| |
|
| |
Columns
|
Deze site
loopt - bij het plaatsen van de actuele column,
tenminste - altijd minimaal een week achter bij het
gedrukte woord. En zo hoort het ook. Kranten hebben het
toch al niet makkelijk. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
30
december 2008 |
|
| |
|
|
| |
Bungelen
Teveel zelfgenoegzaamheid (Reinout Oerlemans) is niet
goed, maar ook ik word soms overvallen door momenten van
intense vredenheid. ,,Het is nu kwart over acht en alle
buitenlichten zijn uit'', meld ik mijn eega in de vroege
ochtenduren na een controlerondje van de voordeur naar
het schuurtje. Sinds eind september werk ik eraan om alle
schakelklokken zover te krijgen dat ze de lampen op de
wintertijd laten branden. Net voor het einde van 2008 is
het me gelukt.
Onderschat nooit kleine ergernissen.
Relaties zijn erop stukgelopen. Moorden door gepleegd.
Wereldoorlogen uit ontstaan. Niet dat ik de afgelopen
drie maanden constant met mijn schakelklokken in de weer
ben geweest. Zoals gewoonlijk trokken onkunde en
lamlendigheid eendrachtig met elkaar op. Het leven ging
door, met al zijn ups en downs. Maar onbewust vrat het
aan me, elke keer als ik op de gekste tijden mijn
buitenlampen aan en uit zag floepen of, zoals bij het
licht naast de voordeur het geval was, drie maanden dag
en nacht hardnekkig zag branden. Om het maar niet te
hebben over de gelaatsuitdrukkingen van mijn gezinsleden,
die ik alle gradaties tussen laatdunkend en minachtend
heb zien aannemen. ,,Gelukkig zit er wel een spaarlamp
in’’, probeerde ik, in de donkerste uren der benauwdheid,
toch altijd de zonzijde te blijven zien.
Om het gemakkelijk te maken, beschikken
wij in huis over niet minder dan drie verschillende
typen schakelklokken, elk met hun eigenaardigheden. De
ene is elektrisch, kan gebruikmaken van dertig
verschillende programma’s en beschikt over een display
dat zo uit het controlepaneel van een snelle
kweekreactor lijkt geschroefd. Maar omdat de
gebruiksaanwijzing destijds tegelijk met de verpakking
is verdwenen, heb ik geen idee hoe dit aan te sturen. Na
elk wanhopig probeersel moet ik een etmaal wachten, om
het resultaat te zien. Ja, ook dat vreet tijd. De andere
klok is voorzien van een cirkel van gele pinnetjes, die
je met tientallen tegelijk moet induwen of uittrekken –
ik heb echt geen idee - om de lamp te laten in- of
uitschakelen.
De derde is er een klassieke klok
met rode en groene pinnetjes, die in een binnen- en een
buitenrand kunnen worden geplaatst (waarom niet gewoon
één rand?). Vanaf het moment dat ik ze heb verwijderd en
aangepast, leiden alle drie de schakelklokken hun eigen
leven. Pinnetjes zitten verkeerd, mechanismen lopen
vast, schakelprogramma’s worden in verkeerde modules
veranderd, kortom, heel het radarwerk komt knarsend tot
stilstand.
De weigerende schakelklokken zijn het
symbool van mijn onmacht om dit huishouden gesmeerd te
laten lopen. Al een half jaar zitten we met een
vaatwasser waarvan het handvat is afgebroken. Een
reservehandvat is inmiddels binnen, maar de vaatwasser
is het enige kastje in de keuken waar je niet bij de
schroeven kunt om hem te vervangen. Er zit een paneel
voor, dat zich door mij niet laat verwijderen. O nee,
niet het enige kastje. Bij de koelkast is dit ook het
geval en daarvan brak het handvat afgelopen week in
tweeën. Verder klemt de poortdeur, knipperen en brommen
de lampen boven
de
eettafel door een onwillige dimmer, lekt de douchecabine
door gebarsten voegen en moeten in de woonkamer het
plafond hoognodig worden gewit, de muren gesausd en de
deuren geverfd. Handige mannetjes van wie ik via-via
06-nummers heb gekregen, laten me bungelen, offertes
voor het binnenschilderwerk laten maanden op zich
wachten.
Maar mijn inmiddels werkende
schakelklokken (de oplossing bleek – na maanden - het
weggooien van het apparaat met de gele pinnetjes en het
omwisselen van de schakelaars van het lampje naast de
voordeur en de schuurdeur; vraag me niet waarom, maar
opeens werkt het weer) zijn ook een nieuw begin. Ik kan
het verschil maken, ook al duurt het een paar maanden.
Heel langzaam dringt dit nu ook tot mijn gezin door.
Mijn eega put kracht uit het voorbeeld van een zus en
zwager, die een zondagse koffievisite bij mijn moeder
overslaan omdat ze ’even alle muren in hun woonkamer van
een ander kleurtje voorzien’. De schilder is gevraagd
zijn uitblijvende offerte maar te stoppen op een plek
waar de zon niet schijnt, de handige mannetjes laat ik
bungelen totdat ze zich als gevolg van de kredietcrisis
met hangende pootjes bij mij melden. Als er dan nog wat
te reparen valt, tenminste. Want voel ik me sterk. Ik ga
plafonds witten, muren sauzen en deuren verven.
2009 wordt mijn jaar. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
23 december
2008 |
|
| |
|
|
| |
Verslaafd
Een uitroep van afgrijzen
had ik verwacht, gevolgd door een felle veroordeling.
Maar het is even stil als ik het bericht heb
voorgelezen. Mijn zoon (12) denkt na, zoekt nadrukkelijk
naar de
nuance en reageert dan beangstigend rationeel. ,,Tsja,
ik zou
natuurlijk ook hartstikke kwaad zijn. Maar dit is een
beetje
overdreven.'' Op internet staat dat de 17-jarige Daniel
Petric in
Brighton Township, Amerika, zijn beide ouders heeft
neergeschoten omdat hij van hen niet langer Halo 3 mocht
spelen.
Halo 3 is het favoriete computerspel van onze jongste
nazaat. Sinds
sinterklaas speelt hij het op de Xbox 360, daarvoor
behielp hij zich
met een duistere versie die – na veel moeite mijnerzijds
– ook op de
pc
aan de praat te krijgen was. Als je het in je eentje
hebt
uitgespeeld, kun je Halo 3 daarna met vrienden – of
verkeerde neven op
een sombere zondagmiddag – nog een keertje overdoen. Of
je zoekt via Xbox Live – de virtuele spelwereld van
Microsoft op internet – eindeloos naar online kameraden.
Via de headset kun je zelfs met ze communiceren.
Socialer kan bijna niet.
Daniels moeder komt bij de schietpartij om het leven, de
vader raakt
zwaargewond. De jongen staat terecht voor moord en
poging tot moord.
Omdat hij minderjarig is, wordt er geen levenslange
gevangenisstraf
tegen hem geëist.
Voor ouders is het belangrijk dat ze weten waar hun
koters mee bezig
zijn. Om die reden neem ik zelf ook wel eens voor het
scherm plaats,
met de spelconsole in mijn hand. Maar voordat ik heb
ontdekt hoe ik
met mijn mannetje naar voren of opzij moet, lig ik
meestal al
uitgeschakeld op de grond. Of sta ik minutenlang in een
doodlopend
steegje met mijn kop tegen een muur te beuken, voordat
ik de pijp aan
Maarten geef. Heimelijk bewonder ik mijn kroost om het
gemak waarmee
ze hun vingers over de buttons en joysticks laten dansen
alsof ze aan
het blindtypen zijn. Neurochirurgen die vroeger veel op
de computer
speelden, schijnen in moderne operatiekamers veel beter
met de
apparatuur overweg te kunnen dan collega's die alleen
maar met hun
neus in de boeken zaten, houd ik mijn echtgenote tijdens
bezorgde
vader-en-moedergesprekken altijd voor.
Daniel mocht het gewelddadige Halo 3 van zijn
strenggelovige ouders
niet kopen, laat staan spelen. Als hij bij het gamen
wordt betrapt
door zijn vader, pakt deze het spel af. Daniel pikt dat
niet en haalt
het spel uit de kluis van zijn ouders, waar hij ook een
pistool vindt.
Zijn ouders zitten op dat moment nietsvermoedend in de
huiskamer
televisie te kijken.
Van elke tien gamers schijnt er al eentje gameverslaafd
te zijn. Ze
eten, slapen en drinken te weinig, verwaarlozen hun
school of werk en
hebben weinig sociale contacten. Allemaal symptomen die
onze zoon bij
zichzelf niet herkent. De vrije tijd die hij niet
besteedt aan de
Nintendo DS, de computer of de Xbox, brengt hij lezend
door. (Hij
doelt op de 30 minuten die hij voor het slapen gaan in
zijn bed
verplicht een boek in zijn handen houdt). En was hij
vanmiddag nog
niet op de fiets naar zijn neven geweest? (Halo 3 en
zijn eigen
console – plus een extra batterypack, want je weet maar
nooit – zaten
onder zijn snelbinders).
Daniel sluipt van achteren naar zijn vader en moeder en
vraagt hen of
ze hun ogen kunnen sluiten. 'Ik heb een verrassing voor
jullie.' Hij
schiet zijn moeder in het hoofd, de armen en haar borst.
Zijn vader
valt met een ernstige hoofdwond op de grond.
Als een meesterzet beschouw ik het om de nieuwe Xbox 360
aan te
sluiten op voorheen mijn werkkamer, die niet alleen door
mijn nazaten
maar ook door mijn eega tot bezet gebied is verklaard.
Haar eigen
computer staat direct naast het beeldscherm waarop de
robots van Halo
3 elkaar virtueel naar het leven staan. Hoe drukker zij
het voor haar
werk heeft, hoe minder er kan worden gegamed. Verbieden
doe je als
ouders niet graag, daar komen maar ongelukken van. Veel
beter is het
te reguleren. En dan, maar dat geldt voor de hele
opvoeding, maar zien
wat ervan komt.
Daniel stopt het wapen in de handen van zijn
zwaargewonde vader en
vlucht het huis uit. Hij wordt later aangehouden in een
busje. Halo 3
ligt nog naast hem.
Om te kijken of ik het niet allemaal uit mijn duim zuig,
komt onze
zoon achter me staan om op het beeldscherm van mijn
computer mee te
lezen. Om de eerste de beste reactie die onder het
bericht is geplakt,
schiet hij – tegen wil en dank, mag ik hopen – in de
lach.
'Game over'. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
16 december
2008 |
|
| |
|
|
| |
Jezin
Bij het Leger des Heils, de
daklozenopvang of het filiaal voor mensen met een
beperking bij ons op de hoek, ben je ook verzekerd van
spektakel. Maar als het gaat om bizarre kerstvieringen
heb ik op de school van mijn jongste nazaat deze keer
evenmin reden tot klagen. In lokaal 3 lezen leerlingen,
in groepjes van twee en tegen betaling van 50 eurocent
of meer - de opbrengst gaat naar Unicef - hun eigen,
moderne versie van het geboorteverhaal voor. Zo vind ik
Jozef en Maria opeens terug in Amsterdam, waar ze in de
garage van een hotel een
dochter (!) krijgen, die wordt nedergelegd in de
achterbak van een Suzuki Alto. Voor de naam van de
kleine zou ik zelf geëxperimenteerd hebben met Zus,
Zusje of Je Zus, maar hun 'Jezin' vind ik ook een mooie
vondst.
Aan twee dagen van vrede op aard' gaat zoals gewoonlijk
weer een
kerstoffensief vooraf, waarin de aanschaf en het
optuigen van de boom,
de voor ons interieur noodlottige uitkomst van een
workshop
kerststukjes maken (een lovenswaardig initiatief van de
personeelsvereniging van mijn eega) en verscheidene
vroege schoolse
vieringen de jaarlijkse kerststress binnen ons gezin tot
grote hoogte
stuwen. Tussendoor wordt, met het vleesmes op tafel,
onderhandeld over
de partijen die op eerste en tweede kerstdag met elkaar
om tafel
kunnen, zonder dat de broze wapenstilstand wordt
verstoord door
familietwisten. En dan hebben we het over de menu's en
wie wat maakt,
nog niet eens gehad.
In
deze hectiek vind ik iets van de rust van de herders te
velde in lokaal 3, waar mijn zoon op een regenachtige
dinsdagmiddag pas om
18.50 uur meedraait in de carrousel van moderne
kerstverhalen. Het
avondmaal laat derhalve nog even op zich wachten,
waardoor ik mij uitbundig tegoed doe aan vruchtencake,
kleine tulbandjes (twee voor een eveneens billijke 50
eurocent) en andere dikmakers waarvan de opbrengst via
mijn maag rechtstreeks naar de hongerende
Unicef-kindertjes gaat.
In de rest van de school wordt op meer aardse manieren (een
high tea,
een grand-café) geld ingezameld voor het project 'Schoon
water', maar
in lokaal 3 komen we echt tot de kern van het
kerstverhaal dat – de
klassenmentor onderstreept het nog maar eens – aan een
aantal
kenmerken moet voldoen: het speelt tijdens kerstfeest,
bevat
sfeerelementen (een laagje sneeuw is nooit weg), er is
sprake van
ontberingen maar bovenal, het eindigt met een happy end.
Tal van grote
schrijvers wisten in het verleden wel raad met deze
thematiek, maar de
leerlingen van brugklas 1c blijven dicht bij de Jozef en
Maria-variant. Wel zijn de omgeving (in veel gevallen
hun eigen
leefwereld) en de ontberingen aangepast: deze laatste
variëren van een
rit in de eigentijdse ezel (de Suzuki Alto) tot ordinair
straatgeweld,
waarbij de hoogzwangere Maria niet wordt ontzien. Bij de
hoogwaardigheidsbekleders die het kindeke eer komen
bewijzen, duikt
opeens Jan Peter Balkende op met een blije doos
Zwitsal-spulletjes.
Rovers die aan het begin van het verhaal Jozef en Maria
nog met een
knuppel naar het leven stonden, scharen zich eveneens
rond de kribbe
(happy end), zonder dat we te weten komen welk succesvol
reïntegratieprogramma hieraan ten grondslag heeft
gelegen. Maar ook
dat is een essentieel element uit de kerstvertelling:
niet alles laat
zich met Hollandse nuchterheid verklaren.
Het verhaal dat mijn zoon met klasgenoot Paul afsteekt,
speelt zich
enige tijd na de geboorte van het kindeke af. Jezus is –
met zijn
twaalf vrienden – plotseling als medeleerling op hun
eigen school
beland, waar hij vanwege zijn Joodse afkomst en
sluimerende
antisemitische gevoelens een moeilijke tijd doormaakt.
Na te zijn
verraden door Judas wordt hij van de onderwijsinstelling
gezonden en
emigreert – per privé-jet, wordt er nadrukkelijk maar
weinig ter zake
doend bij vermeld - naar Israël, waar hij zich bekeert
tot zijn eigen
geloof.
Dat vond ik – met de christelijke hoogtijdagen in het
verschiet – als
happy end minstens zo goed gevonden als 'Jezin'. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
9 december
2008 |
|
| |
|
|
| |
Later
Er was eens een boswachter
die zichzelf steeds vaker terugvond achter een bureau.
Om paaltjes en prikkeldraad te bestellen, een onwillige
ploeg bosarbeiders aan te sturen of om voor zijn baas
het zoveelste Beheerplan op te stellen. Maar niemand in
het hele land die dat horen wilde. Boswachter was een
romantisch vak. Eén zijn met de natuur. Konijnen en
buizerds tellen. Bambi redden, voor de loop van het
jagersgeweer. Dus de weinige keren dat hij er nog in
zijn groene pak op uit kon, stak hij een paar strikken,
wat fazantenveren en een uilenbal in zijn uniformzak, om
in elk geval voor een willekeurige passant of van de
natuur bezeten jongetje de schijn van de buitenmens op
te houden.
In zijn binnenste schurkte en schuurde het verlangen om
volledig vrij
te zijn. Om los te komen van vergaderingen met
gemeentebestuurders die
rondwegen door zijn duingebied planden, het afgeven van
vergunningen,
het bestellen van printerpapier en benzine voor de
motormaaiers. Met
zijn vriendin – kinderen waren er niet, in de
boswachterswoning, dus
dat was wel zo gemakkelijk - besloot hij die totale
vrijheid te kopen.
En hoe doe je dat, in het Nederland van de midden jaren
tachtig? Met
koopsompolissen, want die waren toen nog aftrekbaar van
de belasting.
Zestien jaar lang belegden ze het maximale bedrag,
kochten voordelig
een mooi huis in Spanje en stopten enkele jaren later –
hij was 43,
zij 42 – met werken.
En
ze leefden nog lang en gelukkig. Beetje rommelen in de
tuin van 5000 vierkante meter, veel buiten de deur eten,
in het zonnetje zitten, af en toe bij iemand anders het
gras maaien of de bomen snoeien, op Valenciaanse les,
lekker racefietsen met de club van Xaló
of Pedreguer en geregeld een leuke, bevriende journalist
uit Nederland ontvangen, die ook graag mee fietste, at
en dronk, en er dan voor de krant een columnpje over
schreef.
Totdat, op een kwade dag,
een filmploeg van Aegon langs kwam. Voor de
documentaire 'Later', waarin de verzekeringsmaatschappij
die de
afgelopen weken miljarden zag verdwijnen in het
afvoerputje van de
kredietcrisis, ons probeert te bewegen na te denken over
ons pensioen.
Met twaalf uur beeldmateriaal waarin bovenstaand
sprookje behoorlijk
evenwichtig voor het voetlicht werd gebracht, vertrokken
de filmers
weer naar huis, om zich anderhalve maand later te melden
met het
verzoek of er ook een reclamefilmpje van mocht worden
uitgezonden.
Dus kan het gebeuren dat
u mijn rentenierende vrienden - vanavond,
morgenavond of overmorgenavond, op Nederland 1, 2, 3,
RTL 4, 5, 6, 7
en 8, Discovery Channel en National Geographic – in
beeld ziet komen
voor hun mooie huis in Spanje, waarna zich de volgende
dialoog
ontrolt:
Zij: ,,Het doel was:
stoppen met werken.''
Hij: ,,Ja.''
Zij: ,,We hebben..., zestien jaar gespaard?''
Hij: ,,Ja. Zodoende zijn we hier terecht gekomen. Maar
het had ook
ergens anders kunnen zijn, natuurlijk.''
Zij: ,,We hadden ons doel bereikt. En dan heb je niet zo
gauw een
nieuw doel. En dan denk je van: uh ja uh, wat gaan we nu
doen?''
Hij: ,,Ja, want het doel was ophouden met werken. Nou ja,
dan gaan we
reizen (...). Daar hebben we verder niet over nagedacht,
van wat we
zouden gaan doen. Dan ben je bezig met het doel stoppen
met werken en
dat was veel belangrijker dan wat daarna kwam.''
Zij: ,,Op een gegeven moment heb je het huis geverfd en
de tuin
aangelegd en dan... Ja, dan zit je.''
Ja, dan zit je. Het
filmpje sluit inderdaad af met een shot van mijn
rentenierende vriend die, op een stoeltje aan de rand
van de tuin,
starend over de bergen, doelloos steentjes naar de poes
gooit. We zien
hem op de rug, maar zijn blik moet op oneindig staan.
Daarna komen de letters: 'Eerlijk over later' in beeld,
gevolgd door:
Kijk op Aegon.nl.
Ik zat er een tijdje net
zo uitzichtloos naar te staren. Met strikken,
fazantenveren en uilenballen wist de boswachter ons
destijds nog voor
de gek te houden. Maar Aegon zet hem nu voor het hele
Nederlandse volk
genadeloos neer als iemand die zich na zijn 43ste de
hele dag het
leplazerus verveelt.
'Eerlijk over later'
berooft ons van het sprookje van de rentenier. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
2 december
2008 |
|
| |
|
|
| |
Mannetjes
Vier andere
auto's met basketbalouders en -spelers staan voor het
verkeerslicht, als ik er rechts langs stuur, nonchalant
mijn
wijsvinger opsteek en de oprit naar de A4 oprijd die ons
via de A12 naar Gouda voert voor een wedstrijd tegen
Springers. De rest wil via de N11 en gaat er – het zit
allemaal opgesloten in mijn opgestoken wijsvinger – veel
langer over doen dan wij. Daar blijf ik heilig van
overtuigd totdat – al na een paar kilometer – de coach
op de passagiersstoel naast mij wijst op de matrixborden
die – nog onleesbaar - verontrustende mededelingen
lijken te knipperen.
De spelers rennen rondjes op de parkeerplaats voor onze
eigen
sporthal, waar we op zaterdagmiddag verzamelen voor de
uitwedstrijden.
Wij – rijouders – hebben zo onze eigen voorbereiding. We
wisselen de
snelste routes uit, postcodes om in te voeren in TomToms
en een
conservatieve enkeling haalt een uitgeprinte
routebeschrijving van de
site van de tegenstander uit zijn zak. In de analyse van
een relatieve
buitenstaander heet dit pikzwaaierij van middelbare
mannetjes, met
maar één, onuitgesproken doel: wie is er als eerste? Ja,
mijn vrouw is
wel vaker scherp in haar oordeel.
Thuis was ik er nog niet aan toegekomen, maar het heeft
ook wel wat om
nonchalant mijn allround GPSmap 60Cx – 'hij doet het in
de auto, op de
fiets,
bij wandelingen en op trektochten in het hooggebergte' -
uit mijn binnenzak te halen om – drie vaders kijken
belangstellend mee –
het adres van sporthal De Windwijzer in te voeren. De
eerste kilometers stuurt het apparaat mij nog keurig
achter de rest van het
gezelschap aan, maar bij nadering van de grote
knooppunten scheiden
onze wegen zich. De tijd dat ik domweg achter mijn
voorgangers naar
wedstrijden reed, is voorbij. Weg met die grapjassen die
je proberen
af te schudden door nog net een oranje lichtje mee te
pakken of
plotseling van baan te veranderen.
Bovendien, mijn GPSmap 60Cx en ik begrijpen elkaar. Ik
weet wat hij
wil en zie dat het goed is. De rest komt via de N11 veel
te hoog uit
op de A12 en moet dan weer naar beneden rijden om bij
Gouda te komen.
Wat wij doen is efficiënter en sneller, tenminste als -
wat knippert
daar nou toch boven de weg? – Rijkswaterstaat geen roet
in het eten
gooit. 'A12 na Zoetermeer afgesloten', leest de coach
naast mij, zodra
de lichtpuntjes zich tot lettertjes hebben gevormd. Een
pijnlijke
stilte volgt, waarna wij de alternatieven doornemen.
Doorrijden tot
Zoetermeer en dan binnendoor – mijn GPSmap60Cx zal ons
leiden – of –
maar dat is bij verkeerd rijden eigenlijk nooit een
optie – de eerste
afslag keren en alsnog via de N11 gaan. Ik hoor het
homerisch gelach
van die andere mannetjes – die ik nooit meer zal kunnen
inhalen – al.
Dat nooit.
Bij Zoetermeer – als de vier rijbanen worden
teruggebracht tot één die
ons kort daarna van de snelweg voert – rijden we
richting Pijnacker
('Volg de gele borden met U voor Utrecht') waarbij we
diep het Groene
Hart worden ingezogen, over vers geasfalteerde wegen
door uitgestrekte
weilanden en hier en daar een Vinex-wijk, terwijl mijn
GPSmap 60Cx mij
wanhopig probeert te verleiden tot U-bochten en een
terugkeer naar de
afgesloten A12. Uiteindelijk komen we – het is inmiddels
14.45 uur, de
wedstrijd in Gouda begint over 30 minuten – met nog
enkele duizenden
anderen aan in Rotterdam, waar het verkeer in een
ingewikkeld
rotondestelstel akelig vaststaat bij pogingen om de A20
op te komen.
Tien minuten van asociaal voordringen later rijden we
eindelijk
richting Gouda, met 120 waar de borden boven de weg tot
80 blijven
manen. De coach frommelt nerveus in zijn map met
spelerskaarten,
probeert een opstelling te maken met dat deel van het
team dat met die
andere mannetjes al wel in de zaal is, en blijft om de
tien seconden
op zijn horloge kijken. In de verte knipperen boven de
snelweg alweer
borden met 50, die erop wijzen dat ook hier – vijftien
kilometer voor
Gouda – het verkeer begint vast te lopen. Inmiddels in
blinde paniek
nemen we de eerste afslag, maar omdat de borden en ook
de GPSmap 60Cx ons hier niet veel wijzer maken, draaien
we met gierende banden een
rotonderondje en sturen weer de A20 op, waar het verkeer
een beetje op
gang begint te komen. 'Je rijdt 140, pap', zegt een
wijsneus achterin,
met ogen die van de knipperende 80 boven de weg naar
mijn
snelheidsmeter gaan.
Maar alleen daardoor rijden we om 15.10 uur voor bij de
sporthal, waar
de rest van de rijouders al drie kwartier achter de
koffie zit.
De jongetjes winnen nipt met 62-65. De mannetjes vieren
– een
wedstrijd lang – mijn verpletterende nederlaag.
Wat u zegt, kinderachtig gedoe. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
25 november
2008 |
|
| |
|
|
| |
Kredietcrisis
De Donald Duck is houdbaar
tot in het studentenhuis, maar het vrolijk weekblad moet
het bij ons aan de ontbijttafel afleggen tegen het
ochtendblad. Het zijn barre tijden voor de krant, maar
een nieuwe generatie lezers dient zich aan. Onze zoon is
gebiologeerd door het ritme van krantenkoppen en mag ze
– tussen twee riante scheppen cocopops door – graag
citeren. Zijn favoriet van de afgelopen week luidt: Sint
gul ondanks kredietcrisis.
Nu de romantiek van het schoenzetten en het zingen bij
de
designradiator heeft afgedaan, dreigt van het
sinterklaasfeest alleen
de hebzucht te resteren. Zo'n krantenkop, doceer ik
ongevraagd, geeft
aan dat de goedheiligman niks heeft geleerd van de
graaicultuur die de
maatschappij in deze financiële malaise heeft gestort.
Maar biedt
tegelijkertijd ook hoop. De enige uitweg uit de crisis
is tenslotte de
noodzaak dat geld blijft rollen.
Sint gul ondanks kredietcrisis. Het klinkt als een nieuw
mantra uit
zijn mond als ik zuinigjes de verwachtingen voor het
komende feest
probeer te temperen. De tijd dat er vanaf eind augustus
naast zijn
stoel aan de eettafel indrukwekkende stapels
foldermateriaal van
Intertoys, Bart Smit en aanverwante neringdoenden liggen
opgestapeld,
is voorbij. Sint is voor hem de tombola van kleine
cadeautjes
gepasseerd: hij richt zijn pijlen op één, allesomvattend
geschenk en
laat de rest – bij de viering met de voltallige
schoonfamilie is,
crisis of niet, een maximum van vijf cadeautjes per
nazaat afgesproken
– aan de beleefdheid van ouders en opvoeders over.
Na een uitgebreide weging van artikelen in vakbladen en
het
consulteren van deskundigen in de kring van vriendjes en
klasgenoten,
is hij eruit. Uit het brede aanbod van spelcomputers wil
hij een
Xbox360.
Rijmt daar nog iets op?
Na het educatief verantwoorde gehuil onzerzijds ('Je
barst al van de
elektronica, je schoolwerk gaat hierbij inschieten, denk
je wel dat
het geld Sint op de rug groeit' en meer van dit soort
gemeenplaatsen),
brengt hij elementen als saamhorigheid, naastenliefde en
harmonie in,
met de voor ons toch nog schokkende mededeling dat broer
en zus – onze
eigen versie van Kaïn en Abel – verder door dit leven
willen als
Xbox-delers. Onze recentste terug-naar-de-natuur
kampeertrip – die ze
ook dit keer weer hebben doorgebracht in de
multimediavoortent van
neef Raoul – heeft hen tot het inzicht gebracht dat het
gezamenlijk
volbrengen van 'Army of Two', 'Dead Rising', 'Halo 3',
'Star Wars, The
Force Unleashed', 'James Bond, Quantum of Solace' en
'Assassins Creed'
een verrijking voor hun samenleven als broer en zus kan
zijn.
De Xbox360 krijgt een min of meer neutrale plek op
voorheen mijn
werkkamer, waar het voor onze nazaten – eerlijk beloofd
– na gedane
onderwijskundige verplichtingen goed toeven zal zijn.
Niet voor niets
noem ik hierboven slechts zes populaire Xbox360-games,
want – ook dit
grote inzicht mag op het conto van neef ('goeroe') Raoul
worden
geschreven – bij een keuze uit meer dan meer dan zes
spellen tegelijk
slaat de verwarring en oppervlakkigheid toe en ontbreekt
uiteindelijk
de verdieping die noodzakelijk is om deze virtuele
werelden optimaal
te doorgronden.
Dus – ze benadrukken het nog maar een keer, en zeker
voor jou, pap,
want je wil nog wel eens doordraven en daar zijn de
omstandigheden nu
echt niet naar, matigheid is het sleutelwoord – zeker
niet meer dan
zes spellen om mee te beginnen.
Er rest niets dan acceptatie. Maar één echt, en dan ook
nog
gezamenlijk cadeau, en niet meer dan zes armzalige games
met een
winkelwaarde van gemiddeld 60 euro per stuk. Waarmee
opnieuw blijkt
dat je niet alles moet geloven wat er in de krant staat.
Mijn zoon
opteert voor:
Sint sober dankzij kredietcrisis. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
18 november
2008 |
|
| |
|
|
| |
Turbo-leren
De offers die we ervoor
hebben gebracht waren groot – een
broodtrommel, een gymbroek en recentelijk nog een goed
gevuld etui moeten inmiddels als verloren worden
beschouwd – maar nu krijgen we er ook wat voor terug.
Met een gezicht waarop zich een zekere gêne aftekent,
somt onze zoon zijn jongste schoolresultaten op: een 8,5
voor aardrijkskunde, een 9,5 voor geschiedenis en een 10
voor Engels. Pas bij dat laatste resultaat keert hij
zich in triomf ('Daar kan je
niet tegenop, hè?) naar zijn oudere zus die, zonder op
te kijken van haar leerboek oud-Grieks, bromt: ,,Een
10,2 - voor een proefwerk over Macbeth.''
Nog bijna dagelijks kan hij zich er kwaad over maken: de
school die
hem als 'huiswerkvrij' is verkocht, kost hem uren aan
kostbare
computer-, nintendo- en televisietijd. Ook de
onderbouwing van zijn
verontwaardiging hebben we al meerdere keren moeten
aanhoren: hij en
zijn klasgenoten maken meer uren dan vriendjes op
vergelijkbare
middelbare onderwijsinstellingen, opdat ze onder
schooltijd hun
opdrachten kunnen afmaken in zogenaamde KWU's (keuzewerkuren).
Hoe
bestaat het dan dat hij elke avond ook nog achter zijn
boeken zit?
Zijn
oudere neven - eeuwige studenten van 20 en 24 jaar -
weten wel hoe het in elkaar steekt: ,,Je bent gewoon
gedist, door die school.''
Maar vooral zijn moeder wordt niet moe hem uit te leggen
dat het onmogelijk is al het leerwerk van een havo/vwo-brugklas
in een
keuzewerkuurtje af te werken, te midden van nog eens 23
andere, ontregelende warhoofden. ,,Net als Sinterklaas,
bestaat ook huiswerkvrij niet'', refereert ze aan de
eerste grote ontgoocheling in zijn leven. En hoewel hij
bij elke avondmaaltijd de lijst van
medeleerlingen 'die na dit eerste jaar zeker weten dat
ze deze school
de rug toekeren' wat langer weet te maken, komt er bij
hem ook
langzamerhand iets van een acceptatieproces op gang.
Niettemin, als
zijn school volgend jaar nog meer argelozen lokt met die
huiswerkvrij-propaganda, overweegt hij de gang naar de
reclamecodecommissie.
Het heilig vuur dat in zijn oudere zus brandt om nooit
met minder dan
een 9 genoegen te nemen, bestaat bij hem uit een laag
lauw smeulende
kooltjes die elke dag door zijn moeder moet worden
opgepookt.
Zuchtend, mopperend en steunend ('wat nou, huiswerkvrij?')
sjokt hij
de trap op naar zijn kamer, om daarvan elke vijf minuten
terug te
keren om kond te doen van de vorderingen die hij heeft
gemaakt. Binnen
het kwartier ('het waren maar drie vakken') horen we hem
dan – met
hernieuwd elan, als een Ratelband over de kooltjes – de
trap naar
zolder oprennen, waar al het elektronisch vermaak staat
opgesteld dat
we per se niet in zijn eigen kamer willen hebben.
Dat hij – in navolging van zijn zus – in de klas
inmiddels wordt
aangesproken met de weinig benijdenswaardige eretitels
'nerd' of
'stuud' heeft er vooral mee te maken dat hij zijn gebrek
aan
gedrevenheid compenseert met een klein hartje. Nadat hij
heeft ontdekt
dat hij de slaap niet kan vatten als hij het gevoel
heeft dat hij de
stof onvoldoende beheerst, ontwikkelde hij voor zichzelf
een voor ons
onnavolgbaar systeem dat in een minimum van tijd een
maximum van
rendement scoort: het zogenaamde turbo-leren. Sinds die
tijd rijgt ons
beoogde vmbo-klantje in zijn havo/vwo-brugklas de achten
en negens aan
elkaar.
De gêne over zijn eigen resultaten gaan in de regel over
in walging
als hij kennisneemt van de cijfers van zijn zus.
Want hoe zit het nou met die 10,2?
De uitkomst van een uitmuntend gemaakt proefwerk,
waarbij ook nog eens
is gescoord op de bonuskwestie.
Op zijn vraag of het computersysteem van de school uit
de voeten kan
met noteringen van boven de 10, schudt ze het hoofd.
Haar leerkracht
heeft beloofd de resterende 0,2 op te tellen bij haar
vorige cijfer
voor Engels.
Dat was maar een 9,8. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
11 november
2008 |
|
| |
|
|
| |
Tondeuse
Ooit was het voorbehouden
aan galeislaven, aspirant-skinheads en dronken studenten
die een weddenschap hadden verloren. Maar nu zie ik
overal om mij heen eerzame huisvaders hun haar kammen
met de tondeuse op standje 2. De volledige overgave in
de strijd tegen oprukkende kaalheid. ,,Maar bij u'',
zegt het leuke blonde meisje dat me knipt, ,,is dat nog
echt niet nodig, hoor.''Niettemin was het onverstandig
haar thuis met gepaste trots te citeren in het bijzijn
van wat ik als 'voorheen mijn dierbaren' beschouw.
Totdat iemand – het kan een verongelijkte stagiaire zijn
geweest – een
opname maakte van mijn achterhoofd, heb ik gedacht dat
haaruitval voor
mij
een onderwerp uit reclamefilmpjes met Gerard Joling en
Dick Advocaat zou blijven. Na die pijnlijke confrontatie
koos ik - zoals
bij zoveel problemen die op mijn pad komen - voor de
luchtige benadering. Mijn gestaag uitdijende kruin
omschrijf ik als 'sinds mijn
zestiende stabiel' en nu het ook aan de voorkant
zichtbaar dunner begint te worden, prijs ik mij – zodra
de conversatie zich daar maar enigszins toe leent –
gelukkig met het feit dat 'ik nog zo'n mooie kop
met haar heb'. Ze kunnen beter om je lachen dan om je
huilen, placht
mijn moeder altijd te zeggen wanneer ik als knaap het
mikpunt was van spot en hoon.
Als ik periodiek een
afspraak maak met de hippe kapsters bij ons aan
de overkant en de receptioniste routineus wil weten 'of
het nog
uitmaakt door wie het wordt geknipt', temper ik de
verwachtingen
openhartig met: 'Met mijn haar niet'. Ook – eenmaal in
de stoel
gezeten – doe ik doorgaans wat badinerend op de vraag
hoé het moet
worden gecoiffeerd. De wilde paniek in de ogen van het
meisje de
laatste keer dat ik voorstelde om 'het eens een keer
helemaal anders
te doen' zal ik niet licht vergeten. De zijkanten wat
korter en
bovenop een beetje gedekt houden, is sindsdien het
devies. Dat laatste
is al lastig genoeg.
Het voorrecht van een
krantencolumn is dat mensen zich bij je melden
met pronkstukken uit het verleden. De functionaris die
de oude
administratie van mijn christelijke pedagogische
academie aan het
opschonen was, deed mij een oude cijferkaart toekomen
waarop – naast
een reeks middelmatige resultaten – ook een pasfoto
stond. Het blonde
haar golft tot ver over mijn schouders en de pony moet
zich boven de
oogleden spontaan opkrullen om mij nog enig zicht op de
buitenwereld
te bieden. ,,Kijk, toen was het al zo dun als bakpapier'',
zegt mijn
eega met de liefdeloosheid die soms in lange
verbintenissen sluipt.
Mijn zoon herinnert zich spontaan een moment waarop zijn
eigen kapster
– waarschijnlijk ook die van mij, als ik ze maar uit
elkaar kon houden
– bij het kammen van zijn dikke, weerbarstige kuif had
opgemerkt dat
hij 'gelukkig niet het haar van zijn vader had'.
Ja, moeder en zoon slaan
zich nog eens genoeglijk op de dijen van pret.
De pasfoto dateert uit de
tijd dat mijn ouders een huisvriend met een
bloeiende kapperspraktijk in een instelling voor
geriatrische
patiënten uitnodigden om – voor weinig - ook de kapsels
van hun kroost
onder handen te nemen. Voor mij was dat gewoonlijk
aanleiding om via
het balkon de ouderlijke flatwoning te verlaten. We
woonden destijds
één hoog, maar als het de twaalfde etage was geweest,
had ik de sprong
naar de tuin en uit het bereik van 'Niek de kapper' ook
gewaagd.
Pas na jaren legde ik dit trauma van mij af dankzij
Nieks leuke,
blonde vakgenoten aan de overkant van ons huis, die bij
het wassen
mijn hoofdhuid masseren en mijn ego strelen met vleiende
opmerkingen
over een haargrens die niet van wijken of een tondeuse
wil weten.
Mijn schoonvader – bij
leven in het bezit van enkele spaarzame, over
zijn schedel geplakte windharen - kwam na een bezoek aan
de
plaatselijke kapsalon altijd in de schoot van zijn gezin
terug met de
opgetogen mededeling: ,,Jullie willen niet weten hoeveel
haar er weer
onder de stoel lag.''
Ook hij bliefde niet te
geloven dat zijn leuke, blonde kapster
speciaal voor hem de zaak de hele ochtend niet had
aangeveegd. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
4 november
2008 |
|
| |
|
|
| |
Het grote geld
Opvoeden is ook een kwestie van
timing. Kort voor het uitbreken van de kredietcrisis
vragen wij – hiertoe aangespoord door wervende mailings
van de Postbank - voor onze zoon een Easy Blue-rekening
aan. ,,Je moet slim met je geld leren omgaan’’, papegaai
ik de folder na. ,,Alles wat je nu in die Pennymaat (een
flitsende variant van de spaarpot, DvdP) op je bureau
hebt zitten, moet je veilig op de bank zetten.’’ Na elke
uitzending van het Jeugdjournaal die op dit advies volgt,
moet ik hem ervan weerhouden met een oude sok, een schep
en een lading kleingeld richting de achtertuin te
vertrekken.
Als je een bevestiging
wilt dat wij – ouders en opvoeders – er een puinhoop van
maken, is er altijd wel een onderzoeksbureau dat
hiervoor het feitenmateriaal aanlevert. Dit keer is het
ITS Nijmegen dat met een persbericht naar buiten komt
waarin wordt beweerd dat ’ruim de helft van alle
jongeren vindt dat ouders hen de waarde van geld niet
goed heeft bijgebracht’. Het onderzoek is uitgevoerd in
opdracht van de overheid, consumentenorganisaties en –
heel verrassend – de financiële sector zelf, die ook in
deze barre economische tijden elke twaalfjarige een Easy
Blue-kleurige toekomst blijft voorspellen.
Het aanvragen van een
jongerenrekening is meer dan een administratieve
handeling. De Postbank trekt hiervoor een vorm van
totaaltheater uit de kast waarin mijn jongste nazaat de
rol van mini-ondernemer op zich dient te
nemen.
Zodra ik hem heb aangemeld, krijgt hij de ’coole
Bizznizzkoffer’ cadeau, waarin hij alles vindt om zijn
eigen ’Bizznizz’ te starten. ,,Denk aan de hond uitlaten,
grasmaaien en nog veel meer.’’ Wij hebben geen hond,
geen gras en het wekelijkse klusje dat we hem onder de
noemer ’nog veel meer’ in de maag proberen te splitsen –
het legen van de oud papiertas in de container aan de
overkant van de straat – kost ons al zoveel energie dat
we het veel liever zelf doen. Daar staat tegenover dat
hij – zolang wij al zijn onkosten op incidentele basis
blijven vergoeden - vrijwel wekelijks vergeet om om zijn
zakgeld te vragen.
De ’coole Bizznizzkoffer’
blijkt een armoedig kartonnen gevalletje te zijn,
waarmee ING al een voorschotje lijkt te hebben genomen
op een rol in de marge van het vaderlandse financiële
bestel. Het ding bevat een groezelig wit T-shirt met
lange, blauwe mouwen en een stapel blanco papier die –
zo lees ik – kan worden gebruikt om visitekaartjes te
maken en een strijklogo te ontwerpen, dat vervolgens op
het T-shirt kan worden gedrukt.
Omdat ik al vermoed dat
het opzetten van zijn eigen Bizznizz vooral ons eigen
hobbyproject gaat worden, smijt ik – hiertoe
aangemoedigd door mijn eega – de coole Bizznizzkoffer
met inhoud en al in de oud papiertas en gebruik ik het
T-shirt om het frame van mijn racefiets in de olie te
zetten. De weken daarna moeten wij urenlang soebatten om
hem na schooltijd zo gek te krijgen dat hij met zijn
legitimatiebewijs naar het postkantoor gaat om daar een
giropas en – weer een week later – de codes voor
internetbankieren af te halen.
Maar dan kan ik eindelijk
werk gaan maken van het Easy Blue-bankieren. Op een
vrijdagavond zitten we met alle codes en zijn mobiel (waarop
de geheime Tan-codes binnenkomen) klaar achter de pc in
de woonkamer om hem financieel on line te brengen. Zodra
dat is gelukt en het hatelijke saldo (nul) van zijn
rekening in beeld komt, wordt het tijd om zijn Pennymaat
stuk te slaan. Uit de tientallen stapeltjes met muntgeld
komt uiteindelijk een bedrag van 117,50 euro
tevoorschijn, dat ik van mijn girorekening overmaak naar
de zijne. Daar zet ik honderd euro van op een
rentegevende internetspaarrekening, laat de rest op de
betaalrekening staan en regel dat zijn 15 euro zakgeld
voortaan maandelijks wordt overgemaakt.
Het geld dat op de
eettafel ligt uitspreid veeg ik daarna in een plastic
zakje en stop het in de rugzak die ik altijd meeneem
naar mijn werk, wat mijn zoon – die het hele proces
ongeïnteresseerd en apathisch heeft gevolgd - voor het
eerst van zijn stoel doet opveren. ,,Hé, wat ga je
daarmee doen?’’, zegt hij, terwijl zijn blik paniekerig
gaat van het computerscherm, zijn lege Pennymaat en mijn
goed gevulde geldbuidel.
,,Daar ga ik broodjes
kroket van kopen, in de bedrijfskantine. Daar hebben ze
graag kleingeld’’, antwoord ik naar waarheid.
Kan hij later nooit
beweren dat ik hem de waarde van geld niet heb
bijgebracht. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
28 oktober
2008 |
|
| |
|
|
| |
Kampeergevoel
Vallende bladeren zetten
aan tot reflectie. En zwaarmoedigheid. Op kantoortijden
heb ik daar geen bezwaar tegen, maar moet dat midden in
de nacht? De molenwiekende armen van onze zoon slaan met
een doffe klap tegen de schuifwand die zijn bed in de
caravan scheidt van het onze. ,,Het wordt nooit meer
hetzelfde'', horen wij – stijf rechtop, met hartslag 220
– hem kreunen in zijn slaap. Dat blijkt een even bondige
als dramatische conclusie na zeven weken middelbaar
onderwijs
waarin hij zijn vaste levensritme van eten, slapen en op
de Ninteno DS spelen, danig verstoord zag door huiswerk
maken, schriftelijke overhoringen en proefwerken.
Ons
mobiele onderkomen is van alle gemakken voorzien,
waardoor wij het
kampeergevoel nog uitsluitend ontlenen aan het feit dat
ons complete gezinsleven zich afspeelt op tien vierkante
meter. Een week lang kunnen wij – man, vrouw en twee
puberende nazaten – elkaar niet ontlopen, een format
waarmee de Frogers komend televisieseizoen ongetwijfeld
aan de haal zullen gaan.
Kamperen in de zomer is geen kunst. Van zonsopkomst tot
zonsondergang
is de complete camping je huiskamer, de hemel je plafond
en ervaar je
– met het kroost al een beetje op zichzelf in een
bijzettentje – iets
van de weldadige rust van het prepensioen. Maar in de
herfst zoekt de
achterbankgeneratie de beschutting van onze sleurhut,
waar de centrale
verwarming loeit, hun laptop en mobieltjes kunnen worden
opgeladen en
het centrale antennesysteem hún favoriete programma's op
míjn
televisiescherm spuugt.
Vluchten kan niet meer, als de regen tegen de ramen
slaat en de wind
de kastanjes op het dak laat kletteren. Alleen in
noodgevallen, zoals
een opspelende blaas, verlaat ik mijn vaste stek in de
hoek van de
rondzit, waar ik net genoeg ruimte heb om mijn krantje
op te slaan. En
dan nog moet ik, na een moeizame klimtocht over veel te
grote lijven,
bij terugkomst strijd leveren om mijn met geurvlaggen
uitgezette
territorium weer op te eisen.
Het onderwijs zet de zaak nog eens extra op scherp door
direct na deze
herfstvakantie proefwerkweken uit te schrijven. Onze
beweegbare
caravantafel ligt bezaaid met de boeken en schriften van
onze dochter,
die haar aandacht verder verdeelt tussen een buitenmodel
rekenmachine
en haar minilaptop, waarop ene Tony Hill in de
televisieserie 'Wire in
the blood' achter seriemoordenaars aanjaagt. Haar
MP3-speler geeft via
de koptelefoon weer andere prikkels door. Het is haar
manier van
studeren, waarop wij – met haar cijferlijst van
voornamelijk negens en
tienen – geen gefundeerde kritiek kunnen hebben. De
indringende
confrontatie met haar werklust wakkeren de
schuldgevoelens en de
faalangst van haar broertje op onze tien vierkante meter
alleen maar
verder aan. Hij heeft slechts Frans en Nederlands bij
zich en tobt –
bij voorkeur ver na zonsondergang – over de uitkomsten
van een
groepsproject internationalisering, waarvoor hij met
drie klasgenoten
beangstigend weinig regels op papier heeft gezet.
Onze Lebensraum wordt nog verder ingeperkt door in
Spanje
rentenierende vrienden, die op ons landgoed Ginkelduin
weliswaar een
hotelkamer hebben geboekt maar zich ruim een etmaal
vakantie vieren op
z'n Hollandst niet laten ontnemen. Dan wordt het opeens
vier
volwassenen en twee pubers op tien vierkante meter. De
stichting
Wakker Dier heeft voor legbatterijkippen wel eens meer
ruimte
opgeëist. Alleen door riant voor het middaguur aan de
wijn en het
bokbier te gaan, raak ik in een gemoedstoestand die
alles draaglijker
maakt. Alleen de gang naar het toiletgebouw wordt er
niet minder om.
Niettemin, de nachten zijn het ergst. Dan halen de
demonen van een
naderende proefwerkweek en een al bij voorbaat mislukt
internationaliseringsproject mij nadrukkelijk uit mijn
slaap. Maar de
ene keer dat ik het waag daarover te klagen, krijg ik
van de rest van
een rancuneus gezelschap mijn gesnurk, vermeende
bokbierwinden en
frequent toiletbezoek na middernacht voor de voeten
geworpen.
Een gezinsleven op tien vierkante meter brengt veel
onverdraagzaamheid
met zich mee. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
21 oktober
2008 |
|
| |
|
|
| |
Reünie
Internet
is een machtig medium. En ik ben een inventief mens. De
hele dag loop ik al te prakkiseren over een
geloofwaardige smoes om onder een verjaardagsfeestje uit
te komen en opeens schiet die me te binnen. ,,Ik schrijf
in een weblogje dat ik door mijn rug ben gegaan!'',
vertel ik opgetogen aan mijn eega. Helemaal niet zo gek,
in een week met twee popconcerten waarbij ik in totaal
acht uur achtereen heb
moeten staan. ,,Dat voeg ik dan als ondersteunend bewijs
bij een mailtje, waarmee ik me - hoe spijtig ook, maar
het is niet anders - voor de festiviteiten afmeld.'' Als
een apporterende hond die wacht op zijn beloning, blik
ik verwachtingsvol naar de vrouw met wie ik mijn leven
deel. Zes uur later zeg ik haar - nog een beetje
namokkend - gedag, waarbij ik tussen 'Nou' en 'dan ga ik
maar' een veelzeggende stilte laat vallen.
Op een vorige column over mensen met een aversie tegen
feestjes kreeg
ik zoveel bemoedigende en begrijpende reacties dat ik er
reden genoeg
in zag me ook voor de rest van mijn leven te verschuilen
achter deze
aanverwante vorm van autisme. De wereld is tenslotte vol
lotgenoten
die liever lekker thuis op de bank zitten dan op een
druilerige
zaterdagavond hun opwachting te maken in het afgehuurde
clubgebouw van
een korfbalvereniging om de hand te schudden van mensen
die ze al
dertig jaar uit het oog verloren zijn. Maar voorlopig
kom ik daar niet
mee weg.
De jarige vind ik in de
mensenmassa - met dank aan de afbeelding op de
uitnodiging - terug op de schoot van een man van
middelbare leeftijd
aan wie ik me nog netjes voorstel. Pas als ik de man
dáárnaast ook een
hand geef, dringt tot me door dat ik word herenigd met
twee
boezemvrienden uit mijn jaren op de havo-afdeling van de
christelijke
pedagogische academie in Oegstgeest. Jan en Arie. Tjonge,
wat zijn die
kerels oud geworden. Maar van die vaststelling blijft
weinig overeind
als de jarige ons drieën aandachtig bestudeert en tot de
conclusie
komt dat ik eigenlijk de enige ben die ingrijpend is
veranderd. Ik
teken kennelijk nogal, vanwege mijn feestjesallergie.
Maar
eenmaal op de bank met Jan en Arie, een biertje en een
voortdurend circulerende schaal met bitterballen onder
handbereik, voel ik mezelf dertig jaar jonger worden. Op
de middelbare school waren zij al twee (Arie) en vier
jaar (Jan) ouder dan ik, waardoor ze
zich waarschijnlijk veel meer kunnen herinneren uit de
tijd dat wij in de rode eend van Arie naar het
Pabo-gebouw reden. Met hun collectieve geheugen kleuren
zij een schooltijd in waarvan ik me zelf alleen -
dankzij een reeks beschamende foto's van dronken mannen
bij een fontein, die mijn dochter jaren geleden uit een
bureaula opviste - een
culturele dagtrip naar Antwerpen herinner. Vanwege de
enorme rij voor
het Rubensmuseum verdaagden wij 's morgens om tien uur
al in het café,
waar de klassenleraar ons om vijf uur 's middags pas
weer terugvond.
Jan - opvallende
oorbellen, ringbaardje en gemillimeterde schedel -
werkt inmiddels als IT'er bij de Noordwijkse vestiging
van het
Europese Ruimtevaartagentschap. Hij gunt zichzelf een
paar minuten van
mijn bewondering, voordat hij met een grijns zijn
vertaling geeft van
IT: de afdeling Intern Transport. Arie heeft een
bloemenexportbedrijf
met twaalf man personeel en doet in zijn vrije tijd aan
wandelen. Ik
knik, met gepast medeleven, totdat hij uitlegt dat hij
dat bij
voorkeur naar toppen als de Kilimanjaro en de Mont Blanc
doet. Op het
lijstje met 'Nog te doen' dat boven zijn werkplek hangt,
staat onder
meer nog de Mount Everest. Maar hoger dan het eerste
basiskamp mag hij
niet, van zijn vrouw.
Als ik uren later thuis
kom, schrijf ik me in bij www.schoolbank.nl.
Ik heb opeens zin in een reünie. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
14 oktober
2008 |
|
| |
|
|
| |
Queen
Mijn oren fluiten nog
na van tweeënhalf uur rockmuziek, maar ik ben niet doof.
,,Ik wou dat we hem mee naar huis konden nemen'', hoor
ik een van de twee zestienjarige meiden op de achterbank
van mijn auto zeggen. We rijden met z'n drieën weg van
Ahoy' in Rotterdam en degene die daar - achterin,
althans - zo node bij wordt gemist is Brian May,
gitarist van Queen waarvan we zojuist een concert hebben
bijgewoond. Wat moeten die bakvissen met een man van 61?
Van 'Love Of My Life' alleen
de akkoorden doornemen, mag ik hopen.
Mijn vaste
voornemen - dat decennia standhield - om nooit meer een
grootschalig
concert te bezoeken, wordt dit jaar met voeten getreden
nu mijn
dochter een voorliefde heeft opgevat voor de afdeling
geriatrie
van de popmuziek. Na enkele vingeroefeningen met
coverbandjes
(namaak-Queen en Pink Floyd) zijn we toe aan het echte
werk. Nou
ja, echt, aan wat er nog over is van de bands die in de
jaren
zeventig en tachtig furore maakten. Op 11 mei van dit
jaar stond
ik op het
Pinkpop-terrein in Landgraaf voor een optreden van Roger
Waters
(ex-Pink Floyd) en vijf maanden later bij het restant
van
Queen,
aangevuld met zanger Paul Rodgers en wat huurlingen op
bas,
gitaar en
toetsen.
Hoewel
ik zeker vijftien jaar jonger ben dan het menselijk
wrakhout dat op het podium aan zijn vijfde jeugd toe is,
zijn mijn ideeën voor een muzikaal uitje inmiddels wat
bijgesteld. Ruim een week geleden was
ik met een
goede vriend bij een optreden van Elliott Murphy, die na
38 cd's nog steeds in de kleine zaal van het Amsterdamse
Paradiso staat. Daarvoor aten we een hapje in een door
Johannes van Dam met een 8,5 gedecoreerde
eetgelegenheid, wandelden op het gemak naar de
hoofdstedelijke poptempel, om met een wit wijntje in de
hand (van bier moeten we steeds plassen) te luisteren
naar de man die in de jaren zeventig werd genoemd als de
opvolger van Bob Dylan, maar nooit verder kwam dan de
status van cult-held. De totale kosten (toegangskaartjes
plus etentje) haalden het net bij de prijs van één
entreebewijs voor Queen.
Alleen het
parkeren bij Ahoy' is goedkoper dan in de parkeergarage
onder het
Museumplein, merk ik, als we op dinsdagavond het terrein
van
het
voormalige sportpaleis op rijden. Onder het publiek
waarmee de
zaal zich
vult, bevinden zich twee personen die met de grootst
mogelijke
tegenzin naar dit concert zijn gegaan. Ik – in mijn rol
als
chauffeur en
chaperon – en de recensent van deze krant, maar dat merk
ik pas twee
dagen later. Waar ik na de eerste akkoorden van 'Tie You
Mother Down'
wordt gegrepen door het grote
meezingfeest-der-herkenning, schrijft hij een zuur
stukje over de
stagnerende
artistieke ontwikkeling bij een schnabbelend stelletje
multimiljonairs, dat kennelijk niks beters te doen heeft
dan over de
halve wereld
hun fans een onvergetelijke avond te bezorgen.
Want dat was
het, vanuit mijn optiek (en die van Hans van den Heuvel
van mijn
lijfblad 'Oor', die de sfeer wel aanvoelt en het heeft
over
'Het beste
concert van Queen op Nederlandse bodem': beter dan de
twee
die ze
halverwege de jaren 80 nog met Freddie Mercury in de
galmbak
van de
Leidse Groenoordhallen gaven).
Mijn dochter
hoonde me maanden geleden weg, toen ik met mijn oude
lichaam
aandrong op zitplaatsen. Staan, moesten we, want alleen
dan
konden we
volledig opgaan in een avondje retrorock. In het uur dat
we
in de zaal
wachten totdat het licht uitgaat, schuifelen zij en haar
vriendin
subtiel steeds verder naar voren, totdat we tot op vijf
meter
staan van
het tot ver in de zaal uitgebouwde deel van het podium
waar
de intiemste
onderdelen van het concert worden afgewerkt. Hier
smelten
de meiden
weg als Brian May in, als duet met het publiek gezongen
en
aan de dode
Mercury opgedragen, 'Love of my Life' een paar echte
tranen
wegpinkt.
Dat zal het
wel wezen, denk ik – jonge adonis van 48 – waarom die
zestienjarige meiden zo'n bejaarde rocker mee naar huis
willen nemen.
Vertedering.
En omdat ze te oud zijn
voor een pony, natuurlijk. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
7 oktober
2008 |
|
| |
|
|
| |
Overtraind
Het is de eerste
basketbalwedstrijd van het seizoen en moedeloosheid
neemt reeds bezit van ons. Lusteloos zitten we in het
zonnetje op het bankje voor de sporthal, waar onze trots
en hoop een wedstrijd afwerkt tegen een ander team in de
categorie 'jongens onder veertien'. ,,Hij heeft het te
druk op school'', mompel ik het begin van een excuus
tegen de andere gelouterde basketbalouder, die dezelfde
pose - beentje
languit, hoofd achterover, ogen
gesloten en handen op de buik - als ik heeft aangenomen.
,,De woensdag is het zwaarst. Dan begint hij met twee
uur gym, 's middags twee uur extra sport en 's avonds
trainen.'' Ja, de extraatjes waarmee middelbare scholen
tegenwoordig hun leerlingen lokken, beginnen ons flink
op te breken.
Basketbal is een mooie
sport. Korte competitie, lange winter- en
zomerstop, nooit in de
regen langs het veld. Maar nadelen zijn er ook.
Voor de meeste
uitwedstrijden zit je minimaal een uur in de auto
richting een dorp met een
hoog tractorgehalte en een, uit naargeestige
golfplaten opgetrokken,
sporthal met een door zwaarmoedige
vrijwilligers bemande
kantine. En na elke zomerstop blijkt de
veelbelovende helft van
het team van je zoon te zijn doorgeschoven
naar een hogere
leeftijdscategorie. Tot de winterstop is het voor ons
- trainers en ouders -
wanhopig zoeken naar een nieuwe balans.
Nu
het middelbaar onderwijs sport als wervingsinstrument
gebruikt, heeft onze jongste nazaat de
trainingsintensiteit bij zijn club noodgedwongen
gehalveerd. Hij heeft er de kracht niet meer voor, zoals
dat tegenwoordig heet. We
zochten voor hem een niet te grootschalige
onderwijsinstelling, met
een degelijke reputatie en niet te ver van ons huis.
Maar scholen denken dat dat niet genoeg is. Ze lokken
ons met laptopklassen, extra kunst en drama-uren,
Chinees voor beginners en sport. Veel sport. Zou het
daardoor komen dat hij al bij de eerste wedstrijd van
het seizoen een overtrainde indruk maakt?
Na twee periodes zijn we
naar buiten gelopen om een luchtje te
scheppen, wat inhoudt dat
ik op het bankje de sigarettenrook van mijn
buurman inhaleer.
,,Hoeveel zou het staan?'', vraag ik, na enkele
ogenblikken van gewijde
stilte. ,,Veel tegen weinig'', trekt mijn
buurman in zijn
voorspelling de lijn van de eerste periodes door. We
laten dit even bezinken.
,,Het zou 20-4 kunnen zijn. Maar ook 30-4. In
elk geval een afgerond
getal. Die vier weet ik zeker.'' De stand hangt
een tijdje tussen ons in.
,,Eigenlijk moeten we weer naar binnen'',
zeg ik. We rekken ons
allebei nog eens uit, maar maken geen
aanstalten. ,,Ja,
eigenlijk wel.''
Dankzij een bemoedigend
herstel na de rust wordt het nog 50-20 en de
week daarop, in de eerste
thuiswedstrijd, gaan we als een speer uit de
startblokken. Tenminste,
dat hoor ik achteraf, want het leek me dit
keer niet nodig om vanaf
het eerste fluitsignaal aanwezig te zijn.
Mijn zoon schijnt al vier
keer te hebben gescoord, tegen het oude
tarief - komt hij in de
rust nog eens benadrukken - van 50 cent per
punt. Maar in de periode
dat ik op de tribune zit, verspelen we een
voorsprong van achttien
punten en staan we, kort voor tijd, gewoon
weer drie punten achter.
De koek is op. Ze hebben het te druk. Hoeveel
sporturen in een week kan
een mens hebben als hij geen Lance Armstrong
heet?
De regen buiten houdt
ons, getergde basketbalouders, dit keer binnen,
waardoor ik mijn jongste
nazaat na een onwaarschijnlijke opleving met
twee scores in de laatste
minuut alsnog de overwinning zie
binnenslepen.
Om de troosteloze teneur
van dit stukje niet te doorbreken, doe ik dit
af als een incident. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
30 september
2008 |
|
| |
|
|
| |
Feestje
Flink doorhalen en
een zekere ongeremdheid zit wel in de familie, maar toch
verbaast het me niet echt als onze zoon me al om 20.15
uur opbelt vanaf de plek waar zijn eerste middelbare
schoolfeest wordt gehouden. ,,Kom me maar halen, ik vind
er niet veel aan.'' In de auto, op weg naar huis, hoor
ik het klassieke verhaal van meisjes die uit hun dak
gaan op de dansvloer en jongens die maar wat doelloos
aan de zijlijn
rondhangen. ,,Wij mannen verlagen ons niet tot dansen'',
zegt mijn jongste nazaat, met de plechtige intonatie
waarvanmee hij al zijn oneliners voorziet.
('Professionals denken niet aan tijd' en 'Genieën worden
nooit begrepen' behoren deze maand tot de populairste
uit zijn steeds wisselende repertoire.)
Als 4-jarige
verviel ik al in zwaarmoedigheid, zodra mij op het
schoolplein een met ballonnen opgefleurd kaartje in de
handen werd
gedrukt, waarop met vrolijke letters 'Hoera, ik geef een
feestje'
stond. Verplicht zingen, verplicht springen en
spelletjes doen. Net
militaire dienst, wist het vroegwijze ventje in mij, dat
toen al
middenin de nacht wakker gemaakt kon worden voor een
goed gesprek
boven een glas Belgisch bier in een mooi café, waar ze
nummers van
Richard Shindell en John Gorka draaien. Maar niemand die
dat in zijn
hoofd haalde, bij een 4-jarige, in die benauwende jaren
zestig.
Niet van
feestjes houden zit in de genen. En genen geef je door.
Mijn
dochter moest ik voortijdig van haar eerste schoolfeest
ophalen na een
alarmerend belletje dat ze onwel was geworden. Nee, niet
van de drank,
zoals al die andere scholieren die door hun ouders
horizontaal werden
afgevoerd. Overgevoelig voor discolampen, waarvan ze
draaierig en
misselijk wordt. Sinds die eerste keer kijkt ze net zo
uit naar
schoolfeestjes als Ed Sinke naar partijbijeenkomsten van
Trots Op
Nederland. Ook onze zoon – die als net 12-jarige vooraf
nog
belangstellend informeerde wat zo'n schoolfeest precies
inhield en of
er wellicht nog spelletjes werden gedaan – lijkt niet
voor een leven
onder de discolampen in de couveuse gelegd.

Bij mensen
die het wél leuk vinden om een paar uur tegen elkaar aan
te
schreeuwen in een slecht verlichte ruimte waar mensen
stuiptrekken op
muziek die de jouwe niet is, roept een aangeboren
aversie tegen
feestjes in de regel onbegrip op. Feestjes zijn leuk.
Iedereen houdt
van feestjes. Vaak verschuilen wij, feestjeshaters, ons
dan ook achter
slappe excuses bij de uitnodigingen die ons met een
zekere
hardnekkigheid blijven bereiken. In mijn vrienden- en
kennissenkring
wordt momenteel bijna iedereen vijftig - net als
Madonna, dus het is
helemaal niet erg - wat aanleiding is om groots uit te
pakken in
boerenschuren, voetbalkantines en jeugdhonken, waar met
een zekere
krampachtigheid de sfeer van het schoolfeest wordt
opgeroepen ('Hoera,
ik geef een feestje)'. Al maanden word ik bestookt met
mailtjes van
een oud-klasgenote, die me op energieke toon (ADHD
bestond in mijn
jeugd nog niet) verzoekt zaterdag 11 oktober toch vooral
vrij te
houden in mijn agenda. Na me aanvankelijk doodstil te
hebben gehouden,
komen nu de herinnerings- en aanmaningsmails binnen,
allen voorzien
van leesbevestiging waardoor ik me niet meer kan
verschuilen.
De
vergelijking tussen feestjes en begrafenissen gaat
misschien een
beetje mank. Maar inmiddels put ik kracht uit wat mijn
eega me
voorhield, toen ik me onlangs van een teraardebestelling
wilde drukken
met de oprecht gemeende zinsnede: Ik hou niet van
begrafenissen. 'Je
gaat ook niet voor jezelf', beet ze me toe, 'maar voor
de nabestaanden
en uit respect voor de overledene.'
Dat ik niet
van feestjes hou, is kennelijk alleen relevant bij mijn
beslissing om zelf nooit, nooit, nooit een feestje te
geven. Maar niet
als ik voor een feestje word gevraagd.
Dus ja,
Jennifer, ik zal er zijn, op zaterdag 11 oktober.
Als ik maar niet per ongeluk mijn begrafenisgezicht
opzet. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
23 september
2008 |
|
| |
|
|
| |
Rij
voorzichtig
Als - na enkele
martelende uren met een volle blaas op een ijskoud
luchtbed, het gelal van dronken feestvierders en andere
onbestemde geluiden - uiteindelijk iets van een
halfslaap over ons komt, wordt het tentje gevuld met het
erbarmelijke geloei van een vaars in barensnood. Nee, je
moet een dag voor de 150 kilometer lange fietstocht van
Boogie's Extreme je heil zoeken op een Limburgse
kampeerboerderij.
Na een enkel
akkefietje met een knikkebol, van de afrit raken en het
rammen van een verkeersbord, word ik door mijn omgeving
niet meer in
staat geacht om voor wielertochten in het zuiden des
lands een dagje
met de auto op en neer te rijden. Dat was voorheen wel
zo efficiënt:
de wekker om vijf uur zetten, fietskloffie aan, om zes
uur vertrekken,
ontbijten in de auto, half negen parkeren in Valkenburg
of een andere
bekende startplaats, rondje trappen, fiets weer op de
auto, droog
shirt aantrekken, tweeënhalf uur terug rijden en rond
half zeven thuis
weer aanschuiven voor de warme hap. Als je tenminste
door een
onvrijwillig
hazenslaapje op een recht stuk snelweg de afslag
Eindhoven niet mist, maar ook dat beschouw ik zelf als
een betreurenswaardig incident dat ik beter voor me kon
houden.
Niettemin
stem ik mokkend in met een regeling waarbij mijn
fietsende neef en ik voor de rit op zondag al op
zaterdagmiddag het gezelschap van mijn zus en zwager
opzoeken, die toch een paar dagen in het bronsgroen
eikenhout kamperen. Op nog geen drie kilometer van de
start staan zij in het gehucht Walem, op een veld dat
aan de ene kant een lommerrijk uitzicht biedt over het
Limburgse heuvelland en aan de andere kant op een stal
met 90 melkkoeien, een schuur met drachtige vaarzen en
boxen met pasgeboren kalfjes.
Onze
welverdiende nachtrust genieten we op twee door een
collega
liefdevol afgestane luchtbedden, die met behulp van een
elektrische
pomp en de accu van de auto op spanning zijn gebracht.
Niks geen
primitief gedoe, als wij kamperen. Ook haar advies om
een rubber matje
onder de matrassen te leggen ('tegen optrekkend vocht')
nemen wij ter
harte, om enkele uren later te ontdekken dat ook deze
voorzorgsmaatregel - in combinatie met een
trainingsbroek, shirt
(later ook nog een trui) en een extra fleecedeken - niet
bestand
blijkt tegen de eerste nachtvorst dit jaar. Mijn nieuwe
slaapzak ligt
in onze caravan, ver weg in de stalling, terwijl ik
vernikkel onder
het flinterdunne exemplaar dat na 25 jaar kamperen
eindelijk leek te
zijn afgedankt.
De volle
maan zorgt in ons nylon verblijf voor een
midzomernachtlicht
waarvan mijn ogen wijd open blijven staan, mijn neef
blijkt te ronken
als een overjarige dieselmotor en het bier dat we eerder
op de avond
in het Valkenburgse uitgaansgebied hebben genuttigd,
vult mijn blaas
tot de omvang van een skippybal. Het uitpellen van mijn
slaapzak, het
geworstel met twee tentritsen en de gang naar een
toiletgebouw bij min
twee graden onder nul, doen mij voorlopig volharden in
deze status
quo. Als mijn neef met een laatste harde snurk stilvalt
(in slaap
gevallen, dood?, het kan me echt niet schelen), hoor ik
het
voortdurend ritselen op en onder de uiteinden van de
tentluier die zo
ruim onder ons slaapvertrek ligt uitgespreid. Katten,
bedreigde
korenwolven of wilde zwijnen? Het gepieker houdt me niet
wakker. Ik
lig al wakker. Van de discodreun die ergens uit het dal
bij Valkenburg
komt. Van het bierfeest van een andere boerderij, een
meter of
vijfhonderd verderop, waar Normaal slaags lijkt te zijn
geraakt met
Rowwen Hèze. En van het geloei van Berta 8 of Greta 4,
die we de
ochtend daarop – recht tegenover de plek waar wij de
afwas doen – de
nageboorte van hun eerstgeborenen naar binnen zien
slokken. Ja, ook
goedemorgen.
Gebroken
rijd ik de 150 kilometer van Boogie's Extreme – waarvoor
Michael Boogerd de gemeenste hellingen uit de Amstel
Gold Race en
Luik-Bastenaken-Luik achter elkaar heeft geplakt – als
ik vlak na de
finish een sms'je van mijn eega, onwetend van dit alles,
ontvang:
'Achteraf moet je toegeven dat dit beter is dan al
gejakker op één
dag. Rij voorzichtig en tot vanavond.' |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
16 september
2008 |
|
| |
|
|
| |
Zelfstandig
(2)
De mail waarin een
lezeres ons geamuseerd maar toch ook toenemend bezorgd
uitlegt dat het aanleren van zelfstandigheid een
onderdeel van de opvoeding is, leidt daags daarna al tot
een scherpe koerswijziging in ons gezin. ,,Ik ga hem
niet meer in alles achterna lopen'', zegt mijn eega, op
wat luidere toon dan ik 's morgens van haar gewend ben.
Ze loopt van de ontbijttafel richting de keuken, maar
houdt plotseling stil bij de achterdeur als ze ziet dat
de brooddoos en pakjes drinken van onze zoon nog op de
mat staan. ,,O, nu is hij weer zijn eten vergeten'',
kreunt ze. En dan, gebiedend, tegen mij: ,,Ga jij het
even
brengen.''
In de
analyse achteraf schitteren wij als al die deskundigen
die hun
licht over voorbije zaken laten schijnen. Natuurlijk
weten wij wel dat
'zelfstandigheid'
een apart hoofdstuk is in dat ongeschreven handboek
waarmee wij onze nazaten op de weg naar volwassenheid
begeleiden. Maar omdat we ons bij de oudste van jongs af
aan nergens mee hoefden te
(schuine streep mochten) bemoeien - en al helemaal niet
met haar schoolwerk - word je toch in slaap gesust door
de hoop dat het voor een deel ook in de genen zit. En
ach, de keren dat die tweede koter
het dan op het middenveld laat liggen, lopen wij in de
achterhoede die gaatjes gewoon even dicht.
Die gaatjes vallen bij hem in het gedeelte van zijn
hersenen waar de
argeloosheid waarmee hij in het leven staat (vooralsnog,
uiteraard,
want hier gaan wij aan werken), de overhand heeft op het
korte termijn
geheugen. Zijn eerste dagen op de middelbare school
kenmerken zich
door vergeten huis- en lockersleutels, essentieel
lesmateriaal en het
- op een manier die zo langzamerhand op obstructie
begint te lijken,
gelet op het feit dat zijn moeder elke avond 25 keer
tegen hem zegt
het wél te doen - consequent niét invullen van zijn
agenda, waardoor
hij er 's avonds bij het maken van zijn huiswerk maar
een slag naar
slaat. Nooit geweten dat bedachtzaam uitgesproken
woorden als 'Eens
even kijken, volgens mij moeten we van hoofdstuk 1,
geloof ik, het
eerste, of nee, het tweede' de vrouw met wie ik al 25
jaar leed en
lief deel, zo tot radeloosheid kunnen brengen.
Als verbeterpuntje voor mezelf in dit traject naar
zelfstandigheid
probeer ik de vanzelfsprekendheid van me af te schudden
waarmee ik
accepteer dat mijn zoon zo in elkaar steekt. Dat ik het
heel normaal
vind dat hij na een nachtje slapen bij zijn
basketbalclub de doppen
van zijn zelfopblazende luchtbed, een T-shirt en zijn
regenbroek kwijt
is. Dat ik altijd een reservesleutel van zijn fiets aan
mijn eigen bos
heb hangen, om op welk uur van de dag dan ook als zijn
eigen Route
Mobiel te kunnen uitrukken. Dat zijn blikveld een uurtje
of zes per
etmaal niet verder reikt dan de schermpjes van zijn
Nintendo DS. En
dat we elke ochtend bij een rondgang door het huis een
vuilniszak
kunnen vullen met wat er eigenlijk nog allemaal in zijn
rugzak had
moeten zitten.
Dus ja, stel ik nog maar eens vast terwijl ik met zijn
plastic tasje
met brooddoos, Snelle Jelle's, pakjes drinken en een
Breaker (ja, er
wordt goed voor hem gezorgd, die eerste weken als
brugpieper) naar
mijn eigen fiets loop: dit gaan we vanaf nu helemaal
anders doen.
Discipline en zorgvuldigheid worden de sleutelwoorden,
bedenk ik - op
weg naar een goedmoedige conciërge die het tasje
mondvoorraad met een
al even zo grote vanzelfsprekendheid van me aanpakt -
als ik in mijn
educatieve mijmeringen word gestoord door mijn
echtgenote die me in
het steegje achter ons huis achterna holt met mijn
mobiele telefoon en
portemonnee.
Ik weet het.
Dit is geen sterk eind aan een stukje over
zelfstandigheid. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
9 september
2008 |
|
| |
|
|
| |
Zelfstandigheid
Grote veranderingen
doen zich gelden in de kleinste details.
,,Misschien is het beter dat je voortaan mijn haar niet
meer doet'', zegt onze zoon voorzichtig tegen zijn
moeder, die in de badkamer net haar vingers steekt in de
pot gele gel waarmee ze haar jongste nazaat elke ochtend
transformeert van Jan Peter Balkenende-junior in iemand
die ook in de 21ste eeuw normaal over straat kan.
Tenminste, daar ging ze tot op dit moment vanuit. Op de
ochtend van de dag waarop hij zijn eerste gang naar de
brugklas maakt, gelden er nieuwe wetten.
Het is de
eerste oprisping van zelfstandigheid die ik signaleer in
de
aanloop naar het middelbaar onderwijs. Zoals hij het
heel gebruikelijk
vond dat hij op de basisschool jaar in, jaar uit in een
gespreid bedje
terechtkwam,
zo bemoeit hij zich ook nauwelijks met de
voorbereidingen voor de brugklas havo/vwo. Op aanraden
van zijn zus schafte hij zich enkele maanden geleden ('anders
zijn de leukste al uitverkocht') een
agenda aan, waarin hij zijn naam en de helft van zijn
adresgegevens noteerde, en liet hij zich een keer door
zijn moeder meeslepen naar de
schoolcampus van een groot warenhuis voor een
Eastpak-rugzak in camouflagekleuren, een stapeltje
schriften en schrijfgerei. Dat zijn
door mij online bestelde boekenpakket automatisch thuis
wordt bezorgd,
komt hem allerminst vreemd voor en dat al het materiaal
een paar dagen
later is gekaft en van stickers voorzien, vindt hij
evenmin
verwonderlijk.
Zijn moeder weet waar en wanneer hij zich moet melden,
en alle
instructies om daar allebei zijn oren open te houden,
netjes te
noteren wat er wordt gezegd en in alle opzichten zijn
verstand te
gebruiken, absorbeert hij met de vanzelfsprekendheid als
waarmee hij
de richtlijnen negeert om op tijd naar bed te gaan, zijn
handen niet
constant in de snoeppot te steken en op de tv niet
voortdurend te
zappen tussen pulpprogramma's bij de commerciëlen.
Behalve de mededeling dat hij alles prima onder controle
heeft, is er
na afloop van de eerste introductiedag niet veel
feitelijks uit hem te
krijgen. Dat geldt ook voor het vriendje waarmee hij van
en naar zijn
nieuwe school fietst, dat hem in de avonduren belt om te
vragen wat ze
de tweede dag ook alweer mee moeten nemen. Onze zoon
aarzelt even,
bijt op zijn lip en zegt dan: 'Ik geef mijn moeder wel
even', die aan
de hand van een halve meter stencilmateriaal dat hij
eerder op de
eettafel heeft uitgestort, probeert wat handzame
informatie te
verstrekken. Als het vriendje na anderhalve minuut
reageert met 'Nou,
ik snap er niks van, ik geef mijn moeder wel even',
voeren beide
vrouwen de rest van de eerste schoolweek meerdere keren
per dag
overleg over lesroosters, rugzakinhoud, lockergebruik en
aanpassingen
in het vertrekschema van het kroost.
Mijn veronderstelling dat na enkele dagen qua
zelfstandigheid de
teugels wel wat kunnen worden gevierd, wordt meteen
gelogenstraft door
het feit dat hij 's avonds allerlei essentiële artikelen
- waaronder
zijn broodtrommel - in zijn locker blijkt te hebben
laten liggen,
waarna zijn moeder zich zet aan een A4'tje met een
dummyversie van
zijn rooster en allerlei andere basale instructies die
met
dubbelzijdig plakband ('alleen even de plakrand
verwijderen') aan de
binnenkant van zijn kastje kunnen worden bevestigd.
Aan het eind van de week lijkt onze zoon zich definitief
te hebben
neergelegd bij de wetenschap dat ook de gang naar de
middelbare school
voor hem een geheel verzorgde reis is.
,,Mam, kom je even mijn haar doen?'', hoor ik hem
bovenaan de trap roepen. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
2 september
2008 |
|
| |
|
|
| |
Weer terug
De bemanning van de
Bounty was een gezeglijk stelletje vergeleken bij de
zoetwatermatroos die bij mij voor in de kano zit. De
eenvoudigste commando's - 'links, rechts, even niks doen,
laat de boot zijn weg zoeken' - vormen de aanleiding
voor een breed maatschappelijk debat, dat al snel
ontaardt in een ordinaire scheldpartij.
Een
kilometer na vertrek voor wat een genoeglijk tochtje
door een
'gorge' had moeten worden, hangt onze boot schuin op een
boomstronk in
een stroomversnelling en loopt vol met het kolkende
water van de Tarn.
Van Bounty naar Titanic, in enkele ogenblikken. Twee man
overboord.
Met mijn rechterhand houd ik het Tupperwaredoosje omhoog
waarin ik
mijn camera waterdicht dacht te hebben opgeborgen, met
mijn linker
probeer ik de kano te kantelen. Leeg was dat net nog
geen probleem.
Survival
is tegenwoordig een probaat middel voor teambuilding.
Maar
voor vader en zoon-momenten staat het genre nog in de
kinderschoenen. De manier waarop mijn jongste nazaat in
zijn
zwemvestje voor me uit spoelt, lijkt symbolisch voor de
wijze waarop vakantie ouders en kinderen toch vooral uit
elkaar drijft. In ons gezelschap van elf (!)
familieleden bevinden zich vier adolescenten die zich
van jaar tot jaar afvragen of zij er al aan toe zijn om
thuis te blijven. Ze hebben niks aan ons reclamepraatje
over een prettige camping, het gelikte zwemparadijs, het
mooie landschap van de Franse Cevennen, de middeleeuwse
dorpjes, de sfeervolle marktjes en het vooruitzicht dat
het hier bijna drie weken lang tussen de 25 en de 30
graden is. Voor hen is de camping de ideale hangplek en
de organisatie speelt daar handig op in. Zodra de bar 's
avonds om 23 uur voor de ouwetjes dicht gaat, mogen de
pubers bezit nemen van de bijna geluiddichte
binnenplaats en daar tot diep in de nacht hun eigen bier
nuttigen. Nou ja, 'hun' eigen bier. Daar denken mijn
zwagers anders over.
De buren heb je op een kampeerterrein normaal niet voor
het uitkiezen.
Maar deze sleep ik bijna 1200 kilometer achter me aan:
dit jaar vieren
we, als een afscheiding van de familie Petalo, vakantie
met de
gezinnen van twee van mijn drie zussen. Hoezeer ik ook
mijn best doe,
om daar verandering in te brengen. Al op de rondweg van
Parijs probeer
ik - als gevolg van tegenstrijdige informatie van mijn
Garmin
satellietnavigatie en mijn eega (ouderwets kaart op
schoot), in
combinatie met mijn eigen wijsheid - ze af te schudden.
Nadat ik
binnen honderd meter met mijn twaalf meter lange
combinatie van
auto/caravan vier keer van baan wissel, zien we mijn ene
zus pas
ergens bij Orleans weer terug. Met de andere rijd ik het
traject langs
de Seine nog eens dunnetjes over waarop prinses Diana en
haar Dodi
destijds zo ongelukkig aan hun einde kwamen. Wij komen
er met een paar
bijna-doodervaringen genadig af.
Kamperen doen we in gerieflijke sleurhutten, maar als
onderdeel van
het losmakingsproces gaat het kroost terug naar de
natuur. Van een van
de twee tenten waarin drie neven moeten worden
ondergebracht, blijken
de stokken nog thuis te liggen. De andere tent is lek,
wat alleen bij
een enkele nachtelijke hoosbui een probleem blijkt. Ook
lek: het ene
van de twee luchtbedden waarop ze uiteindelijk met z'n
drieën
belanden. En elke band die we naar het wildwaterparadijs
van onze
camping meeslepen.
Een van de weinigen die ik in deze drie weken vrijwillig
van de
camping af krijg, is mijn 20-jarige neef. Hij benut onze
tochtjes om
te benadrukken dat wij ook op de racefiets uit elkaar
drijven. Op de
venijnige hellingen die de ene gorge met de andere
verbinden, rijdt
hij - na een avond met 20 pils en drie Engelse meiden op
een lek
luchtbed - naar boven met een gemiddelde van 19
kilometer per uur,
waar mijn hoogste snelheid - na twee wijntjes en vroeg
onder de wol -
nooit boven de 13 uit komt.
Maar dat is klein leed vergeleken met de domper waarmee
mijn twee
andere neven (16 en 17) in hun losmakingsproces te maken
krijgen. Na
drie weken achter een 16-jarige Belgische schone te
hebben aangelopen,
moeten zij constateren dat Geil (met een hele zachte
'G', dus
misschien schrijf je wel Gail) bij onze zuiderburen geen
gemoedstoestand maar een hele gewone meisjesnaam is. |
|
| |
|
|
| |
29 juli
2008 |
|
| |
|
|
| |
Het nieuwe
rijden
Zonder daarvoor ooit
waardering te hebben gekregen, was mijn
schoonvader zaliger de uitvinder van het Nieuwe Rijden.
Met vrouw, drie kinderen, opa en oma, plus alle bagage,
was hij gewoon met zijn klassieke Citroën Ami 6 de
hoogste col op weg naar hun vaste vakantieadres - de
Holterberg - in de hoogste versnelling op te rijden. Het
ene jaar lukte dat - na een flinke aanloop - net, het
andere jaar niet, waarmee hij zijn nazaten met een
levenslang trauma voor de combinatie vakantie, auto,
helling en motorisch ongemak opzadelde.

Ook in dat
opzicht heeft mijn eega het met mij als echtgenoot niet
getroffen. Niet omdat ik - zoals mijn schoonvader - niet
weet dat ik
op een helling moet terugschakelen - maar omdat ik als
gevolg van een
permanente staat van armoede in barrels van auto
rondreed en
daarenboven gezegend ben met een slecht karakter. Met
mijn eerste
voertuig - een rode eend met gele wielen - mocht ik
graag op haar
angst inspelen door richting de top steeds minder gas te
geven en vlak
voor het hoogste punt de wagen reutelend tot stilstand
te laten komen.
Het laatste stukje deed ik dan - door met mijn lichaam
hard naar voren
en naar achteren te bewegen - net of ik er nog een paar
meter kon
uitpersen.
Toch zou het nog jaren duren voordat het Nieuwe Rijden -
zo min
mogelijk toeren maken om zoveel mogelijk benzine te
sparen - door de
overheid met televisiespotjes werd gepropageerd. En dan
blijken er
meer slachtoffers te vallen. De ANWB Alarmcentrale had
de afgelopen
weken de handenvol aan caravanrijders die hun zware
sleurhut in de
vijfde versnelling - lekker zuinig, zo ziet de regering
het graag -
een helling op wilden trekken.
Met de opvolgers van mijn eend - een gele Renault 4 en
een oranje Opel
Kadett met een zwart dak - hoefde ik de ellende nooit na
te spelen.
Met de Renault werden we na zes weken in de flank
geraakt door een
Duitse toerist in een Volkswagen Kever (zo min mogelijk
remmen, dat is
ook het Nieuwe Rijden) en van de Kadett herinner ik me
alleen nog de
reeks lekke radiatoren, defecte bobines en lege accu's,
die ons in
Bretagne nog wel eens een dagje of twee extra op een
camping hielden.
De Zweedse degelijkheid waarin ik het hierna zocht - een
overjarige
grijze Volvo 240 sedan - liet ons op de bergweg van Nice
naar onze
camping in Gilette tot stilstand komen met een gebroken
distributieriem en had verder ook een hekel aan de
combinatie van warm
weer, een volgeladen auto en geaccidenteerd terrein. Van
een vakantie
naar Normandië blijft me de terugreis bij als een lang
gevecht tegen
oplopende temperaturen, waarna de motor in het zicht van
de haven en
op het ongelukkigste moment - in de file op het diepste
punt van de
Antwerpse Kennedytunnel - alsnog begon te koken. De
opvolger van de
grijze Volvo - een rode Volvo 240 Polar stationcar -
mocht met onze
1500 kilo wegende caravan ook graag warm aanlopen,
waardoor mijn eega
op onze reizen doorgaans weinig van het landschap zag
omdat haar blik
als die van een cobra gefixeerd bleef op de
temperatuurmeter. In het
laatste jaar kreeg hij door een geheimzinnig
elektronisch mankement
startproblemen, die ik soms - maar soms ook niet - kon
oplossen door
allerlei stekkers los te trekken en weer in te pluggen,
wat ons op het
parkeerterrein bij Dover Castle nog hele angstige
uurtjes opleverde.
De afgelopen twee jaar hebben we - met onze nieuwe,
benzineslurpende
suv - radicaal met dit verleden gebroken. De komende
vier weken
trekken we - bij voorkeur in z'n twee, met een motor die
loeit als een
raket en met een beetje geluk nog net 1 op 6 haalt - al
die andere
Nederlanders voorbij die met hun caravans keurig in z'n
vijf een berg
oprijden, reutelend op de vluchtstrook tot stilstand
komen en dan de
Alarmcentrale bellen.
Het Nieuwe Rijden is aan ons niet besteed. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
22 juli
2008 |
|
| |
|
|
| |
Incasso
Ver
van het juridische slagveld waarop onderwijsinstituten
en
uitgevers elkaar inmiddels naar het leven staan, worstel
ik me als kleine consument met behulp van mijn dochter
door de website van Van Dijk Educatie uit Kampen. De
bestelling voor haar boekenpakket is inmiddels de deur
uit, maar bij die voor haar broertje - in alle opzichten
een beginneling in brugklas havo/vwo - kan zij mij nog
een hoop geld besparen. ,,Niet doen, die Grote Bosatlas'',
waarschuwt ze. ,,Die heb ik boven nog liggen. In vier
jaar tijd nog geen drie keer in gekeken.'' Scheelt toch
weer bijna 65 euro die een stoffige aardrijkskundeleraar
zonder kennis van Google Maps en Google Earth me even
uit de zak had willen kloppen.
Hetzelfde geldt voor de
godsdienstleraar die me naast 'Van horen
zeggen 1 en 2' (totaal 24 euro) ook nog de gebonden
herziene editie
van de bijbel (25,50 euro) probeert aan te smeren.
Probeer zo maar
eens binnen het officieel van regeringswege vastgestelde
bedrag van
316 euro per leerling te blijven.
Mij
lukt het in elk geval niet, ook al biedt Van Dijk
Educatie bij
elke gewenste aanschaf de keuze uit 'koop', 'huur' of 'niet'.
Als ik de Grote Bosatlas en de bijbel - plus een aantal
woordenboeken die onze zoon nog kan overnemen uit de
boedel van laten vallen vakken
(Duits en Frans) van zijn zus - niet had kunnen
wegstrepen, kom ik zelfs ruim boven de 600 euro uit.
Niet alleen als gevolg van de boekenaanschaf, overigens,
want de
school van onze jongste nazaat heeft nog een
slimmigheidje in de lijst
ingebakken, die elders in den lande ook al tot
gebakkelei heeft
geleid. Van Dijk Educatie int namelijk ook ('op verzoek
van de school
aan u gefactureerd') allerlei andere bijkomende kosten
(90 euro), voor
onder meer de borg van de locker, een bijdrage voor de
vakexcursie
biologie, de aanschaf van het schoolsportshirt en een
bijdrage voor de
introductie c.q. afsluiting van het schooljaar.
En het is vreemd, maar bij deze aanschaffingen ontbreekt
de
mogelijkheid om te kiezen uit 'koop', 'huur' of 'niet'.
Hetzelfde geldt voor de post 'verplichte bijdrage
algemeen' (verplicht
is nu eenmaal verplicht: 95 euro), waaronder het gebruik
van de
bibliotheek, de huur van de locker en de deelname aan
allerlei
schoolevenementen vallen. (Voor volgend jaar verwacht ik
ook
vergoedingen te moeten ophoesten voor het gebruik van de
fietsenstalling, de kapstokken, het meubilair en de
verlichting van de
voorraadkelder.)
Maar dat de keuzemogelijkheid 'niet' ook ontbreekt bij
de post
vrijwillige ouderbijdrage, lijkt op z'n minst strijdig
met het
vrijwillige karakter van deze bijdrage, die overigens is
begroot op
een schappelijke 25 euro (waarschijnlijk omdat veel
kostenposten zijn
overgeheveld naar de verplichte bijdrage, maar dit
terzijde). Weiger
je de (vrijwillige) bijdrage via Van Dijk Educatie te
betalen, dan
dien je eerst stennis te maken bij de online
klantenservice om de
bestelling van het schoolboekenpakket te kunnen afronden.
Als de leermiddelengigant uit Kampen nog een stapje
verder gaat in
deze rol van incassobureau, ligt voor het bedrijf een
gouden toekomst
in het verschiet. Na het biologieboek Nectar (3de editie,
deel a)
verwacht ik volgend jaar in de digitale boekenlijst
onder het kopje
'Diversen' ook al mijn openstaande verkeersboetes, de
gemeentelijke
aanslag voor de onroerend zaakbelasting en de nota voor
het
reinigingsrecht terug te vinden.
Niet vrijwillig betalen?
Dan voorlopig ook geen schoolboeken, meneertje. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
15 juli
2008 |
|
| |
|
|
| |
De schijn van school
De omschakeling is groter dan die
van de winter- naar de zomertijd. Een beetje verweesd
loop ik 's morgens rond een uurtje of zeven door de
keuken van ons huis, beroofd van mijn ochtendroutines
als pistoletjes bakken en kommen met cocopops
klaarzetten. Onze dochter moet ergens rond half twaalf
een paar cijfers ophalen en draait zich boven nog een
paar keer om in haar bed. Ook onze zoon maakt geen haast.
Hij bereidt zich in zijn bed voor op de rol van
instructeur bij het onderdeel basketbal van de sportdag
voor de lagere groepen van zijn school. Hoe zou het toch
zijn met dat leerplichtmannetje dat een paar weken
geleden op Schiphol nog scholieren plukte uit de rijen
voor de incheckbalies, vraag ik me af?
De vakantiespreiding doet
rare dingen met mijn biologische klok. Op
het Journaal en in de kranten krijg ik al weken beelden
door van de
grote uittocht die in de regio's Noord en Zuid op gang
is gekomen. De
vaderlandse
economie wordt draaiende gehouden door de regio Midden,
waarin mijn nazaten volgens de wet leerplichtig zijn.
Hoe komt het dan
dat ik elke dag de indruk krijg dat ze begin juli met al
hun
soortgenoten in Noord en Zuid op vakantie zijn gegaan en
sindsdien
maar een beetje de schijn van school ophouden?
Kinderen die - liefst voor achten - vertrekken naar een
onderwijsinstelling horen bij mijn ritme als het
ontwaken van de
dageraad. Hun lesroosters geven vastigheid en richting
aan mijn
bestaan. Als ik nu de wekker concurrentie aandoe door
onder aan de
trap mijn dochter tot ontwaken te bewegen, krijg ik een
in de
halfslaap gemompelde opsomming van een
recreatieprogramma waarmee dat leerplichtmannetje van
Schiphol een rad voor ogen moet worden
gedraaid. Ze gaat met het hele vierde leerjaar 'raften'
in Zoetermeer.
Of tapas klaarmaken voor een klassenavond.
Zelfs de activiteiten die nog iets van nut en noodzaak
in zich dragen
- de uitkomsten van de laatste proefwerkweek ophalen -
krijgen iets
lachwekkends doordat ze (ik citeer zo letterlijk
mogelijk) 'in de
school elk uur een andere leerkracht moeten zien te
traceren die, als
ze hem eenmaal gevonden hebben, vertelt welk cijfer ze
hebben'.
Sommige onderwijsgevenden zijn op zo'n dag niet te
vinden (hebben ze
zich verstopt?). Dan wacht je een uur en ga je de
volgende zoeken. Als
ik mijn wenkbrauwen frons bij deze praktijken, haalt zij
haar
schouders op. Zo gaan die dingen nu eenmaal, in de
laatste weken van
een schooljaar. En, o ja, morgen gaat ze haar boeken
wegbrengen. Duurt
een half uurtje. Dan drie dagen niks. En vrijdag haar
rapport ophalen.
Weer een week (want dat was vorige week) voorbij.
De enige regelmaat in het schoolleven van Groep 8 van
onze zoon is dat
hij elke ochtend min of meer op de vaste tijd de deur
uitgaat. De
dagen vult hij met vossenjachten, sporten en oefenen
voor de musical
Switch die wij als ouders vanavond (ja, echt vanavond)
krijgen
voorgeschoteld en waarin hij een louche (er moet een
hele pot gel mee
voor naar school en een plastic tas met uitsluitend
zwarte kleding)
diamantenhandelaar speelt. Morgen wordt ook een zware
dag. Dan is het
van negen tot half tien (of van half tien tot tien, daar
wil ik vanaf
zijn) snoep strooien in de lagere groepen, die er nog
niet aan toe
zijn om de schijn van school op te houden. Verder niks.
Daarna loop ik zeker nog een week of drie heen en weer
geslingerd
tussen mijn werk- en hun vakantieritme door het huis,
voordat wij op
10 augustus zelf naar Frankrijk afreizen. Het zou me
niks verbazen als
ik dan, ergens achter een boom bij de grensovergang met
België, dat
verdwaalde leerplichtmannetje nog zie posten. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
8 juli
2008 |
|
| |
|
|
| |
Dezelfde
steen
Nee, ik ben geen ezel. Dus heb ik
er het volste recht toe mij ook voor de tweede keer aan
dezelfde steen te stoten. Nadat eerder de Nintendo Wii
als het zoveelste elektronische gadget van het
verlanglijstje van onze zoon (bijna 12) was afgevoerd,
opperde ik voorzichtig: ,,Wat denk je van een racefiets?''
Hij kauwde even op het gegeven, knikte toen bedachtzaam
en sprak, een beetje aarzelend nog, de voor mij heilzame
woorden: ,,Ja, dat is misschien ook wel leuk.'' Terwijl
in de verte de echo van de uitroep van mijn eega
wegstierf ('Kan hij niet op de fiets
van zijn zus, die in de schuur staat weg te roesten?'),
was ik -
wapperend met mijn pinpas - al op weg naar de
fietsenspeciaalzaak.
Hoewel
de makers van Peijnenburg er met hun karikaturale
reclame-uitingen momenteel alles aan doen om dat beeld
kapot te maken,
geloof ik nog steeds heilig in een van generatie op
generatie
doorgegeven passie voor de wielersport. Het is waar,
mijn jongste nazaat legt meer belangstelling aan de dag
voor computerscherm
gerelateerde activiteiten, maar dat maakt de uitdaging
om hem te voorzien van klapkuiten, gebronzeerde armpjes
en een spierwit bovenlijf alleen maar groter. En kan hij
op de mountainbike ook niet heel aardig uit de voeten?
Mijn dochter heb ik pas op haar veertiende duidelijk
weten te maken
dat haar leven niet compleet was zonder een scherp
gesneden rijwiel
aan de daarvoor bestemde haken in ons uitpuilende
schuurtje. Het was
nog een heel gedoe om voor haar puberlijf (uitzonderlijk
lange benen,
betrekkelijk korte romp en armpjes) een geschikte fiets
te vinden,
maar bij het Belgische Ridley (de sponsor van toekomstig
Tour de
France-winnaar Cadel Evans en sprintwonder Robbie
McEwen; nee, dat is
geen toeval) draaien ze hun hand niet om voor maatwerk.
En er komt een
dag, houd ik mijn eega al bijna twee jaar voor, dat deze
investering
zich gaat uitbetalen in snelle koersen, adembenemende
bergritten en
machtige eindsprints. De twee jaar dat ze nu is gestopt
met basketbal
met de belofte zich volledig aan de wielersport te
wijden, moeten we
zien als een sabbatical. Onze dochter is 'in between
sports', zou je
kunnen zeggen. De tweede trainingsrit van dit jaar die
ze afgelopen
zondag maakte, was in dat opzicht veelbelovend te noemen.
Twaalf is natuurlijk ook een betere leeftijd om een
fundament te
leggen voor een wielerleven. De tijd en de geesten zijn
rijp. Zijn
aanhoudende gezeur om een Wii (een computerspel waarbij
je met de
afstandsbediening moet zwaaien om een en ander in
beweging te zetten),
en zijn hardnekkige weigering om iets anders te vragen
('ik weet niks
anders'), kwam als een geschenk uit de hemel. En ja,
natuurlijk zou ik
eerst gaan voor een tweedehands (er stond een vrijwel
nagelnieuwe
Raleigh-replica met de naam Hennie Kuiper in het frame
gespoten), maar
ook zijn lijf in de groei vraagt eigenlijk om maatwerk
dat alleen in
de fabriek te krijgen is. Met 'We hebben het hier over
een
instapmodel!', smoorde ik thuis een enkele critica de
mond.
De levering wordt nog een race tegen de klok. Drie weken,
rekent de
fabrikant, waardoor hij er net voor zijn verjaardag (27
juli) kan
zijn. Veertien dagen later reizen we af naar Frankrijk,
waar in de
Tarn de uit 'De Renner' van Tim Krabbé bekende colletjes
op hem
wachten. Mijn zoon gaat omhoog, desnoods achter een stuk
snijkoek aan
een touwtje aan. Hij is een groot liefhebber van 'Snelle
Jelle's'.
Nee, niet van Peijnenburg, maar van een aangetrouwde
neef. Wieger
Ketellapper. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
1 juli
2008 |
|
| |
|
|
| |
Propaganda
Als
een ter dood veroordeelde die elke handeling bewust voor
de laatste keer meemaakt, sluit onze zoon zijn
basisschoolperiode af. Niet dat hij uit zichzelf erg
doordrongen is van de wending die zijn nog jonge leven
gaat nemen. Het is zijn zus die hem daar de hele dag
opmerkzaam op maakt. ,,Geniet er nog maar even van’’,
smaalt ze, als hij zich na het avondeten opmaakt om
buiten te gaan spelen. ,,Dat gaat straks echt niet meer.
Dan zit je alleen maar aan je huiswerk.’’ Van enige
tegenspraak (’Mijn school is huiswerkvrij!’) is ze niet
gediend. Dan is buitenspelen wel te kinderachtig, als je
op de middelbare school zit.
De
middelbare school, dat was vroeger iets om naar uit te
kijken. Ik ontleende zoveel zelfvertrouwen aan deze
serieuze stap op weg naar de
volwassenheid
dat ik ergens halverwege de zomervakantie merkte dat ik
nauwelijks meer stotterde. Dat ik mijn bril op durfde te
doen waar andere mensen bij
waren. Dat ik de witte stickers met ’Feyenoord’ van mijn
fiets pulkte. En er met zwarte letters op mijn groene
pukkel voor uit wilde komen dat ik een fan van Slade
(’Cum on feel the noize’) was.
Maar voor
zoveel onbevangenheid is in ons huis geen ruimte meer.
Als het aan onze dochter ligt, waren de zeven plagen van
Egypte en Nelson Mandela’s jaren op Robbeneiland een
eitje vergeleken bij wat onze zoon in de brugklas havo/vwo
te wachten staat.
De
lichtpuntjes die mijn zoon meent te moeten aanvoeren op
basis van officieel foldermateriaal van de school
waarvoor hij zich heeft ingeschreven, doet ze af als
staatspropaganda. Hij gelooft toch zeker zelf ook niet
dat een school echt huiswerkvrij kan zijn? Hier, kijk
dan, wat ze zelf elke dag allemaal moet leren (ik citeer
even uit het hoofd): 27 pagina’s Grieks, 44 rijtjes met
Duitse woordjes en zinnetjes, 3 stencils met wiskundige
en scheikundige formules en twee werkstukken voor
biologie en Engels, elk met de omvang van een ouderwets
deel van de Winkler Prins.
Al krijgt
haar broertje maar een fractie van deze opgaven, dan nog
zal hij al zijn vrije tijd opgesoupeerd zien aan het
uitwerken ervan.
Om een reëel
beeld van eigen kunnen te ontwikkelen, dient hij verder
zo’n veertig procent af te trekken van de cijfers die
hij het afgelopen jaar heeft gehaald. Dan kan het straks
alleen maar meevallen, als hij nog eens met een zesje of
zeventje thuiskomt. Van een naadloze aansluiting van
het basis- op het voortgezet onderwijs moet hij zich
sowieso niet te veel voorstellen.
Ook gaat hij
onherroepelijk gepest worden als: hij begint over zijn
voorliefde voor Lego, hij zijn haar zo belachelijk in
een scheiding blijft trekken, zijn T-shirts in zijn
broek blijft stoppen nadat hij naar het toilet is
geweest, blijft lachen om poep- en piesgrappen en ook
maar aan iemand laat weten dat hij ’Het huis Anubis’
kijkt.
Verder
hoeven we hem niet uit te rusten met een Mp3-speler (’hij
weet toch geen muziek om erop te zetten’), een mobieltje
(’wat moet hij nu met een mobieltje?’) of een
Eastpak-rugzak (’als zijn school echt huiswerkvrij is,
kan hij zijn boeken wel op school laten liggen’). Een
schoolagenda zoekt zij wel voor hem uit, want als hij op
zijn eigen smaak afgaat, is het leed helemaal niet te
overzien.
Het is
vooral mijn eega die zich de blaren op de tong klets om
het beeld van het middelbare schoolleven enigszins bij
te stellen. Zelf leid ik uit het feit dat onze zoon -
ondanks deze vooruitzichten - nog niet is gaan stotteren,
bedplassen of anderszins blijk geeft van spontane
neurotische aandoeningen, hij ook tegen de middelbare
school wel opgewassen is. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
24 juni
2008 |
|
| |
|
|
| |
Rouwverwerking
,,Jammer'', zegt mijn dochter, bij
wie de passie voor de voetbalsport alleen tijdens grote
toernooien ontluikt. ,,Ik had er echt zin in om Europees
Kampioen te worden.'' En zij niet alleen. Mijn nicht -
type spelersvrouw met als bijzondere aandachtspunten
make-up en kleding - was er met een gelijkgezind
vriendenclubje speciaal voor naar Basel
afgereisd. Als je de liefde voor Oranje met dit soort
types moet
delen, wordt de smartelijke nederlaag tegen de Russen
opeens een stuk draaglijker.
Voetbal
beleef ik het liefst in m'n eentje. Lekker chagrijnen op
de bank om het zouteloze spel dat het Nederlands Elftal
ons nu al een jaar of wat voorschotelt. Met succes wring
ik me tijdens WK's en EK's
in allerlei bochten om uitnodigingen af te slaan voor
tuin- en
schuurfeesten met grote lcd-schermen, beamers,
halfdronken
pseudokenners en alle kakelende buurvrouwen uit de wijde
omtrek, van
top tot teen gehuld in oranje. Maar dit EK was voetbal
nadrukkelijk
een familiegebeuren.
Het begon al met de
familie EK-poule, waaraan ik me nog dacht te
kunnen onttrekken met het argument dat ik er de kracht
niet voor heb
om, nog voor er een bal is getrapt, de ploegen en
uitslagen te
voorspellen van kwart-, halve en hele finales. Om mij
binnenboord te
halen werd de poule geknipt: eerst de groepsfase, als
die achter de
rug was hoefden we ons pas te buigen over de rest van
het toernooi.
Verder bleek voetbal kijken opeens opgewaardeerd tot een
gezinsgebeuren. De terreur van de rest van de klas ('Ik
ben de enige
die het niet mag zien') verhinderde dat ik mijn zoon
gewoontegetrouw
om negen uur naar bed kon sturen. Ook hij houdt niet van
voetbal, maar
is op een leeftijd (bijna 12) dat je niet uit de toon
wilt vallen.
Aangestoken door
geldzucht (er is binnen de EK-familiepoule 55 euro te
winnen) zat ook onze dochter op het puntje van de bank.
Mijn bank.
Vervolgens viel er ook nog weinig te chagrijnen. Dit
keer leken we
echt met een wereldelftal naar het EK te zijn afgereisd.
Ik hoorde
mezelf in nabeschouwingen lovende woorden spreken over
de verdedigende
kwaliteiten van Joris Mathijsen en het loopvermogen van
Rafael van der
Vaart. Zelfs over Robben heb ik tussen twee blessures in
nog wat
aardigs gezegd.
Pas tijdens de
kwartfinale was alles weer als vanouds. Mijn zoontje
bedacht dat hij vijf minuten na de aftrap toch liever
boven wilde
computeren. Mijn dochter verborg zich eerst op de bank
achter het
lesmateriaal voor de komende proefwerkweek en vergezelde
daarna mijn
eega, die van de spanning maar wat struiken in de tuin
was gaan
snoeien en alleen even naar binnen kwam als ze drie
huizen verder –
waar de buren wel een beamerparty hielden – geloei
hoorde opklinken.
Op dit soort momenten trakteerde ik haar op mijn
inmiddels
legendarische Nederlands Elftal-chagrijnigheid.
Na de uitschakeling is
binnen de familie een ordinaire ruzie
uitgebroken over de puntentelling van de EK-poule.
Vooral mijn eega,
inmiddels op een hopeloze achterstand, maakt
moeilijkheden omdat zij
extra punten wil voor het feit dat zij in de eindstrijd
als enige
Duitsland laat verliezen van Spanje (0-2). Ik sta één
punt voor op de
concurrentie en lijk niks te vrezen te hebben omdat die
– net als ik –
volledig heeft toegeschreven naar de finale Portugal
–Nederland (1-3).
Mijn dochter kijkt weer gewoon TopGear op de BBC tijdens
Italië-Spanje
('Wanneer is het WK?', wilde ze zaterdagavond nog wel
weten) en alleen
onze zoon lijkt zich niet bij de uitschakeling van
Oranje te willen
neerleggen.
,,Rusland ligt helemaal
niet in Europa!'', jammert hij. ,,Het is gewoon Azië.''
Als de UEFA meegaat in
dit protest, staan we overmorgen gewoon in de
halve finale. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
17 juni
2008 |
|
| |
|
|
| |
Dirk
Onder degenen aan wie
mijn vader op zijn sterfbed een afscheidsbrief stuurde,
was Dirk Kuijt. Mijn pa was een grote fan van Dirk, zijn
plaatsgenoot, de visserszoon in wie hij – zelf
oud-visser – de kracht, de werklust en de
onverzettelijkheid bewonderde. Bij de brief deed mijn
vader een exemplaar van zijn boek waarin hij verhalen
uit de visserijwereld vastlegde: Vissersbloed. Dat heeft
Kuijt ook, tenslotte. Dirk belde een dag later op om te
bedanken en ze hadden volgens mijn vader een fijn en
warm gesprek. In de paar weken dat hij nog leefde, werd
hij een nóg grotere Dirk Kuijt-fan. En ik ook.
Alleen voor
de buitenwereld is Katwijk een dorp waar iedereen elkaar
kent. Maar dat is nog knap lastig, met meer dan 40.000
inwoners,
waarbij ik de 'nieuwe' Katwijkers uit Rijnsburg en
Valkenburg (sinds
een paar jaar vormen ze één gemeente) niet eens meetel.
Ik weet waar
Dirk
woont, zag hem wel eens in de buurt van zijn huis op de
fiets en
heb hem een keer voorrang gegeven in de auto (uit
respect, ik kwam
eigenlijk van rechts) en ja, ik weet dus ook dat hij in
een SUV van Volkswagen rijdt, als hij tenminste
inmiddels niet van model is veranderd.
Katwijk is
wel klein genoeg om alle verhalen over Dirk te horen.
Over de keer dat hij bij de slager werd aangesproken
door een Quick Boys-lid, dat vroeg wanneer Kuijt nu eens
met kaartjes voor Liverpool
over de brug kwam. 'Vanavond gooi ik ze bij je in de
bus', beloofde de voetballer. En warempel, het was nog
zo ook. Ik ken mensen die Dirk z'n huis in Liverpool
hebben behangen en ingericht. Die met Dirk de afgelopen
maand nog een biertje deden, in zijn favoriete kroeg in
de Badstraat.
Veel meer
dan ik, zal mijn vader niet van Dirk Kuijt hebben
geweten.
Nou ja, hij wist uit welk nest Dirk kwam. Kende zijn
vader. Kende zijn
moeder. Maar omdat hij het in de laatste paar weken dat
hij nog te
leven had, belangrijk vond om alles te zeggen wat hij op
zijn lever
had, stuurde hij Dirk de brief. Of hij toen al wist dat
ook de vader
van Kuijt aan kanker leed, weet ik niet. Maar ik vermoed
van wel. Van
de mensen van zijn generatie ontging hem niet veel in
dat dorp van
40.000 inwoners, waar hij na zijn vissersloopbaan
jarenlang als
bijstandsmaatschappelijk werker aan de sociale dienst
verbonden was.
Het verloop van de ziekte van Dirks vader ging minder
snel dan die van
de mijne. Toen mijn pa al was overleden, reikte die van
Dirk – net
geopereerd, maar nog steeds zwaar ziek – de Gouden
Schoen uit aan zijn
zoon. Het was voor mij in meerdere opzichten ontroerende
tv en ik heb
het stukje op Uitzending Gemist in de dagen daarna een
paar keer
teruggekeken. Er sprak een onvoorwaardelijke liefde
tussen vader en
zoon uit en ik vond het mooi om die zo voor een
miljoenenpubliek
geëtaleerd te zien.
Voor mij is
het veiliger om dat in dit soort stukjes te doen. Om
even
van me af te schrijven dat ik het heb gemist om
afgelopen zondag,
Vaderdag, niet met mijn vader te kunnen discussiëren
over de
opstelling van dit Nederlands elftal. Dat ik hem met
stemverheffing
had willen horen zeggen dat 'die Van Basten het vanavond
tegen de
Roemenen (of in de rest van het toernooi) niet in zijn
hoofd moet
halen om Dirk ('onze Dirk') uit de basiself te halen,
ten faveure van
mooi-weer-voetballers als Robben en Van Persie'.
De vader van Dirk Kuijt ligt op de Katwijkse
begraafplaats direct
achter mijn vader begraven. Een vrijwel dagelijkse
kerkhofbezoeker als
mijn moeder ziet Dirk en zijn vrouw Gertrude geregeld
bij het graf.
Onlangs nog, vlak voor dit EK.
Ja, voor een
fan van Dirk Kuijt ligt mijn vader op een mooi plekje. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
10 juni
2008 |
|
| |
|
|
| |
Kareltje
Het was mijn in
Spanje rentenierende vriend van wie ik de anekdote
hoorde over de jachtopziener die, op bezoek bij vage
kennissen, met zijn handen schuin onder de salontafel
hun kat liefdevol leek te aaien. Nadat hij was
vertrokken werd het dier levenloos op het vloerkleed
aangetroffen. Nek gebroken. Jachtopzieners hebben het
niet zo op katten, die jagen in hetzelfde territorium.
Ik heb het altijd een gruwelijk verhaal gevonden. Totdat
Kareltje in mijn leven kwam. Elke morgen om 05.45 uur,
nu al bijna een week lang. ,,Dood hem’’, zeg ik tegen
mijn rentenierende vriend, in een vorig leven boswachter,
dus behoorlijk nauw verwant aan de jachtopziener.
Aan
wie Kareltje toebehoort, is niet duidelijk. Hij – want
hij heeft zijn ballen nog – is een keer meegelopen met
één van de drie poezen in dit huis in Jalón, aan de
Costa Blanca, waar ik samen met mijn zwager op de
racefiets een slopend trainingskamp afwerk. Kareltje
weet inmiddels de weg: door het slaapkamerraam van mijn
vrienden, via de gang, richting de keuken waar de
etensbakjes staan. De andere drie katten doen dit, op
welk uur van de nacht ook, in alle stilte. Alleen
Kareltje niet. Bij elke stap roept hij, met een
decibelletje of 90: ’Prrrrt, Prrrt.’ Om 05.45 in de
morgen. Als het nog donker is. Als wij nog liggen bij te
komen van weer zo’n fietstocht van 150 kilometer door de
bergen.
’Prrrt,
Prrrt.’
,,Dood
hem!’’
De vriendin
van mijn rentenierende vriend zei eerder deze week met
de stelligheid van hen die weten dat ze onzin verkopen,
dat ze ’haar katten niet zo verwent als wij onze
kinderen’. Toen ik haar voorhield dat ik de eerste
vriend van mijn zoon of dochter die elke morgen om 05.45
uur ’Prrrt, Prrt’ voor mijn slaapkamerdeur roept, daarna
de trap afstommelt en vervolgens onze ijskast leegeet,
hoogstpersoonlijk zelf de nek breek, restte haar niets
anders dan een angstig lachje.
Want
Kareltje (,,Dood hem!’’) is de vriend van Koepoes, de
gedragsgestoorde jongste kat (nee, niet gedragsgestoord,
zij heeft ’een aan autisme verwante stoornis, dat komt
in de beste families voor’) van het drietal dat hier het
huishouden regeert met een vast ritme van
ochtendwandelingen, yoghurthapjes, fruitmixjes,
bliktussendoortjes en andere pamperijen die normaal
alleen couveuseklantjes ten deel vallen. Elke morgen
kunnen we de klok op hem gelijk zetten. ’Prrrt, Prrrt.’
Maar ook overdag mag hij graag binnenvallen om te kijken
of er nog wat te halen valt.
’Prrrt,
Prrrt.’
,,Dood
hem!’’
Het systeem
om aangereden dieren van het wegdek te verwijderen, is
in Spanje niet zo efficiënt als in Nederland. De hele
week rijden wij hier op onze racefietsen langs
aangevreten kadavers van katten in alle soorten en maten,
die ons vanuit hun dode ogen nog met ontzetting
aanstaren. Je weet dat je de andere kant op moet kijken,
maar je blik wordt er onwillekeurig elke keer weer naar
toe getrokken. Met afgrijzen, maar ook met hoop. Nog
maar een keer kijken. Maar nee, Kareltje is er nooit bij.
Kareltje is
de aan drugs verslaafde zoon die het gezin terroriseert,
de huishoudportemonnee leegrooft en elke dag weer op een
warm welkom kan rekenen. Op zijn wandaden volgt slechts
vergoelijking. Want gut, ja, het is Kareltje, de vriend
van Koepoes. Hij is ogenschijnlijk van niemand, heet
waarschijnlijk niet eens Kareltje, maar moet wel een
eigen thuis hebben waar ze hem af en toe een
vlooienbandje om doen.
Laten we die
vervangen door een heel klein bomgordeltje, stel ik voor,
na weer zo’n nacht die een uurtje of drie te kort heeft
geduurd.
Zolang wij
hem niet durven te doden, moet hij de eer aan zichzelf
kunnen houden. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
3 juni
2008 |
|
| |
|
|
| |
Koude
oorlog
Fietsen is oorlog.
Koude oorlog. Al weken meldt mijn in Spanje
rentenierende vriend subtiel op zijn website hoeveel
kilometer hij in de bergen heeft gefietst en wat ons –
loonslaven in het natte, vlakke Nederland – te wachten
staat als wij vanavond naar Valencia vliegen voor een
trainingskamp van acht dagen. En o ja, wat hij bijna nog
vergat te melden, als wij zaterdag meerijden met de
Spaanse mannetjes van de club uit Pedreguer, staat net
toevallig de langste rit van het seizoen op het
programma: 174 kilometer met 3 of 4000 hoogtemeters.
Inclusief verplichte brunch onderweg met bier, wijn,
koffie met cognac en een dessertwijntje toe.
Dit is één vorm van koude oorlog. Het demoraliseren van
de
tegenstander door hem te overspoelen met feiten en
weetjes die hem de
moed in de wielerschoenen doen zinken. Een andere vorm
is de
tegenstander zand in de ogen strooien. Dat gebeurt op
zondagmorgen om
08.15 uur als ik mij meld bij mijn clubje De Noordbikers,
waar ik word
opgewacht door kerels met verkreukelde hoofden die
beweren dat ze de
hele week geen meter hebben getrapt. Vandaag doen we dus
rustig aan,
want toevallig hebben ze gisteravond allemaal ook nog
een feest gehad
dat tot diep in de nacht voortduurde. En waarbij de
drank rijkelijk
vloeide.
Er
zijn dagen geweest dat ik me daar geestelijk enorm aan
optrok. Dat ik me een paar minuten lang kansrijk wist om
met de beste van dit
uitgelezen gezelschap mee te fietsen. Maar nu weet ik
dat de snelheid bij het eerste bochtje dat we moeten
nemen vanaf ons verzamelpunt – het gebouw van de lokale
tennisclub – al op de 35 kilometer per uur
ligt en de hele rit zo rond de 40 zal blijven schommelen.
Al die
drankorgels rijden alsof hun leven er vanaf hangt.
Ongepast in koude oorlogsvoering is dat ik ze laat
merken dat
uitgerekend ik er die nacht wél pas om half drie in lag,
na een uit de
hand gelopen klaverjassessie. Dan ruiken de mannen bloed.
Ik mompel
alleen iets over 'ook nauwelijks aan training toegekomen',
waarbij ik
de uren dat ik op dinsdagavond, donderdagavond en
zaterdagmorgen op de
fiets zat, angstvallig verzwijg. Dat doen zij ook,
tenslotte.
Bij mijn tweede trainingskamp in Spanje (in februari was
ik er ook al)
word ik dit keer vergezeld door mijn zwager die – het
komt niet meer
als verrassing – de afgelopen maanden (drukke baan bij
de politie,
examinator bij het korps, gezin, en wat al niet)
nauwelijks aan
trainen is toegekomen. Er gaat ook een collega van hem
mee, van wie ik
niet meer weet dan dat hij zo'n bikeragent is, die na
elke drukke
kruising tegen zijn fiets geleund staat te wachten
totdat jij
onverhoopt door het rode licht rijdt.
Maar dat hij ook trainingskilometers op de fiets maakt,
leid ik af uit
het verhaal dat zijn deelname aan het kamp op het
laatste moment
onzeker maakt. Afgelopen weekeinde in de Ardennen reed
hij in een
afdaling achter een auto die bij elke verkeersdrempel
moest afremmen.
Hij stuurde wat links van dit voertuig, dat op dat
moment plotseling
ook linksaf sloeg naar een oprit.
De collega werd gelanceerd en was enige tijd bewusteloos
voordat hij
kon constateren dat zijn fiets total loss is. Hij heeft
last van zijn
nek, moest gisteren nog een vervangend rijwiel zien te
regelen en
beslist in de loop van vandaag of hij alsnog meegaat.
Want hij wil de
komende dagen natuurlijk geen blok aan ons been zijn.
Het gaat mij niks verbazen als dit zogenaamd
verkreukelde mannetje ons
de komende dagen allemaal het snot voor de ogen fietst. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
27 mei
2008 |
|
| |
|
|
| |
Kamp
Het is veel meer dan een
goede gewoonte. Het is een ritueel, een magisch moment,
als de groepen 1 tot en met 7 de school uitkomen om
groep 8, die op schoolkamp gaat, uit te zwaaien. De
afscheidsgroet staat – al duurt dat nog een paar weken –
symbool voor het einde van een basisschoolperiode. Niet
alleen ik, maar ook mijn zoon heeft oog voor dit soort
momenten. Hij mag ze graag voorzien van monumentale
one-liners. Als hij door een haag van kleuters naar de
bus loopt, hoor ik hem zeggen: ,,Zeven jaar van
uitzwaaien betaalt zich eindelijk uit.''
Er
is een nerveuze, korte nacht aan voorafgegaan. Al voor
zessen – mijn gevorderde leeftijd voert mij tegenwoordig
rond dit soort
tijdstippen naar het toilet – zie ik het licht in zijn
kamer branden.
De weekendtas die zijn kortstondig in Spanje
verblijvende moeder heeft klaargezet, wordt door ons nog
eens met de Franse slag gecontroleerd
op vergeten kwesties. Daarbij komen we tot de ontdekking
dat de vrouw
die hem gebaard heeft, is vergeten een kussensloop bij
zijn slaapzak
te doen. Kordaat rukt mijn zoon de Jip en Janneke-sloop
van zijn
dekbed, wat mij een aarzelend 'Zou je dat nou wel doen?'
ontlokt.
(Veel later, in het kamphuis in Ermelo, komt – ergens
strak onder de
slaapzak opgevouwen – toch een zorgvuldig uitgekozen,
stoere
racewagensloop tevoorschijn. Maar toen was het leed al
geschied.)
In de loze minuten die er
kennelijk altijd moeten zitten tussen het
instappen en het wegrijden van bussen met schoolkinderen
(beetje
zwaaien alvast, gebaren dat hij niet meteen aan zijn
zakken met snoep
moet beginnen), neem ik met een geplaagde leerkracht het
verloop van
de komende dagen door. ,,De eerste nacht is altijd het
ergst'', zegt
hij, met mathematische zekerheid. ,,Als we die eenmaal
hebben gehad,
is het ergste achter de rug.'' Voor de begeleiders is
zo'n schoolkamp
een driedaagse veldslag, waarop de oorlogswetten van
toepassing zijn.
Voor de dertig leerlingen
uit groep 8 van mijn zoon – onder wie een
overschot aan wat ik, even los van moderne diagnoses,
eufemistisch
levenslustige jongetjes zou willen noemen – was
eigenlijk een vorm van
één-op-één begeleiding wenselijk geweest. Maar omdat ook
het onderwijs
het niet gemakkelijk heeft, is men niet verder gekomen
dan een team
van negen man/vrouw. Dat is minimaal om de eerste nacht
door te komen,
begrijp ik van de leerkracht. Maar het korps Veluwezoom
houdt politie
te paard achter de hand. De tweede nacht kan de
vermoeidheid van de
eerste doorwaakte nacht worden geoogst en is voor de
begeleiding het
ergste achter de rug.
De aanvechting die mijn
eega – meerdere keren per uur – heeft om 'even
om een hoekje te willen kijken' is mij – mede na dit
verhelderende
gesprekje – vreemd. Ik spreek mijn zoon pas weer op
vrijdagmiddag
telefonisch, vanaf mijn werk, als hij net door zijn
moeder in bad is
gezet om drie dagen aangekoekt vuil van zijn lijf los te
weken.
Zoals gewoonlijk beantwoordt hij de vraag 'of hij het
leuk heeft
gehad?' door in hoog tempo al het leed dat hem is
overkomen op weinig
beknopte wijze samen te vatten. Op de glijbaan in het
zwembad was
iemand die te kort achter hem naar omlaag gleed, met
zijn voet op zijn
rug terechtgekomen, wat een imposante blauwe plek had
opgeleverd.
Verder had hij al op de
eerste dag zijn voet verstuikt, was zijn grote
teen opgezwollen door een pijnlijke ontsteking en...
,,Zeg nou ook dat je het
heel leuk hebt gehad'', hoor ik mijn
echtgenote, die bij haar werkgever ook de public
relations in haar
pakket heeft en haar werk graag mee naar huis mag nemen,
op de
achtergrond roepen.
Ja, dat wel natuurlijk.
Maar hij was ook blij dat hij weer thuis was,
want daar konden ze in zijn slaap tenminste geen
tandpasta meer in
zijn neusgaten smeren.
Ook in de tweede nacht
bleef het in Ermelo kennelijk nog lang onrustig. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
20 mei
2008 |
|
| |
|
|
| |
Wantrouwen
Pas als je
voor een paar dagen afscheid van elkaar moet nemen,
besef je hoe diepgeworteld het wantrouwen in een relatie
kan zijn. Naast het koffertje van mijn eega die voor
vijf dagen afreist naar onze vrienden in Spanje, staat -
al volledig ingepakt - de weekendtas voor mijn zoon, die
over vijf dagen op schoolkamp gaat. Zelfs de kleren die
hij bij vertrek dient te dragen, liggen er in een
stapeltje bovenop. ,,Kijk, je moet alleen nog even twee
batterijen voor zijn zaklantaarn halen en een zak
kleurstofvrije snoep voor onderweg. En wat zakgeld in
zijn portemonnee doen. Moet ik dat nog opschrijven, of
vergeet je dat niet?'' Ik vergeet het niet, maar het
wordt toch opgeschreven. Voor een vrouw is een man een
mens met een beperking.
Tegen
vrienden en collega's die ik altijd heb beschimpt omdat
zij - één of meerdere keren per jaar - los van hun vaste
partner op vakantie gaan, kan ik nog steeds volhouden
dat wij niet meedoen aan die moderne malle fratsen van
'even lekker op jezelf zijn'. De keren dat ik alleen
afreis naar Spanje, ga ik met mijn racefiets op
trainingskamp. En mijn
echtgenote kreeg voor haar verjaardag een ticket van
onze
rentenierende vrienden voor een soort van werkkamp: het
is de tijd om
in de wijngaarden de druiven te dieven: het weghalen van
overtollige
uitlopers en bladeren, waardoor de trossen zich beter
kunnen
ontwikkelen. Leuk werk, vindt ze, maar nee, het is zeker
geen
vakantie.
Als ze had geweten dat haar zoon op de dag dat zij 's
avonds om half
zeven weer aankomt op Schiphol, 's morgens om negen uur
voor een
aantal dagen met Groep 8 op schoolkamp gaat, was zij
overigens niet
gegaan. Van zo'n kamp hoor je als kind oververmoeid,
vervuild en
misselijk terug te komen. Met mij aan het gezinsroer
lijkt haar de
vrees gerechtvaardigd dat onze jongste nazaat al in die
staat van
ontreddering afreist. Vanaf de dag dat de kampgids bij
ons op de
eettafel wordt gesmeten, werkt zij minutieus de lijst op
pagina 13
('Wat moet je meenemen?') af, die vooral bestaat uit
kleding voor elk
weertype en besluit met 'Een goed humeur!'.
Verder beschouwt zij de vijf dagen die zij weg is, als
een zo
overzichtelijke termijn dat ik geen instructies krijg
voor het gebruik
van wasmachine en strijkplank (daar was ik even bang
voor), noch voor
stofzuiger of -doek (twee disciplines die ik wel
beheers, maar slechts
na hevige druk in de praktijk breng). Ook andere tips
over de
verzorging van het kroost beschouwt zij kennelijk als
nutteloos, zodat
ik 's avonds wat onzeker aan mijn zoon moet vragen of
hij wel weet wat
hij 's morgens moet aantrekken of bij benadering weet
hoeveel gel er
in zijn weerbarstige kuif moet worden gesmeerd, zonder
het risico te
lopen dat hij op het plein voor Adolf Hitler lookalike
wordt
uitgemaakt.
Wel weer gedetailleerd zijn de richtlijnen voor de
sociale
verplichtingen die ik in de regel ontloop, maar in haar
afwezigheid op
me dien te nemen. Op vrijwel elke dag dat zij 2300
kilometer verderop
druivenbladeren van de stam plukt, is er in onze
familie- en
vriendenkring wel een verjaardag, waarvoor
handgeschreven kaarten en
enveloppen klaarliggen (die ik nog wel met baar geld
dien te vullen).
Voor de enkeling die de viering van zijn geboortedag
niet met
klinkende munt bekroond wil zien, staan van naamkaartjes
voorziene
cadeaus klaar.
Afgezien van dit corvee brengen wij als moederloos gezin
de dagen met
onze vaste routines door, niet gehinderd door iets van
regelmaat of
discipline. Vooral voor mijn zoon, die zichtbaar kan
lijden onder
zaken als orde en tucht, is het even wennen. Als ik hem
op de avond
van mijn vrouws vertrek rond een uurtje of elf naar bed
breng, zegt
hij, op niets gebaseerd maar intens tevreden: ,,Als mama
er niet is,
staat het hele huis op stelten.''
Ik heb alles onder controle.
Ik kamp alleen met een imagoprobleem. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
6 mei
2008 |
|
| |
|
|
| |
Magie
Parijzenaars
hebben jarenlang gehakt om onder hun stad een uitgebreid
metronet aan te leggen. Dus valt het onze nazaten
moeilijk uit te leggen waarom wij op onze eerste dag in
de Franse hoofdstad exact 24,3 kilometer (mijn GPS-ontvanger
liegt niet) te voet afleggen. Pas als we op de trappen
van de Basilique du
Sacré Coeur luisteren naar
een Spaanse straatzanger die met gemak een honderdkoppig
publiek bespeelt, dringt de romantiek en de magie van
Parijs tot hen door. ,,Hij speelt mijn halve
MP3-speler’’, fluistert mijn dochter geïmponeerd.
Op
onze vakantie proberen we de grote stad zoveel mogelijk
te mijden. Te druk, te weinig parkeerplaatsen en teveel
dure kledingzaken om je vrouw in te verliezen. Maar voor
onze citytrip naar Parijs denken we de ideale combinatie
te hebben gevonden tussen een kampeer- en een
stadsvakantie. We staan met onze caravan op de camping
in het Bois de Boulogne, lekker onder de bomen en met
zicht op een sluis die het water van de Seine
vervaarlijk doet kolken. Het kampeerterrein wordt
bevolkt door een kosmopolitisch gezelschap in vooral
peperdure campers, dat ’s ochtends en ’s avonds in de
file staat voor de slagboom en het servicestation waar
ze hun toiletten kunnen legen en drinkwater kunnen
bijvullen. Onze Kip steekt schril af tegen het twaalf
meter lange onderkomen van een Zwitsers gezin naast ons,
dat overigens niet te beroerd is mij een zekering af te
staan als ik het 12-voltssysteem van onze caravan
opblaas door provisorisch een oplader voor de Nintendo
DS van mijn zoon in elkaar te knutselen (zijn eigen
oplader ligt nog thuis).
Vanaf de
camping zet een shuttlebus ons binnen tien minuten af
bij het metrostation van Porte Maillot. Daar kun je
ondergronds gaan, maar ook het stukje lopen naar de Arc
de Triomphe die je van daar al ziet liggen. En dan sta
je ook gelijk op de Champs Elysées. En slenter je naar
het Place de la Concorde. Langs de Tuillerieën naar het
Louvre. Dan de Seine over en weer terug naar de Dôme des
Invalides. En vandaar - nog maar een klein stukje,
jongens - zie je ook de Eiffeltoren liggen. Dan is het
weer niet zo ver naar de Arc de Triomphe. En als we dan
nog een klein stukje de Avenue de Grande Armee aflopen,
zijn we weer bij de Porte Maillot.
Als Youp van
’t Hek in zijn conferences verhaalt van grootse en
meeslepende dagen in Parijs, sjokken er nooit twee
mopperende pubers achter hem aan. Na New York (waar ze
op haar hotelkamer dagenlang naar de Amerikaanse tv keek)
en Londen (waar ze Queen ontdekte bij de musical ’We
will rock you’) haalt onze dochter haar neus op voor de
kleinsteedse kneuterigheid van Parijs. Maar als ook wij
vanaf dag twee zwichten voor het gemak van de metro
klaart haar humeur wat op, zeker als we worden afgezet
bij Pigalle in het hart van de kunstenaarswijk Monmartre
waar we straatjes met alleen maar gitaarwinkels
ontdekken en ik op de foto (meer niet) mag bij de
seksclub Dirty Dick.
Na ons
verplichte rondje door de Sacré-Coeur zakken we buiten
neer op de trappen, waar de Spaanse straatzanger zijn
door accu’s aangedreven zanginstallatie en
gitaarversterker heeft opgebouwd. Het zicht op de stad
onder ons is fenomenaal, de zon schijnt, maar we
koesteren ons vooral in de selectie van wereldhits die
dit charmante kereltje met zijn rauwe stem en soepele
gitaarspel ten gehore brengt, en de manier waarop hij
het publiek bespeelt. Na zijn solo-optreden formeert hij
een achtergrondkoortje van drie opgeschoten Engelse
meiden (’The Spice Girls’) en zet zijn eigen
soundmixshow op door mensen omlaag te halen om met hen
hun favoriete hits te zingen. Ik laat bescheiden verstek
gaan bij ’Hotel California’, maar ben ervan overtuigd
dat mijn uitvoering veel beter en vooral tekstvaster was
dan wat een Duitse troela ervan bakte.
Later zouden
we nog picknicken in het parkje naast de Notre Dame,
door de straatjes van het Quartier Latin zwalken,
sfeervol dineren op een terras aan het Place de la
Sorbonne en zagen we om half tien in de avond de
Eiffeltoren rood opgloeien.
Maar het
mooiste van Parijs?
Een Spaanse
straatzanger die op de trappen van de Heilig
Hartbasiliek ’Losing my religion’ stond te zingen. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
29 april
2008 |
|
| |
|
|
| |
TopGear
De mogelijkheden om
als ouders je kind teleur te stellen, zijn voor ons nog
niet uitgeput. ,,Hoeveel pk heeft dit ding?'', vraagt
mijn dochter (16), met een weinig respectvolle blik op
de Chevrolet Matiz van mijn eega. Als die het antwoord
schuldig moet blijven, zoekt onze nazaat het –
hoofdschuddend over zoveel oppervlakkigheid – op in wat
de laatste weken haar Koran, haar Tora, haar Bijbel is:
het KNAC jaarboek, met alle auto's van 2007. De
uitkomsten vallen haar niet mee. ,,51'', snuift ze. ,,En
weet je hoe snel hij van 0 tot 100 gaat?'' Opnieuw moet
mijn echtgenote – doorgaans een slimme en wijze
vrouw, maar met meer hart voor haar fiets dan voor het
gemotoriseerde voertuig dat zij als een noodzakelijke
kwaad beschouwt – het antwoord schuldig blijven. ,,In
18,2 seconden. Dat dat ding nog op de snelweg mag. Een
slak is sneller.''
Haar
kijk op de autowereld is altijd een wat bijzondere
geweest. Toen ze een jaar of vier was, hield onze
dochter op weg naar een vakantiebestemming niet alleen
bij wélke voertuigen ons passeerden, maar ook de
aantallen: 67 Peugeots, 128 Fiats, 150 Opels en 29
BMW's. Helemaal compleet was dit overzicht nooit omdat
ze alleen de
automerken telde, die ze kende. Het heeft een jaar of
twaalf geduurd,
maar nu is ze vastbesloten om die lacunes in te vullen.
Zoals al
haar obsessies, gebeurt dit onder invloed van een
televisieprogramma: TopGear van de BBC. Ze heeft op
internet
inmiddels een site gevonden waar ze 'binnen twee
seconden' elke
aflevering kan downloaden die ooit is uitgezonden.
Daarvoor behielp ze
zich met historische hoogtepunten op YouTube. De jongste
generatie
heeft het niet zo op ouderwetse massamedia als televisie.
Een aantal kwalijke opvattingen van de presentatoren
Jeremy Clarkson,
James May en Richard Hammond heeft ze zich al eigen
gemaakt. Hun
dedain voor mensen met een caravan (in de uitzendingen
laten ze deze
onderkomens het liefst van grote hoogte uit een
takelwagen vallen; in
brand steken of plat walsen behoort ook tot de
mogelijkheden) heeft
haar respect voor ons, haar ouders, geen opleving
bezorgt. Met de
grootst mogelijke tegenzin stapt ze morgen,
Koninginnedag, in mijn Kia
Sorento (139 pk, van 0 tot 100 in niet minder dan 13,4
seconden ) om
met ons een paar dagen te kamperen in het Bois de
Boulogne in Parijs.
Mijn met een zekere trots uitgesproken 'Weet je wel dat
mijn Kia een
caravan van 2300 kilo mag trekken?' verstevigt mijn
status van
huisschlemiel voor de komende tien jaar.
Verder moet ze niks (meer) hebben van hybride auto's
('volksverlakkerij') en ander gezeur van de
milieubeweging over de
CO2-uitstoot of de opwarming van de aarde. Bij TopGear
maken ze daar
namelijk ook korte metten mee.
Met de toewijding van een zojuist bekeerde, slurpt ze
autogegevens op
en – erger nog, voor iemand die haar hersens voor zoveel
nuttiger
zaken nodig heeft - onthoudt ze ook. Op de fiets van
school naar huis
registreert ze de kentekens van bijzondere voertuigen,
waarvan ze
vervolgens de gegevens checkt op de site van de
Rijksdienst voor het
Wegverkeer (www.rdw.nl).
De belofte dat ze op haar achttiende op onze kosten haar
rijbewijs mag
halen als ze tot die tijd niet rookt (een makkie: ze
taalt niet naar
sigaretten of drank) werd beantwoord met de vraag of wij
er dan ook
een Aston Martin DB9 (450 pk, van 0 tot 100 in 4,9
seconden,
topsnelheid 300 kilometer per uur) bijleveren.
Ik zei het al: de mogelijkheden om als ouders je kind
teleur te
stellen, zijn voor ons nog niet uitgeput. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
22 april
2008 |
|
| |
|
|
| |
Wielerdracula
Het is mijn
tekst, maar zelf heb ik nog niks gezegd. ,,Gá jij alvast
maar en wacht boven.’’ Met die woorden laat ik altijd
mijn politiek-incorrecte neef los, als die aan het begin
van een steile helling begint te snuiven als een jonge
hond die een dag niet is uitgelaten. Maar in deze Amstel
Gold Race zijn de rollen omgedraaid. ,,Gá jij alvast
maar en wacht boven’’, klinkt het, aan de voet van de
weg die voert naar het Drielandenpunt in Vaals. Een
47-jarige, bijziende, kalende, aan rugpijnen en een zere
knie lijdende oude man gaat als een speer vandoor.
Mijn eigen vader heb ik er wel eens om verwenst, dat hij
tot op hoge leeftijd de competitie met me aan wilde. Bij
het hardlopen, op de racefiets, nooit kon het gezellig
op z’n jan-boerenfluitjes. En in een periode dat ik door
mijn werk en twee kleine kinderen nauwelijks aan het
trainen toe kwam, was het ook frustrerend om voortdurend
te verliezen van een zestigplusser. Zelf zit ik heel
anders in elkaar dan mijn oude heer zaliger. Als ik
fiets met een 20-jarige neef in de kracht van zijn leven,
ken ik als geen ander mijn meerdere. Maar alleen vandaag
even niet. Vandaag ruik ik bloed.
Mijn
politiek-incorrecte neef (de film van Geert – ‘konden er
dan niet een bladzijtjes worden verbrand?’ – viel hem
erg tegen) heeft een zware periode achter de rug. Een
bij het judo opgelopen knieblessure hield hem maanden
aan de kant. In die tijd gaf hij zich over aan de
geneugten van het uitgaansleven, die hem – zelfs na de
toestemming van zijn fysio om weer aan zijn conditie te
werken – zo aanlokkelijk voorkwamen dat zijn langste
trainingsritje op de racefiets tot nog toe 42 kilometer
bedroeg. Maar in zijn jeugdige overmoed leek hem dit wel
voldoende om met zijn bejaarde oom – en nog 12.000
andere gelukkigen - de 150 kilometer in de toerversie
van de Amstel Gold Race te rijden.
Over
wielertoeristen wordt – zoals in de Journaaluitzending
van afgelopen zaterdag – in de regel badinerend gedaan.
Maar wij hebben het oneindig veel zwaarder dan de profs,
die om een uurtje of elf gemasseerd en goed gevoed hun
hotelkamer op een steenworp van de start verlaten, om
binnen vijf of zes uur een wedstrijdje af te raffelen.
Bij ons gaat om vijf uur in de ochtend de wekker, wacht
een rit van tweeënhalf uur naar Valkenburg, hebben we
een uur nodig om de auto te parkeren en onze
startbescheiden op te halen, zitten daarna minimaal
zeven uur op het zadel, hebben dan nog een uur nodig om
de formaliteiten af te handelen en de auto op te halen,
om daarna nog eens tweeënhalf uur terug te rijden. En
dat aan het eind van een volledig werkweek die de avond
daarvoor is afgesloten op een zonnig terras waar ik mijn
voornemen om niet meer dan één Lachouffe (dat goddelijke
kabouterbier) uit de tap te nemen, met voeten trad.
Door weblogs
en krantencolumns waarin ik openhartig mijn lichamelijk
aftakeling beschreef, heeft mijn neef zich zand in de
ogen laten strooien. Nog in de auto neem ik – ook voor
hem zichtbaar - twee pilletjes, tegen de verwachte
rugklachten en de opspelende rechterknie. Van het
voornemen om een doosje Aleve te halen is – dankzij de
zes Lachoufjes – de vorige dag niks gekomen. Ik zal er
binnenkort de internationale dopinglijst op nakijken of
Saridon op de lijst van verboden middelen staat, maar
zodra we het elektronische starttapijt zijn gepasseerd
heb ik opeens nergens last meer van.
Het tempo
waarmee mijn neef zich op de eerste hellingen bedient
van zijn tactiek om aan de linkerkant van de weg – weg
van de kneuzen die halverwege moeten afstappen – langs
de meute omhoog te rijden, kan ik met gemak volgen. En
als negentig kilometer verderop bij hem het conditionele
licht uitgaat, geeft me dat - als een Wielerdracula die
zich in leven houdt met jong bloed - alleen maar extra
energie.
,,Gá jij
maar alvast en wacht boven.’’
In de meeste
gevallen reed ik op de top gewoon langzaam door, zodat
het elke keer zeker een kwartier duurde voordat hij weer
bij me was.
Nee, dat
vond ik zaterdag helemaal niet kinderachtig. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
15 april
2008 |
|
| |
|
|
| |
Trojaans
paard
Er is een tijd
geweest dat ik niet alert hoefde te zijn op het onheil
in achteloos uitgesproken zinnetjes. Dat ik niet
reageerde als er iemand aan de eettafel zei dat ze
’geloofde dat ze een heel klein beetje misselijk werd’.
Of het vage idee had dat er ’iets was met haar fiets’.
Dat ik mijn schouders ophaalde bij ’mijn computer doet
een beetje raar’. De tijd dat we nog geen kinderen
hadden, bedoel ik.
Onheil
verpakt in een onschuldige boodschap, dat is het kenmerk
van een Trojaans paard. Nu weet ik dat ’een klein beetje
misselijk’ een dagen naar maagzuur geurende woonkamer en
een torenhoge stomerijrekening oplevert. Dat ’iets met
mijn fiets’ betekent dat onze dochter de dag erop wordt
thuisgebracht door twee ambulancebroeders omdat haar
zadelpen op weg naar school is afgebroken. Dat ik – op
een modale werkdag, als mijn plicht roept – meteen van
de ontbijttafel twee trappen op naar haar kamer moet
rennen als ze, tussen twee happen Cocopops door, meldt
dat ’haar computer een beetje raar doet’.
Hij
doet raar, inderdaad. De McAfee-virusscanner is spontaan
uitgeschakeld, wil ook niet meer worden hersteld en laat
zich – na eerst door mij te zijn verwijderd – ook niet
meer opnieuw installeren. Dat geldt ook voor andere
virusscanners die ik probeer los te laten op haar pc die
onderdeel is van mijn zorgvuldig beheerde en soepel
draaiende thuisnetwerk dat inmiddels vier desktops (voor
elk gezinslid één) en drie laptops (alle drie van mij,
waarom weet ik ook niet, waarschijnlijk omdat ze het nog
steeds doen en ik er niet toe kan komen om de ouwetjes
weg te gooien) omvat. Het terugzetten van Windows naar
een datum waarop alles nog wel fatsoenlijk werkte, lukt
ook niet meer. Iets of iemand heeft de herstelpunten
onklaar gemaakt. En voorkomt ook dat het apparaat wordt
opgestart in de veilige modus. Sterker nog, nadat ik dat
een aantal keren vruchteloos heb geprobeerd, komt de pc
in een soort lus terecht waarin hij voortdurend opstart
en weer uitschakelt.
Met de
machteloosheid van de opvoeder sta ik wel eens achter
haar, als op het beeldscherm achttien tabbladen van de
internetbrowser zijn geopend, chatsessies met
klasgenoten zich ontrollen in een brei van onmogelijke
schuilnamen en bizarre icoontjes en dvd’s en cd’s ter
grootte van enkele gigabytes worden binnengeslurpt,
terwijl mijn oudste nazaat klaagt ’dat het ding zo
onmogelijk traag wordt, de laatste tijd’. Scherp
ondervragen leidt dit keer tot de bekentenis dat ze
gisteravond een programmaatje heeft geïnstalleerd
waarmee ze gitaarmuziek digitaal kan bewerken – of
zoiets – en dat de pc op zwart schoot toen ze daar een
’crack’ op los wilde laten. Na het opnieuw opstarten was
haar virusscanner uitgeschakeld en wilde ook niet meer
aan. Daarna mocht deze worm, dit virus, dit Trojaanse
paard of hoe die moderne bedreigingen ook mogen heten,
zich nog een nachtje door het netwerk vreten voordat mij
de mededeling bereikte dat haar computer ’een beetje
raar deed’.
Voor
mankerende gezinsleden kun je aanspraak maken op
zorgverlof, maar waar blijft de eerste CAO waarin wordt
geregeld dat je thuis mag blijven als je het
gesaboteerde thuisnetwerk weer in de lucht moet krijgen?
Dit huishouden is compleet ontregeld als er niet in elke
kamer een beeldscherm flikkert. Het duurt een paar uur
om mijn dochters pc leeg te vegen en weer op te bouwen
met de meest elementaire programma’s die haar
voorbereidingen op de proefwerkweek niet verstoren,
mezelf elke minuut prijzend voor de externe harde schijf
die elke dag haar waardevolle bestanden kopieert. Maar
het duurt, in de spaarzame tijd die me nog achter haar
computer wordt gegund, nog zeker een week voordat ik ook
de laatste obscure driver heb opgespoord die alles weer
naar behoren laat functioneren. Het wachten is nu op het
volgende Trojaanse paard dat zich aan de ontbijttafel
openbaart:
’De
brandmelder in m’n slaapkamer doet een beetje vreemd.’
Of:
’Ik heb een
stukje verrijkt uranium meegenomen van natuurkunde dat
nu per ongeluk in mijn aquarium is gevallen, waardoor
mijn vissen een beetje licht geven.’
Van die
dingen. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
8 april
2008 |
|
| |
|
|
| |
Proeverij
Met de SGP en de
drumfanfare in ons dorp, vind ik dat vrouwen niet per se
overal bij aanwezig hoeven te zijn. Dus de eerste
whiskyproeverij waarvoor ik ben uitgenodigd, zie ik
graag als een mannenaangelegenheid, leg ik uit aan mijn
eega, die als gevolg van de verwildering van onze
samenleving ook een invitatie heeft ontvangen. ,,Jij
houdt helemaal niet van whisky’’, smaalt ze, zelf wel
een geregelde inneemster. ,,Argumenten doen er niet toe,
als er principes in het geding zijn’’, werp ik tegen, maar
in tegenstelling tot de mannenbroeders van de SGP en de
leden van de lokale drumfanfare heb ik thuis niet veel
te vertellen.
Nu
is het waar dat ik niet van whisky houd. Ik ben meer een
liefhebber van een goed glas trappistenbier of een
lekker wijntje. En er zijn gelegenheden bekend waarop ik
me smalend heb uitgelaten over ‘het bocht dat ruikt naar
het spul waarmee mijn moeder de ramen lapt’ en in de
regel ook zo smaakt. Edoch, diep in mijn hart beschouw
ik het als een gemis, dat ik niet met gelijkgestemden –
liefst bij een knapperend haardvuur en met een goede
sigaar - over de bijzondere eigenschappen van zeldzame
single malts en excentrieke Schotse functionarissen van
obscure distilleerderijen kan filosoferen.
Wat dat
betreft loopt mijn eerste whiskyproeverij op een
desillusie uit. De meeste van die idyllische bedrijfjes
blijken in handen van een multinational die vrijwel de
gehele alcoholproductie aanwendt om er meer dan honderd
miljoen flessen Johnny Walker mee te vullen. Maar ik
leer ook dat het de kunst is om die paar vaatjes te
bemachtigen die worden achtergehouden om, na jarenlange
rijping in het juiste vat, in het glas van de echte
liefhebber terecht te komen.
Zo worden
wij op de proeverij ontvangen met een privé-editie Caol
Ila 13y, Cask Strenght 58 procent, waarvan wereldwijd
slechts 150 flessen in omloop zijn. Excuses, inmiddels
nog maar 149. Daarna worden wij door onze gastheer – de
in een imposant Schots tenue gestoken Marcel Bol, een
whisky-importeur uit Akersloot die dankzij zijn kennis
van het product is onderscheiden met de titel Keeper
of the Quaich – geleid door een opstelling van nog
eens zes glazen die zijn gevuld met zogenaamde single
casks: whisky’s die uit een en hetzelfde vat
afkomstig en dus uniek van smaak zijn.
Zoals de
Glen Grant uit 1973, die wij in het glas moeten
besnuffelen, licht dienen te kantelen en langzaam
ronddraaien om te zien hoe hij blijft ‘hangen’, dan puur
moeten proeven en vervolgens nog eens na een paar
druppels water te hebben toegevoegd, om de smaak wat te
laten loskomen. Dan is het de beurt aan ons, om
vrijmoedig uiting te geven aan wat onze smaakpapillen
doorgeven. Bij de Caol Ila 13y, las ik in de uitnodiging,
leidde dit bijvoorbeeld tot proefrapporten met zinsneden
als ’eerst peperig, vettig, hooi, heide, licht rokerig,
hout, oliepakken en prettige nadronk’, waardoor het mij
voorkomt dat er in dit gezelschap niet vreemd opgekeken
wordt van een beetje vrij associëren.
Toch zie ik
de Keeper of the Quaich de wenkbrauwen licht
fronsen als ik, na mijn imposante neus in een Dalluaine
uit 1974 te hebben gestoken, het eerste roep wat er in
mij opkomt:
,,Glassex!’’
(Voor de niet-kenners: een multi-reiniger voor keuken en
badkamer.)
Of, na een
Mortlach uit 1991:
,,Het
nachtverblijf der kleine roofdieren!’’ (Zo heb ik een
hoofdredacteur de atmosfeer in een klein vergaderzaaltje
met ongewassen journalisten eens horen beschrijven.)
En, na een
Longmorn uit 1988:
,,Een volle
Tena Lady!’’
Na opnieuw
een lichte aarzeling en herhaald snuiven moet onze
gastheer erkennen dat er wel wat ’azijnerigs’ in valt te
ontdekken. Dat geldt ook voor de opmerking van een
andere aanwezige – een vermaard CDA-raadslid – dat ik
met deze omschrijving mijn echtgenote (die even verderop
nietsvermoedend aan haar glaasje nipt) ernstig in
verlegenheid heb gebracht.
Dat is nu
het voordeel van een fractievergadering van de SGP of
een oefensessie van de drumfanfare in ons dorp. Daar kun
je als man tenminste vrijuit praten. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
1 april
2008 |
|
| |
|
|
| |
Slijtage
Bij een menhir zou het nog te verklaren zijn
geweest, maar het was een washandje van een grammetje of
vijftig. Bij het oprapen van het lapje textiel van de
badkamervloer voel ik een pijnscheut door mijn rug
trekken en kom ik niet meer overeind. Mijn lijf zit
vast. Het ene moment doet alles het nog, het andere kan
ik naast Balkenende worden bijgezet in Madame Tussauds.
Het proces van aankleden heb ik net voltooid, anders had
ik in adamskostuum naar buiten moeten schuifelen, het
lichaam in een verkreukeld vraagteken, de voeten in de
y-stand en
kleine stapjes makend, op het ritme van mijn eigen
gekreun.
'Quasimodo', constateert mijn zoon niettemin geamuseerd.
Voor
mijn drie zussen en mij waren het bescheiden
hoogtepuntjes in ons
jonge bestaan: de keren dat onze vader werd getroffen
door acute spit of een niersteenaanval. Zelden iemand
gezien die met zijn nadrukkelijk lijden zo op de
lachspieren kon werken. Elke handeling, elke beweging
ging vergezeld van een onderaards gegrom. Zijn doorgaans
vloeiende motoriek verviel in de haperingen waarmee Joe
Cocker later nog een heel behoorlijke bühneact zou
opbouwen. Routine-uitstapjes naar het toilet of de
badkamer werden hele ondernemingen, waarbij hij zich
onderweg vastgreep aan deurposten, tafelranden en andere
objecten die tegen zijn volle gewicht bestand waren.
Door niets verander je zo snel in een beklagenswaardige
oude man als
een rug die op slot zit. En me dunkt dat ik op mijn
47ste mijn portie
al heb gehad:
- Dankzij een nichtje dat lange tijd de 'k' niet kon
zeggen (daar
maakte ze een 't' van), ga ik bij mijn schoonfamilie
door het leven
als 'Ome Dit met de tale top'.
- Bij de toiletgang duurt het nadruppelen inmiddels even
lang als het
plassen zelf.
- Lezen lukt tegenwoordig alleen nog als ik mijn bril
afzet.
- En ik knoei.
Op de zondagen dat bij ons thuis mijn opa uit het
bejaardenhuis werd
gehaald voor een dagje onder de mensen, spande
mijn vader een zeiltje
dat liep van het nieuwe behang tot onder de stoel van
mijn grootvader
die het als stuurman op een bomschuit nooit zo nauw nam
met de
etiquette. Tot op anderhalve meter kon je zien wat hij
at, of net
gegeten had. Het beeld verschijnt tegenwoordig weer
geregeld voor mijn
geestesoog. Ik schijn niets meer te kunnen eten of
drinken zonder
vlekken op mijn kleren te maken, wat vooral op werk en
tijdens sociale
verplichtingen een morsige indruk maakt. Geen idee hoe
ik het voor
elkaar krijg. Het loopt kennelijk gewoon vanuit mijn
mondhoek op mijn
trui of blouse.
Gesprekken met vrienden beginnen tegenwoordig met het
beleefd
informeren naar de meest recente ingrepen die ze hebben
ondergaan: van
de behandeling aan inwendige aambeien tot een recente
sterilisatie.
Voordat we het over de nieuwe cd van R.E.M. hebben,
wisselen we snel
nog even wat tips uit om prostaatklachten te voorkomen –
veel tomaten
eten, naar het schijnt – of om hartritmestoornissen
tegen te gaan:
geen rode wijn meer.
Omdat ik weiger me neer te leggen bij de status van
menselijk
wrakhout, hijs ik me op zaterdagmorgen op mijn racefiets,
het
vervoermiddel dat bij uitstek geschikt is om je met een
kromme rug op
voort te bewegen. Een week eerder reed ik onder barre
omstandigheden
als een jonge god de 183 kilometer van, naar en in de
Joop Zoetemelk
Classic. Nu moet ik me – na 55 kilometer – in de
achtertuin met fiets
en al tegen het schuurtje laten vallen om, krom als een
Roemeens
takkenvrouwtje, verlost te worden van het zadel tussen
mijn benen.
,,Fijn dat ik jullie zulke vrolijke momenten bezorg'',
zeg ik
chagrijnig tegen mijn gezinsleden die vanachter het
keukenraam verre
van onaangedaan mijn verrichtingen volgen.
,,Je loopt alsof je het onderweg in je broek hebt gedaan'',
constateert mijn zoon.
Het zou – na mijn oprukkende kaalheid, beginnende
incontinentie,
geknoei met eten en de plotselinge rugklachten – zomaar
de volgende
fase kunnen zijn. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
18 maart
2008 |
|
| |
|
|
| |
Groter
Het is een angst die
je toch vooral koppelt aan vrouwen die de dertig, de
veertig, de vijftig en de zestig (daarna is het meestal
over) naderen. Maar onze zoon heeft er net zo goed last
van. Hij wil niet ouder worden. Niet groter ook. Zijn
huidige leeftijd en leven koesteren en conserveren, tot
in lengte van jaren. Bij elke vaststelling van zijn
moeder dat hij ’groot’ wordt, krimpt hij in elkaar. Het
liefst wil hij voor altijd haar kleine jongen blijven.
Een verzuchting die er - ergens op de achtergrond, maar
het zou ook zomaar twee kilometer verderop zijn geweest,
dan was het nog te horen – altijd toe leidt dat er
iemand opzichtig over haar nek gaat.
Nog
maar vier maanden, dan is hij twaalf. (’Nee, zeg dat nou
niet!’) En gaat hij naar de middelbare school. (’Hou
op!’) En na de volgende groeispurt is hij groter dan
zijn moeder (langgerekte jammer). ,,Waardoor het er
helemaal superlullig uitziet, als je nog op haar schoot
kruipt’’, stelt zijn zus (juist, degene van de
braakneigingen) fijngevoelig vast. In onze pogingen om
haar broer ook op weg naar de volwassenheid een
groeispurt te laten maken, heeft ze al voorgesteld om
hem naar Afghanistan te sturen, om tegen de Taliban te
vechten. Prins Harry schijnt daar ook zo enorm van
opgeknapt te zijn. Maar voorlopig proberen we het met
het alleen naar de basketbal fietsen, als ze het niet
erg vindt.
Een paar
maanden eerder had hij al eens afgezegd voor een
training omdat zijn vaste chauffeur en diens vrouw een
etentje hadden (ook het personeel heeft nu en dan recht
op een verzetje). Op de vraag van zijn coach waarom hij
dan niet op de fiets kwam, moest hij langdurig nadenken,
waarna hij die veronderstelling als belachelijk van de
hand wees omdat hij immers ’geen licht’ had. Ook nooit
behoefte aan gehad, eigenlijk.
Zelf reed ik,
vanaf een jaar of vier, in mijn eentje op mijn fiets ons
hele dorp door, waarbij de smalende tegenwerping van
mijn eega dat de wegen toen nog niet eens verhard waren,
door mij worden gepareerd met de vaststelling dat mijn
rijwiel een zogenaamde ’doortrapper’ betrof. Ik weet
niet of ik uit zuinigheidsoverwegingen van mijn ouders
niet over remmen beschikte, maar nu versleet ik minstens
elke maand een paar schoenen om net voor de bus of ander
zwaar gemotoriseerd verkeer tot stilstand te komen.
Niettemin rijdt de eerste keer dat onze zoon op de fiets
naar een wedstrijd moet, zijn moeder met hem mee. Op de
terugweg wordt hij geacht het zelf te kunnen.
Dezelfde
avond – we laten er geen gras over groeien – is hij
vanaf half tien een paar uurtjes alleen thuis omdat wij
met zijn zus een verjaardag van een tante en een neef
bezoeken. Hij kijkt bedenkelijk. Het vooruitzicht van de
absolute macht over de afstandsbediening, de colafles en
de voorraad chips is aanlokkelijk, maar de eenzame gang
naar de slaapkamer waar alle geluiden hem in het donker
als onheilspellend voorkomen, valt hem zwaar. Met de
vaststelling dat we hemelsbreed maar vijfhonderd meter
verderop zitten, zet hij zich manmoedig voor ’De nieuwe
Uri Geller’ als wij de deur achter ons dicht trekken.
Een uur
later – heel Nederland heeft net gekozen voor Ramana –
gaat mijn mobiel over, waarvan het nummer op
posterformaat door ons op de salontafel is achtergelaten.
,,Ik heb hier toch geen goed gevoel over’’, zegt mijn
zoon.
Dat hij
daarmee ’een kleuter’ is, zoals zijn zus hem de ochtend
daarop hartvochtig voor de voeten werpt, beschouwt hij
allerminst als een verwijt.
Hij wil toch
niet groter worden. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
11 maart
2008 |
|
| |
|
|
| |
Relativeren
Alle
verstandige artikelen over de Cito-toets bevatten een
oproep tot relativering. Maar daar heeft de moeder van
twee zoontjes in groep 8 (de ene is een jaartje blijven
zitten en ingehaald door zijn broer) even geen boodschap
aan. Als ze op haar werk een telefoontje krijgt dat de
uitslag binnen is (de oudste heeft het dramatisch veel
slechter gedaan dan de jongste), moet ze onmiddellijk
naar huis voor crisisbeheersing. Ze wordt nagestaard
door de holle ogen van een collega, die al drie dagen
niet of slecht slaapt, in afwachting van het
puntentotaal waarvan ze vermoedt dat dat voor het
verdere leven van haar dierbare kind het verschil maakt
tussen het succes of de goot.
De
Cito-toets is een momentopname, een willekeurig ijkpunt
in een
schoolloopbaan die nog alle kanten op kan. Een indicatie,
een vage hint, een onbeduidende rimpeling in het aardse
bestaan. ,,Waarom maken ze er dan zo'n heisa over?'',
wil mijn zoon weten, als hij in een landelijk dagblad
bij ons op de eettafel een foto bekijkt van een onder
zakken snoep, pakjes drinken, knuffels en andere
geluksbrengers
bedolven leeftijdgenootje, dat boven haar formulieren
met een gekwelde
blik voor zich uit staart.
Zelf hebben we hem – wat hij al net zo belachelijk vond
– juist naar
school laten gaan met zo weinig mogelijk om hem af te
leiden. Hij
moest vooral loslaten, zoals Tibetaanse monniken doen
voordat ze in
een opperste staat van concentratie komen. ,,Doen die
ook de
Cito-toets dan?'', wilde hij getergd weten nadat mijn
echtgenote hem
de toegang had ontzegd tot een jaargang Donald Duck's,
zijn Nintendo
DS en een plastic tas vol zoetwaren, waarmee hij de tijd
wilde doden
die hem na het afronden van de laatste opgaven nog
restte.
Onze gemiddeld presterende, chaotische en door een
minieme verandering
in de atmosfeer reeds afgeleide jongste nazaat kwam alle
drie dagen
van de toets thuis met de onbezorgde geestesgesteldheid
van iemand die
het allemaal niet zwaar gevallen was. Gelet op de ernst
van hetgeen
hij onder handen had, schuwde hij openlijk de term 'makkie',
maar een
zekere teleurstelling over het intellectuele vermogen
dat de bedenkers
van deze vragenlijsten aan de dag hadden gelegd, moest
hem toch wel
van het hart.
Hij kon ook maar moeilijk begrijpen dat deze
relativerende woorden bij
ons tot niet minder dan blinde paniek leidden. Jazeker,
hij – die een
rekensom al geslaagd vindt als hij maar een beetje in de
buurt van het
goede antwoord komt - had over elke vraag goed nagedacht.
Maar om
alles nóg een keer na te rekenen, dat ging hem toch echt
te ver. En
hij – die een bijvoeglijk naamwoord graag mag verwarren
met een
lijdend voorwerp – had zich hooguit laten verleiden tot
een enkel
gokje, bij een opgave die echt helemaal nergens op sloeg.
Maar
niettemin, hij had er een goed gevoel over.
Van vier jaar geleden – toen onze dochter
Cito-gerechtigd was – kan ik
me na het bekend worden van de uitslag mijn eigen
bescheiden houding
nog herinneren. Hoe ik slechts na een zekere aarzeling,
een beetje
besmuikt, op het oog licht gegeneerd, me door omstanders
haar optimale
score van 550 liet ontfutselen. Daar zou ik nu ook op
terugvallen, als
ik met de billen bloot moest met de desastreuze
uitkomsten van deze
momentopname, dit willekeurige ijkpunt, deze vage hint
en onbeduidende
rimpeling - ja, het is toch zeker zo? - die er niettemin
toe gingen
leiden dat onze jongste nazaat verloren was voor de door
ons en zijn
juf zo verstandig uitgezette koers richting vmbo-t/havo-brugklas
omdat
hij ver onder de voor hem voorspelde 537 punten was
uitgekomen.
O, hadden wij maar iets van de onderkoeldheid en het
relativeringsvermogen van iemand die vorige week
thuiskwam met 545
punten in het officiële Cito-envelopje, dat hij op weg
van school naar
huis toch al even stiekem had opengemaakt. Dan hadden we
- tot in
verre buitenlanden – de telefoonlijnen van
nietsvermoedende vrienden
en familieleden niet laten overspoelen met de tsunami
van ons
gezamenlijk gejuich. En het advies vmbo-t/havo voor onze
zoon niet
alsnog - trots maar roekeloos - veranderd in havo/vwo. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
4 maart
2008 |
|
| |
|
|
| |
Niet
natuurlijk
,,Net zo natuurlijk
als de kinderwens is het vurige verlangen dat de nazaten
op enig moment het ouderlijk huis ook weer verlaten. Een
eerste logische stap daartoe, is de aankondiging dat ze
niet meer mee willen op vakantie. Doorgaans als ze een
jaar of zestien zijn.’’ Ik spreek deze zinnen op
plechtige doceertoon uit tegen mijn twee neven van (bijna)
20 en 23, die zojuist blijmoedig bekend hebben gemaakt
dat ze met ons (ja, ook met ons, want wij zouden deze
zomer met hun ouders gaan kamperen in Frankrijk) mee op
vakantie gaan. ,,Gezellig’’, vinden zij. ,,Niet
natuurlijk’’, betoog ik nog maar eens.
Maar
voor de regiefout die ten grondslag ligt aan onze
zomervakantie, moet ik ook mezelf verantwoordelijk
houden. Jarenlang heb ik me in stukjes als deze afgezet
tegen ouders die hun vakanties afstemmen op de behoefte
van hun kinderen. Die het gemak van het recreatieteam en
het verwarmde zwembad met de zeven glijbanen verkiezen
boven de educatieve waarde van een trektocht door de
ruige Schotse hooglanden. En nu was ik het nota bene
zelf, die voorstelde naar een vijfsterrencamping af te
reizen met de gezinnen van mijn twee zussen omdat onze
nazaten het zo goed kunnen vinden met hun neven.
De jongste
neven, had ik daarbij voor ogen, van 15 en 17. Rustige
kerels, geen in zeven sloten tegelijk-lopers. Beetje
voetballen, stukje gitaar spelen, computerspelletje doen,
beetje landerig rondhangen onder de luifel, waar ik met
mijn boek en een biertje aan het bijkomen ben van een
fietstocht door het hooggebergte. Na een half uurtje
harmonieus zwijgende verveling hoor ik ze tegen elkaar
mompelen: ,,Even zwemmen?’’ Dan weet ik dat er twee of
drie instemmend knikken en met hun handdoek over hun nek
richting de zeven glijbanen – ruim buiten mijn
gehoorsafstand – sjokken. Als ze terugkomen nemen ze een
colaatje en spelen, alweer in alle rust, het zijn geen
grote praters, een potje Fifa 2008.
Maar nu
krijg ik de grote neven er gratis bij. Dat is – laat ik
er even een verhelderende vergelijking ingooien – alsof
je in smoking plaatsneemt voor het Concertgebouworkest
en na het inleidende, beschaafde geroezemoes opeens de
pretband Kleintje Pils ziet opmarcheren om ’Het kleine
café aan de haven’ en ’We are the Champions’ in te
zetten. Nog niet duidelijk? Alsof een gezelschap
mimespelers opeens wordt uitgebreid met Jochem Myjer en
Bert Visscher.
Ik ben
opeens de regie kwijt over mijn eigen vakantie.
Momenteel bevinden wij ons in de fase dat de neven zich
buigen over de tentindeling, waarbij de oudste van 23
heeft bedacht dat hij met de jongste (toevallig onze
zoon, tegen die tijd 12) het perfecte koppel vormt. ,,Lekker
een beetje beesten, Steef’’, mompelt de eeuwige student
watermanagement tegen onze nazaat, die maar een
bescheiden zetje nodig heeft om zijn gezonde verstand te
verliezen. De op één na oudste neef ziet zichzelf – tot
grote ongerustheid van mijn zus - wel in een tentje met
zijn neef van net 17, van wie hij weet dat die na een
paar biertjes een opmerkelijke karakterverandering
ondergaat. De geleerden zoeken nog naar de overtreffende
trap van ADHD, als mijn oudste neven het naar hun zin
hebben.
Op mijn
belangstellende ’Waar komen die tentjes dan te staan?’,
blijkt mijn eerdere aanspraak op de grootste van de drie
beschikbare plekken opeens behoorlijk in mijn nadeel uit
te pakken. Op weg naar onze eindbestemming zal in elk
ingeslapen dorp waar wij onze drie caravans even langs
de kant van de weg zetten voor een kopje koffie, de
burgemeester in paniek de noodtoestand uitroepen. En
elke camping zal korte metten maken met de bierende
neven die over tentharingen struikelend en luid zingend
rond een uurtje of vier hun tentje op zoeken.
,,Het is
niet natuurlijk’’, mompel ik nog maar eens. ,,Jullie
horen niet meer met ons mee te willen.’’ Maar mijn
protesten smoren in een verhitte discussie over de plek
waar straks de frituurpan en de beertender moeten komen
te staan.
Naast mijn
satellietschotel, vrees ik. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
26 februari
2008 |
|
| |
|
|
| |
Druk
Zelf woon ik in zo'n rijtjeshuis waar bij het barbecuen
de bal van de buurjongen op je bord met drumsticks en
chilisaus kan ploffen. Of waar je, lekker rustig met een
boekje in de tuin, de gesprekken over de slijmprop van
de buurvrouw woordelijk kunt volgen. Dus geniet ik hier,
op dit lapje grond van 5000 vierkante meter in een
vallei met voornamelijk wijnstokken aan de Costa Blanca,
van de stilte en het uitzicht op de bergen en slaperige
dorpjes. ,,Hoor je dat?'', zegt mijn veel te vroeg
rentenierende vriend. Ik hoor niks. ,,Daar, ergens in
Lliber, zijn ze een huis aan het bouwen.'' Hij wil hier
weg, het wordt hem te druk.
Nee,
laat ik niet chargeren. Het gaat niet alleen om dat huis
en die bouwactiviteiten. De afgelopen maanden stond er -
weliswaar ook op een kilometer - een mobiele puinbreker
grote stenen in kleine stukjes te hakken, die dan
vervolgens door een vrachtwagen werden weggehaald. (Op
het pleintje voor mijn deur – ook ver weg, in Nederland
- is het eindpunt van buslijn 32, waar elk kwartier een
nieuwe chauffeur met draaiende motor in zijn neus zit te
peuteren totdat het weer tijd is om te vertrekken).
Ja,
die puinbreker is nu weg, maar het is een optelsom, hè.
De wijnakker naast hem - juist ja, die van die oude Pepe
- daar dreigt diens zoon - een bankdirecteur uit het
dorp met weinig interesse voor alles wat groeit en
bloeit - een landbouwschuurtje neer te zetten. En weet
je toch hoe dat gaat met Spanjaarden en
landbouwschuurtjes? Daar worden illegaal stukjes
aangebouwd, het worden weekendhuisjes om te feesten, er
komen sloopauto's omheen te staan en vier honden achter
een lelijk gaashek die de hele nacht blijven blaffen,
terwijl de bankdirecteur in zijn huis in het dorp de
slaap der rechtvaardigen slaapt.
Ik
(die woont tegenover een filiaal van de Lidl waar, op
dagen dat de nieuwe aanbiedingen ingaan, om kwart over
acht in de morgen al vijftig man voor de deur staat te
kleumen) knik. Hij moet hier weg, dat is wel duidelijk.
Een landbouwschuurtje. Het moet toch niet veel gekker
worden.
Maar
dat is nog niet alles. Laatst zag hij bij de glasbak -
weliswaar een week te laat om nog adequaat te kunnen
reageren - een folder hangen van een protestbijeenkomst
tegen een nieuwe vierbaansweg die door de vallei is
gepland. ,,Een vierbaansweg?'', vraag ik (die woont aan
een plein dat behalve als stalling voor de Lidl ook
dienstdoet als parkeerplaats voor een kerkelijk centrum,
een mortuarium en de ouders van leerlingen van een
basisschool)? ,,Wie moet daar dan op rijden? Achter dit
dorp woont bijna niemand.'' Ik had dan ook nog niet
gehoord van de vage geruchten over die nieuwe, grote
urbanisatie achter Alcalalí, een kilometer of zes
verderop. Inderdaad, wegwezen hier uit dit achterland
van de Costa. Uit wat ik (o naïeveling!) altijd heb
beschouwd als een oase van rust, waar je dagen kon
racefietsen zonder verkeerslicht of tegenligger tegen te
komen.
Dus
loop ik - in de week dat ik hier op trainingskamp ben -
mee over percelen van 10.000 vierkante meter en meer,
die wellicht in aanmerking komen voor de broodnodige
rust waarnaar mijn rentenierende vriend op zoek is. Maar
op vrijwel elk paradijselijk stukje met olijf- en
sinaasappelbomen hoort hij wel een generator aanslaan (er
is hier geen stroom), ziet hij Engelsen op een belendend
perceel van 10.000 meter een gedrocht van een huis
optrekken of hoort hij - stil, luister, daar is het weer
- zo'n akelige puinbreker een steen in stukjes hakken.
Inmiddels zoeken ze op internet naar stukken grond van
elf hectare en meer, in Extremadura bij de grens met
Portugal of de Ebro-delta in Catalonië, waar het
allemaal nog wel betaalbaar is. En waar je nog geen last
hebt van puinbrekers, bankdirecteuren met
landbouwschuurtjes en glasbakken met protestfolders
tegen vierbaanswegen en urbanisaties.
,,Het
is ook een beetje de verveling hoor'', fluistert de
vriendin van mijn rentenierende vriend mij - ergens op
weer zo'n verlaten, te koop aangeboden helling - in het
oor. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
19 februari
2008 |
|
| |
|
|
| |
Wielerontbijt
Hij reed dit seizoen
al met de voormalige Belgische kampioen Eddie de Sitter
(uit de tijd van de grote Merckx) en ook het
Beloftenteam van onze zuiderburen is al langs geweest.
Onderweg komt hij, meestal keurig in het gelid, de
renners tegen van allerlei prof- en semi-profteams die
deze februariweken aan de Costa Blanca hun trainingskamp
opslaan. Afgelopen week is er een keer of vijf gezwaaid
naar de meiden van het AA Cycling Team van Leontien van
Moorsel. Maar toch is mijn in Spanje rentenierende
vriend blij dat ik er ben. Ik rijd wel niet zo hard en
mijn lijf draagt (nog) de sporen van een paar kilo te
veel. Maar ik weet tenminste hoe het hoort, als we rond
half elf in de morgen in ons wielerkloffie neerstrijken
in een restaurant.
Onze
Spaanse wieleropvoeding kregen mijn rentenierende vriend
en ik bij de Club Ciclista Xaló (Valenciaans voor Jalón,
het dorpje waar hij nu al een jaar of tien woont). Er
werd door de kleine, tanige mannetjes lang en goed
gekoerst, maar het sociale aspect van onze
zondagmorgenritten was minstens zo belangrijk. Na een
kilometer of vijftig werd er gestopt bij een restaurant
voor de almuerzo: een soort verlaat ontbijt voor
Spanjaarden die ’s morgens alleen op een kop koffie en
een cakeje het huis verlaten. Met een mannetje of
vijftien zaten we aan lange tafels waarop schalen
pelpinda’s, bordjes met olijven en augurkjes en twee
grote salades werden neergezet, om gezamenlijk in te
prikken. Tegen de dorst kwamen er literflessen cola en
water, maar de halve stokbroden (bocadillos) met
tortilla, kaas, tomaten of varkensvlees werden
uitsluitend weggespoeld met bier (aangevoerd in grote
kannen) en wijn (in karaffen en flessen). Het grote
geheim van de combinatie alcohol en wielrennen is dat de
drank wordt aangelengd met gaseosa, in Nederland
misschien nog het beste te vergelijken met 7Up Light.
Een goede Spaanse zondagsrenner is matig met drank, maar
gul met gaseosa.
Op onze
eigen trainingsritten gedragen wij ons inmiddels de hele
week als zondagsrenners. Dus gruwt mijn rentenierende
vriend ervan als hij de Belgen en Engelsen met wie hij
veel optrekt, tussen tien en elf uur koffie met veel
melk hoort bestellen, ieder een deel van de gezamenlijke
salade op zijn eigen bordje ziet schuiven en bij de ober
hoort informeren of er soms ook brood met marmelade te
krijgen is. Hier wordt een schitterende wielercultuur
met voeten getreden.
Het sociale
aspect van het fietsen heeft bij de Club Ciclista Xaló
inmiddels de overhand gekregen, moeten mijn
rentenierende vriend en ik inmiddels met leedwezen
constateren. De mannen hebben de afgelopen tien jaar een
kogelrond buikje gekregen, andere familiaire
verplichtingen op zondagmorgen (zoals het rond vier uur
ophalen van zestienjarige dochters uit de disco), of
hebben ontdekt dat ze ook op de motor naar die leuke
restaurantjes in de bergen kunnen rijden voor hun
almuerzo met bier, wijn en bocadillos.
Vandaar dat
wij dit jaar ons heil hebben gezocht bij de renners van
een buurgemeente: de Club Ciclista Pedreguer. Hier staat
de sport nog hoog in het vaandel, met een indrukwekkend
routeboekje waarin wekelijks tochten van tussen de 110
en (naarmate het seizoen vordert) 150 of 160 kilometer
zijn opgenomen. En van deze mannen leren we weer hele
andere dingen van de Spaanse wielercultuur. Zoals het
mengen van bier en cola, bijvoorbeeld. Heel apart,
probeer het maar eens op een warme dag. Of de gewoonte
om na een almuerzo met achtereenvolgens (aangelengd)
bier, wijn en carajillo (koffie met brandy), ook nog een
flesje Moscatel (dessertwijn) te laten aanrukken, dat de
renners – de helmen alweer in de hand - in kleine, hoge
glaasjes tot zich nemen.
Daarna
fietsen ze weer zeventig kilometer alsof de meiden van
Van Moorsel hen op de hielen zitten. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
12 februari
2008 |
|
| |
|
|
| |
Cito-stress
Naarmate de
Cito-toets nadert, neemt de stress toe. Als ik me, moe
maar voldaan na een bardienst bij de basketbalclub, in
de bank laat zakken met een bord vol Oosterse rijkdom
van Menu B, dendert onze zoon de trap af. ,,Kom gauw
naar boven! Ik heb een rekensom die ik niet snap. En
mama ook niet. En zelfs Maaike (zijn zus, met een negen
voor wiskunde) niet! Kom gauw! Gauw!'' Met inmiddels een
mond vol Thaise kip hef ik mijn ene nog vrije hand ten
hemel. ,,Als die het allemaal
niet weten, wat moet ik dan nog?''
Om
hem voor de Cito-toets klaar te stomen, oefent zijn
moeder al wekenlang op d's en t's, bijvoeglijke
naamwoorden en voltooid deelwoorden. Hij kan ze, als we
ons tot één soort beperken, inmiddels redelijk uit
elkaar houden, maar zodra er wordt gemixt (gemixd,
gemixed, gemixet, gemikst) maakt hij er een potje van.
Het zal wel erfelijk bepaald zijn, denkt mijn eega, want
zelfs bij mij moet na vijfentwintig jaar journalistiek
't gestrande Kofschip nog regelmatig worden
vlotgetrokken. Mijn zoon en ik werken vooral op gevoel.
Pas als dat gevoel ons in de steek laat, hebben we een
probleem.
Een
zo mogelijk nog groter probleem is rekenen, waar mijn
echtgenote ook weinig kaas van heeft gegeten. En laten
taal en rekenen nu net de onderdelen zijn waarvan het
Cito – altijd goed voor wat fijne peptalk
in de aanloop naar de toets – nog maar eens vaststelde
dat er de afgelopen twintig jaar in het basisonderwijs
maar bar weinig
vorderingen zijn gemaakt. Het maakt de Cito-stress in
Huize Van der Plas er niet minder op. 's Nachts droom ik
ervan dat mijn zoon met een uitslag thuiskomt waarvoor
zelfs Bonny St. Clair de neus zou ophalen.
De bewuste rekenopgave die ik uiteindelijk toch tussen
mij en mijn
bord met Menu B krijg geschoven, begint met de
aanbeveling: Reken uit
als breuk en in procenten. Dan volgt er een aantal
kolommen met steeds
een stuk fruit. Bijvoorbeeld: banaan, dan een kolommetje
met aantal
(85), een kolommetje deel (...) en een kolommetje
procent (...). Al
het fruit totaal (er zijn ook appels, mandarijnen,
grapefruits en
alles wat je in de betere groentezaak verder nog
tegenkomt) moet
uitkomen op 500, het aantal procenten op 100 (niet
onlogisch). Maar
dan? Wat moeten we met de kolom 'deel'? Voor mij is het
allemaal
Chinees. En dan heb ik het dit keer niet over Menu B.
Enkele weken geleden bedacht ik op de racefiets tussen
Zandvoort en
Noordwijk een oplossing voor de schoolboekenproblematiek,
de te zware
rugzakken en de neiging van de jeugd om elk moment na
schooltijd voor
de schermpjes van een Nintendo DS door te brengen. Stop
al het
lesmateriaal op een geheugenkaartje dat de DS kan lezen,
was mijn
briljante oplossing, waarvan ik vermoedde dat dit
voorlopig nog een
onbegrepen toekomstvisioen zou zijn. Maar zie, deze
maand komt
Nintendo met Professor Kageyama's Rekentraining: 'Verbeter
je
rekenvaardigheden met de honderd-cellenmethode. Dit
programma biedt
zowel kinderen als hun ouders de perfecte methode om hun
rekenvaardigheid op te poetsen.'
Maar dat komt voor ons dus een paar maanden te laat.
Als ik een dag later de restanten van mijn Menu B sta op
te bakken,
doet mijn zoon – na een verhelderend consult bij zijn
juf – een poging
mij alsnog de rekensom met de fruitwinkel uit te leggen.
,,Je moet de
getallen steeds kleiner maken'', zegt hij. ,,Kijk maar.''
Waarna hij
als de nieuwe Uri Geller zo begint te goochelen met
cijfers dat mijn
houten spatel er krom van trekt.
Ben ik even blij dat ik vandaag niet hoef te beginnen
aan de Cito-toets. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
5 februari
2008 |
|
| |
|
|
| |
Namaak
Als je weet
hoe het in het echt toegaat, is imitatie o zo
voorspelbaar. Dus voorziet mijn dochter dat de namaak
Freddie van de tribute-rockgroep Queenmania op enig
moment het podium op komt met een tros bananen op zijn
hoofd die hij, na er even mee te hebben geparadeerd, één
voor één de zaal in gooit. Het is waar. Als je niet weet
hoe het in het echt gaat, bedenk je dat niet. Maar één
van die bananen wordt door haar gevangen, voorspelt ze,
zoveel is wel zeker.
Zelf
koestert ze de gedachte dat Freddie Mercury en zij enige
tijd samen hebben geleefd. Begrijp me goed, niet hebben
'samengeleefd', maar samen geleefd. Tegelijkertijd
geleefd, is beter. Toen hij stierf op 24 november 1991
was mijn eega zes maanden zwanger van onze dochter en
dan is er officieel sprake van levensvatbaarheid,
redeneert ze. Maar bewust een concert bezoeken van Queen
in de originele samenstelling was en is er niet meer
bij. Dus als het in 1997 tot beste coverband van Europa
uitgeroepen Queenmania op nog geen vijfhonderd meter van
ons huis optreedt, laten we die gelegenheid niet aan ons
voorbijgaan.
Ja,
we, want ofschoon ik de groep na 'A night at the opera'
de rug heb toegekeerd voor ingetogen alternatieve
singer-songwriters, offer ik me op als begeleider van
mijn Queen-adept en haar vriendin. In de buurt van het
podium, waar de bananen je om je oren schijnen te
vliegen, waag ik me niet. Onopvallend houd ik me achter
in de zaal op, maar omdat de lichten voorafgaand aan het
concert nog zeker een uur aanblijven, heb ik aan
willekeurige passanten nog heel wat uit te leggen.
,,Nee, zelf ben ik helemáááál niet van Queen. Ik pas op
mijn dochter, die staat daar, helemaal vooraan, vlak bij
dat stelletje dronken geteisem dat al die plastic
bierglazen op de grond smijt. Ja, ik had ook gewoon
buiten kunnen wachten. Maar heb je wel eens gezien wat
voor weer het is?''
Het is
opmerkelijk wat er aan vage kennissen, oud-medewerkers,
een enkele zondagse fietsmaat uit een buurgemeente en
collega's van mijn vrouw op zo'n Queenmania-concert
afkomt. De ene helft is onder de twintig, de andere
helft jong-bejaard, net als ik. Aan de twintigers en
dertigers schijnt dit soort retro-optredens volledig
voorbij te gaan. Over een paar weken staat op deze
zelfde plek het Pink Project, een groep die zich heeft
gespecialiseerd in het naspelen van Pink Floyd. Nog
nadrukkelijker zullen krasse zestigjarigen zich mengen
onder tieners die de band hebben herontdekt.
Queenmania
bestaat uit vier Italianen van wie vooral de zanger –
Sonny Ensabella – een behoorlijke gelijkenis met de
echte Freddie vertoont. Alleen zijn stem is – vooral in
de hoge uithalen – een stuk scheller, maar dat kan ook
aan de povere geluidsinstallatie liggen. Voor de echte
fans maakt dat ook helemaal niet uit. Door filmbeelden
van 'echte' concerten van Queen te projecteren op de
achterwand benadrukt Queenmania zelf ook dat we hier te
maken hebben met een afgeleide. En van alle zangpartijen
zijn die van de pure liefhebbers in de zaal toch het
mooist. Het meezingrepertoire van Queen zorgt voor een
Thialfsfeertje. Queenmania is het dweilorkest.
Freddie look-a-like Sonny Ensabella hult zich om de paar
nummers in andere extravagante kostuums, die ook
letterlijk gekopieerd blijken van legendarische
Queen-concerten, zoals de Wemblyreeks uit 1986. Witte
kruippakjes, travestietenrokjes met nepborsten ('I want
to break free') en warempel, daar is ook die tros op
zijn hoofd.
En wie ving
de banaan?
Jazeker.
Maar na
afloop heb ik hem aan mijn dochter gegeven. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
29 januari
2008 |
|
| |
|
|
| |
Eerste hulp
bij een ongeluk
Niet schrikken, het is maar een voorbeeld. ,,Stel'', zeg
ik tegen mijn
zoon, ,,ik trek per ongeluk de frituurpan om en het
kokende vet loopt
over mijn handen. Wat moet je doen?'' In een fractie van
een seconde
antwoordt hij: ,,Stel het slachtoffer gerust.'' Bij het
oefenen van
zijn EHBO-lessen heeft hij ontdekt dat hij hiermee bij
vrijwel elke
verwonding kan beginnen, dat is wel zo gemakkelijk. Maar
mij valt het
een beetje tegen. ,,Ik sta met twee gefrituurde handen
en het enige
dat jij tegen me zegt is dat daar nog nooit een kroketje
minder van is
geworden?'' Hij denkt na. ,,Over welke graad brandwond
hebben we het
hier? Frituurvet staat niet in mijn lijstje.'' Een
EHBO'er begint
niets, zonder goede diagnose.
Mijn
eerste ervaring met de lokale EHBO was vlak na een
spectaculaire aanrijding, waarbij het gele Renaultje 4 waarin mijn
eega en ik ons
bevonden in de flank werd geraakt door een bruine kever
van de dochter
van een in Duitsland gelegerde Engelse soldaat (uit de
jarenlange
strijd met de verzekering herinner ik me nog alle
details). Ons
autootje – tweedehands, maar we hadden hem pas zes weken
– rolde een
keer of vier over de kop en bleef uiteindelijk op zijn
kant liggen.
Het gebeurde
vlak voor de deur van de rayonchef Rampenbestrijding in
ons dorp, die sneller dan politie en ambulance ter
plaatse was. Nadat
hij mij ruw uit de auto had getrokken (er was kans op
explosiegevaar)
en in de stabiele zijligging rolde, begon hij mijn hevig
tegenstribbelde vrouw mond-op-mondbeademing te geven.
Later, tijdens
een kopje koffie in zijn woning en na de vaststelling
van enkele wel
deskundigen dat wij helemaal niks mankeerden – bleef hij
net zo lang
met een hamertje op mijn knieën slaan dat deze
gewrichten bij koud en
vochtig weer nog steeds opspelen.
Je
gezondheid is te belangrijk om aan hobbyisten over te
laten, heb ik
daarvan opgestoken, maar het kan zijn dat mijn beeld van
de
vrijwillige hulpverlener wordt vertroebeld door dit verleden. Onze
zoon gaat, net als de rest van Groep 8, vandaag op voor
zijn
EHBO-examen, waarvoor hij al weken door zijn moeder
wordt
klaargestoomd. Met de hoeveelheid zwachtels waarmee de
oude
Egyptenaren complete woonwijken na een aanval van de
builenpest konden
inpakken en mummificeren, legt hij nu bij haar
vingerverbanden aan,
waarbij hij aan het eind steevast net dat laatste
metertje windsel
tekort komt. Of slaagt hij erin de weg die het voedsel
door het
spijsverteringsstelsel aflegt te laten beginnen bij de
endeldarm (dat
geldt alleen voor zetpillen, mag ik vanaf de zijlijn dan
graag
wijsneuzerig opmerken). En kan hij ook maar matig
onthouden waarvoor
het skelet ook alweer dient, waarmee spieren aan je
botten vastzitten
en op welke plaatsen van het geraamte zich nu precies
kraakbeen
bevindt.
Nadat hij de
moeder van zijn beste vriendje had horen zeggen dat er
in
hun gezin niet veel waarde wordt gehecht aan het
EHBO-diploma
(kennelijk hetzelfde rayonhoofd ontmoet, bij een lichte
kwetsuur in
haar jeugd) is zijn motivatie er ook niet beter op
geworden. Voor ons
past het getuigschrift niettemin in het trotse rijtje
van veter-,
rits-, zwem- en verkeersdiploma, waardoor wij denken hem
in elk geval
helemaal tiptop af te leveren voor de hoofdstukken
knieverband en
kleine ongelukjes (voorwerpen in oor/neus, splinter,
uitgeslagen
tand).
Gelieve bij
vergiftiging en spijsvertering, kwetsuren aan het
zenuwstelsel en brandwonden, botbreuken,
bewusteloosheid,
bloedsomloop, flauwte en stoornissen in de ademhaling zo
snel, hard en
hysterisch mogelijk een deskundige aan te schreeuwen.
Daarna stelt mijn zoon u wel gerust. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
22 januari
2008 |
|
| |
|
|
| |
Miniloempia’s
Zelf heb ik me met
’Menu B’ altijd prima kunnen redden, maar het beoogde
onderwijsinstituut van onze zoon profileert zich met
Chinees. Het ouderforum tijdens deze open dag lijkt mij
een prima moment om de mensenrechtensituatie in dit land
onder de aandacht van de schoolleiding te brengen, maar
mijn aspiraties worden gesmoord in bakken met
miniloempia’s en schaaltjes pittige saus die rond 11(!)
uur de aula worden ingedragen. Waar is Er ik van
Muiswinkel als je hem nodig hebt?
Na
onze dochter – die haar eigen school uitkoos – is dit de
eerste keer dat mijn eega en ik bewust een
schoolkeuzeproces doorleven. Al weken werken we ons
avondmaal binnen boven stapels folders en
onderwijsbijlagen, of nemen we met de juf de verwachte
uitkomsten door van de Cito-toets – pas in februari,
veel te vroeg om als munitie te dienen in de
propagandaoorlog van de scholen in onze regio. Onze zoon
kan het allemaal maar matig schelen en dat is ook de
indruk die de juf en wij van hem hebben. Bij vlagen
briljant, maar de rest van de tijd met zijn warhoofd
elders. Dus niet te hoog inzetten, lijkt het devies, en
bidden dat het een laatbloeier blijkt. Of iemand die
zijn geluk haalt uit kleine dingen.
De open
dagen gaan de concurrentie aan met de
basketbalcompetitie, die uitgerekend deze zaterdag weer
begint en een team van 11- en 12-jarigen behoorlijk kan
minimaliseren. Onze verwachting dat we de open dag er
gewoon even tussendoor kunnen doen – beetje sfeer
snuffelen, een steelse blik in een lokaal werpen en
kijken of het personeel er een beetje decent bijloopt –
wordt al bij de entree gelogenstraft met felgekleurde
A4’tjes die de aspirant-leerlingen in groepjes doen
opsplitsen om een mini-lesprogramma af te werken. Het
groene blaadje van onze zoon wordt door zijn moeder op
het laatste moment geruild voor een rode, zodat hij met
een vriendje van zijn eigen school wordt ingedeeld. Het
A4’tje blijkt een werkwijzer zoals ze die straks – als
hun nieuwe schoolleven begint – ook krijgen en bevat
grootse thema’s als: ’leerdoelen, vaardigheden en extra
bronnen en hulpmiddelen’.
Voor de
ouders - een open dag blijkt totaaltheater - is er een
alternatief programma, met koffie, koekjes en filmpjes
in de aula, gevolgd door een forum met gelegenheid tot
vragen stellen in lokaal 2. En miniloempia’s, uiteraard,
die het goed doen in de reünie-achtige sfeer die al gauw
ontstaat met mensen die mijn echtgenote nog kent van de
zwangerschapsgym en tientallen andere types waarmee ons
leven dankzij kinderen in dezelfde leeftijd op bepaalde
hoogtijdagen synchroon loopt.
Ook deze
school heeft begrepen dat wij niet alleen te paaien zijn
met degelijk en goed onderwijs, maar heeft geshopt in
het aanbod van extra’s die in den landen inmiddels
gemeengoed zijn geworden. Zes uur sport in de week –
eventueel gedeeltelijk in te ruilen voor extra kunst –
Spaans, Chinees (als keuzevak) en een thuiswerkvrije
status die vooral bij mijn eega – die er graag een
beetje zicht op houdt – de nodige argwaan oproept.
Van en naar
een forum, een vijfde bak koffie of een zoveelste
mini-loempia, kom ik ergens in een overvolle hal mijn
zoon en zijn vriendje tegen die – als moeders op een
huishoudbeurs bedolven onder informatiemateriaal –
verzuchten dat ze het nu wel zat zijn. Als we nu naar
huis gaan, zijn we bovendien ook nog op tijd voor de
wedstrijd tegen de BV Leiderdorp.
In de auto
laat hij weten dat we de andere open dagen wel kunnen
laten zitten. Hij is eruit. Het wordt deze school.
Lekker dichtbij. En zijn vriendje gaat er ook heen.
Ze blieven
allebei geen Chinees. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
15 januari
2008 |
|
| |
|
|
| |
Graag naar oma
Het echtpaar
dat de liftdeur van de seniorenflat van mijn moeder
openhoudt, is ongeveer van mijn leeftijd. We wachten nog
even op mijn twee nazaten, die voor het trappenhuis
staan te kijken bij hun neef die zijn nieuwe brommer
vastlegt met een ketting waarmee ze normaliter
booreilanden verslepen. Als het ons te lang duurt, gaan
we alvast naar boven. ,,Wat bijzonder dat ze nog meegaan
naar hun oma'', zegt, tussen de derde en de vierde
verdieping, de vrouw van het echtpaar een beetje
jaloers. ,,Die 16-jarige van ons wil echt niet meer.''
Nog één
verdieping te gaan, dus ik onthul maar een deel van het
geheim. ,,Deze oma maakt frikadellen speciaal.''
De laatste jaren van zijn leven had mijn vader het
traditionele
koffiedrinken op zondag tot een tweewekelijkse
frequentie
teruggebracht. Tot ieders tevredenheid, eigenlijk wel,
want zo gaven elkaar ook een beetje de ruimte in het weekend. Het
werd hem ook
zichtbaar te druk, met al die grote neven en nichten
die, net uit hun
bed gerold, met zichtbare katers kwamen getuigen van hun
uitgaansbelevenissen. Maar na zijn overlijden komen we
weer elke week
omdat mijn moeder juist opbloeit met al haar
nakomelingen om zich
heen.
Bovendien geeft het haar de mogelijkheid om haar
oma-schap uitbundig
te beleven. Haar liefde gaat voor een belangrijk deel
naar onze maag.
Dat begint rond twaalf uur met taart: zelfgebakken, of
van de beste
bakker in het dorp. Wie te snel eet – dat overkomt me
geregeld –
krijgt zonder mankeren een tweede stuk toegeschoven. De
kleinkinderen
– lummels van een meter of twee die zich op de grond van
mijn vaders
voormalige werkkamer verzamelen voor de tv – komen
daarna alleen naar
de kamer om de schalen te halen waarin ze familiezakken
chips legen,
of om drinken te scoren. Als ze rond de leeftijd van
twintig geraken,
verhuizen ze op natuurlijke wijze weer naar de woonkamer
om zich met
onze discussies te bemoeien.
Op de salontafel maakt de koffie en taart inmiddels
plaats voor een
(zelfgemaakte) salade met de grootte van een karrenwiel,
waar oma op
hoogtijdagen nog een kilo zelfgepelde garnalen overheen
strooit.
Daarnaast staan Franse kaasjes, patésmeersels en
toastjes, terwijl
mijn zwager en ik rond half één onze Westmalle Tripel
voorgezet
krijgen. Als er een bescheiden bres in deze eetvoorraad
is geslagen,
springt mijn moeder op om de pan met gehaktballetjes of
stukjes
kipfilet op tafel te zetten. O ja, de pindasaus niet
vergeten.
Daarna popelt ze om het frituurvet op te warmen. De
eerste
scheepsladingen snackmix gaan in een grote
Tupperwareschaal naar de
tv-kamer, waar ze met handen tegelijk verdwijnen in de
bakjes die
eerst voor de chips dienden. Daarna begint oma aan een
rondje snackmix
voor de volwassenen, waarna het grotere werk kan
aanvangen:
frikadellen – op de salontafel overdwars in te snijden
en op te tuigen
met uitjes, currysaus en mayonaise – en daarna, als
pièce de
resistance – de uit de kluiten gewassen pikanto's. Dat
is inmiddels
het moment dat één van mijn zwagers afhaakt omdat hij
tot ver in de
nieuwe week last had van darmkrampen en aanvankelijk
maar niet kon
achterhalen waar die het gevolg van waren.
Pas als iedereen herhaaldelijk kreunt dat we echt niet
meer hoeven (op
sommige dagen is er ook zelfgemaakte snert en – voor wie
dat niet
blieft – kippensoep) overziet oma met een tevreden blik
het slagveld.
Bij vertrek staat ze bij de deur om alle kleinkinderen –
dus ook de
machovriend van mijn 19-jarige nicht – een rolletje
snoep in de handen
te stoppen.
Want ja, echtpaar uit de lift, als oma red je het niet
met de tips van
www.voedingscentrum.nl. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
8 januari
2008 |
|
| |
|
|
| |
Juridische
consequenties
Na de laatste
'bierbecue' met zijn neven viel hij letterlijk met de
poort onze tuin binnen, waar wij net rustig aan een
rosétje zaten.
,,Het goede nieuws is'', schreeuwde onze zoon (11),
,,dat ik geen bier heb gedronken!'' Mijn eega en ik
verstijfden alvast, in afwachting van de onheilstijding
die nu ging komen. ,,Het slechte nieuws is: ik heb heel
veel Energy Drink op!'' Hij stuiterde vijftien keer op
en neer door de tuin, waarbij ik op een bepaald moment
moet hebben verzucht: ,,Neem volgende keer maar een
biertje.''
Een
'bierbecue' is een barbecue met veel bier, die onze
neven (19 en 23 jaar) op geregelde en ongeregelde tijden
voor hun vrienden organiseren. Zoals bij veel van hun
activiteiten vinden zij het een goed idee om onze zoon
wat los te maken van zijn beschermde milieu en hem
kennis te laten maken met het echte leven. Daarbij
verliezen ze
uiteraard geen moment uit het oog dat hij pas elf is.
Bij het mixen
van een grote bowlschaal met Blue Curaçao en Energy
Drink wordt onze
jongste nazaat alleen belast met de vervaardiging van
dit explosieve
mengsel. Snoepen mag hij alleen van de Energy Drink.
En als hij
toevallig in een auto belandt die een van hun vrinden
naar
de coffeeshop vervoert voor nog meer geestverruimend
materiaal, laten
ze hem keurig voor de deur wachten. Hij moet ook altijd
een paar meter
naar achteren, als hij – zoals op oudejaarsdag door een
neef opgehaald
voor een vuurwerkcampagne op klaarlichte dag – getuige
moet zijn van
het educatief opblazen van een putdeksel of het
controleren of een
verkeersbord wel 'Bokitoproof' is. Het zijn goed
opgevoede jongens,
onze neven, en het feit dat de ouders voor hun oudste
telg onlangs
zelf maar een opknapwoning hebben gekocht, moet slechts
als een
subtiele hint worden beschouwd om hem op termijn met
zachte drang het
huis uit te krijgen.
Zijn aanwezigheid bij deze gastcolleges aan de
universiteit die leven
heet, neemt onze zoon zeer serieus. Na afloop brengt hij
aan ons
minutieus en enthousiast verslag uit, daarbij
voortdurend benadrukkend
dat hij zelf geen actieve rol van betekenis heeft
gespeeld bij wat op
de openbare weg of in het privédomein van de neven is
voorgevallen.
,,Ik keek alleen maar.'' En in kijken schuilt geen
kwaad, vindt hij,
zodat hij er ook geen problemen mee heeft om op te
trekken met lieden
die belletje trekken bij die ene oudere meneer die net
altijd even wat
meer overspannen reageert dan goed voor hem is, die de
lokale
supermarkt op slinkse wijze een zakje snoep armer maken
of zich via
een gat in het hek toegang verschaffen tot een
gemeentelijk sportveld
voor een buitenschools uurtje bewegingsonderwijs.
De neven – en dat moet ik hen nageven – zijn in de regel
de eersten
die hem proberen te doordringen van zijn eigen
verantwoordelijkheid.
,,Ja, maar jij hield het lont vast'', mogen ze dan
plagerig opmerken,
als onze zoon zijn aandeel in een geringe aanpassing van
het
straatmeubilair probeert te bagatelliseren. En wie
buiten wacht op de
terugkeer van zijn kompanen uit de supermarkt en een
snoepje ook niet
afslaat, kan zomaar van medeplichtigheid en heling
worden beschuldigd,
weten ze uit eigen ervaring. Net zoals de politie echt
geen
onderscheid gaat maken tussen de jongens aan de ene en
die aan de
andere kant van het gat ('ja maar, dat gat was er al')
in het hek rond
het sportveld.
Wat dat betreft is het herhaaldelijk vrijspreken van de
Nomads en de
hoofdstedelijke groep van Hells Angels een ernstige
streep door de
rekening van alle ouders en opvoeders die hun zoon of
pupil willen
doordringen van de juridische consequenties van het deel
uit maken van
een groep. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
27 december
2007 |
|
| |
|
|
| |
Niet op een lijstje
Het begint als
een mailtje zoals ik ze wel vaker krijg. Een moeder
die wil laten weten hoe herkenbaar mijn stukjes voor
haar zijn en hoeveel haar zoon lijkt op die van mij:
’ietwat dwangmatig, betweterig en intelligent’.
Alleen, haar zoon is niet meer in leven. Hij stierf
aan een acuut hartfalen, nog geen twaalf jaar oud.
Na de vakantie zou hij naar de havo/vwo zijn gegaan.
Ze weet ook niet goed waarom ze dit aan me schrijft.
Ze kent me niet eens. Wil me er ook niet mee
lastigvallen. Ze heeft de mail vooral voor zichzelf
geschreven.
Met
terugblikken heb ik niet veel. Jaaroverzichten van
het nieuws en zelfs die van de sport kunnen me
gestolen worden. Nieuws van gisteren. De feestdagen
maken mij ontvankelijker voor de dood. En mij niet
alleen. Het lijstje van bekende doden dat op deze
pagina staat, kan moeiteloos concurreren met die
willoze stoeipoes in de glimbikini. Net zoals de
pagina met overlijdensberichten het voor veel mensen
de rest van het jaar wint van de voorpagina.
Dat
merkte ik zelf in de periode van kerst en oud en
nieuw dat mijn vader overleed. Tijdens een
columnistenforum van deze krant werd me een paar
maanden geleden de vraag gesteld op welke column van
mij het meest door lezers is gereageerd. ,,Op die
over rugkriebeltjes’’, zei ik, zonder er goed over
na te denken, maar ook om te benadrukken dat
abonnees juist over de meest absurde kwesties
massaal in de pen klimmen. Het juiste antwoord
schoot me, zoals zo vaak, pas op weg naar huis weer
te binnen. De meeste reacties kreeg ik op de columns
over het ziekbed en het overlijden van mijn vader.
En nog, nu twee jaar later, nemen mensen contact op
die zich opeens in hetzelfde schuitje weten en
willen lezen wat wij toen doormaakten. De rest van
het jaar kies ik kennelijk de verkeerde onderwerpen.
Ik zou permanent in de rouwverwerking moeten gaan.
Stappen in het gat dat Jos Brink dit jaar
achterliet.
Aan
het overzicht met bekende sterfgevallen voegt
iedereen zijn eigen doden toe. De doden die niet op
de lijstjes staan. Zoals Juliëtte, uit groep 5 van
de school van mijn zoon. Acht jaar was ze pas en de
laatste vier jaar daarvan was ze ernstig ziek.
Tussen alle onderzoeken en kuren door, ging ze elke
keer weer naar school. Ze was sterk, klaagde nooit,
maar voerde - zoals dat heet - een ongelijke strijd.
Op de rouwkaart stond ze afgebeeld als het prinsesje
dat ze altijd wilde zijn. Deze week staat de foto in
het kerstnummer van Libelle; het prinsesje dat een
engel werd.
Toen
mijn vader ziek werd, was mijn moeders grootste
angst dat hij uitgerekend met kerst zou sterven. Dat
zou de feestdagen voor nu en komende jaren alleen
maar meer belasten. Hij stierf een paar dagen later,
de 29ste, maar zijn dood markeert hoe dan ook de
feestelijke decembermaand. Helemaal niet erg.
Oudejaarsavond is nu voor ons het moment waarop we
elkaar boven zijn kist in zijn werkkamer de beste
wensen doorgaven. Het maakt dat de herinnering aan
die oud en nieuw niet als een schaduw over het feest
blijft hangen. Toen we vorig jaar weer op oudjaar
bij elkaar waren en mijn zus in de werkkamer keek,
zei ze: ,,Hé, het is voor het eerst dat ik de kist
mis.’’
Op het
moment dat ze mij de mail over haar zoon schreef,
was die lezeres er na maanden weer aan toe om de
krant te lezen. En ook mijn columns, waarbij ze –
nadrukkelijker dan ooit – aan haar eigen zoon moest
denken. Ze wilde mij niet met dat beeld belasten. En
zo ervaar ik dat ook helemaal niet. Bij elk stukje
over mijn eigen zoon mag ik graag even aan die van
haar denken. Aan wat voor fantastische knul het moet
zijn geweest. En aan hoe groot de leegte is, die hij
achterliet.
|
|
| |
|
|
| |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| |

 |
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|