen of een
enkel overwoekerd
voortuintje met onze robuuste banden te bedwingen. Urban
bikers, dat
zijn we.
Apenkooi voor bejaarden, meent mijn dochter.
Ja, ik heb het wel afgeleerd om daar bij terugkomst
vrouw en kinderen
met rode konen over te vertellen. Ook mijn trofeeën van
die avondlijke
avonturen houd ik zorgvuldig verborgen sinds ik – met
mijn geschaafde
knieën en blauwe plekken op de heupen – ben vergeleken
met tante Els,
die bij leven met haar rollator ook niet meer zo vast
ter been was.
En, weet mijn zoon, boven de vijftig (Ik: ’49!’) teken
je nou eenmaal snel.
Nachtblind en een beetje angstig ben ik, op die
mountainbike. Alleen
psychologen gespecialiseerd in groepsdwang kunnen mijn
beweegredenen
doorgronden.
Naast het bos en het duin heb ik sinds kort ook het
strand ontdekt. Na
twee oefenritjes was de tijd rijp voor de Rabo Beach
Challenge
(Scheveningen-Noordwijk-Scheveningen) waar negenhonderd
man en een
enkele vrouw - uit frustratie over de bijna-zomerse
omstandigheden van
afgelopen zaterdag - er behagen in schiep om zeker de
helft van die 43
kilometer half in het water af te leggen, met
vervaarlijke sprongen de
diepe geulen nemend waarmee een brede zwin de weg naar
de zee zocht.
Zeker twee van ons groepje eindigden kopje onder in zo’n
stroomgat,
waarbij in elk geval één fietsbril (merk Carrera) op zee
gebleven is.
Komend weekeinde rijd ik op het mountainbikeparcours in
Schoorl. Het
deert me niet, als u onaangedaan over me heen stapt,
mocht ik ergens
vlak voor of achter u ter aarde storten. Of wanneer uw
hondje zijn
achterpootje naast mijn hoofd optilt. Ik lig tenslotte
in zijn
territorium.
Maar, doe me een lol:
Niet mij uitlachen! |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
19 november
2009 |
|
| |
|
|
| |
Digibeet
Een bevriend echtpaar schakelt over
op het Engels, bij zaken die niet voor kleine kinderoren
zijn bestemd. Maar wij - de twee nazaten en ik - kunnen
heikele digitale kwesties aan de eettafel gewoon in het
Nederlands doornemen, in de wetenschap dat het
bevindelijke deel van ons gezin overtuigd digibeet is.
,,Jongens, Call of Duty Modern Warfare 2 is uit voor de
Xbox360. Via Torrent te downloaden op Pirate Bay.'' Of:
,,Shit, we zijn met onze modified controller door
Microsoft gebanned van Xbox Live.''
Het
is nog maar een paar maanden geleden, dat de dingen bij
ons thuis prettig overzichtelijk waren. Ik zat de hele
avond op een fietszadel of achter
mijn computer, mijn eega las
een belangwekkend boek, onderwijl haar afschuw
uitsprekend over de uitwassen van de moderne tijd. Op
geen enkele manier zijn we derhalve voorbereid op haar:
,,Call of Duty? Ik lees net op Twitter dat dit spel
extreem gewelddadig is.''
De voortekenen waren er al
wel. Alleen las ik ze verkeerd. Toen ze na de
zomervakantie klaagde dat ze nergens in huis een plek
had waar ze ongestoord kon werken, had ik met mijn
tomeloze internetkoopdrift en - zoals zo vaak - gedreven
door eigenbelang, die laptop al voor haar besteld. In de
vaste overtuiging dat, zodra dat ding ergens een paar
maanden zou liggen te verstoffen, ik weer een speeltje
aan mijn uitgebreide collectie kon toevoegen.
Dat ik een Paard van Troje
in huis had gehaald, bleek toen het ding zich al spoedig
hele avonden op haar schoot begon te nestelen. En
langzaam de regie over mijn leven begon over te nemen.
Als passieve Twitteraar had ik me in de maanden daarvoor
nog haar hoon moeten laten wegvallen, over deze moderne
vorm van exhibitionisme. Nu dwong ze me opeens haar 'Openbare
Bibliotheek' toe te voegen aan mijn bescheiden, doch
illustere rijtje twitteraars Nico Dijkshoorn, Barack
Obama en Lance Armstrong. Vanaf haar schoot krijg ik nu
- drie tot vijf keer per avond - berichten als 'Nieuw in
de toptitels: 'Medeplichtig' van Nicci French, http://tinyurl.com/ygoh6qz'.
Vijftig minuten 'De Wereld
Draait Door' met drie gasten die een boek achter hun
naam hebben staan, levert evenzoveel 'Twitters' op.
Steeds weer met een url die verwijst naar de digitale
catalogus van de plaatselijke bieb.
Goed beschouwd is die
bibliotheek de bron van alle kwaad. Het instituut schudt
in hoog tempo het stoffige imago van zich af en lijkt
zich in moordend tempo voor te bereiden op een tijdvak
waarin het ook zonder het gedrukte woord kan overleven.
Als hoofd 'frontoffice' loopt mijn eega
marketingcursussen af, laat zich bijpraten over de
nieuwste ontwikkelingen op het gebied van presentaties
en public relations en marcheert - als bekeerde analoge
- bij ons thuis inmiddels voor de digitale troepen uit.
Nog voor de vaste internetjunks uit mijn vriendenkring
mij erover hebben kunnen berichten, weet mijn vrouw mij
al te vertellen dat onze woonplaats te zien is op Google
Streetview. En maak ik al gebruik van Google Chrome en
Google Wave? Nee zeker? Schijnt helemaal het einde te
zijn.
Ze zit op Hyves, weet alles
van Facebook, Linkedin en andere sociale (inter)netwerken.
Nee, niet voor zichzelf. Alles in het belang van de
goede zaak, uiteraard. Leesbevordering. Klantenbinding.
Het positioneren van de bibliotheek als uw en mijn
multimediapartner.
Met toenemende verontrusting
sla ik dit alles gade, zeker nu ze ook het - voorheen
door haar verfoeide - systeem van internetbankieren in
combinatie met aan haar mobiele telefoon verstrekte
TAN-codes heeft ontdekt. De financiële privacy die ik
jarenlang koesterde voor mijn exorbitante hobbyaankopen,
dreigt aan alle kanten te worden geschonden nu ook zij
kennis neemt van af- en bijschrijvingen van onze
gezamenlijke bankrekening.
Vooruitgang, moet ik haar
binnenkort maar eens voorhouden, is soms ook een stapje
terug doen.
Wordt het niet tijd dat je
weer eens een goed boek gaat lezen? |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
12 november
2009 |
|
| |
|
|
| |
Ierland
De benauwde caravan, waar met behulp van een
elektrisch
bijzetkacheltje in het toilet een provisorische 'droogkamer'
voor onze schoenen en jassen is gecreëerd, zijn we
ontvlucht voor een autoritje door een landschap dat zich
hult in een druilerige nevel. Na 'Sesamstraat' en 'Bassie
en Adriaan' is dit jaar 'Kinderen voor kinderen' de
topper in het vakantierepertoire.
'Mijn vader wil naar Ierland voor de schapen en de vis,
En ik kan me daar weer gaan vervelen,
Want als het daar een keertje niet zo mistig is,
Nou, dan regent het pijpenstelen.'
Het deze week
door de fans tot absolute favoriet uit 30 jaar
kindermuziekgeschiedenis gekozen 'Op een onbewoond
eiland' stond
tekstueel veel te ver van onze nazaten af. Nog in de
wieg sleepten we
onze dochter mee op een vakantie naar Cornwall, waar de
oceaanwinden
en slagregens op camping Polmanter Farm in St. Ives
korte metten
maakten met het doek van onze huurtent. Door de manier
waarop ik
manmoedig aan de stokken bleef hangen, sta ik daar nog
steeds te boek
als de uitvinder van het kitesurfen.
Na diverse
gesprekken met medewerkers van de kindertelefoon waren
we
bereid tot een concessie: we kochten een caravan. Maar
voor onze
zomervakanties bleven we onverminderd naar de Britse
eilanden
afreizen, altijd maar weer begeleid door het kinderkoor
met de Gooise
'R':
'Nee nee nee!
Nee papa nee! Ik wil niet naar Ierland op vakantie,'t
Wordt tijd dat ik een land zie, Met strand en zee, Een
vakantie met
zon, Zonnegarantie.'
Gek genoeg zijn
we nog nooit naar Ierland op vakantie geweest. Maar er
was weinig fantasie voor nodig om de tekst van het
liedje van
toepassing te verklaren op de omgeving van Loch Duich in
Schotland
(waar bij slecht weer de regen en bij mooi weer de
midges, gemene
steekvliegjes, ons binnenhielden), de stranden van Noord-Devon
(waar
onze nazaten alleen in zee wilden als we een - veel te
ruim - wetsuit
voor ze huurden) of de rotshellingen van The Old Man of
Coniston en
andere heuvels in het Lake District (waar we met onze
wandelschoenen
tot boven de kuit in de van blubber verzadigde grond
wegzakten).
Bij de keuze
van een vakantiebestemming hebben we ons nog nooit wat
gelegen laten liggen aan het standpunt van de kinderen.
Zodra ze min
of meer rechtstandig op hun kromme beentjes konden staan,
lieten we ze
wandelingen van 15 tot 20 kilometer afleggen, bij
voorkeur over
onverhard terrein. Bij terugkeer op weer zo'n Spartaans
kampeerterrein
van The Caravan Club - er zijn er met bordjes 'Kinderen
verboden,
honden toegestaan' - hingen ze een kwartier aan een
scheefgezakt
klimrek, schopten wat tegen een lekke bal en kwamen na
deze
alternatieve animatie net voor een volgende bui naar
binnen voor een
spelletje scrabble en kop warme chocomelk.
Pas de laatste
twee jaar waren we bereid tot enige concessies,
voornamelijk omdat het kroost een leeftijd bereikte
waarop het ons ook
fysiek kon bedreigen. Met een reisje naar de Tarn (het
zuiden van
Frankrijk) en de Zuidelijke Dolomieten (Italië) kozen we
eieren voor
ons geld en zagen ze voor het eerst dat je op vakantie
ook buiten - in
het zonnetje - kon ontbijten zonder lekgestoken te
worden. Of 's
nachts in slaap kon vallen zonder extra fleecedekens en
bedsokken.
Voor volgend jaar - waarschijnlijk de laatste keer dat
onze oudste
(17) mee gaat - hebben we haar zelfs helemaal de vrije
hand gegeven in
de vakantiebestemming. Als een soort 'wiedergutmachung',
mag ik wel
zeggen, voor al die jaren van ontberingen.
Ze moest er,
niet eens zo heel lang, over nadenken en kwam toen
met...
Ja, ja, ja, we
gaan naar Ierland op vakantie! |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
5
november
2009 |
|
| |
|
|
| |
Slecht nieuws
Er is natuurlijk niks mis met
alpha- en bètavakken, maar
'slecht-nieuwsgesprekken' zouden toch ook niet misstaan
op het lesroosters van de middelbare school. Toch
probeert onze zoon (13) er altijd weer het beste van te
maken. Hoge cijfers gooit hij ons meteen voor de voeten,
slechte resultaten hebben een zekere aanloop nodig. 'Eén
van de beteren, was ik nog', schetst hij doorgaans het
bredere kader waarin een onvoldoende moet worden
geplaatst. Maar aangezien
zijn repertoire van inleidingen niet al te breed is,
valt hij in de
regel meteen met donderend geraas door de mand.
Twee maanden is hij nu bezig, in zijn
tweede jaar vwo, en het besef
dat hij ten opzichte van de havo/vwo-brugklas een tandje
bij moet
zetten, wil aanvankelijk niet tot hem doordringen. Bij
de geringste
kritiek
op zijn werkhouding - die wij in een milde bui als 'zorgeloos'
zouden omschrijven - barst hij los in een pubertirade
waarin hij ons -
jongbejaarden, in zijn ogen - onvoldoende inzicht in de
materie verwijt. Of waarin wij ons weten afgeschilderd
als types die zich handenvol zand in de ogen laten
strooien door onze dochter - zijn zus - wiens enige
levensdoel het najagen van negens en tienen schijnt te
zijn. Zoon: ,,En voor mij is een zeven ook heel mooi.''
Daar is in mijn
optiek - ik heb een zwak voor de zorgelozen in deze
samenleving - weinig tegenin te brengen, temeer daar
zijn eerste
resultaten zelfs nog riant boven deze 'ruim voldoende'
uitkomen. Of
hij zich daarmee bevestigd ziet in zijn werkwijze - en
nog iets van
zijn ijver afroomt - is niet duidelijk, maar het feit
ligt er dat hij
opeens schroomvallig moet bekennen dat hij bezig is aan
een
indrukwekkende reeks 4-en.
Hoe dat te doen?
Daarvoor gaat
hij - heimelijk, want zo slim is hij dan weer wel - te
rade bij de deskundige bij uitstek in ons gezin, iemand
die van
communiceren zijn beroep heeft gemaakt.
Weet hij veel.
In mijn tijd
bestond er een goede traditie om onvoldoendes te
verzwijgen. Het klimaat was daarvoor ideaal. Mijn ouders
hadden - in
die periode van wederopbouw - wel wat anders aan hun
hoofd dan zich te
bekommeren om mijn schoolprestaties en bij veel
klasgenoten was dat
niet anders. Als je tegen het moment dat de
kwartaalrapporten
uitkwamen de grootste negatieve uitschieters wat had
genivelleerd, kon
je - op een onbewaakt moment - beschroomd om een
signatuur ('Ik heb
hier als ouder/opvoeder kennis van genomen') verzoeken.
Mocht je om
jouw moverende redenen een kwartaaltje willen overslaan,
dan was zo'n
handtekening bovendien eenvoudig vervalst.
Maar dat is
geschiedenis. Aan het begin van het seizoen 2009/2010
zijn
wij via de school in het bezit gekomen van de inlogcodes
van een
internetsite waarop alle resultaten van onze jongste
nazaat worden
bijgehouden. Niks blijft meer verborgen. Hij heeft -
omdat er tussen
het moment van uitdelen en invoeren van de cijfers vaak
wat tijd zit -
hooguit een paar dagen om het slechte nieuws te brengen.
En die moet
je benutten, adviseer ik hem, als hij mij op een middag
uitlegt dat
hij zijn moeder weliswaar in kennis heeft gesteld van de
ene vier,
maar de andere nog in zijn achterzak heeft gehouden.
Doseren, dat is
van het allergrootste belang, in dit
communicatietijdperk. Nooit alle
ellende in één keer op haar bordje gooien.
Mijn
pappenheimers kennende, houd ik hem ook nog voor dat hij
in de
avonduren - in de beslotenheid van zijn slaapkamer -
niet opeens
slappe knieën moet krijgen en die tweede vier alsnog
gaat opbiechten.
'Want dan weet ze natuurlijk meteen dat je hem eerder
hebt verzwegen.
Het beste tijdstip is 17.30 uur, als ze net druk is met
het eten, en
het heel logisch lijkt dat je het cijfer die middag pas
net op school
hebt gehoord.'
Goed idee,
bedankt voor de tip.
Maar 's avonds
blijkt zijn geweten sterker dan mijn wijze raad. Hij
bekent - in onderbroek - niet alleen zijn laatste vier,
maar vertrouwt
zijn moeder ook meteen toe dat hij daarmee ingaat tegen
de strategie
van de communicatiedeskundige die hij heeft geraadpleegd.
Als ze naar
beneden is gestampt en mij vertoornd in de blauwe ogen
kijkt, noemt ze dit smalend 'Een typisch Dick van der
Plas-advies'.
Nee, mijn vrouw
heeft geen enkele moeite met slecht-nieuwsgesprekken. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
29 oktober
2009 |
|
| |
|
|
| |
Machteloos
Het leven wordt er niet
overzichtelijker op. Neem nou de krik, die ik uit een
nog nooit geopend luikje in de kofferruimte van mijn
auto haal. Het ding - formaat rookpotje met een paar
vreemde uitstulpingen - lijkt onmogelijk in staat een
voertuig van 2000 kilo ook maar een centimeter van de
grond te krijgen. En als ik ook nog bij de eerste zin
van de gebruiksaanwijzing de draad kwijtraak - 'Place
Jack at proper jacking location' - hak ik, na een paar
keer schichtig om me heen te hebben gekeken, de knoop
door. Alleen de buurvrouw die met haar bezem de bladeren
van de stoep veegt, ziet hoe ik mijn fietspomp op het
ventiel van de lekke band van mijn auto aansluit.
Vrouwen vinden daar niks vreemds aan.
Voor iemand met twee linkerhanden vormen de kleinste
tegenslagen in
het leven onoverkomelijke hinderpalen. Al weken rijd ik
rond met een
rechtervoorband die eerst langzaam, maar geleidelijk aan
steeds
sneller leegloopt. Eerst duurde het een week na het op
spanning
brengen
(2,4 bar) voordat ik weer langs het gele kastje
met 'lucht'
van de benzinepomp moest. Toen drie dagen. En afgelopen
nacht is mijn
auto in één keer helemaal scheef gezakt op een band die
met een
zielige dikke rimpel onderuit de velg stulpt.
Wat nu te doen?
De krik pakken, auto omhoog brengen, wiel verwisselen.
Dat lijkt het
meest voor de hand liggende scenario. Maar sinds mijn
eerste
traumatische ervaring met dit klusje, begin ik daar
liever niet aan.
Het was in de tijd dat ik werkte als medewerker van een
sportredactie
en er elke zondag op uit moest om ergens in de provincie
een
voetbalwedstrijd in de kelder van de onderbond te
verslaan. Daartoe
verplaatste ik me in een, voor vijfhonderd gulden
aangeschafte, rode
eend met gele wieldoppen en meer mankementen dan ik in
de bijna
zevenhonderd woorden van dit stukje kwijt kan. Maar op
een kwade
zondagochtend kwam daar ook een lekke band bij. In het
bevindelijke
deel van ons oude dorp zette ik de wagen op de krik - om
tijd te
winnen laat ik alle moeizame voorbereidingen maar even
achterwege -
pompte het wagentje omhoog, haalde het gemankeerde wiel
eraf en
herinner - de me pas dat ook mijn handrem al maanden
kapot was toen
het eendje met een klap van de krik gleed en op de velg
terechtkwam.
Terwijl ik moeizaam mijn linkerbeen onder het chassis
vandaan trok,
ging het raam van mijn Gereformeerde Bonds-buurman open
en klonk zijn,
op de dag des Heren altijd wat slepende, klaaglijke
stem: ' Van der
Plas, weet je wel dat het zondag is?'
Op praktijkavonden van de Bond tegen het Vloeken wordt
mijn reactie
nog wel eens als afschrikwekkend voorbeeld aangehaald.
(De kapotte handrem van de eend bracht mij - maar dit
terzijde - ook
nog een keer in problemen bij een alcoholcontrole.
Opgelucht dat ik
dit keer geen druppel had gedronken zette ik het
blaaspijpje tegen de
lippen, bolde mijn wangen, kneep mijn ogen toe en blies
zo hard dat
mijn autootje twee meter vooruit rolde en met het
achterwiel tot
stilstand kwam tegen de gepoetste schoenen van meneer
agent. De
blaastest was negatief, maar ik kreeg een bekeuring van
45 gulden voor
de kapotte handrem.)
Zelf sta ik er ook van versteld hoe snel ik met mijn
fietspomp bijna
anderhalve bar in de tractorbanden van mijn Suv krijg,
waarmee ik -
heel voorzichtig op de verkeersdrempels - naar de
dichtstbijzijnde
vestiging van de Kwik-Fit rijd. Er is een mevrouw voor
me die een
lampje van haar remlicht wil laten vervangen. Ook een
heel gedoe,
tegenwoordig, maar een fluitje van een cent voor de
receptionist, die
met een grote schroevendraaier - 'Gaat u maar even aan
de kant,
mevrouwtje' - het rode plastic kapje van haar
verlichtingsstrip te
lijf gaat. De ene schroef gaat er gemakkelijk uit, bij
de andere
draait hij - met een steeds roder aanlopend hoofd - de
blaren op zijn
handpalm.
'Sorry mevrouw, die moet worden uitgeboord, dat doen we
hier liever niet.'
Daarna ontmoeten onze blikken elkaar.
Even zijn we één in onze machteloosheid, de
Kwik-Fitreceptionist en ik. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
22 oktober
2009 |
|
| |
|
|
| |
Uitsmijter
Eerdere staaltjes van
ontluikende zelfstandigheid heb ik tijdens
vakanties van dichtbij mogen meemaken. Dan ging - met
het lawaai van twee galmende kerkklokken, want zo klinkt
dat, midden in de nacht in een caravan op een doodstille
camping - het sms-signaal van de mobiele telefoon van
één van mijn zussen af. Het hele gezin met
hartkloppingen stijf overeind voor wat uiteindelijk een
prangende vraag van een voor het eerst thuisgebleven
neef bleek te zijn: 'Waar ligt de eiersnijder?'
De herfstvakantie is het ultieme moment voor een
oefening in
zelfstandigheid. De jongen die al een paar maanden
aarzelend op de
rand van het ouderlijke nest zitten, hebben maar een
klein duwtje
nodig om een weekje op eigen vleugels te gaan. Het
mooiste is, als ze
zichzelf dat laatste zetje geven. Zoals onze dochter
(17) die, na
ampel beraad, besluit ons jaarlijkse enerverende weekje
Leersum aan
zich voorbij te laten gaan. Zogenaamd omdat ze nog
zoveel schoolwerk
heeft. Maar wij weten wel beter: het is de eerste stap
in de laatste
fase van onze opvoeding.
Eerder heeft ze aangekondigd volgend jaar, direct na
haar examen, uit
te vliegen naar Oxford of Cambridge, waar wij - met het
onbenul van
hen die niet beseffen hoe futiel dit voor een aspirant-wetenschapper
is - op reageerden met het honende verwijt dat ze nog
geen ketel water
aan de kook kan brengen. Alsof wijzelf daarvoor niet de
eerstverantwoordelijken zouden zijn.
Aan mijn eigen zelfstandigheid gingen minder verbale
schermutselingen
vooraf. Toen mij op mijn achttiende een zomerhuis in de
schoot viel
doordat een bevriend stel groter ging wonen, was ik
binnen drie dagen
het ouderlijk huis uit. Heerlijk, op eigen benen. Weg
onder dat
bevoogdende juk. Dertig jaar na dato kom ik nog steeds
mensen tegen
die mijn moeder herkennen als de vrouw die maandenlang
met de
stofzuiger onder haar snelbinders naar mijn nieuwe
onderkomen trapte
om daar de boel zo goed mogelijk te redderen. Op andere
dagen had ze
in theedoeken gewikkelde pannetjes spinazie en bruine
bonen - mijn
lievelingseten - in een tas aan haar stuur hangen.
Maar in de aanloop naar deze herfstvakantie zijn er met
onze dochter
goede vorderingen gemaakt. Mijn snelcursus frituren
doorliep ze met
goed gevolg - cum laude, mag ik wel zeggen - wat voor de
rest van haar
culinaire leven in elk geval een solide basis is. Later
kwam daar nog
een korte workshop uitsmijter bakken bij (haar
lievelingsgerecht),
gevolgd door een training pannenkoekenbereiding. Het in
de oven
schuiven van een diepvriespizza had ze toen al
behoorlijk onder de
knie. Met enige tegenzin - want hiermee ging ze het wel
een week
uitzingen - probeerde mijn eega haar nog de beginselen
van het
aardappels koken, spinazie ontdooien en het aanbraden
van een
gemarineerd speklapje bij te brengen. Maar deze aanzet
tot een
fatsoenlijk maal smoorde na drie minuten in de
mededeling dat ze
hoognodig naar haar kamer moest om zich aan belangrijker
kwesties te
wijden.
Een dag voordat wij na het verre Leersum afreisden,
sloegen we
derhalve nog een stapeltje kant-en-klaarmaaltijden in,
lieten op in
het oog springende plekken van ons huis briefjes achter
met de oproep
om 's nachts toch vooral deuren en ramen te sluiten,
stelden een
verkorte handleiding voor het gebruik van de
vaatwasmachine op en
vertrokken met bezwaard gemoed naar de Utrechtse
Heuvelrug, dag en
nacht beducht op sms'jes waarin ons werd verzocht om het
polisnummer
van de brandverzekering of het adres van de Voedselbank.
Maar angstig stil blijft het in onze caravan, nu al vier
dagen lang,
uit mijn mobiele telefoon die voor de zekerheid naast
het hoofdkussen
van mijn eega is geposteerd. Onze dochters eigen variant
op 'Belt u
ons niet, wij bellen u wel' begint zich tegen ons te
keren.
Zelfstandigheid is mooi, maar het moet geen vier dagen
duren.
Zelf probeer ik, ook in deze uren van benauwdheid, steun
en troost te
vinden in één van die Oudhollandse spreekwoorden waarin
de aanleiding
voor het uitblijven van sms-contact opgesloten kan
liggen:
Om een uitsmijter te bakken, heb je geen eiersnijder
nodig. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
15 oktober
2009 |
|
| |
|
|
| |
Trapondersteuning
Net als al die andere jongens
die kromgebogen over hun stuur naar school trapten, was
ik ooit Eddy Merckx of Joop Zoetemelk. Maar op weg naar
de redactie ben ik nu vooral mezelf, Dick van der Plas,
begenadigd wielertoerist die dit jaar op één dag de Col
du Glandon, de Telegraph, de Galibier en de Alpe d'Huez
reed, zijn naam verbond aan de Amstel Gold Race en
Limburgs Mooiste en deze zomer de toppen van Italiaanse
Dolomietenreuzen bedwong. Zelfs al rijd ik met de rem
erop,
niemand komt me voorbij in de straffe tegenwind waar ik
- o, pardon, neem me niet kwalijk, mevrouw - zojuist
toch ben ingehaald door een rijzige dame met een grijs
knotje op een fiets met trapondersteuning.
Principiële bezwaren tegen het elektrische rijwiel heb
ik niet. Toen
mijn vader overleed en mijn moeder - niet in het bezit
van een
rijbewijs - ook ernstig in haar mobiliteit leek te
worden aangetast,
heb ik haar zelfs overgehaald om één van de eerste
versies van de
Gazelle Easy Glider aan te schaffen. Daartoe heb ik me -
incognito -
laten verleiden tot een proefrit, om haar - als de dood
voor alles wat
gemotoriseerd is - ervan te overtuigen dat de fiets er
niet met haar
vandoor zou gaan zo gauw ze erop zou stappen, maar dat
je wel degelijk
nog moest trappen om vooruit te komen.
De
eerste spijt van deze aanschaf kwam in de daarop
volgende
herfstvakantie, die wij jaarlijks met de hele familie
doorbrengen op
camping Ginkelduin in het mondaine Leersum. Om in het
dorp te komen
dien je een heuvel in de orde van grootte van de
Amerongseberg te
nemen, waar ik gewoon ben om - denk aan de demarrages
van een
Contador, een Valverde - het reisgezelschap vrij
achteloos een meter
of vijfhonderd los te rijden. Toen ik bij de
denkbeeldige streep op de
top achterom keek om de vernedering van mijn
medefietsers compleet te
maken, zag ik mijn 72-jarige moeder op haar Easy Glider
op 20
centimeter in mijn wiel zitten. Stijf rechtop, glimlach
op het gelaat
en twee zware tassen aan haar bagagedrager vol wijngums,
kannen koffie
en amandelbroodjes.
Het bedrieglijke van de elektrische fiets is dat het
ding pas optimaal
tot zijn recht komt bij straffe tegenwind of bergop. Wie
in zijn
gewone kledij niet doorweekt van het zweet op zijn werk
wil komen,
neemt dan automatisch een tandje terug. Maar het door
een motortje
aangestuurde vliegwiel trekt zich daar helemaal niks van
aan.
En
dan is de Gazelle Easy Glider nog een elektrisch rijwiel
zoals dat
er in mijn ogen hoort uit te zien. Een lomp model met
een enorme klos
van een accu achter de zadelbuis, zodat je als naturelle
fietser
meteen weet waarmee je van doen hebt. Maar er komen
steeds meer
modellen op de markt waar je eerst een kwartier hijgend
achter moet
hangen voordat je in de gaten hebt dat je hier met een
zogenaamde
E-bike van doen hebt. Ook het publiek is aan het
veranderen. De eerste
keer dat ik in de tegenaanval moest om een kwieke
begindertiger met
een vrolijk dansende paardenstaart van mijn
fietskwaliteiten te
overtuigen, tuurde ik uiteindelijk langer hijgend naar
haar frame
(waar de accu heel geniepig in een iets dikkere
dwarsbuis bleek
weggewerkt) dan naar haar welgevormde onderstel.
Nee, ik vind het helemaal niet erg om op weg naar mijn
werk te worden
ingehaald door een uitslover op een ligfiets. Of door
zo'n
pseudo-atleet in een korte broek en een rugzak vol
burgerkleding. Maar
ik kan het niet uitstaan dat ik bij elke passerende
senior op de
pedalen moet om vast te stellen dat het hier een rijwiel
met hulpmotor
betreft. Waarom ontbreekt hier duidelijke regelgeving?
Of moeten we
constateren dat Balkenende ook op dit dossier de regie
kwijt is?
Laat ik er op deze plek daarom maar voor pleiten de
elektrische fiets
duidelijk zichtbaar te maken in het woon-werkverkeer,
middels een
kleurige plaquette op het achterspatbord, een rood
vlaggetje of
desnoods een bescheiden zwaailichtje en drietonige hoorn.
Dan weet iedereen waarmee hij te maken heeft.
Ja,
híj.
Want dit lijkt me geen vrouwenprobleem. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
8 oktober
2009 |
|
| |
|
|
| |
Ouderavond
Het
brugklastoontje waarmee hij de aula vol ouders al een
uur belerend heeft toegesproken, laat de
onderbouwcoördinator nog maar eens een octaafje omhoog
gaan. Zijn 'en dan kunnen de kinderen van groep 2a nu
met de mentor mee naar het lokaal' veroorzaakt wat
geroezemoes onder de groep volwassen toehoorders, maar
dat is geen reden voor een
koerswijziging. Ook de 'kinderen' van 2b en 2c sjokken
als gedweeë veertigers en vijftigers achter hun mentor
aan. ,,Beroepsdeformatie'', beoordeelt een vader naast
mij het optreden van de coördinator. ,,Pure intimidatie'',
vermoed ik.
Het is herfst. Tijd van vallende bladeren en
ouderavonden. Nee, nog
geen tienminutengesprekken waarin je de prestaties van
het kroost in
een
beklemmende één-op-éénsituatie kunt doornemen. Daarvoor
is het nog
te vroeg. De eerste cijfers van schriftelijke
overhoringen en een
enkel proefwerk zijn thuis pas met een zekere schroom
tijdens de
avondmaaltijd met ons gedeeld. ,,Ja nou, weet je, de
hele klas had het heel erg slecht gemaakt, al die vragen
sloegen helemaal nergens op, maar ik was nog één van de
beteren en ik had toch maar een 4,6.''
Nee, klassikále ouderavonden, daar heb ik het over.
Waarop je een uur
lang wordt doorgezaagd over onderwijsalgemeenheden die -
voor hen die
het aandurfden om niet te gaan - ook kunnen worden
samengevat op een
beduimeld A4'tje dat onze zoon na anderhalve week
onderuit zijn rugzak
vist. Maar wij zijn nog zo'n ouderpaar dat vooraf een
uur lang boven
onze agenda's redetwist over wie er moet worden
afgevaardigd, waarbij
ik - als gevolg van het feit dat trainingsritjes op de
fiets door mijn
eega niet tot de geldende excuses worden gerekend - in
de regel het
onderspit delf.
Nog net niet twee aan twee en hand in hand sjokken wij,
ouders van 2b,
achter de mentor naar de derde verdieping, waar we in
het lokaal
plaatsnemen volgens het grondplan dat ook dient om onze
nazaten
tijdens de lessen te positioneren. Dat vindt de mentor
handig. Kan hij
zien wat voor vlees hij in de kuip heeft. Tot mijn
opluchting blijkt
onze zoon een veilig plekje achterin de klas te hebben
gekregen, want
zelfs na 35 jaar zit de angst voor een 'beurt' er nog
goed in.
Niet alleen bij mij keren oude reflexen terug. Binnen
een paar minuten
zijn we - gerespecteerde leden van de maatschappij -
weer een klas
waar de meiden achterstevoren met elkaar beginnen te
kletsen als de
leraar - volgens mijn zoon geen onaardige vent, maar
verder niet
serieus te nemen - de touwtjes even laat vieren, waar de
achterste rij
verveeld onderuit hangt in de banken, waar steeds
dezelfde knaap de
stomme vragen stelt en waar rechts vooraan een moeder de
rol op zich
neemt van het meisje dat alles beter weet. Het wachten
is op Rob
Kamphues die onthult dat die statige mevrouw in rij 2
drie jaar als
prostituee in Bangkok heeft gewerkt, de man schuin voor
haar een
ontsnapte tbs'er is en die zwakbegaafd ogende kerel
rechtsvoor
succesvol palmeilanden in Dubai aan de man brengt.
,,Nog wat wijzer geworden?'', wil onze zoon bij
thuiskomst weten.
,,Nee'', antwoord ik naar waarheid.
Hij knikt. Alles naar verwachting verlopen, dus.
Een week later is het bij onze dochter, waar de urgentie
van de
bijeenkomst al in de uitnodiging wordt betwist: 'De
informatie die u
op deze avond krijgt, horen onze leerlingen in de loop
van de maanden
oktober en november ook zelf op school.' Dan moet je bij
die
gelegenheid maar extra goed opletten, wil ik tegen onze
oudste zeggen.
Maar dit keer is het mijn echtgenote die zich - wederom
in Jip en
Janneke-taal - klassikaal laat uitleggen hoe onze
dochter zich moet
voorbereiden op haar examens en haar route richting het
hoger
onderwijs dient uit te stippelen.
,,Nog wat wijzer geworden?'', wil onze dochter bij
thuiskomst weten.
Om vervolgens haar moeder al na twee zinnen het zwijgen
op te leggen.
,,Dat hoef ik van jou niet te horen, dat zoek ik
allemaal zelf wel uit.''
Ik geloof vast dat er mensen zijn die vinden dat
klassikale
ouderavonden de band tussen opvoeder en school
verstevigen.
Maar aan ons zijn ze niet besteed. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
1 oktober
2009 |
|
| |
|
|
| |
Piraterij
Al drie keer heeft hij - met
stemverheffing - geroepen dat 'het
helemaal geen kwaad kan' en zich - al net zo luid -
beroepen op een vriendin die het kunststukje ook met
succes heeft toegepast. En aangezien zijn vader meer
aandacht heeft voor de warme prak dan voor de nieuwste
'firmware' van zijn zoons Nintendo DSi, stribbelt die
onvoldoende tegen als hij zijn geliefde spelcomputer met
één druk op de knop laat vollopen met de nieuwste
besturingssoftware. Die biedt weliswaar ongekende nieuwe
functionaliteit, maar maakt het in één klap
ook onmogelijk om nog langer illegaal gedownloade
spelletjes af te spelen. Het duurt even voordat het
verpletterende besef tot hem doordringt dat de strijd
tegen de internetpiraterij zich zojuist naar de eettafel
heeft verplaatst.
De
tijd dat hij in zijn hoogslaper wakker lag uit vrees dat
de 'online
politie' zijn lieve vader zou oppakken na het succesvol
kraken van
Lego Racers II of Sonic Heroes, ligt alweer enige tijd
achter hem.
Gesterkt door internationale jurisprudentie en de vaste
overtuiging dat het vrijelijk vergaren van
informatiedragers behoort tot de
onvervreemdbare rechten van het individu, waant hij zich
onaantastbaar, achter zijn computerscherm. Bij
ondervraging door de rechter hoeft hij alleen maar vol
te houden dat hij gebruik maakt van 'kopieën voor
thuisgebruik'. Ja, ook dat heeft hij op internet gelezen.
Dan kunnen ze je niks maken.
Dat leidt tot overmoed. Hij schroomt niet om zelfs voor
zijn op
duistere wijze verkregen Xbox 360-spellen, op de sites
van officiële
leveranciers aan te kloppen voor de nieuwste updates.
Het enige
directe gevaar komt daarbij van zijn zus, met wie hij de
Xbox deelt,
die hem er met harde hand van probeert te doordringen
dat zo'n
oplettende multinational hun gezamenlijke beeldscherm op
zwart kan
draaien.
Zijn omgeving draagt in niet geringe mate bij aan het
lichtvaardig
omspringen met de bepalingen uit de auteurswet. Op de
basketbalclub
wordt zijn vader op een zaterdagmiddag weggehoond omdat
er een legale
versie van Microsoft Office Home and Student uit zijn
rugzak steekt.
De 99,50 euro die de beste man daarvoor heeft neergeteld
had hij beter
op de bar kunnen leggen, luidt het welgemeende advies,
waarna hij in
ruil voor wat alcoholische versnaperingen het volledige
Officepakket -
gekraakt en wel - op een schijfje mee naar huis had
mogen nemen.
Alleen de laatste weken wordt het gemoed van de zoon
enigszins
bezwaard. Nu overal ter wereld de jacht op downloadsites
als Pirate
Bay en Mininova is geopend en Europese regeringen
wetgeving
voorbereiden om de verdere verspreiding van illegale
software tegen te
gaan, tekenen er zich zorg-rimpels af boven zijn
doorgaans zo
opgeruimde gelaat. Pesterig rekent zijn vader hem voor
hoe lang hij
erover doet, om met zijn zakgeld van 15 euro per maand
een boete van
7,5 ton af te betalen.
Ook de Nintendo firmware-actie is een geduchte knauw
voor zijn
zelfvertrouwen. Het bedrijf, dat al jaren zucht onder de
levendige
handel in zogenaamde R4-kaartjes waarmee illegale
spellen probleemloos
op het handcomputertje kunnen worden afgespeeld, slaat
terug met een
nieuw besturingssysteem dat de R4 de nek omdraait. Een
korte zoekactie
op internet leert de zoon dat op alle sites waarop die
R4 wordt
aangeboden, de alarmbellen nadrukkelijk rinkelen.
Maar ja, dan is het kwaad al geschied.
Onder het hoongelach van zijn zus besluit hij zijn
vorige Nintendo DS
- overleden na een valpartij van zijn hoogslaper - door
een handige
internetjongen voor de somma van 40 euro nieuw leven te
laten
inblazen. Want daar staat de oude, nog niet
piraatbestendige software
van Nintendo op. En een dag later ontdekt hij, via een
tip op een
forum, de nieuwste variant op de R4 - de Acekard -
waarmee
softwarepiraten Nintendo weer even te slim af zijn.
Ja, het is een handige bliksem.
Wie?
Daar kan ik uit juridische overwegingen niks over zeggen.
Maar bedenk wel, dat het niet mijn gewoonte is om op
deze plek over
gezinsleden te schrijven. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
24 september
2009 |
|
| |
|
|
| |
Ochtendrituelen
De
ontplooiing van de één, beknot de vrijheden van de
ander. Ja, die verheven gedachte gaat door me heen als
mijn zoon (13) aankondigt dat hij voortaan een kwartier
eerder opstaat om de krant te lezen. Een lovenswaardig
initiatief, ware het niet dat het hier uitgerekend het
kwartier betreft dat ik in alle rust met het ochtendblad
op het toilet doorbreng.
Ochtendrituelen. Ieder mens heeft ze. En binnen het
gezin is het mijn
taak ze zodanig in te passen dat de ander er geen hinder
van heeft.
Elk begin van het schoolseizoen maak ik - als de
werkplanner van een
middelgroot ziekenhuis - een denkbeeldig rooster waarmee
het - met
respect
voor ieders eigenaardigheden - mogelijk is om binnen het
uur alle vier gewassen, gekleed en gevoed de school- of
werkdag aan te vangen.
Weken duurt het, voordat alles op z'n plek valt. Het
minste problemen
heb ik als rituelenplanner met ochtendgewoonten die
aanvangen voordat de rest van het gezin is ontwaakt.
Tussen 6.30 en 7 uur begint onze
dochter de dag bij voorkeur met het bekijken van belegen
tv-series die
ergens in de kelders van het internet liggen opgeslagen,
om precies om
7 uur het recht op te eisen als eerste de badkamer te
betreden.
Het ochtendritueel van mijn eega begint als zij (als
tweede, ook dat
is hiërarchisch bepaald) de badkamer uitkomt en begint
met het
eindeloos wisselen van klerencombinaties tot het moment
dat ze - immer
ontevreden met het resultaat - naar beneden gaat, om van
mij te horen
dat ze het helemaal mis heeft.
Ook dat hoort bij het ritueel.
Ochtendrituelen hebben de ruimte nodig. Vandaar dat ik
klokslag zeven
uur als eerste beneden ben om mij niet te bemoeien met
de rituelen die
zich boven mij afspelen. Ik start de computer op en zet
de oven aan
(voor de warme pistoletjes van onze dochter), waarna ik
vijftien
minuten voor mezelf en de ochtendkrant heb
ingecalculeerd. Daarna ruim
ik de vaatwasser leeg, kook theewater, vul twee mokken
met Cocopops
(voor de nazaten) en twee met muesli (ouders en
opvoeders) en zet (in
mijn ochtendjas en op slippers) de fietsen buiten van de
eerste
lichting die naar school vertrekt. De diepere gedachte
achter deze
door mijn dochter afgedwongen service is dat ik met mijn
slaapdronken
hoofd alle spinnenwebben opvang die tussen haar en de
schuur in
hangen.
Ergens tussen die secundaire werkzaamheden, maar meestal
rond 7.15
uur, meldt onze zoon zich aan de eettafel voor een
ontbijt waarbij hij
tot voor kort mijn ochtendblad als placemat en spatlap
gebruikt voor
de Cocopops die hij met de motoriek en de bijbehorende
geluiden van
een dronken stoker op een stoomlocomotief naar binnen
schept. Daarna
jaag ik hem naar boven om rond 7.20 in de badkamer te
zijn, waar hij
precies een kwartier heeft voordat ik me daar kan
melden. Ergens in
dat kwartier vindt hij de tijd voor zijn volgende
ochtendritueel: het
deelgenoot maken van mijn echtgenote van een
belangwekkend probleem
dat hem uitgerekend op dat moment te binnen schiet. Dat
kan variëren
van een verloren jas, een kwijtgeraakt etui, tot het
plotseling tot de
ontdekking komen dat hem over een uur een proefwerk
wiskunde wacht
waarvoor hij nog niks heeft geleerd.
Ondanks mijn herhaalde verzoeken om dit soort
oprispingen toch vooral
voor zich te houden, hecht hij aan het ritueel dat hij
zijn moeder nog
voor het ontbijt tot ontploffing kan brengen.
Pas als de rook weer is neergedaald, mag ik naar de
badkamer om mij te
ontdoen van het spinrag dat zich in haren en nekboord
heeft genesteld,
bij het reinigen van privacygevoelige delen om de
haverklap gestoord
door lieden uit de eerdere badkamershifts die vergeten
zijn hun haar
in de gel te zetten of hun tanden te poetsen.
Sinds deze week ligt die met zoveel zorg opgestelde
planning compleet
overhoop. Om één minuut over zeven bonkt er iemand op de
deur van het
toilet om mijn ochtendblad op te eisen. En waar blijft
zijn ontbijt?
Ik weet het, ik zou er blij mee moeten zijn.
Een nieuwe generatie krantenlezers dient zich aan. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
17 september
2009 |
|
| |
|
|
| |
Winderig
Het tentje van mijn drie neven staat aan de
overkant van het grindpad, onder het dichte bladerdek
van wat ik bij gebrek aan specifieke biologische kennis
maar een boom noem. Een minuut of tien geleden heb ik de
rits horen dichttrekken, gevolgd door het doffe,
onverstaanbare gemompel van kerels in de postpubertijd
die in de slaapzak hun van ledigheid bolstaande dag
doornemen. Dan klinkt er geschreeuw, het geluid van een
woest opengetrokken rits en het rumoer van twee neven
die over elkaar heen naar buiten rollen. ,,Een twaalf!
Hij heeft een twaalf gelaten!'', klinkt het in een
mengeling van walging en respect over het kampeerterrein
in ruste.
Het fenomeen was mij tot dan toe vreemd, maar het
schijnt onder
adolescenten een hit te zijn: Ranking the fart. Wie het
begrip
googelt, krijgt op internet 280.000 hits, met
verwijzingen naar
videofilmpjes
die ik niemand zou willen aanraden en teksten die The
Lancet nooit zullen halen. Van een in het openbaar
tamelijk obscure
bezigheid, is het winden laten opeens een jurysport
geworden, waarbij
mijn neven in hun waardering voor elkaars prestaties
uitgaan van de
Nederlandse onderwijsstandaard van 1 tot en met 10. Een
twaalf mag in
dat geval worden beschouwd als een indrukwekkende
buitencategorie, het
allerhoogste wat je binnen de internationale
fartgemeenschap kunt
bereiken.
Zelf zat ik er
te ver vanaf om me een oordeel te kunnen vormen, maar
uit het feit dat het piramidetentje ineens een bolvormig
pubtentje was
geworden, concludeerde ook ik dat ik getuige was geweest
van iets
moois. En al helemaal toen de anoniem gebleven boom in
die bewuste
nacht al zijn bladeren verloor. Het tentje is na onze
vakantie, na een
lange zeereis met een onder Liberiaanse vlag varend
schip, ergens in
een Oost-Afrikaans land begraven.
De
verheerlijking van de wind is een mannending,
veronderstel ik, want
ik kan me niet voorstellen dat vrouwen onderling zich
tot zoiets
verlagen. Of ik moet me vergissen, zoals ook in de
opvatting dat
'Ranking the fart' niet door jongens van boven de
twintig wordt
gespeeld. Het afgelopen weekeinde was ik op stap met
vijfentwintig
racefietsers, die elkaar in steeds wisselende
samenstellingen - maar
met een vaste kern van oudgedienden - al 29 jaar ergens
in Europa
ontmoeten om een paar dagen met elkaar te trappen.
En wat doen oude mannen onder elkaar, een lang weekeinde
weg van
moeder de vrouw, op zichzelf teruggeworpen in een luxe
appartementencomplex 'mit grüppenraum' in de Duitse
Eifel?
Ze laten winden.
Het liefst zo
hard en zo lang mogelijk.
Voor zoiets moderns als 'Ranking the fart' zijn deze
eind veertigers,
vijftigers en begin zestigers - eerzame huisvaders, met
nobele
betrekkingen, een enkeling zelfs met maatschappelijk
aanzien - te oud,
maar de onverholen waardering voor elkaars prestaties is
er niet
minder om. In pocherige gesprekken gaat de mare van één
enkele wind
die niet minder dan negen seconden aanhield. De trotse
producent - of
moet ik flatulent zeggen - blijkt sinds die tijd zo'n
vijftien kilo
afgevallen, waarschijnlijk op een vezelrijk dieet, want
de manier
waarop hij zich op zijn racefiets door het
heuvellandschap beweegt
doet vermoeden dat hij wordt aangedreven door een
ploffend
eentaktmotortje. Wie in zijn kielzog door de rust en
reinheid van de
Duitse Eifel trapt, snakt naar de frisse lucht van het
Rürhgebied.
Respect van de
groep.
Net zoals voor
de man die er in slaagt om met zijn lichaamsgassen een
geïmproviseerd ontruimingsplan voor twee aanpalende
slaapkamers in
gang te zetten. De ontheemden worden twee avonden lang
opgevangen in
de 'grüppenraum', die - het moet gezegd - vanwege het
feit dat we er
ook aten gold als een 'no-fart area' (de Duitse term wil
me niet zo
gauw te binnen schieten).
'Ranking the
fart' leek me een leuk programma-idee voor BNN. Maar
gelet op mijn recente ervaringen, zal omroep Max er wel
mee aan de
haal gaan. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
10 september
2009 |
|
| |
|
|
| |
Offline
Een dag
nadat een blikseminslag ons van de internetverbinding
heeft beroofd, vallen er ook fysiek slachtoffers te
betreuren. Mijn vrouw en dochter staan - teruggekeerd
van respectievelijk baan en bijbaan en onderweg op de
fiets overvallen door heftige slagregens - als twee
verzopen katten op de keukenmat. ,,Dat is niet nodig, hè'',
beschouw ik het tweetal kritisch. ,,Iedereen wist dat er
regen aan kwam.'' Nu druipt ook het verwijt in dikke
druppels op de mat als ze hun woorden mijn kant opspugen.
,,We hadden geen buienradar!''
Wij zijn geen types
die bij het eerste donderslagje alle stekkers uit
de stopcontacten trekken en met have en goed de trapkast
in duiken,
wachtend tot de god van de donder op zijn bokkenwagen
naar elders is
vertrokken.
Net als bij busreizen met een onderbetaalde en
oververmoeide chauffeur, het eten van rauwe eierdooiers
en het handen
schudden met een Mexicaan, houd ik me graag vast aan de
statistieken.
Hoe vaak gebeurt het nou dat je daarbij iets overkomt?
Zo ook op deze
donderdagavond, als een blikseminslag ons huis om exact
19.57 uur op
zijn grondvesten doet schudden. We - mijn eega, onze
zoon en ik -
kijken elkaar enige seconden met dichtgeslagen
oorschelpen aan en
prijzen ons daarna gelukkig dat onze nieuwe lcd-tv, alle
binnenhuisverlichting en de in de kamer aanwezige
computerapparatuur
geen krimp geven. In de verte klinken brandweersirenes,
die steeds
dichterbij komen. Zie je nou wel? De bliksem slaat
altijd bij een
ander in.
Dan struikelt onze dochter van haar zolderkamer de trap
af met een
mededeling van een voor haar ongekende impact. ,,Het
internet doet het
niet meer!''
Dat blijkt correct. Alle pc's en laptops in onze woning
doen
ogenschijnlijk onverstoorbaar hun werk, maar zijn
verworden tot doodse
'stand-alones'. Ons gezin is offline.
Aanvankelijk ga ik er vanuit dat de hele wijk is
getroffen door een
inslag in het adsl-knooppunt, zodat een gek gebelde KPN
onverwijld een
monteur in een zware loden jas op zijn brommer de regen
instuurt om
een en ander te verhelpen. Maar als er een paar uur
later nog geen
verbinding is - wij zijn zelf geen klagers - en ons
modem wel
geruststellende groene lampjes geeft onder 'line' en
'data', maar de
vier LAN-lampjes allemaal zijn uitgedoofd, vrees ik toch
dat ik de
oorzaak van de storing binnenshuis moet zoeken.
Na
een onrustige nacht volgen drie dagen van vertwijfeling
(wat te
doen?), toenemende ergernis (citaatje gezinslid: 'Waarom
krijgt die
loser het niet voor elkaar?') en groeiende wanhoop (wat
doe ik fout?).
Er
is - indachtig mijn adagium 'goedkoop is duurkoop' - een
nieuw,
fancy modem aangeschaft, dat ik een avond lang heb
proberen te
configureren met wat een verkeerde gebruikersnaam bleek.
Toen dat - na
het alsnog opduiken van een acht jaar oud document uit
de rommelige
familieadministratie - verholpen was, bleek ik elke keer
precies twee
minuten verbinding te hebben, waarna een of andere
netwerkwizzard - ik
stel me een functionaris met een grijze cape en een
puntmuts voor - er
in slaagde ons weer terug te werpen naar de Middeleeuwen.
Geen
internet. Als ik zaterdagmiddag om 16.45 uur ten langen
leste
verbinding krijg met de helpdesk van Xs4all, geeft de
dienstdoende
functionaris mij na het aanhoren van het woord 'bliksem'
precies een
kwartier om bij de Primafoon (die om 17 uur dichtgaat)
een nieuwe
'splitter' (die telefoon- en adsl-signaal scheidt) te
halen. Ofschoon
ik het wereldrecord splitter halen met niet minder dan
vijf minuten
verbeter, haalt ook deze helpdeskhint niks uit. En net
als de
Primafoon trekt de helpdesk er op zaterdag om 17 uur
zelf de stekker
uit.
Om
een lang verhaal niet nog langer te maken: weer bijna 24
martelende
uren later, ontdek ik dat de steeds zo moeizaam
opgebouwde
internetverbinding er niet meer uitklapt als ik de gele
netwerkkabel
van mijn dochters pc (mijn kabel is blauw, die van mijn
zoon grijs,
van mijn vrouw zwart) uit het modem haal. Als enige van
ons hele
computerpark blijkt haar netwerkkaart tijdens de
blikseminslag
doorgebrand: een bescheiden investering van een tientje,
na de honderd
euro voor het modem en de 25 voor de splitter.
Pas als naast onze vijf computers een dag later ook alle
draadloze
apparaten (Iphone, minilaptops, Nintendo DSi) weer op
het netwerk zijn
aangesloten, neemt ons leven weer zijn normale loop.
Triest stukje, is dit eigenlijk. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
3
september
2009 |
|
| |
|
|
| |
Quo Vadis?
Drie maanden
heeft mijn jongste zus besteed aan het vinden van een
Italiaanse camping waar onze neven het zwembad zonder
badmuts of ballenknijper mogen betreden. Dus lijkt mij,
na een reis van 1350 kilometer en vijf dagen kamperen,
de vraag 'Moeten jullie niet eens gaan zwemmen?'
gerechtvaardigd. Het postpuberende gezelschap - waarbij
zich mijn jongste nazaat heeft gevoegd - kijkt lodderig
op van Nintendo, Playstation en mobiele telefoon. 'Nou
nee, dit zwembad vinden we niet veel aan. We gaan wel
naar het meer.'
Uit de tijd dat ik met
leeftijdgenoten nog op vakantie ging met een voor 750
gulden gekocht Volkswagenbusje, herinner ik me een
vriend die altijd na een dag of twee vanaf de achterbank
opmerkte: 'Waar gaan we eigenlijk heen?'
Meestal
richting Biarritz, maar hij was met elk antwoord
tevreden. Dat gold ook voor mij, deze vakantie, waar de
bestemming voor onze drie gezinnen (dat van mij en twee
zussen) ondergeschikt was aan - in mijn ogen - niet ter
zake doende nevenfactoren. Dit keer de badmuts en/of de
ballenknijper, maar we hadden de campings net zo goed
kunnen selecteren op de aanwezigheid van vierkante
douchekoppen of de beschikbaarheid van verse
ciabattabroodjes in het kampwinkeltje.
Mij overviel in elk geval
een heerlijke achteloosheid die er nog net niet toe
leidde dat ik na anderhalve dag achter de caravans van
mijn twee zussen aanrijden, tegen mijn eega zei: 'Waar
gaan we eigenlijk heen?'
Maar veel scheelde het niet.
Ergens bij Trento in de buurt, wist ik nog net, maar
aangezien ik in ons sleurhuttreintje de laatste plaats
inneem - mijn jongste zus moet met haar veel lichtere
auto met veel misbaar van toeren de bergen op, terwijl
ik met onze tank rustig omhoog kan dieselen - bestond er
geen enkele noodzaak tot kaartlezen of
satellietnavigatie instellen. Onze Garmin OutdoorGPS
veegde mijn eega resoluut van het dashboard toen het
ding ons bij elke miljoenenstad de snelweg af wilde
hebben om via het lokale voetpadennet een stukje af te
snijden.
Dat ik helemaal onvoorbereid
op reis ging, was overigens niet waar. Van een
Italiaanse hooggebergtekenner in onze wielerclub wist ik
dat je op onze plek van bestemming geweldig kon fietsen.
Hij had zelfs de moeite genomen om alle beschikbare
routes netjes voor me op papier uit te werken. Maar toen
ik na ruim anderhalve dag - met mijn racefiets zichtbaar
achterop de caravan - het kampeerterrein opreed, werd ik
ogenblikkelijk aangeschoten door gelegenheidsbuurman Wil
- een bonkige renner uit Best - die met een blik op mijn
glimmende Trek Madone alleen maar zei: 'Morgenochtend
half acht, beklimming van de Montebondone.'
Twee weken lang hoefde ik
alleen maar achter campingbuurman Wil aan te rijden, die
alle routes van mijn clubgenoot uit zijn hoofd wist. De
eerste keren informeerde ik nog halverwege 'Waar gaan we
eigenlijk heen?', maar later volgde ik alleen maar.
Als ik uit mijn zalige
passiviteit werd gewekt door familieleden die suggesties
wilden voor gezamenlijke familie-uitstapjes, ging ik het
gezelschap met de auto voor op de fietsroutes die ik
eerder met buurman Wil had gereden.
'Waar gaan we eigenlijk heen?'
Dat kun je beter niet aan
mij vragen.
De andere dagen liet ik mij
op sleeptouw nemen. Naar een stad met een Romeinse
arena, waar ik op een schitterende zomeravond tussen
picknickende Italiaanse operaliefhebbers de 'Barbier van
Sevilla' heb ondergaan. Of - als het bij ons op de
camping regende - naar een groot meer met allemaal
aardige dorpjes waar altijd de zon scheen en mijn
dochter de tunnels in de bergwanden herkende uit de
openingsscène van de laatste James Bondfilm. En naar een
stad waar we met de trein aankwamen bij een groot kanaal
waarop zwarte, banaanvormige vaartuigen door mannen met
een strohoedje heel onhandig met één roeispaan werden
voortbewogen.
Ik kan het iedereen aanraden,
een camping zonder badmuts of ballenknijper. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
27
augustus
2009 |
|
| |
|
|
| |
Dodelijk
wapen
Er is maar weinig voor nodig om mij
te veranderen in een dodelijk wapen. Zet me achter het
stuur van een auto van bijna 2000 kilo, hang daar een
zware caravan achter, houd de klimaatbeheersing op 22
graden en laat me op de cruise control met negentig
kilometer per uur naar Italië sukkelen. Binnen een
kwartier schuur ik knikkebollend de klinknagels uit de
vangrail. Of ik rijd met het hele spulletje - inclusief
vrouw en twee kinderen - het talud af.
Er zijn maar weinig momenten
in mijn leven dat ik mij in zo'n warme belangstelling
van mijn gezinsleden mag verheugen als op de rit van en
naar onze vakantiebestemming. Vanaf het moment dat ik de
auto start houdt mijn eega - niet in het bezit van een
E-rijbewijs, dus ongeschikt om onze
sleurhut
te trekken - het oog onafgebroken op mij gericht, om me
bij de geringste aanvechting de oogluiken te sluiten met
een corrigerende tik tot de orde te roepen. Naast haar
benen staat een boodschappentas met een inhoud van 45
liter, waaruit urenlang cakejes, winegums, gevulde- en
stroopkoeken, Bifi-worstjes en buizen Pringles komen,
die ik in mijn gevecht tegen de slaap achter het stuur
dien te vermalen. De eerste zes uur van onze reis voert
ze me ook koffie, met behulp van heet water uit een
thermosfles en schepjes oploscappuccino van Buisman.
Daarna gaat ze over op gekoelde cola en water.
Achter mij zit mijn zoon die
- zodra ik de vraag van mijn echtgenote 'of ik al een
beetje slaap krijg' aarzelend beantwoord met 'een beetje'
- de instructie heeft om haartjes uit mijn hoofd te
trekken. Afgesproken is één haartje per keer - mensen
die hebben kennisgenomen van de tonsuur op mijn
achterhoofd weten waarom - maar in zijn enthousiasme mag
hij zich ook wel eens in een plukje vergissen. Het
trekken van één haartje tegelijk bezorgt mij een
ondraaglijke jeuk op het betreffende deel van de huid,
die onmiddellijk met woest gekrab dient te worden
bestreden. Tegen betaling - in natura, maar tegen baar
geld heeft hij ook geen bezwaar - is mijn zoon hier toe
bereid, maar omdat hij in de regel net naast het episch
centrum van de jeuk aan de gang gaat, moet ik - soms met
twee handen van het stuur - in de regel zelf ook
ingrijpen. (Onze dochter is onderweg te druk met het
bekijken van oude afleveringen van 'Morse', het werken
aan haar profielwerkstuk over Oscar Wilde of het
luisteren naar door Stephen Fry ingesproken
luisterboeken, dat ze zich niet wenst bezig te houden
met zoiets triviaals als het overleven van de rit naar
onze vakantiebestemming.)
Uit het bovenstaande blijkt
dat alles draait om afleiding. In de regel begin ik
uitgerust aan onze vakantie, ons voertuig is van alle
gemakken voorzien, maar de voortkabbelende snelheid en
het vaak eenvormige uitzicht vanaf de Europese snelwegen,
zijn dodelijk voor de staat van alertheid waarmee ik mij
in het verkeer voortbeweeg. In dat kader ben ik een
groot voorstander van een televisie- of dvdscherm op het
dashboard, met gevarieerde praatprogramma's als 'De
Wereld Draait Door', ware het niet dat de wetgever zich
daar om onbegrijpelijke redenen tegen verzet. Want zeg
nu zelf: wie wel geacht wordt om om de paar seconden in
zijn buitenspiegels of op de snelheidsmeter te kijken,
kan zijn aandacht ook verdelen tussen een boeiend
interview of hilarische fragmenten uit 'De tv draait
door'.
Vandaar dat ik mijn
toevlucht heb gezocht tot de - achter het stuur wel
legale - oeroude en eigenlijk veel leukere versie van
'De Wereld Draait Door': 'Spijkers met Koppen'. Dit
radioprogramma kent voor een buitenlandse reis
verschillende nadelen - het wordt alleen op
zaterdagmiddag tussen 12 en 14 uur uitgezonden, en dan
ook nog alleen buiten de vakanties - maar die zijn
eenvoudig te ondervangen door vanuit het
uitzendingenarchief alle eerder dit jaar uitgezonden
afleveringen te downloaden (daar zijn handige
programmaatjes voor) en ze vervolgens op cd'tjes te
branden. Dit jaar reed ik probleemloos naar de
Italiaanse provincie Trentino op 48 uur van de leukste
radio die door de publieken wordt gemaakt.
En door de vraag 'Heb je al
slaap?' toch nog af en toe te beantwoorden met 'Een
beetje' wist ik mij nog steeds verzekerd van een
oneindige stroom cakejes, winegums, gevulde- en
stroopkoeken, Bifi-worstjes en buizen Pringles. Voor de
vorm trok mijn zoon ook af en toe een haartje uit mijn
hoofd.
De lekkerste jeuk die je
ooit hebt gevoeld. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
21 juli
2009 |
|
| |
|
|
| |
Jongens van
dertien
Dertien
wordt hij, over precies een week, maar zijn echte
leeftijd
heeft deze zomer iets onbestemds. Als ik, op dagen dat
hij 's middags om vijf uur nog in pyjama door het huis
loopt, roep dat hij een vakantiebaantje moet gaan zoeken,
is hij pas twaalf. Als hij 's avonds om elf uur nog
achter zijn computer zit en door zijn moeder wordt
gemaand zijn bed op te zoeken, beschouwt hij dat als een
onaanvaardbare inbreuk op de staat van volwassenheid die
hij inmiddels heeft bereikt. Jongens van dertien. Daar
is nog geen liedje van.
Al weken voordat het
ministerie van onderwijs de vakantie officieel
liet ingaan, hing hij al doelloos in het huis rond. Op
felgele stencils was
ons door de schoolleiding uitgelegd wat er in die
hectische periode voorafgaand
aan
zeven weken vrij allemaal nog moest gebeuren. Maar voor
hem hield dat voornamelijk in dat hij een enkele keer
zijn opwachting moest maken om boeken in te leveren of
een rapport op te halen. Verder was er sprake van een 'lesvrije
periode', die hem niet lang genoeg kon duren.
Ergens ging die vondst - ik werp mij bij deze op als
voorstander van
'werkvrije periodes' in alle centrale
arbeidsovereenkomsten - over in
de zomervakantie, waarmee zijn dagritme niet echt
ingrijpende
wijzigingen onderging. Het mannetje dat tien jaar lang
om half zeven
in de morgen van nieuwe energie naast ons bed stond te
stuiteren,
heeft het uitslapen ontdekt. Net als zijn zus dat al
jaren eerder
deed. Als mijn eega en ik de deur achter ons
dichttrekken voor weer
zo'n dag in de tredmolen waarin loonslaven naar hun
pensioen sjokken,
hult het huis zich in de stilte van het mortuarium
waarin - om elf
uur, twaalf uur? - twee zombies tot leven komen.
Beroept onze zoon zich op het Kinderwetje van Van Houten,
zijn zus
stelt zich deze zomer hogere doelen dan het verdienen
van een paar
grijpstuivers in bollenschuren of, zuchtend onder een
dienblad, op
overvolle terrassen. Zij werpt zich op haar
profielwerkstuk over iets
met Oscar Wilde, waardoor ze - of we het maar willen
zien - gebukt
gaat onder vuistdikke naslagwerken die ze op elke gang
door het huis
met zich meesleept. Bovendien heeft ze zich - in de week
na onze
vakantie in Italië - met een klasgenoot ingeschreven
voor de
'Zomerschool Klassieke Talen' die de VU en de
Universiteit van
Amsterdam houden voor hen die met geen mogelijkheid tot
een Tienertoer
of een weekje comazuipen en schuimparty's in
Chersonissos zijn te
bewegen. Daar hadden Vergilius, Lucretius, Homerus en
Sophocles
tenslotte ook de neus voor opgehaald.
De
eerste weken van zijn vakantie liet hij zich nog wel
eens overhalen
tot buitenactiviteiten als voetballen en strandvermaak.
Maar nu zijn
laatste vrienden van vlees en bloed met hun ouders zijn
afgereisd naar
verantwoorde vakantiebestemmingen, behelpt onze zoon
zich met zijn
virtuele vrienden op Xbox Live. Voor afwisseling is even
geen plaats,
nu zijn Nintendo DS ook een tweede val van zijn
hoogslaper niet heeft
overleefd en het - nog precies een week, ja - even duurt
voordat hem
de nieuwste generatie Nintendo DSI ten deel valt (met
camera, Wifi en
andere snufjes die worden toegelicht in een handleiding
zo dik als
zijn zusters naslagwerken over Oscar Wilde - want ja, ik
heb het ding
al een week verstopt tussen de onderbroeken van mijn
kledingkast
liggen).
De
afgelopen week heeft hij het huis welgeteld één keer
verlaten voor
een 'complete make-over', waarvoor een begeleidingsteam
van een neef
plus vriendin en zijn moeder (met pinpas) op de been was
gebracht om
hem bij een fancy kapper in een naburig dorp afscheid te
laten nemen
van wat ik altijd zijn Jan-Peter Balkenende-coupe placht
te noemen.
Zijn nieuwe 'look' vergt een dermate krachtige gel dat
ik van viagra
voor het haar zou willen spreken, met voor hem als grote
voordeel dat
er geen kam meer doorheen te krijgen is. Het juk van
zijn eerste
twaalf levensjaren legt hij verder af door een
definitieve keuze voor
de Björn Borg-onderbroek en een gebleekte jeans die
voortdurend van
zijn heuploze lichaam glijdt.
Nog een paar dagen, dan sleep ik hem mee naar een
camping in Italië.
Mijn voornemen om zijn lamlendige lijf op zijn racefiets
over een paar
Dolomietencols te jagen, is inmiddels door zijn moeder
de grond
ingeboord.
Want ja, hij is dan pas dertien. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
23 juni
2009 |
|
| |
|
|
| |
Spook van de
opera
Er zijn
jaren geweest dat ik met graagte 154 euro neertelde om
uit de klauwen van het spook van de opera te blijven.
Maar nu speur ik koortsachtig het internet af naar
plaatsbewijzen voor Tosca. Naast mij ligt het boek
'Opera voor dummies' dat mijn dochter heeft opengeslagen
op de bladzijden waarop dit werkstuk van Giacomo Puccini
voor cultuurbarbaren wordt verklaard. Ze wil de
uitvoering zien in één van de mooiste aller theaters: de
Romeinse Arena di Verona. Aan gezinskorting doen ze daar
niet, zie ik, waardoor dit avondje uit me
maximaal vier keer 193 euro kan kosten. Maar kom, het is
vakantie.
De hogere kunsten worden binnen ons gezin slechts via
één lijn aan de
nazaten doorgeven: via hun moeder, die ze liever van de
mythologische
Trojaanse held Aeneas voorlas dan van Pluk van de
Petteflet. Zelf stak
ik
daar wat armzalig bij af, met mijn reeksen Arendsoog, de
Kameleon
en Bob Evers, die in onbewaakte momenten verdwenen op
rommelmarkten
of, erger nog, in de veel te spaarzaam geleegde
papierbak bij ons aan
de overkant van de straat.
Ook op muzikaal gebied houd ik me graag bij mijn eigen
klassieken: bij
voorkeur door het leven beschadigde singer-songwriters,
die hun werk
over bijna-doodervaringen met drank, drugs en verkeerde
vrouwen voor
een tientje in achterafzaaltjes ten gehore brengen voor
vroegkalende
oudere jongeren. Toen cassettebandjes nog hip waren,
hadden mijn in
Spanje rentenierende vrienden de artiesten uit deze '
Dick-collectie'
voorzien van een zwarte stip. Dat betekende: alleen op
te zetten in
tijden van grote zwaarmoedigheid.
Door inprenting - veel draaien in de auto en op
vakanties in de
caravan - heb ik getracht mijn nazaten ook de liefde
voor deze
zelfkant van het bestaan bij te brengen. Maar op een
enkel succesje na
- onze dochter is gek op Richard Shindell, onlangs voor
een habbekrats
overal in het land te beluisteren - viel ook dit
cultuurzaad op de
rotsen. Mijn jongste nakomeling is niet bewust met
muziek bezig, als
ik het irritante gejengel van zijn Nintendo DS buiten
beschouwing
laat, tenminste. Mijn oudste laat zich in haar smaak
vooral leiden
door de beeldcultuur: de soundtracks van films (Harry
Potter, The Lord
of the Rings), televisieseries (de jaren zestig- en
zeventig muziek
van CSI) of musicals (haar inmiddels alweer verdampende
fascinatie
voor Queen komt van 'We will rock you', dat ze met
school in Londen
zag).
Nu
geeft ze zich helemaal over aan klassiek, vooral
ingegeven door de
recent door haar ontdekte serie Inspector Morse, die
zijn misdaden het
liefst oplost op de klanken van Wagner, Mozart,
Schubert, Mendelssohn
en nog een paar van die types die nooit een fatsoenlijke
gitaar in hun
handen hebben gehad. En zoals met al haar passies, gaat
ze er voor de
volle 200 procent voor. Alleen deze maand zit ze twee
keer met mijn
eega in het Amsterdamse Concertgebouw om zich
achtereenvolgens aan
Beethoven en Dvorák te laven. Mij laten ze thuis, als de
neanderthaler
waarvan een stukje van de oogkas ontbreekt.
Sinds ze zich heeft laten vertellen dat we in juli op
een steenworp
afstand van een van de mooiste operatheaters ter wereld
kamperen, moet
ik alles op alles zetten om een avondje te regelen in de
Arena di
Verona, een goed bewaard Romeins amfitheater uit 30 na
Christus. Het
liefst eerste rang, want van een klasgenootje hoorde ze
dat je van een
avondje goedkoop (79 euro) op de trappen een blikken
kont overhoudt.
Alsof het voor de vroege christenen hier vroeger zo'n
pretje was,
probeer ik nog schamper, maar dat vermocht haar niet te
vermurwen.
Evenmin als mijn latere tegenwerping dat die 'steenworp'
afstand vanaf
onze camping in Levico Terme naar Verona nog altijd zo'n
120 kilometer
is, de voorstellingen pas om 21.15 uur beginnen (als het
regent
schuift alles met de Italiaanse slag zo maar een paar
uur op) en we 's
nachts die 120 kilometer ook nog terugmoeten.
Even leek de wetenschap dat Tosca pas weer op 15
augustus - de dag van
ons vertrek uit Italië - weer wordt opgevoerd, de
nekslag voor ons
avondje opera. Maar na een korte depressie heeft mijn
dochter zich
herpakt. Uit 'Opera voor dummies' mag ik kiezen uit
Carmen, de Barbier
van Sevilla of de Aida. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
16 juni
2009 |
|
| |
|
|
| |
Kredietcrisis
Het is de dag na zijn eerste
kennismaking met de wondere werking van de geldautomaat
en mijn aansporing om van zijn automatisch op zijn
rekening overgemaakte zakgeld altijd wat contanten op
zak te hebben. 'Je weet nooit wat er gebeurt en dan heb
je het maar bij je. Voor noodgevallen.' Behalve met twee
belegde pistoletjes, een snelle Jelle, een reep
chocoladecake en drie pakjes drinken, is hij die morgen
naar
school gegaan met mijn goede raad om verstandig met zijn
pecunia om te gaan. Bij thuiskomst maakt hij me, met
gepaste trots, deelgenoot van de eerste investering die
hij van zijn noodkrediet heeft moeten doen. Een broodje
frikadel. 'Dat doet iedereen, bij de snackbar aan de
overkant van de school', zegt hij, terwijl hij een
overgebleven pistoletje uit zijn brooddoos in de
groenbak kiepert. Ook de afvalscheiding pikt hij goed
op.
Het
had mij persoonlijk geen goed idee geleken om zijn
moeder meteen op de hoogte te stellen van het nieuwe
financiële regime dat mijn zoon (12) en ik waren
overeengekomen. Voor sommige dingen heeft zij nu
eenmaal wat meer tijd nodig. Dat is niet erg. Daarmee
moet je weten om te gaan. Als wij mannen afspreken dat
de overgeschoten tv van zolder
wel een verdieping lager, naar de slaapkamer van mijn
zoon, mag
verhuizen, boor ik eerst een gat voor het kabelsnoer.
Verder niks.
Gewoon voor het geval dat. Nee, stel je voor zeg: er
komt helemaal
niks meer van zijn huiswerk terecht, met een tv op zijn
kamer. Daar
staat toch al een computer en die Nintendo DS is ook met
zijn handen
verkleefd. Een week daarop doen we dan een proef met de
tv 'alleen in
het weekeinde' - natuurlijk pas als zijn schoolwerk af
is - en een
paar weken later gaat het ding er nooit meer weg.
Zo pak je dat aan.
Maar als hij vier dagen later aan zijn moeder
toevertrouwt dat hij een
met mij gepind tientje op rendabele wijze heeft belegd
(in haar ogen:
er volledig doorheen heeft gedraaid), stort ik van mijn
weg van de
geleidelijkheid meteen in de diepe afgrond van de
familiale
kredietcrisis. Na het - na dat ene broodje frikadel -
uitgevaardigde
verbod op de verdere aanschaf van etenswaren, had ik
geen rekening
gehouden met het ingewortelde gebruik om in de brugklas
tegen betaling
van een luttel bedrag - van 50 cent tot een euro - je
huiswerk door
een ander te laten overschrijven.
(Zoals ik van veel moderne schoolpraktijken geen weet
meer heb. Mijn
dochter vertelde me laatst dat zij in haar klas nog zo'n
beetje de
enige is die de aantekeningen die de leraar op het bord
schrijft, in
haar schrift overneemt. De rest van de klas loopt na
afloop van de les
naar voren om met zijn Iphone een foto te maken van deze
krabbels, die
thuis op de computer in breedbeeld weer tot leven worden
gewekt.).
Nee, aan het kopen van huiswerk had mijn zoon zelf niet
meegedaan,
natuurlijk. Maar met zijn zojuist verworven cashflow had
hij hier en
daar wat uitgeleend of voorgeschoten. Ook voor de
snackbar, bezoeken
aan Albert Heijn en de bakker. Alles uiteraard tegen een
passende
rente en de vaste overtuiging dat het zou worden
terugbetaald.
Onderling werden die schulden ook weer verhandeld, wat
onze jongste
nazaat alleen maar sterkte in de overtuiging dat hij
hele lucratieve
deals had afgesloten.
Leek mij wel een plausibel verhaal, moet ik zeggen. En
het ultieme
bewijs dat mijn zoon in vier dagen tijd meer van het
mondiale
financiële stelsel had opgestoken dan een leraar
economie in vier jaar
zou kunnen bewerkstelligen.
Nee, voorlopig mag hij niet meer op eigen kracht pinnen.
Ik zei toch dat mijn vrouw wat meer tijd nodig heeft,
voor sommige dingen.
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
9 juni
2009 |
|
| |
|
|
| |
Welkom
Wie niet is geïnteresseerd in de verbouwing van
een villa in Spanje, de kredietcrisis, het
generatieconflict, de technocratische samenleving, een
bloedige echtscheiding, intriges, wielrennen en een
happy end, kan deze column beter overslaan. Voor alle
anderen, blijf nog even bij me, hier aan de rand van het
zwembad van ons gastenverblijf in een wijndorpje aan de
Costa Blanca. Dan draai ik even mijn laptop uit de zon,
want zo kan ik niet tikken. Ja, schenk mij ook nog maar
even bij, dit wordt een lang verhaal.
De
verbouwing: Er is in elk geval iemand die met toenemende
onrust heeft uitgezien naar ons verblijf voor het
jaarlijkse fietstrainingskamp. En dat is onze gastheer,
mijn in Spanje
rentenierende vriend. Niet vanaf het begin, hoor. Toen
we in februari boekten, was hij nog enthousiast. Hij zou
ons - mijn zwager en zijn collega, beide agenten met een
bikeropleiding, plus ondergetekende -
met zijn 5000 trainingskilometers in het voorjaar wel
eens een poepie
laten ruiken in dat middelgebergte achter zijn huis. Dat
was toen hij
de gevolgen niet kon overzien van de ingrijpende
verbouwing van zijn
droompaleis, waarvan alleen de buitenmuren zo'n beetje
overeind zijn
blijven staan.
De
kredietcrisis: Hij - die normaal gesproken de tijd aan
zichzelf
heeft - is er - net als wij, loonslaven met een 40-urige
werkweek -
achtergekomen dat racefietsen tijd kost. Veel tijd. En
die had hij dit
jaar niet, met het toezicht op Spaanse arbeiders die in
deze
kredietcrisis elk klusje op uurbasis zo lang mogelijk
rekken. Toen de
landelijke overheid van het Iberisch schiereiland een
paar maanden
geleden ook nog eens de buidel trok om allerlei
infrastructurele
werken naar voren te halen, liepen zijn werklieden weg
om in de
bebouwde kom een weg te asfalteren. Of een vervallen
muur op te
trekken. Die klus bij mijn vriend namen ze hen niet meer
af. Maar wie
weet hoe snel het geld van de Staat op is.
Het
generatieconflict: Wie wel achterbleven waren twee
16-jarige
discoknapen, die op het ritme van levensgenieters - een
uurtje of tien
komen, om een uur of twee aftaaien - al weken het terras
aan het
betegelen zijn.
De
technocratische samenleving: Na weken van druk
uitoefenen is het
huis min of meer af, zij het dat er nog geen airco, warm
water en -
minder belangrijk, deze zomer - vloerverwarming is omdat
de enige man
in de wijde omtrek die deze geavanceerde, voornamelijk
op
zonne-energie werkende installatie aan de praat krijgt,
net aan zijn
knie is geopereerd.
Een bloedige
echtscheiding: Ons Hollandse fietsgezelschap is er
ondertussen niet minder van geworden. Dat is
ondergebracht in het huis
van de buren, die al jarenlang in een bloedige
echtscheiding zijn
verwikkeld. Hun stulpje, dat zelfs in crisistijd nog een
tonnetje of
acht moet doen, staat tot onzer beschikking mits we elke
dag de hond
uitlaten en - voor het zwemmen - even de palmenbloesem
en de wespen
uit het zwembad scheppen. Vooruit dan maar.
De intrige: Om
zichzelf te excuseren - 'druk, druk, druk' - heeft mijn
rentenierende vriend een Engelse fietsmaat bereid
gevonden om ons - op
de dagen dat hij zelf achter water, verwarming,
verlichting, het
terras en de jacuzzi (die er bijligt als een bouwput)
aanzit - het
snot voor de ogen te rijden. Als wij op apengapen liggen,
neemt hij
het weer van hem over. Zo rijden ze ons beurtelings in
de vernieling.
Het wielrennen:
Vandaag, op onze laatste trainingskampdag, rijden we
de Koninginnerit. Over de bergtoppen van de Tudons (van
zeeniveau tot
ruim 1000 meter), met in de aanloop en op de terugweg
ook nog een paar
prettige bergjes, waaronder twee keer Col de Rates,
bekend van de
trainingskampen van de Rabobankploeg en de Ronde van
Spanje.
Happy end: Nog een paar weken, dan is zijn villa van
binnen een van
alle gemakken voorzien designpaleis. En kan hij weer
hele dagen
trainen, op de uren dat wij op de redactie achter de
computer zitten
of - mijn zwager en zijn collega - op de mountainbike
boeven aan het
vangen zijn.
Volgend jaar
zijn we wat hem betreft weer van harte welkom. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
26 mei
2009 |
|
| |
Afscheid
Zoals je aan de man met wie je
al 25 jaar getrouwd bent niet moet vragen waarom hij
nooit uit zichzelf zegt dat hij van je houdt (’dat weet
je toch?’) moet je ook niet van je 17-jarige dochter
willen weten of ze je zal missen, wanneer je een weekje
weg bent. ,,Wat wil je horen dat ik zeg, mam?’’, vraagt
ze, hangend op haar bureaustoel terwijl ze op haar
computer het ene scherm na het andere openklikt. ’Uiterst’,
stel ik voor, om het gemis toch in een van haar
stopwoordjes te vangen. ,,Uiterst dan’’, zegt ze, zonder
op te kijken.
Mijn 12-jarige zoon, die bij ons in huis nog de meeste
empatische
vermogens aan de dag legt–- wat hem bij sommige
gezinsleden de bijnaam
’slijmbal’ heeft opgeleverd – komt uit zichzelf. ,,Mam,
ik ga je
missen. Je doet toch in huis veel klusjes voor ons en de
was blijft
ook
maar liggen als jij er niet bent.’’ Dank jongen, voor
deze mooie woorden. Maar er is meer. ,,Je helpt me met
m’n huiswerk, smeert ’s morgens m’n brood en controleert
altijd of ik m’n tas goed heb ingepakt.’’
Ja, vindt maar eens een gek die dat van me overneemt.
De zonzijde ziet hij ook. ,,Lekker de hele week laat
naar bed. En net
zoveel cola drinken en chips eten als ik wil. Papa zit
toch altijd
achter zijn computer of op zijn racefiets.’’
Afijn, ik ben even weg.
Hun vader had het me de dag ervoor al duidelijk gemaakt.
,,Hoor eens,
niet van dat kinderachtige gedoe, hoor. Je hoeft niet
zielig te
kijken, maar ik gooi je er gewoon uit op Schiphol. Zonde
van mijn tijd
om die auto eerst in de parkeergarage te zetten en met
je mee te
lopen. Dat kost me een uur. En ik moet al eerder van
mijn werk weg om
je erheen te rijden. Wat kan er nou misgaan, aan zo’n
incheckbalie? Je
geeft je papieren, krijgt een instapkaart en weg ben je.
Kan ik na die
formaliteiten weer een paar kilometer teruglopen naar
mijn auto –
ergens op Koe 9, Klomp 8 of Tulp 3, of hoe die
garagedekken in dat
gekkenhuis ook mogen heten – 12,50 euro afrekenen en op
de A4
aanschuiven in de vrijdagavondfile. Dat is me allemaal
teveel gedoe.’’
Een dag eerder had hij – nadat ik erom vroeg – nog wel
online voor me
ingecheckt. Dat was mislukt omdat hij me op een stoel
plantte waarvoor
ik extra moest betalen – die stoel maakte mij helemaal
niks uit, maar
hij had daar zijn eigen ideeën over – en de site steeds
vastliep op de
betaling met de creditcard. Geen enkel probleem, had hij
mij
verzekerd, gewoon je naam noemen en je bevestigingsmail
laten zien,
komt alles meteen in orde. Ze zullen je hooguit vragen
nog een paar
euro te betalen. ,,Niet moeilijk of principieel over
doen – ik weet
hoe je bent – want je verliest het toch altijd van die
lui.’’
Afijn, mijn koffer heeft de grond nog niet geraakt of
hij scheurt weg,
zodat ik tien minuten later voor een balie sta waar ik –
dankzij dat
gedoe met die stoel van hem – van de passagierslijst
blijk te zijn
afgevoerd. Ik heb een uur moeten lullen als Brugman om
alsnog aan
boord te komen. Toen ik hem daar – met een rood hoofd en
zwetend van
ellende – na het passeren van de douane over belde,
stond meneer al in
zijn wielerpakje klaar voor de vrijdagavondtraining.
Hij moest ophangen. En het was toch allemaal gelukt? Nou
dan. Hele
fijne week, schat. En of ik het compleet verbouwde huis
van onze
rentenierende vrienden maar fijn opnieuw hielp inrichten,
zodat hij
over anderhalve week met zijn drie racefietsvriendjes in
een gespreid
bedje komt.
Enfin, ik ben even weg. En omdat het zo fijn is te weten
dat er van je
gehouden wordt, kom ik over zeven dagen weer terug.
Denk ik. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
19 mei
2009 |
|
| |
|
|
| |
Bolletjesslikker
In navolging van Tom Boonen
(cocaïne), Andreas Klöden (bloeddoping) en
alle andere broodfietsers die dit seizoen al tot een
bekentenis zijn
(of nog worden) gedwongen, kan ook ik er niet langer
omheen. Ja, ik
gebruik. Al jaren. Voor de zwaarste wedstrijden zoek ik
mijn toevlucht
tot witte bolletjes met de voorgebraden gehaktballen van
Dirk van den
Broek, in combinatie met de (per twee verpakte) gevulde
koeken van
hetzelfde supermarktconcern.
Wetenschappelijke studies geven er nog geen uitsluitsel
over, maar er
zullen ongetwijfeld deskundigen zijn die menen dat je
van gehaktballen
niet harder gaat fietsen. Dat doet er ook helemaal niet
toe. Net als
veel andere middeltjes heeft de bal – op mij dan – een
positief
psychologisch effect. Al voor mijn eerste schoolreisjes
braadde mijn
moeder op de vooravond van de trip naar Efteling,
Duinrell of
Omniversum
haar zelfgedraaide gehaktballen die zij - nog warm en
met het aanhangende jusmengsel - direct op de witte
bolletjes sneed, waarna het de hele nacht kon indikken
tot een goddelijk mengsel van deeg en vlees. Zes tot
acht van die bollen kregen we (mijn zussen waren er iets
minder dol op, maar daar had mijn moeder niks mee te
maken) mee in ons rugzakje en ik kan me niet heugen dat
er ooit één weer mee terugkwam. En nog steeds hoort de
bal – op de heenreis naar vakantieadressen, bijvoorbeeld
– tot de hoogtepunten in mijn bestaan en heb ik ook mijn
nazaten inmiddels warm gemaakt voor deze
familietraditie.
Er zijn wel wielermaten die vreemd opkijken als ik – op
weg naar
bijvoorbeeld een Amstel Goldrace – om een uurtje of vijf
in de ochtend
in de auto aan mijn eerste broodje bal begin, spoedig
gevolgd door een
tweede en een derde. Zelf bijten ze zich dan manmoedig
door een
mueslireep of een bruine banaan, maar die krijg ik
gewoon niet weg, op
mijn nuchtere maag. Ook halverwege een Keuten- of
Gulpenerberg glijdt
het balletje gemakkelijker naar binnen dan zo’n in
karamel gestold
granenmengsel met allerlei verantwoorde vitamines en
mineralen. Een
man heeft vlees nodig. Dat hoefde je onze vroege
voorvaderen al niet
te vertellen.
Enkele jaren geleden ben ik van de zelfgedraaide bal
afgestapt en heb
ik me overgegeven aan de kant en klare exemplaren van
Dirk van den
Broek. Gemak dient de mens, tenslotte, en ik weet niet
wat Dirk (of
zijn vaste slager) erin stopt – ik zie soms stukjes
paprika en ui –
maar ze zijn lekker pittig gekruid en na een kwartier
goed doorwarmen
in de Croma zijn ze op de ideale temperatuur om tussen
mijn bolletjes
te worden versneden. Met zes tot acht tegelijk gaan ze
dan – bovenop
elkaar – in de plastic broodzak, die ik open op het
aanrecht laat
staan om er een niet al te kleffe bende (condens!) van
te maken.
Op buitenstaanders mag dit proces merkwaardig overkomen,
het is me al
meerdere keren gebeurd dat ik bij bevoorradingsposten
van grote
toertochten tevreden in mijn broodje beet en mij door
andere fietsers
jaloers werd gevraagd: ’Wat heb jij?’ Na mijn antwoord
(’Broodje bal’)
lopen ze dan gretig alle kramen met verantwoorde repen,
krentenbrood
en bananen drie keer af om te kijken waar ik dat ding
vandaan heb (uit
de achterzak van mijn wielershirt, maar dat zeg ik er
natuurlijk niet
bij).
Nog geen enkele organisatie van een wielerronde durft
eraan, aan het
broodje bal. Terwijl er toch voorbeelden zijn van grote
renners – denk
aan een Johan Museeuw – die extra spierkracht dachten te
halen uit een
bezoek aan dierenartsen die niet vies waren van het
toedienen van
hormonen aan de veestapel van onze zuiderburen. Wat mij
meteen op de
zorgelijke gedachte brengt: zou Dirk van den Broek zijn
varkensvlees
soms uit België halen?
Om te voorkomen dat ik de eerste renner ben die straks
positief wordt
getest op de kant en klare gehaktbal, gooi ik alles
meteen maar op
straat.
Ja, ik gebruik, ik ben een bolletjesslikker.
En zolang de UCI ze niet op de verboden lijst zet, ga ik
er gewoon mee door. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
12 mei
2009 |
|
| |
|
|
| |
Jong geluk
Eerste rang zit ze, beentjes languit, op deze
vroege zondagmorgen met haar kopje thee voor de
achterdeur naar onze tuin te kijken. Merels en
koolmeesjes voeren een wilde luchtdans op in de boom die
centraal op het middenterras staat en tegen de zijkant
van de garage van de buren zie ik ook de klimhortensia
bewegen onder het gefladder van vleugels en opstijgend
en dalend gevogelte. ,,Volgens mij vliegen de
jonkies uit’’, zegt mijn vrouw genietend. ,,Iedereen is
nerveus.’’
Wij zijn de enigen in ons rijtje van zes met een tuin.
De rest heeft
een ’plaats’ - die je niet hoeft aan te harken, maar
kunt aanvegen -
met in het midden een groen plastic tuinameublement. In
het voorjaar
staan er plastic potten met violen omheen. Een enkeling
onderhoudt
langs de schutting een smalle border, volgestopt met
kleurloze
sierheesters die in het tuincentrum te vinden zijn onder
de S van
saai.
Geen
wonder dat alle vogels uit de buurt op onze groene oase
te midden van deze klinkerjungle afkomen. In de winter
zitten ze, als
hangouderen in een supermarkt, op de pergola met de kale
takken van de
blauwe regen, om naar de zakjes met pinda’s en zaden te
duiken. Terugkerende gasten als het roodborstje
scharrelen tussen de
terracottapotten op de grond hun kostje bij elkaar. In
het voorjaar
zoeken de vaste stelletjes de wild woekerende
klimhortensia op, die de
buurman met zijn snoeischaar manmoedig van zijn
garagedak probeert te
weren. Net als de grijpgrage uitsteeksels van de
bruidssluier, de
trompetbloem en al die andere klimmers en groeiers die
zich in zijn
schone metselwerk willen dringen.
In de hortensia hangt een houten mezenkastje dat onze
dochter dertien
jaar geleden heeft getimmerd met de boswachter van
Hollands Duin,
momenteel mijn in Spanje rentenierende vriend. Het logo
van zijn oude
werkgever, Staatsbosbeheer, staat er nog op maar is, net
als de rest
van de kast, volledig door de muur van bladeren aan het
oog
onttrokken. Al jaren is dit de vaste broedplaats van een
koolmezenechtpaar dat de hele dag in en uit vliegt alsof
er in onze
tuin geen start- en landingsrechten bestaan. Daar pal
naast nestelen –
ook onzichtbaar voor het menselijk oog - twee merels,
die mijn vrouw
in haar tuin duldt met het tobberige gesteun van de
hovenier die zijn
zorgvuldig gecomponeerde woestenij overhoop gehaald ziet
door twee
rommelaars. Want dat zijn het. Die beesten wroeten
potten, bakken en
borderranden met compost om, voortdurend op zoek naar
alles wat maar
bruikbaar is om hun vernuftig gevlochten doorzonwoning
te verfraaien.
En deze zondagmorgen is de apotheose van al dit jong
geluk. Zien
konden we ze niet, maar de dagen daarvoor hoorden we al
het gepiep van
de jonge aanwas uit de hortensia, als we onze fietsen
uit de schuur
haalden. Zorgzame ouders scheerden vlak over onze
hoofden, om
onverstoorbaar door het ritme van de naar school gaande
jeugd hun
eigen kroost te voederen met insecten en wormpjes. Nog
even en dan
zien we de kleintjes nog een beetje beverig op de
pergola zitten, als
bungeejumpers voor hun sprong in het luchtledige. Ik
moet er opuit,
met weer zo’n oude mannenclub een rondje fietsen. Maar
mijn vrouw
blijft erop wachten, vanuit haar stoel de blik hoopvol
naar de
klimhortensia die tot leven lijkt gekomen onder het
uitvlieggeweld.
Merels en mezen overschreeuwen elkaar met hoge, schrille
keelklanken,
draaien hun ingewikkelde luchtpatronen voor hun
eenmanspubliek, dat
zich, nieuw kopje thee in de hand, glunderend opmaakt
voor de
apotheose.
,,Schitterend’’, vindt mijn vrouw. ,,Zo mooi.’’
Bezwaard omdat ik iets van deze lentebetovering moet
doorbreken met de
gang naar mijn racefiets, doe ik de achterdeur open. Van
het merelnest
uit de woest zwiepende hortensia klimt de dikke, rode
kater van een
paar huizen verderop moeizaam weer op het muurtje, kijkt
nog een
keertje vuil achterom en springt dan aan de andere kant
uit het zicht.
Mijn ’Tsja, zo is nu eenmaal de natuur’ maakt de
ontzetting van de
toeschouwster op de eerste rang er zeker niet minder op.
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
5 mei
2009 |
|
| |
|
|
| |
Symboliek
De schuld lag bij een buurmeisje dat zo nodig
moest trouwen met windkracht 8. Of nauwkeuriger gezegd:
bij haar ouders, die ons hele rijtje hadden verzocht dit
heugelijke feit met gevelversiering enige luister bij te
zetten. Maar op 30 april, rond een uur of twaalf, kreeg
onze afgebroken vlaggenstokhouder opeens iets symbolisch,
in de uitbundig versierde straat waar wij in de uren
daarvoor nog als paria’s waren beschouwd.
Niet voor het eerst, overigens, want het Oranjecomité
dat de jurering
verricht voor de straatprijs voor de mooist
gepavoiseerde buurt,
noteert al jaren een grimmig minpuntje zodra onze woning
wordt
gepasseerd.
Onze band met het vorstenhuis hoeft niet te worden
onderstreept met slingers, oranje linten en vele
honderden meters, met hels kabaal klapperende vlaggetjes.
Het heeft, me dunkt, zelfs iets
van majesteitsschennis, om voor de koninklijke familie
op hoogtijdagen uit te pakken als bij het Nederlands
elftal dat een toernooitje afwerkt.
Maar voor de nationale driekleur maak ik graag een
uitzondering. Zoals bij veel eigenaardigheden in mijn
karakter, mag ik daarvoor graag
verwijzen naar de periode dat ik in het leger zat. Die
14 maanden
achter een bureau op de administratie van de
Landmachtstaf in Den Haag
hebben mij voor het verdere leven gevormd en opgezadeld
met een niet
te ondermijnen liefde voor het protocol. Bij elke meer
of minder
gerechtvaardigde aanleiding sta ik op ons balkon, om met
een zeker
ceremonieel de vlag uit te steken. Al kwam me dat op 19
juni van het
vorig jaar ook op kritiek te staan omdat een meerheid
van ons gezin de
verjaardag van Edwin de Roy van Zuydewijn liever in
stilte aan zich
voorbij wilde laten gaan.
Maar dit jaar ontbrak de driekleur, vanwege die voor
onze plastic
vlaggenstokhouder zo noodlottige windvlaag, gevolgd door
mijn
onvermogen om voor 30 april iets aan dit euvel te doen.
Nee, in de
voorzienigheid geloof ik niet. Laksheid, was het.
Derhalve moest er
iets gebeuren in de aanloop naar 4 en 5 mei, volgens
mijn eega – die
latent republikeinse gedachten koestert – de enige dagen
waarop met
reden mag worden gevlagd.
De grote bouwmarktketens hebben de afgelopen jaren een
belangrijke rol
gespeeld in de revival van de vaderlandslievende
gevoelens door voor
een appel en ei vlaggen – compleet met houder en wimpel
– aan de man
te brengen. Het was dan ook met zekere schroom dat ik
mij tot de
plaatselijke Hubo wendde met de vraag ’of ik ook een
losse
vlaggenstokhouder kon kopen?’ Dat bleek het geval. Ik
kon zelfs kiezen
uit een plastic of een aluminium exemplaar, welke
laatste mij werd
aangeraden vanwege de inwerking die zon, wind en zout –
wij wonen
vlakbij de kust – op plastic houders hebben, met alle
hier eeerder
geschetste, noodlottige gevolgen van dien.
Alle herstelwerkzaamheden in ons huis begin ik met de
groene koffer
waarin zich mijn accuboormachine bevindt. Om bij de
eerste tegenslag
(niet te vermurwen roestige schroeven), over te
schakelen naar
gereedschapskist 2, waarin het robuuste handwerk ligt
uitgestald. Als
ook dat niet lukt, daal ik wederom af naar de schuur
voor kist 3, met
hamer, beitel en nijptang, waarmee ik uiteindelijk niet
alleen de
restanten van de plastic vlaggenstokhouder maar ook twee
stenen in de
muur van het balkon gedeeltelijk in mootjes hak. Kist 4
– we hebben
gelukkig een groot balkon – bevat mijn klopboormachine,
pluggen en
door de Hubo niet geheel belangeloos beschikbaar
gestelde
roestvrijstalen schroeven, waarmee ik onze gevel
uiteindelijk voorzie
van een blinkende aluminium houder waarop mijn
klusadviseur
levenslange garantie durft te geven.
Traditiegetrouw raak ik ook gewond – een gemene blaar
van een op een
kiezel roodgloeiend geworden boor – en moet ik daarna
nogmaals het
huis uit om vijf kilo metselspecie (de kleinst mogelijke
verpakking)
aan te schaffen om alle door mij in de voegen van de
balkonmuur
geslagen gaten weer dicht te smeren, voordat mijn vrouw
thuiskomt.
Door lijden en wederopbouw in deze vorige alinea met
elkaar te
verbinden, had ik dit stukje kunnen afsluiten zoals ik
het ben
begonnen: druipend van symboliek. Maar dan had u niet
geweten van de
handeling waarop ik nog het trotst ben.
Vlaggen van de bouwmarkt zijn gemaakt om te vieren. Niet
om te
gedenken. Met een extra oogje, een meter onder de
oranjekleurige knop,
heb ik ons exemplaar zodanig gemodificeerd dat hij ook
halfstok kan.
Dat heeft die van de buren niet.
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
28 april
2009 |
|
| |
|
|
| |
Pashokje
Vergelijkingen met nog in leven zijnde verwanten
dragen alleen boven de wieg een complimenteus karakter
in zich. In de jaren daarna zijn ze uitsluitend bedoeld
om de herkomst van slechte eigenschappen te duiden. Dus
als ik – na vijf martelende minuten in een pashokje met
een spijkerbroek die niet verder wil dan mijn bovenbenen
en een T-shirt dat dankzij een neklabel op A3-formaat
ergens halverwege mijn rug blijft steken – zichtbaar
geërgerd voor de deur van de kledingzaak op mijn vrouw
ga staan wachten, weet ik dat het niet complimenteus
bedoeld is wanneer ze me voorbijloopt met een venijnig:
’Je bent precies je dochter.’
Niet dat ze het niet geprobeerd heeft. Aan het begin van
een mooie
koopavond heb ik haar wel verwachtingsvol op de fiets
zien vertrekken
met haar oudste nazaat, zich zichtbaar verheugend op een
paar uur
snuffelen in kledingrekken, elkaar bewonderen voor de
spiegel en
daarna een cappuccino met warme apfelstrudel in een
sfeervol
grand-café. In de regel stond onze dochter dan binnen
een half uur
weer voor mijn neus omdat ze na de verplichte aanschaf
van een
kledingstuk
dat niet op de gok door haar moeder kon worden
meegenomen,
haar fiets had gepakt en met een ’Nou doei, ik ga alvast’
een bonte
avond vol winkelplezier had afgebroken om voor haar
computerscherm een
stuk uit het Oud-Grieks te vertalen en tegelijkertijd
een van internet
gestolen aflevering van inspector Morse te bekijken.
Zelf laat ik me al zoveel jaren op afstand kleden, dat
mijn eega was
vergeten van wie deze karaktertrek is geërfd. Al lang
voordat het in
het televisiewereldje gemeengoed was, had ik al mijn
eigen styliste.
Een paar keer per jaar hangt er bij thuiskomst een
stapeltje kleding
over een stoel in de woonkamer dat ik geacht word te
passen – past
altijd – waarna het in mijn kast wordt weggehangen,
keurig op
hangertjes in setjes gecombineerd zodat ik me ’s morgens
niet hoef af
te vragen wat nu bij wat past. Alleen voor een nieuwe
spijkerbroek of
een paar schoenen ben ik – altijd na enig misbaar –
bereid de gang
naar zo’n tot een halve disco getransformeerd kledingkot
te maken.
Als ik mijn aversie tegen het aanschaffen van nieuwe
garderobe-onderdelen zou moeten samenvatten in één woord,
kom ik tot:
pashokje. Na het behalen van mijn B-diploma heb ik me
ook nooit meer
in een zwembad laten zien omdat ik er niet tegen kan me
van mijn
kleding te ontdoen in een veel te krappe ruimte met te
weinig haken,
geen krukje om even te zitten om je veters vast te maken
en een slecht
sluitend gordijn dat niet verder reikt dan scrotumhoogte.
Bovendien is
mijn echtgenote gezegend met de doortastendheid waarmee
frequent
winkelende vrouwen dit gordijn openrukken op een moment
dat je je in
onderbroek uit de pijp van een veel te krappe pantalon
probeert te
worstelen. ’Nou, past het?’
Als ze me eenmaal in een pashokje heeft, laat ze me er
ook niet meer
uit. Het gordijn blijft op de meest ongelegen momenten
open en dicht
gaan om nieuwe kledingstukken naar binnen te duwen, ook
van het soort
waarvan ik zeker weet dat ze altijd passen (T-shirts,
maatje XL) maar
ze nog even wil zien hoe ze ’combineren’ en of ze ’me
staan’. Haar
verontwaardiging als ik uiteindelijk toch uit mijn
kledingisoleercel
weet te ontsnappen is deze avond zo groot, dat ze bijna
vergeet me nog
naar een schoenenboer te slepen om me geroutineerd aan
de twee enige
maatjes 47 die voorhanden zijn te helpen. Ik sta alweer
buiten te
mokken als ze met de winkeljuf afspreekt dat een passend
model met de
gewenste kleur uit een ander filiaal in een naburig dorp
wordt
gestuurd.
Bevrijd keer ik huiswaarts, om een dag later op de
eettafel de doos
met mijn nieuwe schoeisel aan te treffen. Type hoge
gympie, merk
Yellow Cab (zie ik op de zool), lichtbruin en op de neus,
de zijkant
en op de witte veters van die grote, fabrieksmatig
aangebrachte
vuilstrepen die je normaal pas krijgt na een paar
duizend kilometer
stevig doorstappen in een mediterraan land waar de
straatvegers al een
paar maanden in staking zijn.
Mooi. En: ze zitten lekker. Heb ik gezegd.
Anders kan ik ze nog gaan ruilen ook.
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
21 april
2009 |
|
| |
|
|
| |
Getrouwde
vrijgezellen
De werkplaats van de
fietsenmaker vult zich met wat mijn wederhelft
'getrouwde vrijgezellen' noemt. Behelmde mannen van
middelbare leeftijd in een fietspakje, met aan hun hand
een rijwiel van minimaal twee keer modaal. Korte
gesprekken, dito antwoorden. ,,Nog getraind?'' Een
beteuterd hoofdschudden. ,,Nee, ik moest krediet
opbouwen.'' De goede verstaander - en dat zijn ze hier
allemaal, op de verzamelplaats van de plaatselijke
wielerclub - weet genoeg. Hij mocht niet van zijn
vrouw.
Toen
de wereld nog een stuk overzichtelijker was, kregen
alleen kerels die te lang in de kroeg hingen, hun
kinderen sloegen of achter hun
secretaresse aanjoegen ermee van doen. Maar tegenwoordig
maken ook zij die lichaam en geest stalen door een
substantieel deel van de week op het zadel van een
racefiets door te brengen, zich vatbaar voor
kritiek. Ik verlies me er helemaal in. Heb nergens
anders oog voor.
Vergeet dat ik nog een gezin heb dat liefde, tijd en
aandacht nodig
heeft. En dat ook de kozijnen hoognodig aan een
schilderbeurt toe
zijn.
Om maar eens een anonieme bron te citeren.
Fietsen is een tijdrovende hobby. Als je aan het begin
van het jaar -
met lankmoedige instemming - besluit de Alpenreuzen in
La Marmotte te
beklimmen, een trainingskamp in Spanje belegt,
inschrijvingen voor de
Amstel Gold Race, Limburgs Mooiste en nog een handvol
andere
toertochten de deur uit doet, weet iedere ingewijde dat
daar vele
honderden uren trainingsarbeid aan vast zitten. Nee, aan
de
niet-ingewijden is dat minder duidelijk gecommuniceerd.
Maar als je
alles voorkauwt, neem je iemand ook niet serieus.
Bovendien, trainen doe ik zoveel mogelijk op incourante
tijden. Op
zondagmorgen, tussen 8 en 11.30 uur, als de rest van het
gezin het
proces van uitslapen, uitgebreid ontbijten en badderen
ondergaat. Als
ik dan na 100 kilometer terugkom, moet ik voor de douche
nog op mijn
beurt wachten. Doordeweeks rijd ik vooral tussen 18.30
en 21 uur,
waarna er nog een avond voor ons open ligt. En nooit
meer dan één
grote toertocht per maand. Op die andere zaterdagen
train ik 'gewoon',
twee tot drie uurtjes. Of pleeg ik fietsonderhoud,
gezellig voor
iedereen aanspreekbaar in de achtertuin.
Wat daar op af te dingen valt? Dat ik op zaterdagavond
al 'ongezellig'
ben omdat ik op zondag op tijd moet fietsen. Dat ik
doordeweeks na het
avondritje nog een paar uur achter de computer kruip om
mijn
trainingsgegevens en m'n wielerlog bij te houden. Dat je
voor zo'n
toertocht in een uithoek van het land vaak tussen 7 en
17 uur onderweg
bent. Dat mijn vrouw na 4.15 uur geen oog meer dicht
deed, toen mijn wekker afliep voor de toerversie van de
Amstel Gold Race in Limburg ('s avonds om 20 uur weer
thuis met twee tasjes vuile was). Dat ik de week
daarvoor al een hele dag weg was voor
Veenendaal-Veenendaal. Kortom, dat ik meer genegenheid
aan de dag leg voor mijn carbon frame en kekke witte
schoentjes dan voor mijn eigen vlees en
bloed.
Berekenender wielrenners dan ik doen om die reden op
tactische
momenten een stapje terug. Laten een training lopen.
Zeggen af voor
een tocht. Niet omdat ze geen zin hebben. Maar om
krediet op te
bouwen. Via de ander investeren in zichzelf. De
frustratie die hieruit
voorkomt laat zo'n compromiszoeker de vrije loop door -
zodra de
gelegenheid zich voordoet - opzichtig jaloers aan mijn
eega te laten
weten 'dat ik toch wel heel veel mag', daarmee het zaad
zaaiend van de
overtuiging dat mijn teugels te veel worden gevierd.
Want is het niet zo dat ik er sta, zodra mijn gezin mij
nodig heeft?
Heb ik laatst niet vele uren gestoken in de computer van
mijn zoon,
die last had van chronisch blauwe Windowsschermen? En
wie neemt er
zijn verantwoordelijkheid, als 's morgens om 7.45 uur de
band van de
fiets van zijn dochter lek staat? Kleine dingetjes, ik
weet het, maar
mijn vriend Mart, met wie ik soms de zwaarte van het
bestaan deel,
verwoordde het laatst nog zo mooi. ,,De levenstaak van
ons mannen
speelt zich af achter de zwarte gordijnen van het
gezinspodium. Wat
zou dit familietoneel zijn zonder onze facilitering?''
Het is met een zekere schroom, dat ik hem citeer, want
hij schijnt
meer recht van spreken te hebben dan ik.
Hij doet niet aan wielrennen. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
7 april
2009 |
|
| |
|
|
| |
Stemmingen
Er
zijn allerlei syndromen en hormonen verantwoordelijk
voor
stemmingswisselingen bij de vrouw. Maar deze kende ik
nog niet. ,,Het zou best eens kunnen zijn'', zeg ik
bedachtzaam, als mijn maat de kaarten verzamelt en onze
tegenstanders in diepe verslagenheid hun verlies
verwerken, ,,dat ik het laatste potje heb verzaakt.''
Twee vlakke handen slaan met een knallende klap tegen
het tafelblad en uit evenzoveel kelen klinkt het
eenstemmig gekrijs dat zich in deze familiekroniek niet
laat reproduceren.
Net als Louis van
Gaal hebben ook wij een vast kaartclubje, dat op
ongeregelde tijdstippen bij elkaar komt. De trainer van
AZ weet zich
in het veilige gezelschap van mannen, vrienden van jaren
her. Wij,
mijn
vriend Mart en ik, tarten elke keer het noodlot door
tegen onze eigen vrouwen in het strijdperk te treden.
Welk spel Louis speelt, heb ik even niet paraat. Maar
dat van ons is klaverjassen, waarbij het
tekenend is voor mijn spelniveau dat ik niet weet of wij
de Amsterdamse of de Rotterdamse variant hanteren. Na
bestudering van het
betreffende hoofdstuk in Wikipedia neig ik naar de
laatste, maar het zou ook zomaar kunnen dat ik
Rotterdams speel en de rest van het gezelschap
Amsterdams: spelregels zijn voor mij een knellend
keurslijf dat ik tijdens een gezellige avond nog wel
eens van mij af wil werpen.
Voor mijn maat en mij is klaverjassen een spel waarin we
alleen maar
te winnen hebben. Als het geluk ons toelacht - want wat
deskundigen
ook beweren, zonder fatsoenlijke kaarten ben je nergens
- mogen wij de
tegenstander graag vernederen. Niets menselijks is ons
vreemd. Als de
kaarten tegen zitten, staat voor ons het spelplezier
fier overeind.
Zelfs met een handvol ellende willen we nog wel 'gaan',
louter om die
mannelijke adrenalinekick te ervaren. Liever strijdend
ten onder dan
het voorzichtige, louter op 'vooral maar niet verliezen'
gebaseerde
spel van hen die voor de burgerlijke stand onze
wederhelften vormen.
Zo niet de dames. Al lang voordat mijn maat de kaas en
de worst op
tafel heeft gezet - ja, wij zijn van de gezelligheid -
spelen zij met
het mes op tafel. Dat is in de beste tradities van het
klaverjassen,
waarmee reputaties kunnen worden gemaakt of gebroken.
Uiteindelijk is
John de Wolf bekender als valsspeler aan de kaarttafel
dan als
bikkelharde verdediger van Feyenoord.
Als een eenvoudig gezelschapsspel een zaak van leven en
dood wordt, is
de geringste tegenslag voldoende om de stemmingscurve
finaal te doen
omslaan. Puur uit lijfsbehoud is onze avond dan ook al
geslaagd als de
tegenstander de wind in de rug heeft. Dan weten wij ons
in het
gezelschap van vrolijke, charmante, voorkomende vrouwen.
Staan zij op
verlies, dan is elke verkeerd geplaatste opmerking, elke
uiting van
onbestemde joligheid of het optrekken van een mondhoek
al voldoende om
zicht te bieden op een naderend levenseinde. Jazeker,
want ook fysiek
geweld (knijpen, slaan) wordt niet geschuwd.
In tegenstelling tot John de Wolf ben ik te argeloos om
vals te
spelen. De keren dat ik een verkeerde kaart opgooi
gebeurt dat niet om
er zelf beter van te worden. Ik zit niet op te letten.
Heb het te veel
naar mijn zin. Zie mijn geest vertroebeld door een
prettig stukje
grillworst. Een fijn glas wijn. Een toastje krabsalade.
Zo ook deze
keer dat onze tegenstanders 'gaan', ik braaf mijn
kaarten blijf
meegooien en me bij de laatste slag realiseer dat ik
ergens ben
vergeten de hoogste troefkaart op te gooien. Verzaken,
heet dat - een
doodzonde - maar niettemin een buitenkansje als ik er op
de valreep
louter azen en tienen mee binnenhaal en de tegenpartij
(die ging)
'nat' speel.
Verdoofd kijken onze wederhelften voor zich uit, een
vrijwel zekere
overwinning over zestien potjes alsnog teniet zien
gedaan door het
verlies van 162 hele punten. Heel bewust wacht ik nog
even om de
twijfel over mijn eigen spel onder woorden te brengen.
Een van de
weinige dingen die mij uit de jurisprudentie is
bijgebleven, is dat
protesteren alleen rechtsgeldig is als de kaarten nog op
tafel liggen.
Er is in de wetenschap nog (te) weinig bekend van de
invloed van
klaverjassen op stemmingswisselingen bij vrouwen. Mij is
dus niet
euvel te duiden dat ik niet wist hoe ze tot bedaren te
brengen. Maar
met mijn analyse 'dat dit bewijst dat jullie dichter bij
de dieren
staan dan wij mannen' lukte het in elk geval niet. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
31 maart
2009 |
|
| |
|
|
| |
Jury
Bij het kunstrijden op de schaats, de rechtspraak
in Noord-Korea en het Europese Songfestival is al
aangetoond dat het oordeel van een jury niet zaligmakend
is, houd ik mijn dochter voor. ,,Er hoeven maar een paar
malloten in te zitten en het gaat de hele verkeerde kant
op’’, temper ik haar verwachtingen voor de finale van de
’BBC Young Writers Award’, waartoe ze is doordrongen met
een essay (’Pulling Acceptance across the Threshold’)
dat ik alleen volledig kan bevatten met behulp van de
Longman Dictionary of Contemporary English. Maar dat
kloeke woordenboek krijgt ze pas na afloop uitgereikt.
De weg erheen is lang. Op meer dan zestig scholen
schrijven eind vorig
jaar honderden leerlingen van 16 tot 20 jaar hun stukken
over zes door
de BBC Awards vastgestelde thema’s. De beste daarvan
worden ingezonden en beoordeeld door negentig
literatuurstudenten, waarna een shortlist van acht
essays is opgesteld die tijdens de finale - afgelopen
zaterdag in Amsterdam - worden voorgelegd aan een jury
onder
voorzitterschap van de Britse ambassadeur, H.E. Lyn
Parker, en waarin
ik ook verder met de beste wil van de wereld geen
malloot kan
ontdekken. Maar ouders zeggen wel vaker wat, om hun
kroost te
bemoedigen.
De weg erheen is ook vol voetangels en klemmen. De
zwaarste dag is als
mijn introverte oudste nazaat met een andere ’Young
Writer’ van Leiden
naar
Utrecht afreist voor een introductievideo voor de
organisatie, twee goederenwagons voor haar eigen
boemeltje ziet ontsporen, het
complete treinverkeer ontregeld weet, anderhalf uur te
laat komt voor haar afspraak en bij terugkomst haar
rijwiel weggesleept blijkt door
overijverige Leidse ambtenaren die alles in beslag nemen
wat, keurig op de standaard, een halve meter naast een
overvol rek oud roest staat geparkeerd (Fiets fout =
Fiets weg). Aan de andere kant van de stad kan haar Trek
na betaling van 26 euro weer worden opgehaald en mag ze
– inmiddels acht uur onderweg voor een filmpje van vijf
minuten – weer naar huis trappen. Onderweg begin het
onbarmhartig te hagelen. En een dag later zit er in onze
mailbox een ’student absent-melding’ waarin haar school
meedeelt dat ’ons kind zonder melding afwezig is geweest
en de volgende les(sen) heeft gemist...’.
Ja, zo gaat een land als dit om met zijn getalenteerde
Young Writers.
Het moet toch niet veel gekker worden.
Ooit zelf genomineerd voor de Kampeerpersprijs met een
vermeend
hilarische column over het bezoek aan een
gehandicaptentoilet, mag ik
mezelf gelouterd weten op het gebied van
schrijverscompetities. Maar
ik moet toegeven dat de ambiance van de kampeer- en
caravanbeurs
enigszins schril afsteekt tegen die van de Lutherse Kerk,
tegenwoordig
het auditorium van de Universiteit van Amsterdam. Onder
leiding van
Aldith Hunkar wordt een programma afgewerkt waarbij er
voor de acht
’writers’ een licht passief (ze mogen even zwaaien naar
het publiek)
maar voor de acht ’public speakers’ (die hebben hun
eigen competitie
voor de BBC Awards) een hyperactief programma wordt
afgewerkt met een
speech en interactie uit de zaal. Van de schrijvers is
er de gewraakte
video en hun bijdragen staan in het programmaboek dat
vooraf en in de
pauzes wordt gespeld door de enkele honderden aanwezigen
– familie van
de finalisten, maar ook docenten, betrokken Britten en
andere
Angelsaksisch georiënteerden. En bovenal de special
guest: het gezicht
van BBC World News, presentator en journalist Lucy
Hockings.
Onze dochters inschatting van haar eigen werk blijkt een
realistische.
Dat zij met een persoonlijk, vooral literair stuk is
doorgedrongen tot
een finale waarin de nadruk wordt gelegd op het
academisch gehalte,
noemt ze al een buitenkansje. Dat de vakjury kiest voor
een, overigens
knap geschreven, essay waarin de Britse staatsomroep op
zijn waarde
wordt geschat (thema: ’What BBC TV does for me’) mag
evenmin een
verrassing heten. Maar uit handen van de Britse
ambassadeur krijgt ze
waar ze vooraf stilletjes op had gehoopt: de ’Audience
Award’ (de
publieksprijs, dankjewel Longman Dictionary).
De warme woorden van Her Majesty’s Lyn Parker doen haar
goed, maar ze
is vooral verguld als na afloop BBC’s Lucy Hockings voor
een praatje
op haar afstapt. ’I voted for you’, zegt ze. Waarmee
mijn haarscherpe,
zakelijke slotanalyse achteraf toch nog wordt
vertroebeld door
schaamteloze vadertrots.
’Zei ik het niet? De echte kenners zaten in de zaal.’
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
24 maart
2009 |
|
| |
|
|
| |
Lenigheid van geest
Zodra zijn moeder hem verbaal
de les heeft gelezen over het na
schooltijd ledigen van een zoveelste zak chips, neem ook
ik onze zoon nog even heimelijk apart. Net als mijn
vrouw ben ik ernstig teleurgesteld in zijn gedrag, al
putten we daarvoor ieder uit een verschillende bron. Zij
baalt ervan dat hij – ondanks herhaalde waarschuwingen –
toch weer over de schreef is gegaan. En ik omdat hij de
bewijzen voor zijn overtreding zo opzichtig in de bank
voor de tv heeft achtergelaten. ,,Als je alles gewoon
netjes had opgeruimd, sukkel, had er geen haan naar
gekraaid.’’
Nee, in het Groot Opvoedboek is hier waarschijnlijk niks
over terug te
vinden, maar het hoort onmiskenbaar bij de levenslessen.
Bovendien kan
ik ook mijn eigen jeugd niet verloochenen. Aan roof,
moord en veel
andere misdrijven hangt een verjaringstermijn, maar op
vrijwel elke
heugelijke familiebijeenkomst komen mijn drie zussen met
anekdotes
over hoe ik vroeger brandschattend en plunderend door de
familievoorraad frisdrank en zoetwaren ging. Daarbij
moet worden
aangetekend dat het hier de sobere jaren zestig betrof,
waarin de cola
en sinas niet in sixpacks van tweeliterflessen bij de
Duitse
supermarktketen werden weggesleept. Wat ik mij illegaal
toeeigende,
haalde ik ook rechtstreeks uit hún hongerige monden.
Van dat besef
werd ik destijds dagelijks doordrongen. Maar het was
sterker dan ik.
Mijn
rooftochten door het huis waren zo legendarisch dat mijn
moeder
zich constant het hoofd brak over nieuwe plekken om mijn
beoogde buit
te verstoppen. Maar ik was goed. Geen hoekje in het huis
was veilig,
zelfs niet toen zij haar toevlucht zocht tot weinig voor
de hand
liggende locaties als de trommel van de wasmachine. O,
de triomf, als
ik hier een liter cassis of een zak winegums aantrof.
Verstopte
sleutels van voorraadkasten haalde ik onder matrassen of
de kussens
van de echtelijke sponde, of van de bodem van de bus
waarin de
theezakjes werden bewaard. Mijn favoriete vondsten
bestonden uit reeds
geopende flessen of zakken, omdat ik daarmee de
verstopper enige dagen
in de waan kon laten dat deze plek voor mij veilig was.
Uit flessen
nam ik daartoe maar een paar slokken. Bij chips, nootjes
en zoetwaren
nooit meer dan een handje of twee.
Bij ontdekking
bediende ik me van de volgende tactieken: altijd
ontkennen en – wanneer dat in twijfel werd getrokken –
de bewijslast
bij de aanklagende partij leggen. (Mocht dit geschrift
als een late
bekentenis worden opgevat, dan beroep ik mij tijdens de
eerstkomende
familiebijeenkomst op de vrijheden van de columnist om
de waarheid
naar zijn hand te zetten.)
Onze zoon (12)
heeft wel mijn vraatlust, maar niet mijn vaardigheden
in het maskeren van de roof geërfd. Als Klein Duimpje in
het grote bos
laat hij op zijn omzwervingen door het huis opzichtige
sporen van
zoetwarenverpakkingen en etensresten na. En als hij al
eens moeite
doet om zijn gangen onzichtbaar te maken, vinden we de
bewijzen wel
bij het opschudden van de kussens van de bank en wanneer
we vanaf het
toilet onder het badkamermeubel kunnen kijken. Of valt
hij door de
mand door bij het avondeten na drie happen te verklaren
dat hij ’vol’
zit – in feite ook de reden voor zijn verzwaarde
frisdrank-, chips- en
zoetwarenregime. De gretigheid waarmee hij zich van
snacks bedient,
staat haaks op zijn vermogen een fatsoenlijk bord
avondeten weg te
werken.
Ofschoon ik ook
in de opvoeding heilig geloof in de principes van Yin
en Yang, waak ik ervoor mijn zoon - zeker in het bijzijn
van mijn eega
(Yin) - al te opzichtige tips te geven. Maar werkeloos
aan de kant
blijven staan, dat nooit. Het verkennen van de grenzen
hoort bij de
puberteit, zoals een zekere mate van gewiekstheid en
bedrog - nee,
laten we het lenigheid van geest noemen - onontbeerlijk
is om je in
bepaalde geledingen van de maatschappij te handhaven.
Zolang hij nog
niet weet wat hij later wil worden, zorg ik ervoor dat
alle opties
open blijven.
Ja, ook die in
de politiek, de makelaardij en het internationale
bankwezen. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
17 maart
2009 |
|
| |
|
|
| |
Vaatwasserinruimdeskundige
Lange tijd heb ik gedacht dat ik de enige was,
een wetenschap die gepaard ging met eenzaamheid,
vertwijfeling en middernachtelijke huilbuien. Maar
zaterdag, tijdens Mooi Weer De Leeuw, zag ik opeens een
collega, een lotgenoot eigenlijk, iemand met dezelfde
aanleg en gedrevenheid. Zelfs mijn grootste critica – de
vrouw die al meer dan 25 jaar aan mijn zijde vertoeft –
kon een blik van herkenning niet onderdrukken. ,,Kijk,
daar heb je er nog een’’, smaalde ze. ,,Zo’n
vaatwasserinruimdeskundige.’’
Vooral vrouwen hebben geen hoge pet van ons op. Mijn
collega was
middels Mooi Weer De Leeuw ingehuurd door een wanhopige
man, die zijn
echtgenote voor het oog van de tv-camera’s
wilde laten demonstreren hoe de vaatwasser het best kan
worden volgestouwd. Alsof ik naar
Rondom Tien keek, zulke schokgolven van herkenning zag
ik op mij afrollen. Elke avond moest de ongelukkige, als
hij thuiskwam na een dag van hard werken, de vaatwasser
in feite weer compleet leeghalen omdat zijn wederhelft
er in was geslaagd met drie koffiekopjes en vier
sherryglazen de machine zodanig onhandig in te richten
dat er geen boterhambordje meer bij kon.
Het
stouwen van lading is van oudsher mannenwerk. Dat was al
zo in de tijd van de VOC en zelfs nu nog, met alle
techniek die ons ter beschikking staat, is het aan boord
van een schip nog steeds de stuurmán die hiervoor de
verantwoordelijkheid draagt. De enkele keer dat je een
tanker in tweeën gebroken aan een kade ziet liggen, kun
je er donder op zeggen dat een stuurvrouw toezicht op
het laden en lossen heeft gehad. (Nee, dit is geen
mannenprietpraat: ik ben voornemens mijn bevindingen
binnen afzienbare termijn te publiceren in de
gezaghebbende The Scientist.)
De echtelijke
twisten waartoe het inruimen van vuil serviesgoed in
mijn eigen gezin aanleiding geeft, openbaren zich
doorgaans pas als
wij in bed liggen. Op momenten dat ik als
vaatwasserinruimdeskundige
even de teugels laat vieren, word ik gewekt door het
monotone gebonk
van de vinnen die tegen een verkeerd geplaatste pollepel
of een te
hoog opgetaste glazen schaal slaan. Zuchtend en steunend
over zoveel
onbenul mag ik dan de sponde verlaten om halverwege het
programma
’Normaal’ (55 graden) met beslagen brillenglazen te
redden wat er nog
te redden valt. Ook op dit soort momenten hunker ik als
vaatwasserinruimdeskundige tevergeefs naar erkenning.
Als ik verkleumd
weer terugschuif onder de klamme lappen, wordt mij
toegevoegd ’waar ik
me in hemelsnaam druk om maak; jouw gesnurk is tien keer
erger’.
Als gezin
hebben we toch al een moeilijke vaatwasperiode achter de
rug. Bijna drie weken lang hebben we gekampeerd in eigen
huis omdat
onze tien jaar oude Miele eerst het water niet wilde
wegspoelen,
vervolgens weigerde op te warmen en uiteindelijk geen
water meer
innam, waardoor de vatenkwast en vloeibaar Dreft –
artikelen die onze
nazaten kennen uit ons verblijf in de caravan – eraan te
pas moeten
komen. Op dit soort momenten werd mijn
vaatwasdeskundigheid wel
erkend, in die zin dat ik elke avond als het
gezinslulletje de afwas
stond te doen terwijl vrouw en kinderen na het eten
schielijk naar
zolder verdwenen om daar hun dartcompetitie af te werken.
Nadat de
machine in drie tijdrovende sessies was gerepareerd, had
ik
als vaatwasserinruimdeskundige moeite alles weer zoals
vroeger op zijn
vertrouwde plek te krijgen. ,,Het lijkt wel of we in het
middenrek
minder ruimte hebben dan voorheen’’, had mijn eega al
een paar keer
gezegd. En inderdaad, allerlei hoge glazen pasten er
opeens niet meer
in. Tevergeefs had ik dit probleem al enkele keren
bestudeerd, om het
– na het uitblijven van een oplossing – maar te
ontkennen. ,,Ben je
gek, dat lijkt maar zo.’’
Totdat mijn
collega bij Mooi Weer De Leeuw ergens halverwege zijn
demonstratie twee handgrepen aan de zijkanten vastpakte
en het
middenrek in een soepele beweging flink wat lager zette.
Met een
triomfantelijk gezicht stond mijn vrouw op van de bank,
liep naar de
keuken, deed onze vaatwasser open en herhaalde de
zojuist
gedemonstreerde handeling. De rest van de avond leken de
bordjes
definitief verhangen.
Zo ben je nog
een vaatwasserinruimdeskundige.
En zo ben je
weer een prutser |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
10 maart
2009 |
|
| |
|
|
| |
Stempel
Schroomvallig is het woord dat
zich opdringt bij de blik waarmee de doktersassistente
mijn urinecontainer met garantiesluiting in ontvangst
neemt. Ze klinkt een beetje schor als ze, na een korte
stilte, het woord tot me richt. ’Ik durf het bijna niet
te vragen...’ Na mijn goedmoedige knikje verbreekt zij
het zegel en neemt – de ogen geloken – een klein slokje.
Tsja, mijn collega’s wilden dit ook al niet geloven,
maar je moet toch
wat om een zekere heroïek toe te kennen aan het groot
sportmedisch
onderzoek waaraan een ambitieuze senior zich moet
onderwerpen om La
Marmotte te mogen fietsen. Voor mijn 20-jarig neef
volstaan tien
symbolische
kniebuigingen, voordat de arts zijn bevrijdende
handtekening en stempel op het formulier zet. Ik word op
een
woensdagmiddag drie uur door de mangel gehaald alsof ik
voor zes maanden word afgeschoten naar de steriele
atmosfeer van het ruimtevaartstation ISS.
Indekgedrag, oordeel ik aanvankelijk over het
formuliertje dat de organisatie van La Marmotte – een
eendaagse fietstocht van 174 kilometer waarbij
achtereenvolgens de alpenreuzen Croix de Fer, Telegraph,
Galibier en Alpe d’Huez moeten worden beklommen – van
mij wil ontvangen voordat ik een startbewijs krijg. In
Nederland mag je
met twee lekkende hartkleppen nog de Amstel Gold Race,
Limburgs
Mooiste en de Steven Rooks Classic op één dag rijden,
maar Fransen en
Spanjaarden laten je pas aan de start verschijnen als
alle organen een
keer zijn doorgemeten en alle gewrichten zijn betast.
Van collega-fietsers hoorde ik dat met deze verplichting
pragmatisch
kan worden omgegaan: je belt even naar je huisarts, laat
de assistente
een stempeltje zetten en fietsen maar. Doch mijn poging
mijn eigen
huisarts zo gek te krijgen – in mijn elektronisch
patiëntendossier kan
hij zien dat ik, op een dagelijkse hogebloeddrukpilletje
na, al 48
jaar zo gezond ben als een vis – strandden op een
secretaresse die
haar certificaat klantvriendelijkheid nog in het
vroegere Oostblok
heeft gehaald. Het enige dat ik van haar krijg is een
lijstje met
artsen in mijn woonplaats die wel een keuringsprogramma
in hun pakket
hebben.
Dat blijkt nog niet mee te vallen. Telkens weer stuit ik
op de muur
die assistentes optrekken rond hun employee, die het zo
druk zou
hebben dat hij geen krabbeltje kan/wil zetten onder de
gezondheidsverklaring van een jongbejaarde die op één
dag 5000
hoogtemeters wil gaan wegtrappen. Ten einde raad wend ik
me tot de
sportgeneeskundige afdeling van een streekziekenhuis,
waar ik in een
ver verleden goede ervaringen heb opgedaan met een
hardnekkige
hardloopblessure.
Op
internet had ik al gezien dat mij een breed scala van
sportkeuringen ter beschikking staat, maar na het
opgeven van mijn
missie (La Marmotte) en mijn leeftijd (48), blijft er
volgens de
functionaris die ik aan de telefoon heb nog maar weinig
te kiezen
over: het groot sportmedisch onderzoek moet en zal het
worden. Naast
het opnemen van allerlei lichaamskenmerken omvat deze
apk voor het
lichaam – zoals mijn lijfblad Fiets het deze maand zo
treffend
omschrijft – onderzoek naar de longfunctie, een
hartfilmpje in rust,
een bloed- en urineonderzoek en een maximale
inspanningstest met
ECG-controle. Dat laatste houdt in dat je, beplakt met
elektroden, een
kwartier lang met steeds meer weerstand de trappers rond
moet krijgen,
totdat je uiteindelijk op (in mijn geval) een hartslag
van 187 zit.
En
dat is nog heel behoorlijk, vindt de sportarts, als je
het
vergelijkt met de andere recreatiefietsers in hun
laatste levenshelft.
Uit de grafieken die de plotter uitspuugt blijk ik
bovendien 29
procent boven het gemiddelde te trappen. Na mijn
bescheiden ’En dan
ben ik dit jaar nog maar nauwelijks in training’ krijgt
mijn
rennersego een nieuwe boost: ’Met jouw maximale vermogen
zou je ook
bij de amateurs goed kunnen meekomen.’ Over mijn
koersinzicht kan hij
niet oordelen, maar ’ze rijden je er in elk geval niet
af’.
Ook anderszins kom ik glansrijk door de keuring, al
maalt de laatste
dagen wel het zinnetje door mijn hoofd waarmee de
sportarts mij -
languit op zijn behandeltafel - typeerde. ’Je hebt niet
echt het
postuur van een wielrenner, hè?’
Vijf kilo moet er zeker af. Tien zou ook helemaal niet
gek zijn.
De oorzaak daarvan verwoordt hij op een prominente plek
in de uitslag
van mijn groot medisch sportonderzoek:
’Alcohol: 15 eenheden per week’.
Zat er toch wijnazijn in mijn urinecontainer. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
3 maart
2009 |
|
| |
|
|
| |
Klusvakantie
Na het succesvol witten van
tientallen vierkante meters
glasvezelbehang, ben ik toe aan het fijnere werk. ,,Morgen
ga ik het achterkozijn en de keukendeur verven’’, stel
ik mijn eega voor, barstensvol zelfvertrouwen en met
onverholen trots. Wat volgt is de pijnlijkste stilte van
onze gezamenlijke klusvakantieweek. ,,Uh, ja’’, komt ze
aarzelend op gang. ,,Zou je dat mij niet laten doen? Ik
vind jou meer een type voor de buitenboel en de lange
rechte stukken met de roller. Je smeert het er altijd zo
dik op.’’
Samen doe-het-zelven verbroedert, maar kan een stel ook
uit elkaar
drijven. Er zijn tv-programma’s (’Help, mijn man is
klusser’) gewijd
aan relatieproblemen die (voornamelijk) mannen met twee
rechterhanden
en een ongezonde dosis zelfoverschatting kunnen
veroorzaken door hun
geliefde jarenlang in een bouwval te laten kamperen. Dat
wij er toch
aan zijn begonnen, heeft alles te maken met het feit dat
mijn
jaarlijkse
fiets-wintertrainingskamp in Spanje niet doorgaat omdat
het
onderkomen van mijn rentenierende vrienden momenteel
rigoureus wordt
verbouwd. Het geld dat we hadden kunnen steken in een
schildersbedrijf, investeren we nu in duurzame goederen
(flatscreen, nieuwe servieskast, opknappen van de
meubels), wat op het Acht Uur
Journaal wordt geduid met de vaststelling dat ’de
kredietcrisis ons
volk inventief maakt’.
Onze taakverdeling is vanaf het begin duidelijk: mijn
vrouw zet de
lijnen uit (figuurlijk, maar ook letterlijk: met de
kwast doet zij de
randjes en de naden) en ik rol overal vrolijk achteraan.
Zelf heb ik
me voorgenomen deze week in goede harmonie te laten
verlopen, dus geen
kwaad woord over de punctualiteit van de fijnschilder
waarmee mijn
wederhelft plafond en muren te lijf gaat. Aangezien ik
pas kan
beginnen als zij de randjes en de naden heeft afgewerkt
(ja, ik weet
het: er zijn echtparen die het andersom doen, maar dit
is nu eenmaal
ons systeem), breng ik ruwweg tweeënhalve dag van mijn
vijf
vakantieklusdagen door met wachten. Negen keer – ik heb
alle tijd om
het te tellen – haalt zij haar kwast over elke tien
centimeter te
verven oppervlak. Dat is: heen, terug, heen, terug, heen,
terug, heen,
terug en heen. Klaar. Volgende tien centimeter.
Toen ik het na anderhalve dag niet meer hield en er,
heel voorzichtig,
een kleine kanttekening bij plaatste, werd ik venijnig
weggezet als
een combinatie van Anton Heijboer en Herman Brood, met
dien verstande
dat niet alles wat ik met de verfroller aanraak
verandert in goud.
Mijn mannelijkheid krijgt in deze klusvakantieweek toch
al een
geduchte knauw door de - ’handyman’ die we hebben
ingehuurd om
allerlei pijnpunten uit tien jaar woonhistorie uit de
weg te ruimen.
Met de achteloosheid van de ware artiest verstopt hij
binnen
anderhalve dag leidingen in het beton, hangt deuren
recht, kit
hardnekkige lekkages waterdicht en voorziet koelkast en
vaatwasser –
die we twee jaar lang met een schroevendraaier hebben
moeten
openwrikken – weer van handvaten. Ik sta erbij en kijk
ernaar, als een
kleuter naar Ronaldo die een balletje hooghoudt. Af en
toe maant mijn
eega mij om m’n mond dicht te doen omdat ik anders
teveel huisstofmijt
verzamel.
Het is een bekend verschijnsel uit de psychologie dat ik
een dag later
– opnieuw gedreven door trots en zelfoverschatting –
mijn echtgenote
meetroon naar de badkamer waar ik – kijken was voor mij
dezer dagen
ook leren – de wisselschakelaar demonstreer die ik
eigenhandig heb
ingebouwd om weer licht boven de spiegel te maken. Een
uur lang heb ik
hem laten proefbranden, maar nu het erop aankomt laat
het klereding
ons in het duister staan. Als ik ongeduldig aan het
halogeenlampje
draai, veroorzaak ik een steekvlam en merk ik aan de
paniekkreten van
nazaten achter computer en X-boxen dat ik ook andere
delen van ons
huis zonder stroom heb gezet.
Nederig loop ik naar de tuin om – op de plek waar andere
’handymen’ in
een vloek en een zucht twee nieuwe ramen hebben
geplaatst – de
buitenboel in de lak te zetten.
Lekker dik, laat dat maar aan mij over. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
24 februari
2009 |
|
| |
|
|
| |
Crisis
De aanpak van de kredietcrisis
verschilt binnen het gezin niet zo gek veel van die van
het kabinet. Een combinatie van bezuinigen op overbodige
uitgaven en investeren in groei. ,,Wat? Honderd euro
voor een uurtje bij de kapper?’’, reageer ik, licht
overspannen, op een eerste potentiële bezuinigingspost
in het uitgavenpatroon van mijn eega. ,,Dat kan voortaan
wel wat minder.’’ De oppositie snelt onmiddellijk naar
de interruptiemicrofoon. ,,We zullen jouw nieuwe
racefiets afbestellen’’, krijg ik terug. ,,Kan ik daar
45 keer mijn haar van laten doen.’’ En dan zegt ze nog
dat onze puberende zoon altijd het laatste woord wil
hebben.
Net als de meeste modale consumenten worden wij nog niet
hevig getroffen door de crisis, waardoor onze hand niet
in een psychologische kramp naar de knip is gegaan. Want
dat is helemaal de dood in de pot voor het bedrijfsleven,
dat toch zijn producten moet blijven afzetten. Maar van
een gelukkige hand van investeren is tot nog toe geen
sprake. Onze nieuwe LCD Kuro 100Hz-tv van Pioneer hangt
nog maar net aan de muur, of Teletekst meldt (in
sprekende kleuren en vlijmscherp, dat dan weer wel) dat
het bedrijf 10.000 van zijn 40.000 werknemers de laan
uitstuurt.
Andere
investeringen komen kennelijk ook op de verkeerde plek
terecht. Bij de Amerikaanse fietsenfabrikant Trek – als
gezin zijn wij wars van protectionisme; onze uitgaven
moeten wereldwijd ten goede komen aan het
ondernemingsklimaat – doen ze er nu al meer dan drie
maanden over om het frame voor mijn nieuwe racefiets af
te leveren: kennelijk draait de productie daar alleen op
volle toeren om de gestolen rijwielen van Lance
Armstrong binnen een dag te vervangen. De stoffeerder
die ons meubilair onderhanden heeft, kampt ook niet met
een te krappe orderportefeuille. Bij ons thuis wordt al
weken elke avond een wrede stoelendans uitgevoerd om met
vier gezinsleden op de drie enige, nog resterende
stoelen terecht te komen. De laconieke achteloosheid
waarmee onze schilder reageert op het annuleren van de
opdracht om ons plafond opnieuw te stukadoren (we halen
de witkwast er nog wel een keertje overheen) doet
evenmin vermoeden dat zijn personeel hiermee direct in
de deeltijd-ww belandt.
Het vermoeden dat er onder consumenten vooral sprake is
van een psychologische crisis, zie ik bevestigd door
bezorgde verhalen van mensen die het geld hebben om
uitgaven te doen maar er voorlopig van afzien of kiezen
voor een goedkopere variant. Het doodgravergezicht van
Balkenende bij de presentatie van de jongste CBS-cijfers
laat ook ons niet onberoerd. Met behulp van mijn eigen
Big Brother – nog heel even www.postbank.nl – verdiep ik
me in het uitgavenpatroon van mijn echtgenote. Niet dat
dat zo exorbitant veel hoger is dan het mijne –
integendeel, zal zij zeggen – maar hier kan ik zo lekker
onbevooroordeeld naar kijken. Alleen als ik bijtijds
word getipt door onze dochter, weet ik dat ze naar de
kapper is geweest. Dus wat ligt er meer voor de hand dan
bezuinigen op iets wat je niet ziet? Ook in de
abonnementen voor glossy tijdschriften en de aanschaf
van kleding c.q. lifestyle-snuisterijen kan structureel
worden gesneden zonder dat de kwaliteit van leven binnen
ons gezin er al te zeer door wordt aangetast.
Bezuinigen is ook een kwestie van timing. Zo had ik
beter niet over mijn pakket van maatregelen kunnen
beginnen op de dag dat de bevestiging van mijn
fietsvakantieweek in de Alpen en de reservering voor
mijn trainingskamp bij mijn rentenierende vriend in
Spanje - Schiphol kan ook wel een steuntje in de rug
gebruiken - op de deurmat ploffen. Mijn sociale partner
briest iets over ongebreideld bezuinigen op andermans
uitgaven en gericht investeren in mijn eigen pleziertjes
en verwerpt mijn crisisaanpak zonder deze zelfs maar in
stemming te brengen.
Haar tegenbod is slikken of stikken. Komend weekeinde
zit ze met haar zus in het duurste hotel van Texel. De
dames hebben mij de verzekering gegeven dat de
plaatselijke middenstand hier tot aan het eind van deze
recessie op kan teren. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
17 februari
2009 |
|
| |
|
|
| |
Bagage
De kilometers van huis naar
school zijn de eerste waarin je je kind volledig los
laat. Van alles kan er gebeuren, in die twintig minuten,
dus als ’s morgens iets na achten een van de nazaten
zich per mobiele telefoon meldt, zijn we op alles
voorbereid. Lekke banden, een afgebroken zadel, een
valpartij met gekneusde ribben, een ritje met de
ambulance, we hebben het allemaal meegemaakt.
Dit keer ligt het ingewikkelder: onze dochter is op onze
zoon gestuit
die ergens op het industrieterrein is aangereden door
een auto,
natuurlijk zijn eigen telefoon niet bij zich had, en
nee, er is niks
met hem, maar zijn fiets wil niet verder en zij moet wél
door want ze
heeft een herkansing PTA (een soort superproefwerk, dat
meetelt voor
het eindexamen) omdat ze voor de eerste maar een
beschamende 7,6 had
(dat moet weer een reguliere 8,9 worden), dus of ik -
die net op het
punt sta om naar mijn werk te gaan - het maar even kan
oplossen. Nou
doei!
De bagage waarmee je je
kroost die paar kilometer naar school laat
afleggen, is altijd ontoereikend. Nee, dan heb ik het
niet over die
rugzak van twaalf kilo die ze op hun rug hebben. Basale
vaardigheden,
daar doel ik op, zoals de wetenschap dat je een band met
een Frans
ventiel niet kunt oppompen met een klassieke fietspomp.
Of kennis van
openbaar
vervoerstromen, het wegenverkeersreglement en wat
eenvoudige, levensreddende EHBO. En toch, elke keer weer
blijkt dat er iets aan die bagage ontbreekt. Juridische
kennis, bijvoorbeeld.
Onze zoon blijkt
aangereden door een hork van een vent – er zat er ook
nog eentje naast, van een jaar of dertig – in zo’n auto
zoals wij die vroeger ook hadden. Een Volvo? Ja, zo’n
rode. Een rode stationcar? Precies. Een rode Volvo 240
Polar Stationcar. Kenteken? Niet
genoteerd, maar hoeveel kerels in een rode Volvo zullen
er vorige week
maandag rond een uur of acht in de ochtend een ventje
van twaalf jaar
op een mountainbike (een blauw/zwarte Trek 3900) hebben
aangereden?
We zijn je op het spoor,
mannetje!
Onze zoon stak de weg
over, in het bedaarde tempo dat zijn gang naar
school zo kenmerkt. Zijn vriendje reed een meter of vijf
achter hem,
dus die kon nog stoppen voor de wagen die met hoge
snelheid de bocht
om kwam, nog wel afremde maar toch tegen het achterwiel
van mijn zoon
tot stilstand kwam. Toen hij op de grond lag, draaide de
hork zijn
raampje open en riep ’Wat doe jij nou!’, gaf weer gas en
reed door.
Van de Consuwijzer is momenteel op tv een verhelderend
reclamefilmpje
te zien waarin een jongetje zijn kapotte speelgoedauto
wil ruilen,
zonder dat hij beschikt over het aankoopbonnetje. Als de
botte
winkeljuf hem voorhoudt dat hij in dat geval naar zijn
garantie kan
fluiten, geeft het ventje op een juristentoontje aan dat
de auto
buiten zijn schuld kapot is gegaan en dat hij derhalve
recht heeft op
reparatie of vervanging. ’Dat recht mag door u niet
worden beperkt of
uitgesloten.’
Dus, houd ik mijn jongste
nazaat voor, had je die hork door zijn open
raampje moeten zeggen dat ’bij een aanrijding tussen een
auto en een
kind jonger dan 14 jaar de autobestuurder volledig
aansprakelijk is
voor de schade van de fietser. Dat is zelfs zo als het
kind rare
dingen doet op de fiets en het ongeval dus overduidelijk
de schuld is
van het kind. Een automobilist moet nu eenmaal rekening
houden met het
feit dat kinderen in het verkeer onverwachte dingen
kunnen doen.’
En als die hork in zijn rode Volvo 240 Polar er dan nog
vandoor was
gegaan, had je hem kunnen naroepen: ’Doorrijden na een
aanrijding is
een misdrijf!’ Dat laatste weet ik niet helemaal zeker,
maar met een
beetje bluf kom je een heel eind in het juridisch
verkeer.
Nu sleepte het slachtoffer zichzelf en zijn fiets –
achterwiel dubbel,
remmen geblokkeerd – naar de kant van de weg. Had hij
dan helemaal
niks tegen die hork gezegd?
Jawel, ’Sorry’.
Ik zei het al: te weinig
bagage voor de gevaarlijke weg van huis naar school. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
10 februari
2009 |
|
| |
|
|
| |
Treintjesman
Als opvoeder heb je ook de
taak je kind in te wijden in het
sociaal-cultureel erfgoed van vorige generaties. Om die
traditionele vader en zoon-dingetjes door te geven,
zeker als daarmee ook nog eens de Europese economie
wordt gestimuleerd. Dus kan ik het niet nalaten mijn
stem te drenken in bitter verwijt als ik aan mijn
jongste nazaat die ene, cruciale vraag stel: ,,Waarom
speel jij eigenlijk nooit met mijn treintjes?''
Alleen om mij te kwetsen zal mijn eega later beweren dat
het zelfs wat
huilerig klonk. Maar ik schaam me niet voor de
ontboezeming dat ik
zelf een Märklin-jongetje was. Al lang voordat ik mijn
eerste startset
kreeg, vergaapte ik me aan de locomotiefjes van mijn
buurjongen Sjakie
Heemskerk, die het als nakomertje in het gezin van een
bloemenhandelaar wat breder had dan ik. Ruimte om een
permanente
modelspoorbaan te bouwen was er niet, in de bescheiden
flat waar mijn
ouders met vier kinderen woonden. Daardoor behielp ik
mij – tussen de
maaltijden door – met de eettafel, wat mij geenszins
beperkte in mijn
creatieve mogelijkheden. Integendeel, zoals iedereen
weet die in zijn
jeugd ontberingen leed: het verruimde ze zelfs.
Mijn
eerste treinstel bestond uit een zwart stoomlocomotiefje
met een
aantal platte karretjes met verticale spijltjes aan de
zijkant, waartussen precies twee luciferstokjes achter
elkaar pasten.
Opgestapeld tussen de spijltjes kon je er op die manier
zelfs een
compleet doosje in kwijt, waardoor ik heel wat
regenachtige zondagmiddagen heb besteed aan het van A
naar B transporteren van de inhoud van pakken Säkerhets
Tändstickor (merk Zwaluw), de befaamde vinding van de
Zweedse chemicus Gustaf Erik Pasch.
Toen ik mijn zoon –
opnieuw licht aangedaan door de romantiek van mijn
eigen verhaal – voor de eerste keer vertelde over de
middagen met
Sjakie en de luciferfabriek, kon ik slechts op één
belangstellende
tegenvraag rekenen: wat is een lucifer? Dat krijg je in
een huis met
elektronische ontstekers, gasbranders en elektrisch
licht. Er groeit
een generatie op die niet meer weet hoe het voelt om een
houten stokje
met een kop van kaliumchloraat over een laagje
schuurpapier met fosfor
door middel van wrijvingswarmte tot ontbranding te
brengen. Mijn
verzameling Märklin-treintjes heb ik op een kwade dag
aan het eind van
mijn puberteit verpatst aan een neef, om me - jaren
later, toen het
weer begon te kriebelen – volledig te richten op
Amerikaanse
treinstellen van uiteenlopende leveranciers,
verkrijgbaar bij de
postordergigant Walthers in Milwaukee. Märklin was mij
te braaf, te
Beiers en te duur, al bleef ik het direct met andere
liefhebbers eens
dat die Duitsers onbetwist de beste spullen maakten. Dat
ze nu op het
randje van een faillissement verkeren, doet pijn aan het
knapenhart
dat nog steeds in mij klopt en ik weet zeker dat Sjakie
Heemskerk er
net zo over denkt.
De ondergang van mijn
eigen treinbaan is deels gelegen in mijn –
destijds zo briljante – ingeving om hem op een tracé van
twee meter
hoogte door mijn werkkamer te laten lopen, waardoor ik
de beschikking
kreeg over vier sporen van zestien meter moeizaam
bereikbare rails,
zeker toen de grond in de loop der jaren in bezit werd
genomen door
Lego-steden, een voetbalspel en een racefiets op de
rollen, waardoor
ik met mijn trapje nergens meer bij kon. Een aanzienlijk
deel van de
stellingkast waarover mijn Santa Fé-locs dienen te razen,
wordt nog
steeds in beslag genomen door nooit geopende bouwdozen
met een
'Cottage Grove School' en een 'River Road Mercantile',
alsmede stapels
'Full Color Background Scenes' die mijn baan van een
authentiek
Westernsfeertje zouden moeten voorzien. In
krantenartikelen over de
teloorgang van Märklin krijgt vooral de jeugd de schuld,
die niet meer
te interesseren is in wat tegenwoordig vooral een hobby
voor kalende,
ouwe kerels is. Maar wij, jongbejaarden met een
goedgevulde
portemonnee, moeten heel wel in staat zijn om de
internationale
treintjesbouwers ook in deze economisch barre tijden met
onze
nostalgische liefhebberij overeind te houden.
Nee, Märklin moet
surseance van betaling aanvragen omdat er achter al
die jongetjes van middelbare leeftijd een vrouw
schuilgaat die vrijwel
dagelijks vraagt wanneer het nu eens is afgelopen met
dit
kinderachtige gedoe.
Of is dat alleen bij mij
thuis zo? |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
3 februari
2009 |
|
| |
|
|
| |
Bermuda Driehoek
De gevallen waarin een
moeder haar bloedeigen kind wat aandoet zijn genoegzaam
bekend. Vandaar dat ik - mits de dienst het toelaat -
preventief een oogje in het zeil houd als onze zoon (12)
thuiskomt van school. In het bijzonder ben ik alert op
tekenen van agressie als hij zijn rugzak op de mat bij
de keukendeur ploft, meteen koers zet naar ijskast c.q.
koektrommel en het antwoord schuldig blijft op
levensvragen als: 'Waar is je muts?', 'Waar zijn je
handschoenen?' en 'Had je vanmorgen ook geen tas met
gymspullen bij je?'.
Vijf
maanden bezoekt hij nu de brugklas van een
onderwijsinstelling in een naburig dorp, maar nog steeds
is het alsof hij dagelijks een retourtje naar de Bermuda
Driehoek neemt. In, naar of vanuit het zwarte gat dat
zijn schoolgebouw heet, slaagt hij erin essentiële
kledingstukken te laten verdwijnen met een gemak dat
Hans Klok tot nadenken moet stemmen. Handschoenen,
sjaals en mutsen kopen we
tegenwoordig bij de groothandel omdat hij er op een
bepaald moment
niet alleen zijn eigen voorraad, maar ook die van zijn
zus en mij
doorheen heeft gedraaid. Naast deze dagelijkse
verdwijningen zijn er
ook de wekelijkse, waartoe minder courante goederen als
gymspullen,
brooddozen en met pennen, passers en geodriehoeken
gevulde etuis
kunnen worden gerekend.
In eerdere belangwekkende artikelen over de psychologie
van het
vergeten, hield ik me nog vast aan de voorbijgaande fase
van
warhoofdigheid die in de prepuberteit geen onbekend
verschijnsel is.
Maar na vijf maanden mogen we spreken van een
structureel probleem dat
ook zijn weerslag heeft op de psyche van andere
gezinsleden die elke
middag de stadia van verbijstering, razernij en
ontgoocheling
doormaken wanneer onze zoon onverstoorbaar de cola in
zijn glas laat
kolken en - als een generaal in een kansloze
loopgravenoorlog - gewag
maakt van de dagelijkse verliezen. Dat hij zonder
handschoenen, muts,
sjaal en gymspullen thuiskomt, is voor hem even
onvermijdelijk als de
grillige spelingen der natuur.
De overeenkomst
van zijn school met de Bermuda Driehoek is ook dat
spullen die hij de ene dag kwijtraakt, de andere dag
nooit meer terug te vinden zijn. Zelfs in de
uitzonderlijke gevallen dat hij zich herinnert wáár hij
bepaalde objecten heeft achtergelaten (aan de kapstok of
in een kleedkamer), blijken die spontaan in rook
opgegaan. Ook vaste verzamelplekken van gevonden
voorwerpen - waar hij met zijn
verblijf de 1040-urennorm in het onderwijs met gemak
haalt - blijken
nooit op te leveren wat hij zoekt. Bij het grootste
verlies op één dag
- een paar basketbalschoenen van 125 euro, een gymshirt
met het
schoollogo en een korte broek - sjouwde mijn echtgenote
persoonlijk
met de conciërge vruchteloos een halve dag door het
complete
onderwijslabyrint (onze zoon zat inmiddels thuis met een
griepje),
waarna zijn gymtas met inhoud (van een model waarmee
robuuste
huisvrouwen in de regel de Dirk van den Broek bezoeken)
pas weken
later opdook onder een kast in het aardrijkskundelokaal.
Maar dat is
een van de weinige successen - nou ja, successen: er
waren inmiddels
al wel weer nieuwe exemplaren van de basketbalschoenen
aangeschaft -
in de vijf maanden die onze eigen versie van 'Vermist'
nu duurt.
Aangezien hij afgelopen week wel thuiskwam met een
rapport dat bol
stond van de achten, negens en tienen, heeft bij mij het
vermoeden
postgevat dat hij zijn hersenen (bewust of onbewust) kan
in- of
uitschakelen. Zoals een topsporter de hele dag kan
luieren om te
pieken bij het vestigen van een wereldrecord op de
honderd meter
sprint, zo houdt hij zijn brein naar schatting twintig
uur per dag in
een soort halfslaap, waarbij er wel eens een
basketbalschoentje of
muts bij inschiet.
Met belangstelling volg ik dan ook de experimenten in de
psychiatrie
om via implantaten onder de schedel en bepaalde
stroomimpulsen op
afstand - bijvoorbeeld als hij zich in de buurt van
kapstokken of
kleedkamers bevindt - gedragsveranderingen te
bewerkstelligen. Maar in
de voorwaarden van de nieuwe, aanvullende Gezinspolis
van CZ kan ik
daarover nog niks vinden.
Tot die tijd zou het fijn zijn als er op ons plekje bij
de achterdeur
constant eerstelijns psychologische zorg beschikbaar is. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
27 januari
2009 |
|
| |
|
|
| |
Badmuts
(3)
Nee, ik denk niet dat alle
Italianen naar salami ruikende
maffiabaasjes zijn. Behoudens de types die ik op het
Journaal
afgevoerd zie worden door de Carabinieri alsmede een
paar honderd vuilnismannen in Napels, beschouw ik ze
over het algemeen als gastvrij en voorkomend, vooral
tegen mijn (blonde) echtgenote.
Ja,
ik had het vorige week op deze plek weliswaar over
corrupte spaghettivreters met de eigenaardige gewoonte
om in hun zwembaden alleen mensen met een badmuts toe te
laten, maar na de bewering in de
eerste zin dat wij ook op reis gaan om 'onze
vooroordelen jegens de mensch in den vreemde weg te
nemen', leek het me wel grappig om daarna
lekker los te gaan met wat je – na een paar borrels en
met een vette knipoog, mag ik hopen - op een verjaardag
van verkeerde types over Italianen te horen krijgt.
Nee, dat is niet het op het verkeerde been zetten van de
lezer. Omdat
de tekst van dit stukje cursief is gedrukt, het op de
doorgaans
luchtige pagina 'Gesprek van de Dag' staat en er aan de
zijkant een
fotootje van een vent met zijn schoenen op een stoel bij
is geplaatst,
mag gevoegelijk worden aangenomen dat het hier niet het
hoofdredactioneel commentaar over de toestand in het
Middellandse
Zee-gebied betreft, maar een column.
Ja, ik vind dat ik in een column de werkelijkheid mag
uitvergroten en
de lezer - maar bovenal mezelf - een spiegel mag
voorhouden. (Op
momenten van zwakte toon ik mij graag van mijn
burgerlijkste kant,
juist op vakantie.)
Nee, wij nemen geen spaghettisaus in een Knorr-zakje mee
als we naar
Italië gaan. (Hooguit als onderdeel van het
overlevingspakket op een
doorgangsadres.)
Ja, ik vind het ook irritant als een colonne
Nederlanders een
buitenlandse camping in bezit neemt, het eigen stuk
grond afbakent en
tot diep in de nacht over de aanbiedingen in de
dichtstbijzijnde Lidl
discussieert terwijl ik de slaap probeer te vatten.
Nee, aan mij heeft u geen last. Als ik niet aan het
racefietsen ben,
lig ik onder mijn luifel in mijn luie stoel te lezen.
Ja, best saai, dat vindt mijn vrouw ook. Zeker als ik
dan geen 'boe'
of 'ba' zeg.
Nee, dat mijn neven zelf badmutsen zijn, hoeft u mij
niet meer te
vertellen. Ook de tegenstrijdigheid in het feit dat ze
de hele dag met
een petje op lopen, maar in het zwembad uitsluitend
blootshoofd willen
zijn, was mij niet ontgaan. Daar heb ik zelfs (meerdere)
alinea's aan
besteed in Badmuts 1 en Badmuts 2.
Ja, ik vind salami ook best wel lekker ruiken.
Nee, een vergelijking tussen Italiaanse campingbrochures
en 'Mein
Kampf' zou ik ook zeer ongepast vinden.
Ja, ik heb goede nota genomen van alle Italiaanse
campingbazen - mij
inmiddels met naam en toenaam bekend, dank u wel - die
een sieraad
zijn voor de kampeersector en ik heb er tevens alle
begrip voor als
zij groepen Nederlanders als hierboven beschreven (eigen
grond
afbakenen, met stemverheffing de Lidl verheerlijken) met
een vage
smoes van hun grondgebied weren.
Nee, de eigenaar van camping Mario is ongetwijfeld geen
vettige,
kleine gluiperd met een druipsnor. Ik ken de man niet
eens (zie de
passage over vooroordelen twee kolommen terug).
Ja, ik vind ook dat mijn neven liever een jaar door
Australië kunnen
gaan trekken, dan nog met hun ouders en oom op vakantie
te gaan. Maar
ja, ik kan ze er niet toe dwingen. Wel zijn er
aanwijzingen dat dit
het laatste jaar is dat ze met ons meegaan.
Nee, het Oostblok trekt ons niet zo, als kampeerland.
Maar ook dit is
ongetwijfeld een vooroordeel.
Ja, er waren genoeg lezers die het badmutsprobleem bij
hun (puberende)
kinderen herkenden en mij waardevolle campingtips gaven.
Dank
daarvoor.
Nee, er komt geen Badmuts 4, dat beloof ik hierbij
plechtig.
Zo, hiermee hoop ik alle vragen en misverstanden over
Badmuts 1 en
Badmuts 2 bij de lezers te hebben beantwoord c.q.
weggenomen. En dan
nog dit:
Ja, we hebben inmiddels een camping gevonden waar de
badmuts niet verplicht is.
Nee, ik ga niet zeggen welke. Kan ik het van de zomer
allemaal nog een
keer uitleggen als u onverhoopt naast me wilt gaan staan. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
20 januari
2009 |
|
| |
|
|
| |
Badmuts (2)
Ofschoon wij ook op reis
gaan om onze vooroordelen jegens de mensch in den
vreemde weg te nemen, bevestigt de eigenaar van camping
Mario onze bangste vermoedens. De onbetrouwbare Italiaan
reageert op telefoontjes, mails noch faxen, waarmee onze
enige hoop op een badmutsloze vakantie in dit maffialand
de grond in wordt geboord.
Wat eraan vooraf ging: we gaan op vakantie naar Italië
en nemen mee:
drie auto's, drie caravans, drie gezinnen met – behalve
onze eigen
twee nazaten – drie neven van 17, 18 en 20 jaar oud. Wat
nemen zij
(altijd schuilgaand onder een Ali B-petje of gebreide
muts) absoluut
niet, nooit, never mee: een badmuts. En vind in die
laars maar eens
een camping met zwemparadijs waarin deze rubberen
reserveschedel niet
verplicht wordt gesteld.
Tachtig tot honderd uur heeft mijn jongste zus inmiddels
besteed aan
haar zoektocht op internet. Wij – het gezin van mijn
andere zus en dat
van mijzelf – doen niks. Bewust niet. Wij wachten, op
het grimmige af,
wat
er in onze mailbak belandt. Uitgesproken is het niet,
maar omdat haar zoons het fanatiekst tegen de badmuts (een
knieval voor hun zelfrespect!) ageren, is het niet aan
ons om deze onverkwikkelijke kwestie op te lossen. Onze
dochter is sowieso geen zwemmer. En onze
zoon gaat desnoods met een roze stola en een koksmuts
het water in, als de reglementen dat voorschrijven. In
zijn blote kont? Ook goed. De andere, wat gematigder
neef, is eveneens bereid zich te schikken, al
was het maar omdat hij zich thuis gedeisd moet houden
sinds hij zich
zonder medeweten van het ouderlijke gezag heeft laten
voorzien van
drie opvallende, Chinese tattoo's op zijn onderarm.
Net voor de fatale datum van de Vakantiebeurs – als de
rest van
Nederland zich ook op internet begeeft om campings af te
struinen –
komt er witte rook uit de computer van mijn zus. Het is
haar gelukt!
Een badmutsloze camping, met lovende recensies op het
internet en een
digitale brochure vol vrolijke zwembadplaatjes waarop
geen badmuts is
waar te nemen. Wat dan wel? Uitsluitend jonge meiden van
een jaar of
16, in strak gesneden bikini's, waarvan mijn neven
vermoeden dat deze
een jaar of twee geleden op de gevoelige plaat zijn
vastgelegd en dat
de dames – want dat zijn het inmiddels – tot de vaste,
geslachtsrijpe
gasten van dit kampeerterrein behoren. Iedereen blij,
derhalve.
Mails en faxen gaan richting Mario, en als die
onbeantwoord blijven,
waagt mijn zwager er ook nog wat telefoontjes aan. Maar
de kleine
gluiperd met die druipsnor – Mario wordt er in onze
beleving niet
mooier op – vermag niet op te nemen.
Mijn jongste zus heeft inmiddels in 'reviews' op
internet gelezen dat
dit de gebruikelijke werkwijze van het mannetje is. Je
kunt mailen,
faxen en bellen tot je een ons weegt, maar als dit
vettige, naar
salami riekende campingbaasje in april de luiken van
zijn
receptiegebouwtje haalt, schuift hij met zijn fatterig
geschoende
voeten de stapels smeekbedes van kampeerders opzij, wist
zijn mailbak
en vergeeft de spaarzame plekken op zijn badmutsloze
paradijs aan zijn
vaste, al net zo onbetrouwbare cliëntèle. Zo gaat dat,
in dit
pizzaland, de 'reviews' zijn daar duidelijk over.
Na nog dertig uur van moedeloos makend surfen vindt mijn
zus nog
enkele kampeerterreinen waarvan de eigenaar geen bezwaar
heeft tegen
een enkele los drijvende hoofdhaar in zijn pierenbadje,
maar in geen
van de gevallen lukt het om daar nog voor drie caravans
– liefst naast
het elkaar, want dan heb je nog wat grondoppervlak op
die toch al niet
ruim bemeten Italiaanse schijtcampings – een plekje te
vinden.
Maar dan is daar, even onverwacht als een
begrotingsoverschot onder
het bewind van Berlusconi, een mail van Mario, onze
Mario, de man die
in commentaren op internet en – ik geef het eerlijk toe
– ook in onze
beleving een klein beetje symbool stond voor die hele
vermaledijde
toeristische sector in deze ten onrechte tot de EU
toegelaten
boevennatie.
Wat schrijft ie, wat schrijft ie, deze moedige strijder
tegen de
badmutsgestapo? Dit vaatje gulle gastvrijheid, deze
heerlijke
zuidelijke charmeur, met zijn prettig losse manier van
zakendoen?
Even wachten, even wachten. Excuses, excuses,
bladiebladiebla, helaas
zijn al onze plekken voor het komende seizoen al
toebedeeld aan onze
vaste...
Zei ik het niet?
Corrupte spaghettivreter! |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
13 januari
2009 |
|
| |
|
|
| |
Badmuts (1)
Zelf kan ik
ook wel wat redenen bedenken om niet naar een bepaald
land op vakantie te gaan: te koud, te nat, te heet, te
kaal, te druk, te saai, te duur, te ver - en dan beperk
ik me nog tot de nadelen met één lettergreep. Maar nu
stuit een kampeervakantie naar Italië op een veto
vanwege een voorwerp dat wat mij betreft nog nooit een
rol in welke afweging dan ook heeft gespeeld: de badmuts.
De schaatskoorts heeft geen vat kunnen krijgen op het
deel van onze
familie dat is belast met de planning van de
zomervakantie. Normaal
weten we in deze tijd van het jaar al maanden waar we
aan toe zijn,
maar door omstandigheden zijn we laat, erg laat. En de
tijd dringt,
want morgen begint in Utrecht de vakantiebeurs en kun je
het helemaal
wel schudden om op willekeurig welke camping dan ook
drie plekjes
naast elkaar te vinden. Want dat is, net als in 2008,
het
uitgangspunt: we laten ons vergezellen door de gezinnen
van mijn twee
zussen. Niet dat die zo gezellig zijn, maar onze
puberende nazaten
hebben het zo leuk met elkaar. Bovendien heeft mijn ene
zwager een
racefiets, en de ander twee rechterhanden, ook nooit
verkeerd om in
den vreemde bij je te hebben.
In
het puberende deel van het reisgezelschap zit ook het
probleem. Alle problemen, mag ik gerust zeggen. Net als
in 2008 staan de 17- en 18-jarigen voor de belangrijkste
beslissing die zij tot nog toe in hun leven hebben
moeten nemen: ga en wil ik nog wel met mijn ouders op
vakantie? Het antwoord op die vraag wordt aanvankelijk
in grote mate
hormonaal gestuurd, waardoor ik me – zoals in alle
belangrijke
opvoedkundige kwesties – zo lang mogelijk van een
oordeel onthoud. Maar uiteindelijk blijkt toch vooral om
praktische redenen de knoop te worden doorgehakt, als
blijkt dat drie geheel verzorgde weken op een topcamping
ergens in Zuid-Europa veel goedkoper zijn dan een weekje
bieren met zeven ongeschoren leeftijdgenoten op
Terschelling of in Salou.
Aangezien ook bij de keuze van de camping de ratio ver
te zoeken is,
houd ik me ook daarbij angstvallig aan de zijlijn. Vanaf
die plek zag
ik in 2007 (in de voorbereiding op de zomer van 2008)
hoe de discussie
zich toespitste op de vraag in welk Frans zwemparadijs
je verplicht
was een zogenaamde 'ballenknijper' te dragen. Dit is een
kleine, strak
om heupen en liezen sluitende zwembroek, waarin je als
gezonde
Hollandse jongen – een categorie waartoe mijn neven zich
om
onduidelijke redenen rekenen – niet gezien wilt worden.
Hun
zwembroeken beginnen net boven de enkels en zijn wijder
dan de
pantalons waarin Volendammer palingvissers zich door
toeristen laten
vereeuwigen. Uiteindelijk vonden we een door een
Nederlandse
organisatie bestierd vakantieoord, waar de 'ballenknijper'
nog niet
als basisvoorwaarde in het campingreglement was
opgenomen.
In modeland Italië – waarheen de reis dit jaar zou
moeten gaan –
blijkt de lange, wijde zwembroek in het campingleven
geen belangrijk
item. De angst voor een verdwaalde schaamhaar in het
gezuiverde
chloorwater is hier veel minder groot dan de aversie
voor schedelroos,
wortelschimmel, Seborrosch eczeem (ja, die moest ik ook
opzoeken, maar
het bestaat) en andere aandoeningen op en rond de
hoofdhuid.
Derhalve is in elk zichzelf respecterend zwembad een
badmuts
verplicht, zo bleek na een internetrondgang van mijn
zussen langs zo'n
tachtig tot honderd meersterrencampings. Bij pogingen de
neven alsnog
te overreden tot het bedekken van de weerbarstige
haardos, viel bij
hen afgelopen zondag tijdens een familiebijeenkomst
veelvuldig het
woord 'zelfrespect', als voornaamste argument om in dit
leven
badmutsloos te blijven. Ook mijn suggestie dat veel
campingbazen er
geen problemen mee hebben als dit artikel wordt
vervangen door een
bandana (ik draag er zelf in de zomer eentje onder mijn
wielerhelm,
wat mij dus wel het toppunt van stoer leek) vermocht hen
niet over de
streep te trekken.
De grootste tegenstander van de haarbedekking in het
zwembad – die
voor zijn wekelijkse bezoek aan oma dit keer zijn
lichtbruine,
gebreide meidenmutsje (met klep) had vervangen door een
koket hoog Ali
B.-petje dat achterstevoren op zijn hoofd stond –
schudde nog maar
eens gedecideerd het hoofd.
Nee hoor mensen, uit zelfrespect zit Italië er dit jaar
waarschijnlijk niet in. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
6 januari
2009 |
|
| |
|
|
| |
Cultuurrrrrrrrrrr!
In de multimedia darkroom waartoe
voorheen mijn werkkamer is verworden, hangen mijn
nazaten op hun rug op twee bureaustoelen als een
waanzinnige op de consoles van hun Xbox 360 te tikken.
Op het beeldscherm voor hen wordt een gerechtvaardigde
oorlog uitgevochten. Ik knip het zolderlicht aan, trek
het verduisteringsgordijn van het Veluxraam omhoog, druk
het televisietoestel uit en roep, met de monterheid van
de hopman: ’Kom op, we gaan schaatsen!’
De uitdrukking is van een
excentrieke oom, die hem gebruikt bij alle vormen van
barbarisme die op zijn levenspad komen. ,, Ze hebben
geen cultuur!’’, waarbij hij de ’r’ vervaarlijk over
zijn tong laat rollen. Zo beklaag ik me minuten later
bij mijn eega als ik op de bovenste verdieping van ons
huis ben weggehoond door twee passief kerstvakantie
vierende pubers. ,,Ze hebben geen cultuurrrrrrrrrr!’’
Schaatscultuur, bedoel ik.
Van mijn dochter bestaan
foto’s hoe ze op het bevroren water van de Oude Rijn in
de buurt van mijn ouderlijk huis achter een stoel
schuifelde, bijgestaan door mijn vader zaliger die zich
bij alle tijdrovende buitenklusjes
met
ons kroost (fietsen en schaatsen leren) graag liet
inschakelen. Dankzij haar skeelerervaring kreeg ze de
slag destijds – we hebben het over 1997 - redelijk snel
te pakken, maar dat bleek geen basis om tien ijsloze
jaren te overbruggen. Onze zoon is in datzelfde jaar
geboren en kan slechts terugzien op de schaatservaring
die hij luttele weken geleden opdeed tijdens een
sportdag van zijn school, waar hij op gehuurd materiaal
(Ik: ’Wat voor schaatsen waren het?’ Hij: ’Blauwe.’ Ik:
’Hij heeft geen cultuurrrrrrrr!’) aan de boarding van
een kunstschaatsbaan in een oude veilinghal heeft
gehangen. Skeeleren kon hij ook nooit.
Mijn eigen schaatsbloed
begint alleen sneller te stromen van natuurijs. Niet van
het uitgetrapte ijs van de opgespoten landijsbaan, waar
krukkende kleuters en verliefde stelletjes een paar
genoeglijke uren beleven. Nee, het inktzwarte ijs van
plassen, vaarten en poldersloten, langs monumentale
molenviergangen, stilgelegde maalderijen en boerenhoeves
die normaal alleen met wrakke pontjes bereikbaar zijn.
Het ijs dat in authentieke gehuchten waar een
Randstedeling normaal niks te zoeken heeft, eenvoudige
kraampjes torst waar mollige deernen met rode konen hun
goedgevulde snert en warme chocolademelk serveren. Het
ijs dat om de tien kilometer meter wordt onderbroken
door een te lage brug, waar meerkoeten, eenden en ander
waterspul een laatste toevlucht hebben gezocht in een
wak en waar je over vloerkleden, rubber matten en houten
vlonders een provinciale weg moet oversteken. Over dat
ijs heb ik het, waar naar mest en biest ruikende kerels
in wrakke houten huisjes een stempel zetten op je
beduimelde kaart, bij de finish goed voor een medaille
die – na een trotse rondgang langs familieleden – ergens
in een lade verdwijnt, twee verhuizingen meemaakt en dan
stiekem door je eega wordt weggegooid.
’Ze heeft geen
cultuurrrrrrrrr!’
Op dat ijs wacht ik nu al
anderhalve week. Op het Journaal heb ik wel beelden
gezien van bont uitgedoste schaatsers met het slijm in
hun vlassige baardjes die op vennenpoeltjes of de randen
van het Veluwemeer een paar honderd meter recht vooruit
konden schaatsen. Maar het wachten is op een tocht van
minimaal vijftig kilometer, waarop halverwege de gaten
in je onwennige enkels slijten en je na afloop, op een
houten steiger bij een uitspanning, het bloed uit je
noren laat lopen.
Mijn twee maten te kleine
Vikings – ooit persoonlijk aangemeten door een
medewerker van Jan van der Hoorn (Elfstedentochtwinnaar
uit 1956) in Ter Aar – zijn achter het luik van onze
multimedia zolder gevist en bij de lokale fietsenmaker
(en sponsor van ’Voorwaarts’, zoals ijsclubs horen te
heten) in de juiste ronding is geslepen. Nadat mijn
echtgenote er twee keer bijna haar benen over brak, zijn
ze verhuisd van de mat bij de achterdeur naar de
kofferbak van mijn auto.
Zodra dat gejojo met die
temperaturen over is en we nog een paar dagen stevige
vorst krijgen, hoef ik alleen maar achter het stuur te
springen, op weg naar Nergenshuizen, Vergetenoord of
Uierontstekingerbrug, waar ik mijn stempelkaart in
ontvangst neem van een onverstaanbaar mompelend boertje
achter een tafeltje met een Perzisch tapijtje, een
glaasje jonge jenever en een asbak vol vochtige
sigarenstompjes.
Cultuur mensen,
schaatscultuurrrrrrrrrr! |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
|
|
|
|
Naar de columns uit 2008 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| |

 |
|
|
|
|