Columns

 

Deze site loopt - bij het plaatsen van de actuele column, tenminste - altijd minimaal een week achter bij het gedrukte woord. En zo hoort het ook. Kranten hebben het toch al niet makkelijk.  
     
     
  30 december 2008  
 
 
 

 

 

Bungelen

 

Teveel zelfgenoegzaamheid (Reinout Oerlemans) is niet goed, maar ook ik word soms overvallen door momenten van intense vredenheid. ,,Het is nu kwart over acht en alle buitenlichten zijn uit'', meld ik mijn eega in de vroege ochtenduren na een controlerondje van de voordeur naar het schuurtje. Sinds eind september werk ik eraan om  alle schakelklokken zover te krijgen dat ze de lampen op de wintertijd laten branden. Net voor het einde van 2008 is het me gelukt.

 

Onderschat nooit kleine ergernissen. Relaties zijn erop stukgelopen. Moorden door gepleegd. Wereldoorlogen uit ontstaan.  Niet dat ik de afgelopen drie maanden constant met mijn schakelklokken in de weer ben geweest. Zoals gewoonlijk trokken onkunde en lamlendigheid eendrachtig met elkaar op. Het leven ging door, met al zijn ups en downs. Maar onbewust vrat het aan me, elke keer als ik op de gekste tijden mijn buitenlampen aan en uit zag floepen of, zoals bij het licht naast de voordeur het geval was, drie maanden dag en nacht hardnekkig zag branden. Om het maar niet te hebben over de gelaatsuitdrukkingen van mijn gezinsleden, die ik alle gradaties tussen laatdunkend en minachtend heb zien aannemen. ,,Gelukkig zit er wel een spaarlamp in’’, probeerde ik, in de donkerste uren der benauwdheid, toch altijd de zonzijde te blijven zien.

 

Om het gemakkelijk te maken, beschikken wij in huis over niet minder dan drie verschillende typen schakelklokken, elk met hun eigenaardigheden. De ene is elektrisch, kan gebruikmaken van dertig verschillende programma’s en beschikt over een display dat zo uit het controlepaneel van een snelle kweekreactor lijkt geschroefd. Maar omdat de gebruiksaanwijzing destijds tegelijk met de verpakking is verdwenen, heb ik geen idee hoe dit aan te sturen. Na elk wanhopig probeersel moet ik een etmaal wachten, om het resultaat te zien. Ja, ook dat vreet tijd. De andere klok is voorzien van een cirkel van gele pinnetjes, die je met tientallen tegelijk moet induwen of uittrekken – ik heb echt geen idee - om de lamp te laten in- of uitschakelen. 

 

De derde  is er een klassieke klok met rode en groene pinnetjes, die in een binnen- en een buitenrand kunnen worden geplaatst (waarom niet gewoon één rand?). Vanaf het moment dat ik ze heb verwijderd en aangepast, leiden alle drie de schakelklokken hun eigen leven. Pinnetjes zitten verkeerd, mechanismen lopen vast, schakelprogramma’s worden in verkeerde modules veranderd, kortom, heel het radarwerk komt knarsend tot stilstand.

 

De weigerende schakelklokken zijn het symbool van mijn onmacht om dit huishouden gesmeerd te laten lopen. Al een half jaar zitten we met een vaatwasser waarvan het handvat is afgebroken. Een reservehandvat is inmiddels binnen, maar de vaatwasser is het enige kastje in de keuken waar je niet bij de schroeven kunt om hem te vervangen. Er zit een paneel voor, dat zich door mij niet laat verwijderen. O nee, niet het enige kastje. Bij de koelkast is dit ook het geval en daarvan brak het handvat afgelopen week in tweeën. Verder klemt de poortdeur, knipperen en brommen de lampen boven de eettafel door een onwillige dimmer, lekt de douchecabine door gebarsten voegen en moeten in de woonkamer het plafond hoognodig worden gewit, de muren gesausd en de deuren geverfd. Handige mannetjes van wie ik via-via 06-nummers heb gekregen, laten me bungelen, offertes voor het binnenschilderwerk laten maanden op zich wachten.

 

Maar mijn inmiddels werkende schakelklokken (de oplossing bleek – na maanden - het weggooien van het apparaat met de gele pinnetjes en het omwisselen van de schakelaars van het lampje naast de voordeur en de schuurdeur; vraag me niet waarom, maar opeens werkt het weer) zijn ook een nieuw begin. Ik kan het verschil maken, ook al duurt het een paar maanden. Heel langzaam dringt dit nu ook tot mijn gezin door. Mijn eega put kracht uit het voorbeeld van een zus en zwager, die een zondagse koffievisite bij mijn moeder overslaan omdat ze ’even alle muren in hun woonkamer van een ander kleurtje voorzien’. De schilder is gevraagd zijn uitblijvende offerte maar te stoppen op een plek waar de zon niet schijnt, de handige mannetjes laat ik bungelen totdat ze zich als gevolg van de kredietcrisis met hangende pootjes bij mij melden. Als er dan nog wat te reparen valt, tenminste. Want voel ik me sterk. Ik ga plafonds witten, muren sauzen en deuren verven.

 

2009 wordt mijn jaar.

 
     
     
     
     
  23 december 2008  
 
 
   

Verslaafd


Een uitroep van afgrijzen had ik verwacht, gevolgd door een felle veroordeling. Maar het is even stil als ik het bericht heb
voorgelezen. Mijn zoon (12) denkt na, zoekt nadrukkelijk naar de
nuance en reageert dan beangstigend rationeel. ,,Tsja, ik zou
natuurlijk ook hartstikke kwaad zijn. Maar dit is een beetje
overdreven.'' Op internet staat dat de 17-jarige Daniel Petric in
Brighton Township, Amerika, zijn beide ouders heeft neergeschoten omdat hij van hen niet langer Halo 3 mocht spelen.


Halo 3 is het favoriete computerspel van onze jongste nazaat. Sinds
sinterklaas speelt hij het op de Xbox 360, daarvoor behielp hij zich
met een duistere versie die – na veel moeite mijnerzijds – ook op de
pc aan de praat te krijgen was. Als je het in je eentje hebt
uitgespeeld, kun je Halo 3 daarna met vrienden – of verkeerde neven op
een sombere zondagmiddag – nog een keertje overdoen. Of je zoekt via Xbox Live – de virtuele spelwereld van Microsoft op internet – eindeloos naar online kameraden. Via de headset kun je zelfs met ze communiceren. Socialer kan bijna niet.


Daniels moeder komt bij de schietpartij om het leven, de vader raakt
zwaargewond. De jongen staat terecht voor moord en poging tot moord.
Omdat hij minderjarig is, wordt er geen levenslange gevangenisstraf
tegen hem geëist.


Voor ouders is het belangrijk dat ze weten waar hun koters mee bezig
zijn. Om die reden neem ik zelf ook wel eens voor het scherm plaats,
met de spelconsole in mijn hand. Maar voordat ik heb ontdekt hoe ik
met mijn mannetje naar voren of opzij moet, lig ik meestal al
uitgeschakeld op de grond. Of sta ik minutenlang in een doodlopend
steegje met mijn kop tegen een muur te beuken, voordat ik de pijp aan
Maarten geef. Heimelijk bewonder ik mijn kroost om het gemak waarmee
ze hun vingers over de buttons en joysticks laten dansen alsof ze aan
het blindtypen zijn. Neurochirurgen die vroeger veel op de computer
speelden, schijnen in moderne operatiekamers veel beter met de
apparatuur overweg te kunnen dan collega's die alleen maar met hun
neus in de boeken zaten, houd ik mijn echtgenote tijdens bezorgde
vader-en-moedergesprekken altijd voor.


Daniel mocht het gewelddadige Halo 3 van zijn strenggelovige ouders
niet kopen, laat staan spelen. Als hij bij het gamen wordt betrapt
door zijn vader, pakt deze het spel af. Daniel pikt dat niet en haalt
het spel uit de kluis van zijn ouders, waar hij ook een pistool vindt.
Zijn ouders zitten op dat moment nietsvermoedend in de huiskamer
televisie te kijken.


Van elke tien gamers schijnt er al eentje gameverslaafd te zijn. Ze
eten, slapen en drinken te weinig, verwaarlozen hun school of werk en
hebben weinig sociale contacten. Allemaal symptomen die onze zoon bij
zichzelf niet herkent. De vrije tijd die hij niet besteedt aan de
Nintendo DS, de computer of de Xbox, brengt hij lezend door. (Hij
doelt op de 30 minuten die hij voor het slapen gaan in zijn bed
verplicht een boek in zijn handen houdt). En was hij vanmiddag nog
niet op de fiets naar zijn neven geweest? (Halo 3 en zijn eigen
console – plus een extra batterypack, want je weet maar nooit – zaten
onder zijn snelbinders).


Daniel sluipt van achteren naar zijn vader en moeder en vraagt hen of
ze hun ogen kunnen sluiten. 'Ik heb een verrassing voor jullie.' Hij
schiet zijn moeder in het hoofd, de armen en haar borst. Zijn vader
valt met een ernstige hoofdwond op de grond.


Als een meesterzet beschouw ik het om de nieuwe Xbox 360 aan te
sluiten op voorheen mijn werkkamer, die niet alleen door mijn nazaten
maar ook door mijn eega tot bezet gebied is verklaard. Haar eigen
computer staat direct naast het beeldscherm waarop de robots van Halo
3 elkaar virtueel naar het leven staan. Hoe drukker zij het voor haar
werk heeft, hoe minder er kan worden gegamed. Verbieden doe je als
ouders niet graag, daar komen maar ongelukken van. Veel beter is het
te reguleren. En dan, maar dat geldt voor de hele opvoeding, maar zien
wat ervan komt.


Daniel stopt het wapen in de handen van zijn zwaargewonde vader en
vlucht het huis uit. Hij wordt later aangehouden in een busje. Halo 3
ligt nog naast hem.


Om te kijken of ik het niet allemaal uit mijn duim zuig, komt onze
zoon achter me staan om op het beeldscherm van mijn computer mee te
lezen. Om de eerste de beste reactie die onder het bericht is geplakt,
schiet hij – tegen wil en dank, mag ik hopen – in de lach.


'Game over'.

 
     
     
     
  16 december 2008  
 
 
   

 

Jezin


Bij het Leger des Heils, de daklozenopvang of het filiaal voor mensen met een beperking bij ons op de hoek, ben je ook verzekerd van spektakel. Maar als het gaat om bizarre kerstvieringen heb ik op de school van mijn jongste nazaat deze keer evenmin reden tot klagen. In lokaal 3 lezen leerlingen, in groepjes van twee en tegen betaling van 50 eurocent of meer - de opbrengst gaat naar Unicef - hun eigen, moderne versie van het geboorteverhaal voor. Zo vind ik Jozef en Maria opeens terug in Amsterdam, waar ze in de garage van een hotel een
dochter (!) krijgen, die wordt nedergelegd in de achterbak van een Suzuki Alto. Voor de naam van de kleine zou ik zelf geëxperimenteerd hebben met Zus, Zusje of Je Zus, maar hun 'Jezin' vind ik ook een mooie vondst.


Aan twee dagen van vrede op aard' gaat zoals gewoonlijk weer een
kerstoffensief vooraf, waarin de aanschaf en het optuigen van de boom,
de voor ons interieur noodlottige uitkomst van een workshop
kerststukjes maken (een lovenswaardig initiatief van de
personeelsvereniging van mijn eega) en verscheidene vroege schoolse
vieringen de jaarlijkse kerststress binnen ons gezin tot grote hoogte
stuwen. Tussendoor wordt, met het vleesmes op tafel, onderhandeld over
de partijen die op eerste en tweede kerstdag met elkaar om tafel
kunnen, zonder dat de broze wapenstilstand wordt verstoord door
familietwisten. En dan hebben we het over de menu's en wie wat maakt,
nog niet eens gehad.


In deze hectiek vind ik iets van de rust van de herders te velde in lokaal 3, waar mijn zoon op een regenachtige dinsdagmiddag pas om
18.50 uur meedraait in de carrousel van moderne kerstverhalen. Het
avondmaal laat derhalve nog even op zich wachten, waardoor ik mij uitbundig tegoed doe aan vruchtencake, kleine tulbandjes (twee voor een eveneens billijke 50 eurocent) en andere dikmakers waarvan de opbrengst via mijn maag rechtstreeks naar de hongerende Unicef-kindertjes gaat.


In de rest van de school wordt op meer aardse manieren (een high tea,
een grand-café) geld ingezameld voor het project 'Schoon water', maar
in lokaal 3 komen we echt tot de kern van het kerstverhaal dat – de
klassenmentor onderstreept het nog maar eens – aan een aantal
kenmerken moet voldoen: het speelt tijdens kerstfeest, bevat
sfeerelementen (een laagje sneeuw is nooit weg), er is sprake van
ontberingen maar bovenal, het eindigt met een happy end. Tal van grote
schrijvers wisten in het verleden wel raad met deze thematiek, maar de
leerlingen van brugklas 1c blijven dicht bij de Jozef en
Maria-variant. Wel zijn de omgeving (in veel gevallen hun eigen
leefwereld) en de ontberingen aangepast: deze laatste variëren van een
rit in de eigentijdse ezel (de Suzuki Alto) tot ordinair straatgeweld,
waarbij de hoogzwangere Maria niet wordt ontzien. Bij de
hoogwaardigheidsbekleders die het kindeke eer komen bewijzen, duikt
opeens Jan Peter Balkende op met een blije doos Zwitsal-spulletjes.
Rovers die aan het begin van het verhaal Jozef en Maria nog met een
knuppel naar het leven stonden, scharen zich eveneens rond de kribbe
(happy end), zonder dat we te weten komen welk succesvol
reïntegratieprogramma hieraan ten grondslag heeft gelegen. Maar ook
dat is een essentieel element uit de kerstvertelling: niet alles laat
zich met Hollandse nuchterheid verklaren.


Het verhaal dat mijn zoon met klasgenoot Paul afsteekt, speelt zich
enige tijd na de geboorte van het kindeke af. Jezus is – met zijn
twaalf vrienden – plotseling als medeleerling op hun eigen school
beland, waar hij vanwege zijn Joodse afkomst en sluimerende
antisemitische gevoelens een moeilijke tijd doormaakt. Na te zijn
verraden door Judas wordt hij van de onderwijsinstelling gezonden en
emigreert – per privé-jet, wordt er nadrukkelijk maar weinig ter zake
doend bij vermeld - naar Israël, waar hij zich bekeert tot zijn eigen
geloof.


Dat vond ik – met de christelijke hoogtijdagen in het verschiet – als
happy end minstens zo goed gevonden als 'Jezin'.

 
     
     
     
     
  9 december 2008  
 
 
   

Later


Er was eens een boswachter die zichzelf steeds vaker terugvond achter een bureau. Om paaltjes en prikkeldraad te bestellen, een onwillige ploeg bosarbeiders aan te sturen of om voor zijn baas het zoveelste Beheerplan op te stellen. Maar niemand in het hele land die dat horen wilde. Boswachter was een romantisch vak. Eén zijn met de natuur. Konijnen en buizerds tellen. Bambi redden, voor de loop van het jagersgeweer. Dus de weinige keren dat hij er nog in zijn groene pak op uit kon, stak hij een paar strikken, wat fazantenveren en een uilenbal in zijn uniformzak, om in elk geval voor een willekeurige passant of van de natuur bezeten jongetje de schijn van de buitenmens op te houden.


In zijn binnenste schurkte en schuurde het verlangen om volledig vrij
te zijn. Om los te komen van vergaderingen met gemeentebestuurders die
rondwegen door zijn duingebied planden, het afgeven van vergunningen,
het bestellen van printerpapier en benzine voor de motormaaiers. Met
zijn vriendin – kinderen waren er niet, in de boswachterswoning, dus
dat was wel zo gemakkelijk - besloot hij die totale vrijheid te kopen.
En hoe doe je dat, in het Nederland van de midden jaren tachtig? Met
koopsompolissen, want die waren toen nog aftrekbaar van de belasting.
Zestien jaar lang belegden ze het maximale bedrag, kochten voordelig
een mooi huis in Spanje en stopten enkele jaren later – hij was 43,
zij 42 – met werken.
 

En ze leefden nog lang en gelukkig. Beetje rommelen in de tuin van 5000 vierkante meter, veel buiten de deur eten, in het zonnetje zitten, af en toe bij iemand anders het gras maaien of de bomen snoeien, op Valenciaanse les, lekker racefietsen met de club van Xaló
of Pedreguer en geregeld een leuke, bevriende journalist uit Nederland ontvangen, die ook graag mee fietste, at en dronk, en er dan voor de krant een columnpje over schreef.
 

Totdat, op een kwade dag, een filmploeg van Aegon langs kwam. Voor de
documentaire 'Later', waarin de verzekeringsmaatschappij die de
afgelopen weken miljarden zag verdwijnen in het afvoerputje van de
kredietcrisis, ons probeert te bewegen na te denken over ons pensioen.
Met twaalf uur beeldmateriaal waarin bovenstaand sprookje behoorlijk
evenwichtig voor het voetlicht werd gebracht, vertrokken de filmers
weer naar huis, om zich anderhalve maand later te melden met het
verzoek of er ook een reclamefilmpje van mocht worden uitgezonden.
 

Dus kan het gebeuren dat u mijn rentenierende vrienden - vanavond,
morgenavond of overmorgenavond, op Nederland 1, 2, 3, RTL 4, 5, 6, 7
en 8, Discovery Channel en National Geographic – in beeld ziet komen
voor hun mooie huis in Spanje, waarna zich de volgende dialoog
ontrolt:
 

Zij: ,,Het doel was: stoppen met werken.''
Hij: ,,Ja.''
Zij: ,,We hebben..., zestien jaar gespaard?''
Hij: ,,Ja. Zodoende zijn we hier terecht gekomen. Maar het had ook
ergens anders kunnen zijn, natuurlijk.''
Zij: ,,We hadden ons doel bereikt. En dan heb je niet zo gauw een
nieuw doel. En dan denk je van: uh ja uh, wat gaan we nu doen?''
Hij: ,,Ja, want het doel was ophouden met werken. Nou ja, dan gaan we
reizen (...). Daar hebben we verder niet over nagedacht, van wat we
zouden gaan doen. Dan ben je bezig met het doel stoppen met werken en
dat was veel belangrijker dan wat daarna kwam.''
Zij: ,,Op een gegeven moment heb je het huis geverfd en de tuin
aangelegd en dan... Ja, dan zit je.''
 

Ja, dan zit je. Het filmpje sluit inderdaad af met een shot van mijn
rentenierende vriend die, op een stoeltje aan de rand van de tuin,
starend over de bergen, doelloos steentjes naar de poes gooit. We zien
hem op de rug, maar zijn blik moet op oneindig staan.
Daarna komen de letters: 'Eerlijk over later' in beeld, gevolgd door:
Kijk op Aegon.nl.
 

Ik zat er een tijdje net zo uitzichtloos naar te staren. Met strikken,
fazantenveren en uilenballen wist de boswachter ons destijds nog voor
de gek te houden. Maar Aegon zet hem nu voor het hele Nederlandse volk
genadeloos neer als iemand die zich na zijn 43ste de hele dag het
leplazerus verveelt.
 

'Eerlijk over later' berooft ons van het sprookje van de rentenier.

 
     
     
     
     
  2 december 2008  
 
 
   

 

Mannetjes


Vier andere auto's met basketbalouders en -spelers staan voor het verkeerslicht, als ik er rechts langs stuur, nonchalant mijn
wijsvinger opsteek en de oprit naar de A4 oprijd die ons via de A12 naar Gouda voert voor een wedstrijd tegen Springers. De rest wil via de N11 en gaat er – het zit allemaal opgesloten in mijn opgestoken wijsvinger – veel langer over doen dan wij. Daar blijf ik heilig van overtuigd totdat – al na een paar kilometer – de coach op de passagiersstoel naast mij wijst op de matrixborden die – nog onleesbaar - verontrustende mededelingen lijken te knipperen.


De spelers rennen rondjes op de parkeerplaats voor onze eigen
sporthal, waar we op zaterdagmiddag verzamelen voor de uitwedstrijden.
Wij – rijouders – hebben zo onze eigen voorbereiding. We wisselen de
snelste routes uit, postcodes om in te voeren in TomToms en een
conservatieve enkeling haalt een uitgeprinte routebeschrijving van de
site van de tegenstander uit zijn zak. In de analyse van een relatieve
buitenstaander heet dit pikzwaaierij van middelbare mannetjes, met
maar één, onuitgesproken doel: wie is er als eerste? Ja, mijn vrouw is
wel vaker scherp in haar oordeel.


Thuis was ik er nog niet aan toegekomen, maar het heeft ook wel wat om
nonchalant mijn allround GPSmap 60Cx – 'hij doet het in de auto, op de
fiets, bij wandelingen en op trektochten in het hooggebergte' - uit mijn binnenzak te halen om – drie vaders kijken belangstellend mee –
het adres van sporthal De Windwijzer in te voeren. De eerste kilometers stuurt het apparaat mij nog keurig achter de rest van het
gezelschap aan, maar bij nadering van de grote knooppunten scheiden
onze wegen zich. De tijd dat ik domweg achter mijn voorgangers naar
wedstrijden reed, is voorbij. Weg met die grapjassen die je proberen
af te schudden door nog net een oranje lichtje mee te pakken of
plotseling van baan te veranderen.


Bovendien, mijn GPSmap 60Cx en ik begrijpen elkaar. Ik weet wat hij
wil en zie dat het goed is. De rest komt via de N11 veel te hoog uit
op de A12 en moet dan weer naar beneden rijden om bij Gouda te komen.
Wat wij doen is efficiënter en sneller, tenminste als - wat knippert
daar nou toch boven de weg? – Rijkswaterstaat geen roet in het eten
gooit. 'A12 na Zoetermeer afgesloten', leest de coach naast mij, zodra
de lichtpuntjes zich tot lettertjes hebben gevormd. Een pijnlijke
stilte volgt, waarna wij de alternatieven doornemen. Doorrijden tot
Zoetermeer en dan binnendoor – mijn GPSmap60Cx zal ons leiden – of –
maar dat is bij verkeerd rijden eigenlijk nooit een optie – de eerste
afslag keren en alsnog via de N11 gaan. Ik hoor het homerisch gelach
van die andere mannetjes – die ik nooit meer zal kunnen inhalen – al.
Dat nooit.


Bij Zoetermeer – als de vier rijbanen worden teruggebracht tot één die
ons kort daarna van de snelweg voert – rijden we richting Pijnacker
('Volg de gele borden met U voor Utrecht') waarbij we diep het Groene
Hart worden ingezogen, over vers geasfalteerde wegen door uitgestrekte
weilanden en hier en daar een Vinex-wijk, terwijl mijn GPSmap 60Cx mij
wanhopig probeert te verleiden tot U-bochten en een terugkeer naar de
afgesloten A12. Uiteindelijk komen we – het is inmiddels 14.45 uur, de
wedstrijd in Gouda begint over 30 minuten – met nog enkele duizenden
anderen aan in Rotterdam, waar het verkeer in een ingewikkeld
rotondestelstel akelig vaststaat bij pogingen om de A20 op te komen.


Tien minuten van asociaal voordringen later rijden we eindelijk
richting Gouda, met 120 waar de borden boven de weg tot 80 blijven
manen. De coach frommelt nerveus in zijn map met spelerskaarten,
probeert een opstelling te maken met dat deel van het team dat met die
andere mannetjes al wel in de zaal is, en blijft om de tien seconden
op zijn horloge kijken. In de verte knipperen boven de snelweg alweer
borden met 50, die erop wijzen dat ook hier – vijftien kilometer voor
Gouda – het verkeer begint vast te lopen. Inmiddels in blinde paniek
nemen we de eerste afslag, maar omdat de borden en ook de GPSmap 60Cx ons hier niet veel wijzer maken, draaien we met gierende banden een
rotonderondje en sturen weer de A20 op, waar het verkeer een beetje op
gang begint te komen. 'Je rijdt 140, pap', zegt een wijsneus achterin,
met ogen die van de knipperende 80 boven de weg naar mijn
snelheidsmeter gaan.


Maar alleen daardoor rijden we om 15.10 uur voor bij de sporthal, waar
de rest van de rijouders al drie kwartier achter de koffie zit.
De jongetjes winnen nipt met 62-65. De mannetjes vieren – een
wedstrijd lang – mijn verpletterende nederlaag.


Wat u zegt, kinderachtig gedoe.

 
     
     
     
     
  25 november 2008  
 
 
 

 

 

Kredietcrisis


De Donald Duck is houdbaar tot in het studentenhuis, maar het vrolijk weekblad moet het bij ons aan de ontbijttafel afleggen tegen het ochtendblad. Het zijn barre tijden voor de krant, maar een nieuwe generatie lezers dient zich aan. Onze zoon is gebiologeerd door het ritme van krantenkoppen en mag ze – tussen twee riante scheppen cocopops door – graag citeren. Zijn favoriet van de afgelopen week luidt: Sint gul ondanks kredietcrisis.


Nu de romantiek van het schoenzetten en het zingen bij de
designradiator heeft afgedaan, dreigt van het sinterklaasfeest alleen
de hebzucht te resteren. Zo'n krantenkop, doceer ik ongevraagd, geeft
aan dat de goedheiligman niks heeft geleerd van de graaicultuur die de
maatschappij in deze financiële malaise heeft gestort. Maar biedt
tegelijkertijd ook hoop. De enige uitweg uit de crisis is tenslotte de
noodzaak dat geld blijft rollen.


Sint gul ondanks kredietcrisis. Het klinkt als een nieuw mantra uit
zijn mond als ik zuinigjes de verwachtingen voor het komende feest
probeer te temperen. De tijd dat er vanaf eind augustus naast zijn
stoel aan de eettafel indrukwekkende stapels foldermateriaal van
Intertoys, Bart Smit en aanverwante neringdoenden liggen opgestapeld,
is voorbij. Sint is voor hem de tombola van kleine cadeautjes
gepasseerd: hij richt zijn pijlen op één, allesomvattend geschenk en
laat de rest – bij de viering met de voltallige schoonfamilie is,
crisis of niet, een maximum van vijf cadeautjes per nazaat afgesproken
– aan de beleefdheid van ouders en opvoeders over.


Na een uitgebreide weging van artikelen in vakbladen en het
consulteren van deskundigen in de kring van vriendjes en klasgenoten,
is hij eruit. Uit het brede aanbod van spelcomputers wil hij een
Xbox360.


Rijmt daar nog iets op?


Na het educatief verantwoorde gehuil onzerzijds ('Je barst al van de
elektronica, je schoolwerk gaat hierbij inschieten, denk je wel dat
het geld Sint op de rug groeit' en meer van dit soort gemeenplaatsen),
brengt hij elementen als saamhorigheid, naastenliefde en harmonie in,
met de voor ons toch nog schokkende mededeling dat broer en zus – onze
eigen versie van Kaïn en Abel – verder door dit leven willen als
Xbox-delers. Onze recentste terug-naar-de-natuur kampeertrip – die ze
ook dit keer weer hebben doorgebracht in de multimediavoortent van
neef Raoul – heeft hen tot het inzicht gebracht dat het gezamenlijk
volbrengen van 'Army of Two', 'Dead Rising', 'Halo 3', 'Star Wars, The
Force Unleashed', 'James Bond, Quantum of Solace' en 'Assassins Creed'
een verrijking voor hun samenleven als broer en zus kan zijn.


De Xbox360 krijgt een min of meer neutrale plek op voorheen mijn
werkkamer, waar het voor onze nazaten – eerlijk beloofd – na gedane
onderwijskundige verplichtingen goed toeven zal zijn. Niet voor niets
noem ik hierboven slechts zes populaire Xbox360-games, want – ook dit
grote inzicht mag op het conto van neef ('goeroe') Raoul worden
geschreven – bij een keuze uit meer dan meer dan zes spellen tegelijk
slaat de verwarring en oppervlakkigheid toe en ontbreekt uiteindelijk
de verdieping die noodzakelijk is om deze virtuele werelden optimaal
te doorgronden.


Dus – ze benadrukken het nog maar een keer, en zeker voor jou, pap,
want je wil nog wel eens doordraven en daar zijn de omstandigheden nu
echt niet naar, matigheid is het sleutelwoord – zeker niet meer dan
zes spellen om mee te beginnen.


Er rest niets dan acceptatie. Maar één echt, en dan ook nog
gezamenlijk cadeau, en niet meer dan zes armzalige games met een
winkelwaarde van gemiddeld 60 euro per stuk. Waarmee opnieuw blijkt
dat je niet alles moet geloven wat er in de krant staat. Mijn zoon
opteert voor:


Sint sober dankzij kredietcrisis.

 
     
     
     
     
  18 november 2008  
 
 
 

 

 

Turbo-leren

De offers die we ervoor hebben gebracht waren groot – een
broodtrommel, een gymbroek en recentelijk nog een goed gevuld etui moeten inmiddels als verloren worden beschouwd – maar nu krijgen we er ook wat voor terug. Met een gezicht waarop zich een zekere gêne aftekent, somt onze zoon zijn jongste schoolresultaten op: een 8,5 voor aardrijkskunde, een 9,5 voor geschiedenis en een 10 voor Engels. Pas bij dat laatste resultaat keert hij zich in triomf ('Daar kan je
niet tegenop, hè?) naar zijn oudere zus die, zonder op te kijken van haar leerboek oud-Grieks, bromt: ,,Een 10,2 - voor een proefwerk over Macbeth.''


Nog bijna dagelijks kan hij zich er kwaad over maken: de school die
hem als 'huiswerkvrij' is verkocht, kost hem uren aan kostbare
computer-, nintendo- en televisietijd. Ook de onderbouwing van zijn
verontwaardiging hebben we al meerdere keren moeten aanhoren: hij en
zijn klasgenoten maken meer uren dan vriendjes op vergelijkbare
middelbare onderwijsinstellingen, opdat ze onder schooltijd hun
opdrachten kunnen afmaken in zogenaamde KWU's (keuzewerkuren). Hoe
bestaat het dan dat hij elke avond ook nog achter zijn boeken zit?


Zijn oudere neven - eeuwige studenten van 20 en 24 jaar - weten wel hoe het in elkaar steekt: ,,Je bent gewoon gedist, door die school.''
Maar vooral zijn moeder wordt niet moe hem uit te leggen dat het onmogelijk is al het leerwerk van een havo/vwo-brugklas in een
keuzewerkuurtje af te werken, te midden van nog eens 23 andere, ontregelende warhoofden. ,,Net als Sinterklaas, bestaat ook huiswerkvrij niet'', refereert ze aan de eerste grote ontgoocheling in zijn leven. En hoewel hij bij elke avondmaaltijd de lijst van
medeleerlingen 'die na dit eerste jaar zeker weten dat ze deze school
de rug toekeren' wat langer weet te maken, komt er bij hem ook
langzamerhand iets van een acceptatieproces op gang. Niettemin, als
zijn school volgend jaar nog meer argelozen lokt met die
huiswerkvrij-propaganda, overweegt hij de gang naar de
reclamecodecommissie.


Het heilig vuur dat in zijn oudere zus brandt om nooit met minder dan
een 9 genoegen te nemen, bestaat bij hem uit een laag lauw smeulende
kooltjes die elke dag door zijn moeder moet worden opgepookt.
Zuchtend, mopperend en steunend ('wat nou, huiswerkvrij?') sjokt hij
de trap op naar zijn kamer, om daarvan elke vijf minuten terug te
keren om kond te doen van de vorderingen die hij heeft gemaakt. Binnen
het kwartier ('het waren maar drie vakken') horen we hem dan – met
hernieuwd elan, als een Ratelband over de kooltjes – de trap naar
zolder oprennen, waar al het elektronisch vermaak staat opgesteld dat
we per se niet in zijn eigen kamer willen hebben.


Dat hij – in navolging van zijn zus – in de klas inmiddels wordt
aangesproken met de weinig benijdenswaardige eretitels 'nerd' of
'stuud' heeft er vooral mee te maken dat hij zijn gebrek aan
gedrevenheid compenseert met een klein hartje. Nadat hij heeft ontdekt
dat hij de slaap niet kan vatten als hij het gevoel heeft dat hij de
stof onvoldoende beheerst, ontwikkelde hij voor zichzelf een voor ons
onnavolgbaar systeem dat in een minimum van tijd een maximum van
rendement scoort: het zogenaamde turbo-leren. Sinds die tijd rijgt ons
beoogde vmbo-klantje in zijn havo/vwo-brugklas de achten en negens aan
elkaar.


De gêne over zijn eigen resultaten gaan in de regel over in walging
als hij kennisneemt van de cijfers van zijn zus.
Want hoe zit het nou met die 10,2?
De uitkomst van een uitmuntend gemaakt proefwerk, waarbij ook nog eens
is gescoord op de bonuskwestie.
Op zijn vraag of het computersysteem van de school uit de voeten kan
met noteringen van boven de 10, schudt ze het hoofd. Haar leerkracht
heeft beloofd de resterende 0,2 op te tellen bij haar vorige cijfer
voor Engels.


Dat was maar een 9,8.

 
     
     
     
     
  11 november 2008  
 
 
   

 

Tondeuse


Ooit was het voorbehouden aan galeislaven, aspirant-skinheads en dronken studenten die een weddenschap hadden verloren. Maar nu zie ik overal om mij heen eerzame huisvaders hun haar kammen met de tondeuse op standje 2. De volledige overgave in de strijd tegen oprukkende kaalheid. ,,Maar bij u'', zegt het leuke blonde meisje dat me knipt, ,,is dat nog echt niet nodig, hoor.''Niettemin was het onverstandig haar thuis met gepaste trots te citeren in het bijzijn van wat ik als 'voorheen mijn dierbaren' beschouw.


Totdat iemand – het kan een verongelijkte stagiaire zijn geweest – een
opname maakte van mijn achterhoofd, heb ik gedacht dat haaruitval voor
mij een onderwerp uit reclamefilmpjes met Gerard Joling en Dick Advocaat zou blijven. Na die pijnlijke confrontatie koos ik - zoals
bij zoveel problemen die op mijn pad komen - voor de luchtige benadering. Mijn gestaag uitdijende kruin omschrijf ik als 'sinds mijn
zestiende stabiel' en nu het ook aan de voorkant zichtbaar dunner begint te worden, prijs ik mij – zodra de conversatie zich daar maar enigszins toe leent – gelukkig met het feit dat 'ik nog zo'n mooie kop
met haar heb'. Ze kunnen beter om je lachen dan om je huilen, placht
mijn moeder altijd te zeggen wanneer ik als knaap het mikpunt was van spot en hoon.
 

Als ik periodiek een afspraak maak met de hippe kapsters bij ons aan
de overkant en de receptioniste routineus wil weten 'of het nog
uitmaakt door wie het wordt geknipt', temper ik de verwachtingen
openhartig met: 'Met mijn haar niet'. Ook – eenmaal in de stoel
gezeten – doe ik doorgaans wat badinerend op de vraag hoé het moet
worden gecoiffeerd. De wilde paniek in de ogen van het meisje de
laatste keer dat ik voorstelde om 'het eens een keer helemaal anders
te doen' zal ik niet licht vergeten. De zijkanten wat korter en
bovenop een beetje gedekt houden, is sindsdien het devies. Dat laatste
is al lastig genoeg.
 

Het voorrecht van een krantencolumn is dat mensen zich bij je melden
met pronkstukken uit het verleden. De functionaris die de oude
administratie van mijn christelijke pedagogische academie aan het
opschonen was, deed mij een oude cijferkaart toekomen waarop – naast
een reeks middelmatige resultaten – ook een pasfoto stond. Het blonde
haar golft tot ver over mijn schouders en de pony moet zich boven de
oogleden spontaan opkrullen om mij nog enig zicht op de buitenwereld
te bieden. ,,Kijk, toen was het al zo dun als bakpapier'', zegt mijn
eega met de liefdeloosheid die soms in lange verbintenissen sluipt.
Mijn zoon herinnert zich spontaan een moment waarop zijn eigen kapster
– waarschijnlijk ook die van mij, als ik ze maar uit elkaar kon houden
– bij het kammen van zijn dikke, weerbarstige kuif had opgemerkt dat
hij 'gelukkig niet het haar van zijn vader had'.
 

Ja, moeder en zoon slaan zich nog eens genoeglijk op de dijen van pret.
 

De pasfoto dateert uit de tijd dat mijn ouders een huisvriend met een
bloeiende kapperspraktijk in een instelling voor geriatrische
patiënten uitnodigden om – voor weinig - ook de kapsels van hun kroost
onder handen te nemen. Voor mij was dat gewoonlijk aanleiding om via
het balkon de ouderlijke flatwoning te verlaten. We woonden destijds
één hoog, maar als het de twaalfde etage was geweest, had ik de sprong
naar de tuin en uit het bereik van 'Niek de kapper' ook gewaagd.
Pas na jaren legde ik dit trauma van mij af dankzij Nieks leuke,
blonde vakgenoten aan de overkant van ons huis, die bij het wassen
mijn hoofdhuid masseren en mijn ego strelen met vleiende opmerkingen
over een haargrens die niet van wijken of een tondeuse wil weten.
 

Mijn schoonvader – bij leven in het bezit van enkele spaarzame, over
zijn schedel geplakte windharen - kwam na een bezoek aan de
plaatselijke kapsalon altijd in de schoot van zijn gezin terug met de
opgetogen mededeling: ,,Jullie willen niet weten hoeveel haar er weer
onder de stoel lag.''
 

Ook hij bliefde niet te geloven dat zijn leuke, blonde kapster
speciaal voor hem de zaak de hele ochtend niet had aangeveegd.

 
     
     
     
     
  4 november 2008  
 
 
 

 

Het grote geld

Opvoeden is ook een kwestie van timing. Kort voor het uitbreken van de kredietcrisis vragen wij – hiertoe aangespoord door wervende mailings van de Postbank - voor onze zoon een Easy Blue-rekening aan. ,,Je moet slim met je geld leren omgaan’’, papegaai ik de folder na. ,,Alles wat je nu in die Pennymaat (een flitsende variant van de spaarpot, DvdP) op je bureau hebt zitten, moet je veilig op de bank zetten.’’ Na elke uitzending van het Jeugdjournaal die op dit advies volgt, moet ik hem ervan weerhouden met een oude sok, een schep en een lading kleingeld richting de achtertuin te vertrekken.

Als je een bevestiging wilt dat wij – ouders en opvoeders – er een puinhoop van maken, is er altijd wel een onderzoeksbureau dat hiervoor het feitenmateriaal aanlevert. Dit keer is het ITS Nijmegen dat met een persbericht naar buiten komt waarin wordt beweerd dat ’ruim de helft van alle jongeren vindt dat ouders hen de waarde van geld niet goed heeft bijgebracht’. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de overheid, consumentenorganisaties en – heel verrassend – de financiële sector zelf, die ook in deze barre economische tijden elke twaalfjarige een Easy Blue-kleurige toekomst blijft voorspellen.

Het aanvragen van een jongerenrekening is meer dan een administratieve handeling. De Postbank trekt hiervoor een vorm van totaaltheater uit de kast waarin mijn jongste nazaat de rol van mini-ondernemer op zich dient te nemen. Zodra ik hem heb aangemeld, krijgt hij de ’coole Bizznizzkoffer’ cadeau, waarin hij alles vindt om zijn eigen ’Bizznizz’ te starten. ,,Denk aan de hond uitlaten, grasmaaien en nog veel meer.’’ Wij hebben geen hond, geen gras en het wekelijkse klusje dat we hem onder de noemer ’nog veel meer’ in de maag proberen te splitsen – het legen van de oud papiertas in de container aan de overkant van de straat – kost ons al zoveel energie dat we het veel liever zelf doen. Daar staat tegenover dat hij – zolang wij al zijn onkosten op incidentele basis blijven vergoeden - vrijwel wekelijks vergeet om om zijn zakgeld te vragen.

De ’coole Bizznizzkoffer’ blijkt een armoedig kartonnen gevalletje te zijn, waarmee ING al een voorschotje lijkt te hebben genomen op een rol in de marge van het vaderlandse financiële bestel. Het ding bevat een groezelig wit T-shirt met lange, blauwe mouwen en een stapel blanco papier die – zo lees ik – kan worden gebruikt om visitekaartjes te maken en een strijklogo te ontwerpen, dat vervolgens op het T-shirt kan worden gedrukt.

 Omdat ik al vermoed dat het opzetten van zijn eigen Bizznizz vooral ons eigen hobbyproject gaat worden, smijt ik – hiertoe aangemoedigd door mijn eega – de coole Bizznizzkoffer met inhoud en al in de oud papiertas en gebruik ik het T-shirt om het frame van mijn racefiets in de olie te zetten. De weken daarna moeten wij urenlang soebatten om hem na schooltijd zo gek te krijgen dat hij met zijn legitimatiebewijs naar het postkantoor gaat om daar een giropas en – weer een week later – de codes voor internetbankieren af te halen.

Maar dan kan ik eindelijk werk gaan maken van het Easy Blue-bankieren. Op een vrijdagavond zitten we met alle codes en zijn mobiel (waarop de geheime Tan-codes binnenkomen) klaar achter de pc in de woonkamer om hem financieel on line te brengen. Zodra dat is gelukt en het hatelijke saldo (nul) van zijn rekening in beeld komt, wordt het tijd om zijn Pennymaat stuk te slaan. Uit de tientallen stapeltjes met muntgeld komt uiteindelijk een bedrag van 117,50 euro tevoorschijn, dat ik van mijn girorekening overmaak naar de zijne. Daar zet ik honderd euro van op een rentegevende internetspaarrekening, laat de rest op de betaalrekening staan en regel dat zijn 15 euro zakgeld voortaan maandelijks wordt overgemaakt.

Het geld dat op de eettafel ligt uitspreid veeg ik daarna in een plastic zakje en stop het in de rugzak die ik altijd meeneem naar mijn werk, wat mijn zoon – die het hele proces ongeïnteresseerd en apathisch heeft gevolgd - voor het eerst van zijn stoel doet opveren. ,,Hé, wat ga je daarmee doen?’’, zegt hij, terwijl zijn blik paniekerig gaat van het computerscherm, zijn lege Pennymaat en mijn goed gevulde geldbuidel.

,,Daar ga ik broodjes kroket van kopen, in de bedrijfskantine. Daar hebben ze graag kleingeld’’, antwoord ik naar waarheid.

Kan hij later nooit beweren dat ik hem de waarde van geld niet heb bijgebracht.

 
     
     
     
     
  28 oktober 2008  
 
 
 

 

 

Kampeergevoel

Vallende bladeren zetten aan tot reflectie. En zwaarmoedigheid. Op kantoortijden heb ik daar geen bezwaar tegen, maar moet dat midden in de nacht? De molenwiekende armen van onze zoon slaan met een doffe klap tegen de schuifwand die zijn bed in de caravan scheidt van het onze. ,,Het wordt nooit meer hetzelfde'', horen wij – stijf rechtop, met hartslag 220 – hem kreunen in zijn slaap. Dat blijkt een even bondige als dramatische conclusie na zeven weken middelbaar onderwijs
waarin hij zijn vaste levensritme van eten, slapen en op de Ninteno DS spelen, danig verstoord zag door huiswerk maken, schriftelijke overhoringen en proefwerken.


Ons mobiele onderkomen is van alle gemakken voorzien, waardoor wij het
kampeergevoel nog uitsluitend ontlenen aan het feit dat ons complete gezinsleven zich afspeelt op tien vierkante meter. Een week lang kunnen wij – man, vrouw en twee puberende nazaten – elkaar niet ontlopen, een format waarmee de Frogers komend televisieseizoen ongetwijfeld aan de haal zullen gaan.


Kamperen in de zomer is geen kunst. Van zonsopkomst tot zonsondergang
is de complete camping je huiskamer, de hemel je plafond en ervaar je
– met het kroost al een beetje op zichzelf in een bijzettentje – iets
van de weldadige rust van het prepensioen. Maar in de herfst zoekt de
achterbankgeneratie de beschutting van onze sleurhut, waar de centrale
verwarming loeit, hun laptop en mobieltjes kunnen worden opgeladen en
het centrale antennesysteem hún favoriete programma's op míjn
televisiescherm spuugt.


Vluchten kan niet meer, als de regen tegen de ramen slaat en de wind
de kastanjes op het dak laat kletteren. Alleen in noodgevallen, zoals
een opspelende blaas, verlaat ik mijn vaste stek in de hoek van de
rondzit, waar ik net genoeg ruimte heb om mijn krantje op te slaan. En
dan nog moet ik, na een moeizame klimtocht over veel te grote lijven,
bij terugkomst strijd leveren om mijn met geurvlaggen uitgezette
territorium weer op te eisen.


Het onderwijs zet de zaak nog eens extra op scherp door direct na deze
herfstvakantie proefwerkweken uit te schrijven. Onze beweegbare
caravantafel ligt bezaaid met de boeken en schriften van onze dochter,
die haar aandacht verder verdeelt tussen een buitenmodel rekenmachine
en haar minilaptop, waarop ene Tony Hill in de televisieserie 'Wire in
the blood' achter seriemoordenaars aanjaagt. Haar MP3-speler geeft via
de koptelefoon weer andere prikkels door. Het is haar manier van
studeren, waarop wij – met haar cijferlijst van voornamelijk negens en
tienen – geen gefundeerde kritiek kunnen hebben. De indringende
confrontatie met haar werklust wakkeren de schuldgevoelens en de
faalangst van haar broertje op onze tien vierkante meter alleen maar
verder aan. Hij heeft slechts Frans en Nederlands bij zich en tobt –
bij voorkeur ver na zonsondergang – over de uitkomsten van een
groepsproject internationalisering, waarvoor hij met drie klasgenoten
beangstigend weinig regels op papier heeft gezet.


Onze Lebensraum wordt nog verder ingeperkt door in Spanje
rentenierende vrienden, die op ons landgoed Ginkelduin weliswaar een
hotelkamer hebben geboekt maar zich ruim een etmaal vakantie vieren op
z'n Hollandst niet laten ontnemen. Dan wordt het opeens vier
volwassenen en twee pubers op tien vierkante meter. De stichting
Wakker Dier heeft voor legbatterijkippen wel eens meer ruimte
opgeëist. Alleen door riant voor het middaguur aan de wijn en het
bokbier te gaan, raak ik in een gemoedstoestand die alles draaglijker
maakt. Alleen de gang naar het toiletgebouw wordt er niet minder om.


Niettemin, de nachten zijn het ergst. Dan halen de demonen van een
naderende proefwerkweek en een al bij voorbaat mislukt
internationaliseringsproject mij nadrukkelijk uit mijn slaap. Maar de
ene keer dat ik het waag daarover te klagen, krijg ik van de rest van
een rancuneus gezelschap mijn gesnurk, vermeende bokbierwinden en
frequent toiletbezoek na middernacht voor de voeten geworpen.


Een gezinsleven op tien vierkante meter brengt veel onverdraagzaamheid
met zich mee.

 
     
     
     
     
  21 oktober 2008  
 
 
 

 

Reünie

Internet is een machtig medium. En ik ben een inventief mens. De hele dag loop ik al te prakkiseren over een geloofwaardige smoes om onder een verjaardagsfeestje uit te komen en opeens schiet die me te binnen. ,,Ik schrijf in een weblogje dat ik door mijn rug ben gegaan!'', vertel ik opgetogen aan mijn eega. Helemaal niet zo gek, in een week met twee popconcerten waarbij ik in totaal acht uur achtereen heb
moeten staan. ,,Dat voeg ik dan als ondersteunend bewijs bij een mailtje, waarmee ik me - hoe spijtig ook, maar het is niet anders - voor de festiviteiten afmeld.'' Als een apporterende hond die wacht op zijn beloning, blik ik verwachtingsvol naar de vrouw met wie ik mijn leven deel. Zes uur later zeg ik haar - nog een beetje namokkend - gedag, waarbij ik tussen 'Nou' en 'dan ga ik maar' een veelzeggende stilte laat vallen.


Op een vorige column over mensen met een aversie tegen feestjes kreeg
ik zoveel bemoedigende en begrijpende reacties dat ik er reden genoeg
in zag me ook voor de rest van mijn leven te verschuilen achter deze
aanverwante vorm van autisme. De wereld is tenslotte vol lotgenoten
die liever lekker thuis op de bank zitten dan op een druilerige
zaterdagavond hun opwachting te maken in het afgehuurde clubgebouw van
een korfbalvereniging om de hand te schudden van mensen die ze al
dertig jaar uit het oog verloren zijn. Maar voorlopig kom ik daar niet
mee weg.
 

De jarige vind ik in de mensenmassa - met dank aan de afbeelding op de
uitnodiging - terug op de schoot van een man van middelbare leeftijd
aan wie ik me nog netjes voorstel. Pas als ik de man dáárnaast ook een
hand geef, dringt tot me door dat ik word herenigd met twee
boezemvrienden uit mijn jaren op de havo-afdeling van de christelijke
pedagogische academie in Oegstgeest. Jan en Arie. Tjonge, wat zijn die
kerels oud geworden. Maar van die vaststelling blijft weinig overeind
als de jarige ons drieën aandachtig bestudeert en tot de conclusie
komt dat ik eigenlijk de enige ben die ingrijpend is veranderd. Ik
teken kennelijk nogal, vanwege mijn feestjesallergie.
 

Maar eenmaal op de bank met Jan en Arie, een biertje en een
voortdurend circulerende schaal met bitterballen onder handbereik, voel ik mezelf dertig jaar jonger worden. Op de middelbare school waren zij al twee (Arie) en vier jaar (Jan) ouder dan ik, waardoor ze
zich waarschijnlijk veel meer kunnen herinneren uit de tijd dat wij in de rode eend van Arie naar het Pabo-gebouw reden. Met hun collectieve geheugen kleuren zij een schooltijd in waarvan ik me zelf alleen - dankzij een reeks beschamende foto's van dronken mannen bij een fontein, die mijn dochter jaren geleden uit een bureaula opviste - een
culturele dagtrip naar Antwerpen herinner. Vanwege de enorme rij voor
het Rubensmuseum verdaagden wij 's morgens om tien uur al in het café,
waar de klassenleraar ons om vijf uur 's middags pas weer terugvond.
 

Jan - opvallende oorbellen, ringbaardje en gemillimeterde schedel -
werkt inmiddels als IT'er bij de Noordwijkse vestiging van het
Europese Ruimtevaartagentschap. Hij gunt zichzelf een paar minuten van
mijn bewondering, voordat hij met een grijns zijn vertaling geeft van
IT: de afdeling Intern Transport. Arie heeft een bloemenexportbedrijf
met twaalf man personeel en doet in zijn vrije tijd aan wandelen. Ik
knik, met gepast medeleven, totdat hij uitlegt dat hij dat bij
voorkeur naar toppen als de Kilimanjaro en de Mont Blanc doet. Op het
lijstje met 'Nog te doen' dat boven zijn werkplek hangt, staat onder
meer nog de Mount Everest. Maar hoger dan het eerste basiskamp mag hij
niet, van zijn vrouw.
 

Als ik uren later thuis kom, schrijf ik me in bij www.schoolbank.nl.
Ik heb opeens zin in een reünie.

 
     
     
     
     
  14 oktober 2008  
 
 
   

 

Queen

 

Mijn oren fluiten nog na van tweeënhalf uur rockmuziek, maar ik ben niet doof. ,,Ik wou dat we hem mee naar huis konden nemen'', hoor ik een van de twee zestienjarige meiden op de achterbank van mijn auto zeggen. We rijden met z'n drieën weg van Ahoy' in Rotterdam en degene die daar - achterin, althans - zo node bij wordt gemist is Brian May, gitarist van Queen waarvan we zojuist een concert hebben bijgewoond. Wat moeten die bakvissen met een man van 61? Van 'Love Of My Life' alleen de akkoorden doornemen, mag ik hopen.

 

Mijn vaste voornemen - dat decennia standhield - om nooit meer een

grootschalig concert te bezoeken, wordt dit jaar met voeten getreden

nu mijn dochter een voorliefde heeft opgevat voor de afdeling

geriatrie van de popmuziek. Na enkele vingeroefeningen met

coverbandjes (namaak-Queen en Pink Floyd) zijn we toe aan het echte

werk. Nou ja, echt, aan wat er nog over is van de bands die in de

jaren zeventig en tachtig furore maakten. Op 11 mei van dit jaar stond

ik op het Pinkpop-terrein in Landgraaf voor een optreden van Roger

Waters (ex-Pink Floyd) en vijf maanden later bij het restant van

Queen, aangevuld met zanger Paul Rodgers en wat huurlingen op bas,

gitaar en toetsen.

 

Hoewel ik zeker vijftien jaar jonger ben dan het menselijk wrakhout dat op het podium aan zijn vijfde jeugd toe is, zijn mijn ideeën voor een muzikaal uitje inmiddels wat bijgesteld. Ruim een week geleden was

ik met een goede vriend bij een optreden van Elliott Murphy, die na 38 cd's nog steeds in de kleine zaal van het Amsterdamse Paradiso staat. Daarvoor aten we een hapje in een door Johannes van Dam met een 8,5 gedecoreerde eetgelegenheid, wandelden op het gemak naar de hoofdstedelijke poptempel, om met een wit wijntje in de hand (van bier moeten we steeds plassen) te luisteren naar de man die in de jaren zeventig werd genoemd als de opvolger van Bob Dylan, maar nooit verder kwam dan de status van cult-held. De totale kosten (toegangskaartjes plus etentje) haalden het net bij de prijs van één entreebewijs voor Queen.

 

Alleen het parkeren bij Ahoy' is goedkoper dan in de parkeergarage

onder het Museumplein, merk ik, als we op dinsdagavond het terrein van

het voormalige sportpaleis op rijden. Onder het publiek waarmee de

zaal zich vult, bevinden zich twee personen die met de grootst

mogelijke tegenzin naar dit concert zijn gegaan. Ik – in mijn rol als

chauffeur en chaperon – en de recensent van deze krant, maar dat merk

ik pas twee dagen later. Waar ik na de eerste akkoorden van 'Tie You

Mother Down' wordt gegrepen door het grote

meezingfeest-der-herkenning, schrijft hij een zuur stukje over de

stagnerende artistieke ontwikkeling bij een schnabbelend stelletje

multimiljonairs, dat kennelijk niks beters te doen heeft dan over de

halve wereld hun fans een onvergetelijke avond te bezorgen.

 

Want dat was het, vanuit mijn optiek (en die van Hans van den Heuvel

van mijn lijfblad 'Oor', die de sfeer wel aanvoelt en het heeft over

'Het beste concert van Queen op Nederlandse bodem': beter dan de twee

die ze halverwege de jaren 80 nog met Freddie Mercury in de galmbak

van de Leidse Groenoordhallen gaven).

 

Mijn dochter hoonde me maanden geleden weg, toen ik met mijn oude

lichaam aandrong op zitplaatsen. Staan, moesten we, want alleen dan

konden we volledig opgaan in een avondje retrorock. In het uur dat we

in de zaal wachten totdat het licht uitgaat, schuifelen zij en haar

vriendin subtiel steeds verder naar voren, totdat we tot op vijf meter

staan van het tot ver in de zaal uitgebouwde deel van het podium waar

de intiemste onderdelen van het concert worden afgewerkt. Hier smelten

de meiden weg als Brian May in, als duet met het publiek gezongen en

aan de dode Mercury opgedragen, 'Love of my Life' een paar echte

tranen wegpinkt.

 

Dat zal het wel wezen, denk ik – jonge adonis van 48 – waarom die

zestienjarige meiden zo'n bejaarde rocker mee naar huis willen nemen.

 

Vertedering.

 

En omdat ze te oud zijn voor een pony, natuurlijk.

 
     
     
     
     
  7 oktober 2008  
 
 
   

 

Overtraind

 

Het is de eerste basketbalwedstrijd van het seizoen en moedeloosheid neemt reeds bezit van ons. Lusteloos zitten we in het zonnetje op het bankje voor de sporthal, waar onze trots en hoop een wedstrijd afwerkt tegen een ander team in de categorie 'jongens onder veertien'. ,,Hij heeft het te druk op school'', mompel ik het begin van een excuus tegen de andere gelouterde basketbalouder, die dezelfde pose - beentje

languit, hoofd achterover, ogen gesloten en handen op de buik - als ik heeft aangenomen. ,,De woensdag is het zwaarst. Dan begint hij met twee uur gym, 's middags twee uur extra sport en 's avonds trainen.'' Ja, de extraatjes waarmee middelbare scholen tegenwoordig hun leerlingen lokken, beginnen ons flink op te breken.

 

Basketbal is een mooie sport. Korte competitie, lange winter- en

zomerstop, nooit in de regen langs het veld. Maar nadelen zijn er ook.

Voor de meeste uitwedstrijden zit je minimaal een uur in de auto

richting een dorp met een hoog tractorgehalte en een, uit naargeestige

golfplaten opgetrokken, sporthal met een door zwaarmoedige

vrijwilligers bemande kantine. En na elke zomerstop blijkt de

veelbelovende helft van het team van je zoon te zijn doorgeschoven

naar een hogere leeftijdscategorie. Tot de winterstop is het voor ons

- trainers en ouders - wanhopig zoeken naar een nieuwe balans.

 

Nu het middelbaar onderwijs sport als wervingsinstrument gebruikt, heeft onze jongste nazaat de trainingsintensiteit bij zijn club noodgedwongen gehalveerd. Hij heeft er de kracht niet meer voor, zoals

dat tegenwoordig heet. We zochten voor hem een niet te grootschalige

onderwijsinstelling, met een degelijke reputatie en niet te ver van ons huis. Maar scholen denken dat dat niet genoeg is. Ze lokken ons met laptopklassen, extra kunst en drama-uren, Chinees voor beginners en sport. Veel sport. Zou het daardoor komen dat hij al bij de eerste wedstrijd van het seizoen een overtrainde indruk maakt?

 

Na twee periodes zijn we naar buiten gelopen om een luchtje te

scheppen, wat inhoudt dat ik op het bankje de sigarettenrook van mijn

buurman inhaleer. ,,Hoeveel zou het staan?'', vraag ik, na enkele

ogenblikken van gewijde stilte. ,,Veel tegen weinig'', trekt mijn

buurman in zijn voorspelling de lijn van de eerste periodes door. We

laten dit even bezinken. ,,Het zou 20-4 kunnen zijn. Maar ook 30-4. In

elk geval een afgerond getal. Die vier weet ik zeker.'' De stand hangt

een tijdje tussen ons in. ,,Eigenlijk moeten we weer naar binnen'',

zeg ik. We rekken ons allebei nog eens uit, maar maken geen

aanstalten. ,,Ja, eigenlijk wel.''

 

Dankzij een bemoedigend herstel na de rust wordt het nog 50-20 en de

week daarop, in de eerste thuiswedstrijd, gaan we als een speer uit de

startblokken. Tenminste, dat hoor ik achteraf, want het leek me dit

keer niet nodig om vanaf het eerste fluitsignaal aanwezig te zijn.

Mijn zoon schijnt al vier keer te hebben gescoord, tegen het oude

tarief - komt hij in de rust nog eens benadrukken - van 50 cent per

punt. Maar in de periode dat ik op de tribune zit, verspelen we een

voorsprong van achttien punten en staan we, kort voor tijd, gewoon

weer drie punten achter. De koek is op. Ze hebben het te druk. Hoeveel

sporturen in een week kan een mens hebben als hij geen Lance Armstrong

heet?

 

De regen buiten houdt ons, getergde basketbalouders, dit keer binnen,

waardoor ik mijn jongste nazaat na een onwaarschijnlijke opleving met

twee scores in de laatste minuut alsnog de overwinning zie

binnenslepen.

 

Om de troosteloze teneur van dit stukje niet te doorbreken, doe ik dit

af als een incident.

 
     
     
     
     
  30 september 2008  
 
 
 

 

Feestje

Flink doorhalen en een zekere ongeremdheid zit wel in de familie, maar toch verbaast het me niet echt als onze zoon me al om 20.15 uur opbelt vanaf de plek waar zijn eerste middelbare schoolfeest wordt gehouden. ,,Kom me maar halen, ik vind er niet veel aan.'' In de auto, op weg naar huis, hoor ik het klassieke verhaal van meisjes die uit hun dak gaan op de dansvloer en jongens die maar wat doelloos aan de zijlijn
rondhangen. ,,Wij mannen verlagen ons niet tot dansen'', zegt mijn jongste nazaat, met de plechtige intonatie waarvanmee hij al zijn oneliners voorziet. ('Professionals denken niet aan tijd' en 'Genieën worden nooit begrepen' behoren deze maand tot de populairste uit zijn steeds wisselende repertoire.)

Als 4-jarige verviel ik al in zwaarmoedigheid, zodra mij op het
schoolplein een met ballonnen opgefleurd kaartje in de handen werd
gedrukt, waarop met vrolijke letters 'Hoera, ik geef een feestje'
stond. Verplicht zingen, verplicht springen en spelletjes doen. Net
militaire dienst, wist het vroegwijze ventje in mij, dat toen al
middenin de nacht wakker gemaakt kon worden voor een goed gesprek
boven een glas Belgisch bier in een mooi café, waar ze nummers van
Richard Shindell en John Gorka draaien. Maar niemand die dat in zijn
hoofd haalde, bij een 4-jarige, in die benauwende jaren zestig.

Niet van feestjes houden zit in de genen. En genen geef je door. Mijn
dochter moest ik voortijdig van haar eerste schoolfeest ophalen na een
alarmerend belletje dat ze onwel was geworden. Nee, niet van de drank,
zoals al die andere scholieren die door hun ouders horizontaal werden
afgevoerd. Overgevoelig voor discolampen, waarvan ze draaierig en
misselijk wordt. Sinds die eerste keer kijkt ze net zo uit naar
schoolfeestjes als Ed Sinke naar partijbijeenkomsten van Trots Op
Nederland. Ook onze zoon – die als net 12-jarige vooraf nog
belangstellend informeerde wat zo'n schoolfeest precies inhield en of
er wellicht nog spelletjes werden gedaan – lijkt niet voor een leven
onder de discolampen in de couveuse gelegd.

Bij mensen die het wél leuk vinden om een paar uur tegen elkaar aan te
schreeuwen in een slecht verlichte ruimte waar mensen stuiptrekken op
muziek die de jouwe niet is, roept een aangeboren aversie tegen
feestjes in de regel onbegrip op. Feestjes zijn leuk. Iedereen houdt
van feestjes. Vaak verschuilen wij, feestjeshaters, ons dan ook achter
slappe excuses bij de uitnodigingen die ons met een zekere
hardnekkigheid blijven bereiken. In mijn vrienden- en kennissenkring
wordt momenteel bijna iedereen vijftig - net als Madonna, dus het is
helemaal niet erg - wat aanleiding is om groots uit te pakken in
boerenschuren, voetbalkantines en jeugdhonken, waar met een zekere
krampachtigheid de sfeer van het schoolfeest wordt opgeroepen ('Hoera,
ik geef een feestje)'. Al maanden word ik bestookt met mailtjes van
een oud-klasgenote, die me op energieke toon (ADHD bestond in mijn
jeugd nog niet) verzoekt zaterdag 11 oktober toch vooral vrij te
houden in mijn agenda. Na me aanvankelijk doodstil te hebben gehouden,
komen nu de herinnerings- en aanmaningsmails binnen, allen voorzien
van leesbevestiging waardoor ik me niet meer kan verschuilen.

De vergelijking tussen feestjes en begrafenissen gaat misschien een
beetje mank. Maar inmiddels put ik kracht uit wat mijn eega me
voorhield, toen ik me onlangs van een teraardebestelling wilde drukken
met de oprecht gemeende zinsnede: Ik hou niet van begrafenissen. 'Je
gaat ook niet voor jezelf', beet ze me toe, 'maar voor de nabestaanden
en uit respect voor de overledene.'

Dat ik niet van feestjes hou, is kennelijk alleen relevant bij mijn
beslissing om zelf nooit, nooit, nooit een feestje te geven. Maar niet
als ik voor een feestje word gevraagd.

Dus ja, Jennifer, ik zal er zijn, op zaterdag 11 oktober.
Als ik maar niet per ongeluk mijn begrafenisgezicht opzet.

 
     
     
     
     
  23 september 2008  
 
 
   

Rij voorzichtig

Als - na enkele martelende uren met een volle blaas op een ijskoud luchtbed, het gelal van dronken feestvierders en andere onbestemde geluiden - uiteindelijk iets van een halfslaap over ons komt, wordt het tentje gevuld met het erbarmelijke geloei van een vaars in barensnood. Nee, je moet een dag voor de 150 kilometer lange fietstocht van Boogie's Extreme je heil zoeken op een Limburgse kampeerboerderij.

Na een enkel akkefietje met een knikkebol, van de afrit raken en het
rammen van een verkeersbord, word ik door mijn omgeving niet meer in
staat geacht om voor wielertochten in het zuiden des lands een dagje
met de auto op en neer te rijden. Dat was voorheen wel zo efficiënt:
de wekker om vijf uur zetten, fietskloffie aan, om zes uur vertrekken,
ontbijten in de auto, half negen parkeren in Valkenburg of een andere
bekende startplaats, rondje trappen, fiets weer op de auto, droog
shirt aantrekken, tweeënhalf uur terug rijden en rond half zeven thuis
weer aanschuiven voor de warme hap. Als je tenminste door een
onvrijwillig hazenslaapje op een recht stuk snelweg de afslag Eindhoven niet mist, maar ook dat beschouw ik zelf als een betreurenswaardig incident dat ik beter voor me kon houden.

Niettemin stem ik mokkend in met een regeling waarbij mijn fietsende neef en ik voor de rit op zondag al op zaterdagmiddag het gezelschap van mijn zus en zwager opzoeken, die toch een paar dagen in het bronsgroen eikenhout kamperen. Op nog geen drie kilometer van de start staan zij in het gehucht Walem, op een veld dat aan de ene kant een lommerrijk uitzicht biedt over het Limburgse heuvelland en aan de andere kant op een stal met 90 melkkoeien, een schuur met drachtige vaarzen en boxen met pasgeboren kalfjes.

Onze welverdiende nachtrust genieten we op twee door een collega
liefdevol afgestane luchtbedden, die met behulp van een elektrische
pomp en de accu van de auto op spanning zijn gebracht. Niks geen
primitief gedoe, als wij kamperen. Ook haar advies om een rubber matje
onder de matrassen te leggen ('tegen optrekkend vocht') nemen wij ter
harte, om enkele uren later te ontdekken dat ook deze
voorzorgsmaatregel - in combinatie met een trainingsbroek, shirt
(later ook nog een trui) en een extra fleecedeken - niet bestand
blijkt tegen de eerste nachtvorst dit jaar. Mijn nieuwe slaapzak ligt
in onze caravan, ver weg in de stalling, terwijl ik vernikkel onder
het flinterdunne exemplaar dat na 25 jaar kamperen eindelijk leek te
zijn afgedankt.

De volle maan zorgt in ons nylon verblijf voor een midzomernachtlicht
waarvan mijn ogen wijd open blijven staan, mijn neef blijkt te ronken
als een overjarige dieselmotor en het bier dat we eerder op de avond
in het Valkenburgse uitgaansgebied hebben genuttigd, vult mijn blaas
tot de omvang van een skippybal. Het uitpellen van mijn slaapzak, het
geworstel met twee tentritsen en de gang naar een toiletgebouw bij min
twee graden onder nul, doen mij voorlopig volharden in deze status
quo. Als mijn neef met een laatste harde snurk stilvalt (in slaap
gevallen, dood?, het kan me echt niet schelen), hoor ik het
voortdurend ritselen op en onder de uiteinden van de tentluier die zo
ruim onder ons slaapvertrek ligt uitgespreid. Katten, bedreigde
korenwolven of wilde zwijnen? Het gepieker houdt me niet wakker. Ik
lig al wakker. Van de discodreun die ergens uit het dal bij Valkenburg
komt. Van het bierfeest van een andere boerderij, een meter of
vijfhonderd verderop, waar Normaal slaags lijkt te zijn geraakt met
Rowwen Hèze. En van het geloei van Berta 8 of Greta 4, die we de
ochtend daarop – recht tegenover de plek waar wij de afwas doen – de
nageboorte van hun eerstgeborenen naar binnen zien slokken. Ja, ook
goedemorgen.

Gebroken rijd ik de 150 kilometer van Boogie's Extreme – waarvoor
Michael Boogerd de gemeenste hellingen uit de Amstel Gold Race en
Luik-Bastenaken-Luik achter elkaar heeft geplakt – als ik vlak na de
finish een sms'je van mijn eega, onwetend van dit alles, ontvang:
'Achteraf moet je toegeven dat dit beter is dan al gejakker op één
dag. Rij voorzichtig en tot vanavond.'

 
     
     
     
     
  16 september 2008  
 
 
   

Zelfstandig (2)

De mail waarin een lezeres ons geamuseerd maar toch ook toenemend bezorgd uitlegt dat het aanleren van zelfstandigheid een onderdeel van de opvoeding is, leidt daags daarna al tot een scherpe koerswijziging in ons gezin. ,,Ik ga hem niet meer in alles achterna lopen'', zegt mijn eega, op wat luidere toon dan ik 's morgens van haar gewend ben. Ze loopt van de ontbijttafel richting de keuken, maar houdt plotseling stil bij de achterdeur als ze ziet dat de brooddoos en pakjes drinken van onze zoon nog op de mat staan. ,,O, nu is hij weer zijn eten vergeten'', kreunt ze. En dan, gebiedend, tegen mij: ,,Ga jij het even
brengen.''

In de analyse achteraf schitteren wij als al die deskundigen die hun
licht over voorbije zaken laten schijnen. Natuurlijk weten wij wel dat
'zelfstandigheid' een apart hoofdstuk is in dat ongeschreven handboek
waarmee wij onze nazaten op de weg naar volwassenheid begeleiden. Maar omdat we ons bij de oudste van jongs af aan nergens mee hoefden te
(schuine streep mochten) bemoeien - en al helemaal niet met haar schoolwerk - word je toch in slaap gesust door de hoop dat het voor een deel ook in de genen zit. En ach, de keren dat die tweede koter
het dan op het middenveld laat liggen, lopen wij in de achterhoede die gaatjes gewoon even dicht.

Die gaatjes vallen bij hem in het gedeelte van zijn hersenen waar de
argeloosheid waarmee hij in het leven staat (vooralsnog, uiteraard,
want hier gaan wij aan werken), de overhand heeft op het korte termijn
geheugen. Zijn eerste dagen op de middelbare school kenmerken zich
door vergeten huis- en lockersleutels, essentieel lesmateriaal en het
- op een manier die zo langzamerhand op obstructie begint te lijken,
gelet op het feit dat zijn moeder elke avond 25 keer tegen hem zegt
het wél te doen - consequent niét invullen van zijn agenda, waardoor
hij er 's avonds bij het maken van zijn huiswerk maar een slag naar
slaat. Nooit geweten dat bedachtzaam uitgesproken woorden als 'Eens
even kijken, volgens mij moeten we van hoofdstuk 1, geloof ik, het
eerste, of nee, het tweede' de vrouw met wie ik al 25 jaar leed en
lief deel, zo tot radeloosheid kunnen brengen.

Als verbeterpuntje voor mezelf in dit traject naar zelfstandigheid
probeer ik de vanzelfsprekendheid van me af te schudden waarmee ik
accepteer dat mijn zoon zo in elkaar steekt. Dat ik het heel normaal
vind dat hij na een nachtje slapen bij zijn basketbalclub de doppen
van zijn zelfopblazende luchtbed, een T-shirt en zijn regenbroek kwijt
is. Dat ik altijd een reservesleutel van zijn fiets aan mijn eigen bos
heb hangen, om op welk uur van de dag dan ook als zijn eigen Route
Mobiel te kunnen uitrukken. Dat zijn blikveld een uurtje of zes per
etmaal niet verder reikt dan de schermpjes van zijn Nintendo DS. En
dat we elke ochtend bij een rondgang door het huis een vuilniszak
kunnen vullen met wat er eigenlijk nog allemaal in zijn rugzak had
moeten zitten.

Dus ja, stel ik nog maar eens vast terwijl ik met zijn plastic tasje
met brooddoos, Snelle Jelle's, pakjes drinken en een Breaker (ja, er
wordt goed voor hem gezorgd, die eerste weken als brugpieper) naar
mijn eigen fiets loop: dit gaan we vanaf nu helemaal anders doen.
Discipline en zorgvuldigheid worden de sleutelwoorden, bedenk ik - op
weg naar een goedmoedige conciërge die het tasje mondvoorraad met een
al even zo grote vanzelfsprekendheid van me aanpakt - als ik in mijn
educatieve mijmeringen word gestoord door mijn echtgenote die me in
het steegje achter ons huis achterna holt met mijn mobiele telefoon en
portemonnee.

Ik weet het.

Dit is geen sterk eind aan een stukje over zelfstandigheid.

 
     
     
     
     
  9 september 2008  
 
 
 

 

Zelfstandigheid

Grote veranderingen doen zich gelden in de kleinste details.
,,Misschien is het beter dat je voortaan mijn haar niet meer doet'', zegt onze zoon voorzichtig tegen zijn moeder, die in de badkamer net haar vingers steekt in de pot gele gel waarmee ze haar jongste nazaat elke ochtend transformeert van Jan Peter Balkenende-junior in iemand die ook in de 21ste eeuw normaal over straat kan. Tenminste, daar ging ze tot op dit moment vanuit. Op de ochtend van de dag waarop hij zijn eerste gang naar de brugklas maakt, gelden er nieuwe wetten.

Het is de eerste oprisping van zelfstandigheid die ik signaleer in de
aanloop naar het middelbaar onderwijs. Zoals hij het heel gebruikelijk
vond dat hij op de basisschool jaar in, jaar uit in een gespreid bedje
terechtkwam, zo bemoeit hij zich ook nauwelijks met de voorbereidingen voor de brugklas havo/vwo. Op aanraden van zijn zus schafte hij zich enkele maanden geleden ('anders zijn de leukste al uitverkocht') een
agenda aan, waarin hij zijn naam en de helft van zijn adresgegevens noteerde, en liet hij zich een keer door zijn moeder meeslepen naar de
schoolcampus van een groot warenhuis voor een Eastpak-rugzak in camouflagekleuren, een stapeltje schriften en schrijfgerei. Dat zijn
door mij online bestelde boekenpakket automatisch thuis wordt bezorgd,
komt hem allerminst vreemd voor en dat al het materiaal een paar dagen
later is gekaft en van stickers voorzien, vindt hij evenmin
verwonderlijk.

Zijn moeder weet waar en wanneer hij zich moet melden, en alle
instructies om daar allebei zijn oren open te houden, netjes te
noteren wat er wordt gezegd en in alle opzichten zijn verstand te
gebruiken, absorbeert hij met de vanzelfsprekendheid als waarmee hij
de richtlijnen negeert om op tijd naar bed te gaan, zijn handen niet
constant in de snoeppot te steken en op de tv niet voortdurend te
zappen tussen pulpprogramma's bij de commerciëlen.

Behalve de mededeling dat hij alles prima onder controle heeft, is er
na afloop van de eerste introductiedag niet veel feitelijks uit hem te
krijgen. Dat geldt ook voor het vriendje waarmee hij van en naar zijn
nieuwe school fietst, dat hem in de avonduren belt om te vragen wat ze
de tweede dag ook alweer mee moeten nemen. Onze zoon aarzelt even,
bijt op zijn lip en zegt dan: 'Ik geef mijn moeder wel even', die aan
de hand van een halve meter stencilmateriaal dat hij eerder op de
eettafel heeft uitgestort, probeert wat handzame informatie te
verstrekken. Als het vriendje na anderhalve minuut reageert met 'Nou,
ik snap er niks van, ik geef mijn moeder wel even', voeren beide
vrouwen de rest van de eerste schoolweek meerdere keren per dag
overleg over lesroosters, rugzakinhoud, lockergebruik en aanpassingen
in het vertrekschema van het kroost.

Mijn veronderstelling dat na enkele dagen qua zelfstandigheid de
teugels wel wat kunnen worden gevierd, wordt meteen gelogenstraft door
het feit dat hij 's avonds allerlei essentiële artikelen - waaronder
zijn broodtrommel - in zijn locker blijkt te hebben laten liggen,
waarna zijn moeder zich zet aan een A4'tje met een dummyversie van
zijn rooster en allerlei andere basale instructies die met
dubbelzijdig plakband ('alleen even de plakrand verwijderen') aan de
binnenkant van zijn kastje kunnen worden bevestigd.

Aan het eind van de week lijkt onze zoon zich definitief te hebben
neergelegd bij de wetenschap dat ook de gang naar de middelbare school
voor hem een geheel verzorgde reis is.

,,Mam, kom je even mijn haar doen?'', hoor ik hem bovenaan de trap roepen.

 
     
     
     
     
  2 september 2008  
 
 
 

 

Weer terug

De bemanning van de Bounty was een gezeglijk stelletje vergeleken bij de zoetwatermatroos die bij mij voor in de kano zit. De eenvoudigste commando's - 'links, rechts, even niks doen, laat de boot zijn weg zoeken' - vormen de aanleiding voor een breed maatschappelijk debat, dat al snel ontaardt in een ordinaire scheldpartij.

Een kilometer na vertrek voor wat een genoeglijk tochtje door een
'gorge' had moeten worden, hangt onze boot schuin op een boomstronk in
een stroomversnelling en loopt vol met het kolkende water van de Tarn.
Van Bounty naar Titanic, in enkele ogenblikken. Twee man overboord.
Met mijn rechterhand houd ik het Tupperwaredoosje omhoog waarin ik
mijn camera waterdicht dacht te hebben opgeborgen, met mijn linker
probeer ik de kano te kantelen. Leeg was dat net nog geen probleem.

Survival is tegenwoordig een probaat middel voor teambuilding. Maar
voor vader en zoon-momenten staat het genre nog in de kinderschoenen. De manier waarop mijn jongste nazaat in zijn
zwemvestje voor me uit spoelt, lijkt symbolisch voor de wijze waarop vakantie ouders en kinderen toch vooral uit elkaar drijft. In ons gezelschap van elf (!) familieleden bevinden zich vier adolescenten die zich van jaar tot jaar afvragen of zij er al aan toe zijn om thuis te blijven. Ze hebben niks aan ons reclamepraatje over een prettige camping, het gelikte zwemparadijs, het mooie landschap van de Franse Cevennen, de middeleeuwse dorpjes, de sfeervolle marktjes en het vooruitzicht dat het hier bijna drie weken lang tussen de 25 en de 30 graden is. Voor hen is de camping de ideale hangplek en de organisatie speelt daar handig op in. Zodra de bar 's avonds om 23 uur voor de ouwetjes dicht gaat, mogen de pubers bezit nemen van de bijna geluiddichte binnenplaats en daar tot diep in de nacht hun eigen bier nuttigen. Nou ja, 'hun' eigen bier. Daar denken mijn zwagers anders over.

De buren heb je op een kampeerterrein normaal niet voor het uitkiezen.
Maar deze sleep ik bijna 1200 kilometer achter me aan: dit jaar vieren
we, als een afscheiding van de familie Petalo, vakantie met de
gezinnen van twee van mijn drie zussen. Hoezeer ik ook mijn best doe,
om daar verandering in te brengen. Al op de rondweg van Parijs probeer
ik - als gevolg van tegenstrijdige informatie van mijn Garmin
satellietnavigatie en mijn eega (ouderwets kaart op schoot), in
combinatie met mijn eigen wijsheid - ze af te schudden. Nadat ik
binnen honderd meter met mijn twaalf meter lange combinatie van
auto/caravan vier keer van baan wissel, zien we mijn ene zus pas
ergens bij Orleans weer terug. Met de andere rijd ik het traject langs
de Seine nog eens dunnetjes over waarop prinses Diana en haar Dodi
destijds zo ongelukkig aan hun einde kwamen. Wij komen er met een paar
bijna-doodervaringen genadig af.

Kamperen doen we in gerieflijke sleurhutten, maar als onderdeel van
het losmakingsproces gaat het kroost terug naar de natuur. Van een van
de twee tenten waarin drie neven moeten worden ondergebracht, blijken
de stokken nog thuis te liggen. De andere tent is lek, wat alleen bij
een enkele nachtelijke hoosbui een probleem blijkt. Ook lek: het ene
van de twee luchtbedden waarop ze uiteindelijk met z'n drieën
belanden. En elke band die we naar het wildwaterparadijs van onze
camping meeslepen.

Een van de weinigen die ik in deze drie weken vrijwillig van de
camping af krijg, is mijn 20-jarige neef. Hij benut onze tochtjes om
te benadrukken dat wij ook op de racefiets uit elkaar drijven. Op de
venijnige hellingen die de ene gorge met de andere verbinden, rijdt
hij - na een avond met 20 pils en drie Engelse meiden op een lek
luchtbed - naar boven met een gemiddelde van 19 kilometer per uur,
waar mijn hoogste snelheid - na twee wijntjes en vroeg onder de wol -
nooit boven de 13 uit komt.

Maar dat is klein leed vergeleken met de domper waarmee mijn twee
andere neven (16 en 17) in hun losmakingsproces te maken krijgen. Na
drie weken achter een 16-jarige Belgische schone te hebben aangelopen,
moeten zij constateren dat Geil (met een hele zachte 'G', dus
misschien schrijf je wel Gail) bij onze zuiderburen geen
gemoedstoestand maar een hele gewone meisjesnaam is.

 
     
  29 juli 2008  
 
 
 

 

Het nieuwe rijden

Zonder daarvoor ooit waardering te hebben gekregen, was mijn
schoonvader zaliger de uitvinder van het Nieuwe Rijden. Met vrouw, drie kinderen, opa en oma, plus alle bagage, was hij gewoon met zijn klassieke Citroën Ami 6 de hoogste col op weg naar hun vaste vakantieadres - de Holterberg - in de hoogste versnelling op te rijden. Het ene jaar lukte dat - na een flinke aanloop - net, het andere jaar niet, waarmee hij zijn nazaten met een levenslang trauma voor de combinatie vakantie, auto, helling en motorisch ongemak opzadelde.

Ook in dat opzicht heeft mijn eega het met mij als echtgenoot niet
getroffen. Niet omdat ik - zoals mijn schoonvader - niet weet dat ik
op een helling moet terugschakelen - maar omdat ik als gevolg van een
permanente staat van armoede in barrels van auto rondreed en
daarenboven gezegend ben met een slecht karakter. Met mijn eerste
voertuig - een rode eend met gele wielen - mocht ik graag op haar
angst inspelen door richting de top steeds minder gas te geven en vlak
voor het hoogste punt de wagen reutelend tot stilstand te laten komen.
Het laatste stukje deed ik dan - door met mijn lichaam hard naar voren
en naar achteren te bewegen - net of ik er nog een paar meter kon
uitpersen.

Toch zou het nog jaren duren voordat het Nieuwe Rijden - zo min
mogelijk toeren maken om zoveel mogelijk benzine te sparen - door de
overheid met televisiespotjes werd gepropageerd. En dan blijken er
meer slachtoffers te vallen. De ANWB Alarmcentrale had de afgelopen
weken de handenvol aan caravanrijders die hun zware sleurhut in de
vijfde versnelling - lekker zuinig, zo ziet de regering het graag -
een helling op wilden trekken.

Met de opvolgers van mijn eend - een gele Renault 4 en een oranje Opel
Kadett met een zwart dak - hoefde ik de ellende nooit na te spelen.
Met de Renault werden we na zes weken in de flank geraakt door een
Duitse toerist in een Volkswagen Kever (zo min mogelijk remmen, dat is
ook het Nieuwe Rijden) en van de Kadett herinner ik me alleen nog de
reeks lekke radiatoren, defecte bobines en lege accu's, die ons in
Bretagne nog wel eens een dagje of twee extra op een camping hielden.

De Zweedse degelijkheid waarin ik het hierna zocht - een overjarige
grijze Volvo 240 sedan - liet ons op de bergweg van Nice naar onze
camping in Gilette tot stilstand komen met een gebroken
distributieriem en had verder ook een hekel aan de combinatie van warm
weer, een volgeladen auto en geaccidenteerd terrein. Van een vakantie
naar Normandië blijft me de terugreis bij als een lang gevecht tegen
oplopende temperaturen, waarna de motor in het zicht van de haven en
op het ongelukkigste moment - in de file op het diepste punt van de
Antwerpse Kennedytunnel - alsnog begon te koken. De opvolger van de
grijze Volvo - een rode Volvo 240 Polar stationcar - mocht met onze
1500 kilo wegende caravan ook graag warm aanlopen, waardoor mijn eega
op onze reizen doorgaans weinig van het landschap zag omdat haar blik
als die van een cobra gefixeerd bleef op de temperatuurmeter. In het
laatste jaar kreeg hij door een geheimzinnig elektronisch mankement
startproblemen, die ik soms - maar soms ook niet - kon oplossen door
allerlei stekkers los te trekken en weer in te pluggen, wat ons op het
parkeerterrein bij Dover Castle nog hele angstige uurtjes opleverde.

De afgelopen twee jaar hebben we - met onze nieuwe, benzineslurpende
suv - radicaal met dit verleden gebroken. De komende vier weken
trekken we - bij voorkeur in z'n twee, met een motor die loeit als een
raket en met een beetje geluk nog net 1 op 6 haalt - al die andere
Nederlanders voorbij die met hun caravans keurig in z'n vijf een berg
oprijden, reutelend op de vluchtstrook tot stilstand komen en dan de
Alarmcentrale bellen.

Het Nieuwe Rijden is aan ons niet besteed.

 
     
     
     
     
  22 juli 2008  
 
 
   

Incasso

Ver van het juridische slagveld waarop onderwijsinstituten en
uitgevers elkaar inmiddels naar het leven staan, worstel ik me als kleine consument met behulp van mijn dochter door de website van Van Dijk Educatie uit Kampen. De bestelling voor haar boekenpakket is inmiddels de deur uit, maar bij die voor haar broertje - in alle opzichten een beginneling in brugklas havo/vwo - kan zij mij nog een hoop geld besparen. ,,Niet doen, die Grote Bosatlas'', waarschuwt ze. ,,Die heb ik boven nog liggen. In vier jaar tijd nog geen drie keer in gekeken.'' Scheelt toch weer bijna 65 euro die een stoffige aardrijkskundeleraar zonder kennis van Google Maps en Google Earth me even uit de zak had willen kloppen.

Hetzelfde geldt voor de godsdienstleraar die me naast 'Van horen
zeggen 1 en 2' (totaal 24 euro) ook nog de gebonden herziene editie
van de bijbel (25,50 euro) probeert aan te smeren. Probeer zo maar
eens binnen het officieel van regeringswege vastgestelde bedrag van
316 euro per leerling te blijven.

Mij lukt het in elk geval niet, ook al biedt Van Dijk Educatie bij
elke gewenste aanschaf de keuze uit 'koop', 'huur' of 'niet'. Als ik de Grote Bosatlas en de bijbel - plus een aantal woordenboeken die onze zoon nog kan overnemen uit de boedel van laten vallen vakken
(Duits en Frans) van zijn zus - niet had kunnen wegstrepen, kom ik zelfs ruim boven de 600 euro uit.

Niet alleen als gevolg van de boekenaanschaf, overigens, want de
school van onze jongste nazaat heeft nog een slimmigheidje in de lijst
ingebakken, die elders in den lande ook al tot gebakkelei heeft
geleid. Van Dijk Educatie int namelijk ook ('op verzoek van de school
aan u gefactureerd') allerlei andere bijkomende kosten (90 euro), voor
onder meer de borg van de locker, een bijdrage voor de vakexcursie
biologie, de aanschaf van het schoolsportshirt en een bijdrage voor de
introductie c.q. afsluiting van het schooljaar.

En het is vreemd, maar bij deze aanschaffingen ontbreekt de
mogelijkheid om te kiezen uit 'koop', 'huur' of 'niet'.

Hetzelfde geldt voor de post 'verplichte bijdrage algemeen' (verplicht
is nu eenmaal verplicht: 95 euro), waaronder het gebruik van de
bibliotheek, de huur van de locker en de deelname aan allerlei
schoolevenementen vallen. (Voor volgend jaar verwacht ik ook
vergoedingen te moeten ophoesten voor het gebruik van de
fietsenstalling, de kapstokken, het meubilair en de verlichting van de
voorraadkelder.)

Maar dat de keuzemogelijkheid 'niet' ook ontbreekt bij de post
vrijwillige ouderbijdrage, lijkt op z'n minst strijdig met het
vrijwillige karakter van deze bijdrage, die overigens is begroot op
een schappelijke 25 euro (waarschijnlijk omdat veel kostenposten zijn
overgeheveld naar de verplichte bijdrage, maar dit terzijde). Weiger
je de (vrijwillige) bijdrage via Van Dijk Educatie te betalen, dan
dien je eerst stennis te maken bij de online klantenservice om de
bestelling van het schoolboekenpakket te kunnen afronden.

Als de leermiddelengigant uit Kampen nog een stapje verder gaat in
deze rol van incassobureau, ligt voor het bedrijf een gouden toekomst
in het verschiet. Na het biologieboek Nectar (3de editie, deel a)
verwacht ik volgend jaar in de digitale boekenlijst onder het kopje
'Diversen' ook al mijn openstaande verkeersboetes, de gemeentelijke
aanslag voor de onroerend zaakbelasting en de nota voor het
reinigingsrecht terug te vinden.

Niet vrijwillig betalen?

Dan voorlopig ook geen schoolboeken, meneertje.

 
     
     
     
     
  15 juli 2008  
 
 
 

 


De schijn van school

De omschakeling is groter dan die van de winter- naar de zomertijd. Een beetje verweesd loop ik 's morgens rond een uurtje of zeven door de keuken van ons huis, beroofd van mijn ochtendroutines als pistoletjes bakken en kommen met cocopops klaarzetten. Onze dochter moet ergens rond half twaalf een paar cijfers ophalen en draait zich boven nog een paar keer om in haar bed. Ook onze zoon maakt geen haast. Hij bereidt zich in zijn bed voor op de rol van instructeur bij het onderdeel basketbal van de sportdag voor de lagere groepen van zijn school. Hoe zou het toch zijn met dat leerplichtmannetje dat een paar weken geleden op Schiphol nog scholieren plukte uit de rijen voor de incheckbalies, vraag ik me af?

De vakantiespreiding doet rare dingen met mijn biologische klok. Op
het Journaal en in de kranten krijg ik al weken beelden door van de
grote uittocht die in de regio's Noord en Zuid op gang is gekomen. De
vaderlandse economie wordt draaiende gehouden door de regio Midden,
waarin mijn nazaten volgens de wet leerplichtig zijn. Hoe komt het dan
dat ik elke dag de indruk krijg dat ze begin juli met al hun
soortgenoten in Noord en Zuid op vakantie zijn gegaan en sindsdien
maar een beetje de schijn van school ophouden?

Kinderen die - liefst voor achten - vertrekken naar een
onderwijsinstelling horen bij mijn ritme als het ontwaken van de
dageraad. Hun lesroosters geven vastigheid en richting aan mijn
bestaan. Als ik nu de wekker concurrentie aandoe door onder aan de
trap mijn dochter tot ontwaken te bewegen, krijg ik een in de
halfslaap gemompelde opsomming van een recreatieprogramma waarmee dat leerplichtmannetje van Schiphol een rad voor ogen moet worden
gedraaid. Ze gaat met het hele vierde leerjaar 'raften' in Zoetermeer.
Of tapas klaarmaken voor een klassenavond.

Zelfs de activiteiten die nog iets van nut en noodzaak in zich dragen
- de uitkomsten van de laatste proefwerkweek ophalen - krijgen iets
lachwekkends doordat ze (ik citeer zo letterlijk mogelijk) 'in de
school elk uur een andere leerkracht moeten zien te traceren die, als
ze hem eenmaal gevonden hebben, vertelt welk cijfer ze hebben'.
Sommige onderwijsgevenden zijn op zo'n dag niet te vinden (hebben ze
zich verstopt?). Dan wacht je een uur en ga je de volgende zoeken. Als
ik mijn wenkbrauwen frons bij deze praktijken, haalt zij haar
schouders op. Zo gaan die dingen nu eenmaal, in de laatste weken van
een schooljaar. En, o ja, morgen gaat ze haar boeken wegbrengen. Duurt
een half uurtje. Dan drie dagen niks. En vrijdag haar rapport ophalen.
Weer een week (want dat was vorige week) voorbij.

De enige regelmaat in het schoolleven van Groep 8 van onze zoon is dat
hij elke ochtend min of meer op de vaste tijd de deur uitgaat. De
dagen vult hij met vossenjachten, sporten en oefenen voor de musical
Switch die wij als ouders vanavond (ja, echt vanavond) krijgen
voorgeschoteld en waarin hij een louche (er moet een hele pot gel mee
voor naar school en een plastic tas met uitsluitend zwarte kleding)
diamantenhandelaar speelt. Morgen wordt ook een zware dag. Dan is het
van negen tot half tien (of van half tien tot tien, daar wil ik vanaf
zijn) snoep strooien in de lagere groepen, die er nog niet aan toe
zijn om de schijn van school op te houden. Verder niks.

Daarna loop ik zeker nog een week of drie heen en weer geslingerd
tussen mijn werk- en hun vakantieritme door het huis, voordat wij op
10 augustus zelf naar Frankrijk afreizen. Het zou me niks verbazen als
ik dan, ergens achter een boom bij de grensovergang met België, dat
verdwaalde leerplichtmannetje nog zie posten.

 
     
     
     
     
  8 juli 2008  
 
 
 

 

Dezelfde steen

Nee, ik ben geen ezel. Dus heb ik er het volste recht toe mij ook voor de tweede keer aan dezelfde steen te stoten. Nadat eerder de Nintendo Wii als het zoveelste elektronische gadget van het verlanglijstje van onze zoon (bijna 12) was afgevoerd, opperde ik voorzichtig: ,,Wat denk je van een racefiets?'' Hij kauwde even op het gegeven, knikte toen bedachtzaam en sprak, een beetje aarzelend nog, de voor mij heilzame woorden: ,,Ja, dat is misschien ook wel leuk.'' Terwijl in de verte de echo van de uitroep van mijn eega wegstierf ('Kan hij niet op de fiets
van zijn zus, die in de schuur staat weg te roesten?'), was ik -
wapperend met mijn pinpas - al op weg naar de fietsenspeciaalzaak.

Hoewel de makers van Peijnenburg er met hun karikaturale reclame-uitingen momenteel alles aan doen om dat beeld kapot te maken,
geloof ik nog steeds heilig in een van generatie op generatie
doorgegeven passie voor de wielersport. Het is waar, mijn jongste nazaat legt meer belangstelling aan de dag voor computerscherm
gerelateerde activiteiten, maar dat maakt de uitdaging om hem te voorzien van klapkuiten, gebronzeerde armpjes en een spierwit bovenlijf alleen maar groter. En kan hij op de mountainbike ook niet heel aardig uit de voeten?

Mijn dochter heb ik pas op haar veertiende duidelijk weten te maken
dat haar leven niet compleet was zonder een scherp gesneden rijwiel
aan de daarvoor bestemde haken in ons uitpuilende schuurtje. Het was
nog een heel gedoe om voor haar puberlijf (uitzonderlijk lange benen,
betrekkelijk korte romp en armpjes) een geschikte fiets te vinden,
maar bij het Belgische Ridley (de sponsor van toekomstig Tour de
France-winnaar Cadel Evans en sprintwonder Robbie McEwen; nee, dat is
geen toeval) draaien ze hun hand niet om voor maatwerk. En er komt een
dag, houd ik mijn eega al bijna twee jaar voor, dat deze investering
zich gaat uitbetalen in snelle koersen, adembenemende bergritten en
machtige eindsprints. De twee jaar dat ze nu is gestopt met basketbal
met de belofte zich volledig aan de wielersport te wijden, moeten we
zien als een sabbatical. Onze dochter is 'in between sports', zou je
kunnen zeggen. De tweede trainingsrit van dit jaar die ze afgelopen
zondag maakte, was in dat opzicht veelbelovend te noemen.

Twaalf is natuurlijk ook een betere leeftijd om een fundament te
leggen voor een wielerleven. De tijd en de geesten zijn rijp. Zijn
aanhoudende gezeur om een Wii (een computerspel waarbij je met de
afstandsbediening moet zwaaien om een en ander in beweging te zetten),
en zijn hardnekkige weigering om iets anders te vragen ('ik weet niks
anders'), kwam als een geschenk uit de hemel. En ja, natuurlijk zou ik
eerst gaan voor een tweedehands (er stond een vrijwel nagelnieuwe
Raleigh-replica met de naam Hennie Kuiper in het frame gespoten), maar
ook zijn lijf in de groei vraagt eigenlijk om maatwerk dat alleen in
de fabriek te krijgen is. Met 'We hebben het hier over een
instapmodel!', smoorde ik thuis een enkele critica de mond.

De levering wordt nog een race tegen de klok. Drie weken, rekent de
fabrikant, waardoor hij er net voor zijn verjaardag (27 juli) kan
zijn. Veertien dagen later reizen we af naar Frankrijk, waar in de
Tarn de uit 'De Renner' van Tim Krabbé bekende colletjes op hem
wachten. Mijn zoon gaat omhoog, desnoods achter een stuk snijkoek aan
een touwtje aan. Hij is een groot liefhebber van 'Snelle Jelle's'.
Nee, niet van Peijnenburg, maar van een aangetrouwde neef. Wieger
Ketellapper.

 
     
     
     
     
  1 juli 2008  
 
 
   

Propaganda

Als een ter dood veroordeelde die elke handeling bewust voor de laatste keer meemaakt, sluit onze zoon zijn basisschoolperiode af. Niet dat hij uit zichzelf erg doordrongen is van de wending die zijn nog jonge leven gaat nemen. Het is zijn zus die hem daar de hele dag opmerkzaam op maakt. ,,Geniet er nog maar even van’’, smaalt ze, als hij zich na het avondeten opmaakt om buiten te gaan spelen. ,,Dat gaat straks echt niet meer. Dan zit je alleen maar aan je huiswerk.’’ Van enige tegenspraak (’Mijn school is huiswerkvrij!’) is ze niet gediend. Dan is buitenspelen wel te kinderachtig, als je op de middelbare school zit.

De middelbare school, dat was vroeger iets om naar uit te kijken. Ik ontleende zoveel zelfvertrouwen aan deze serieuze stap op weg naar de volwassenheid dat ik ergens halverwege de zomervakantie merkte dat ik nauwelijks meer stotterde. Dat ik mijn bril op durfde te doen waar andere mensen bij waren. Dat ik de witte stickers met ’Feyenoord’ van mijn fiets pulkte. En er met zwarte letters op mijn groene pukkel voor uit wilde komen dat ik een fan van Slade (’Cum on feel the noize’) was.

Maar voor zoveel onbevangenheid is in ons huis geen ruimte meer. Als het aan onze dochter ligt, waren de zeven plagen van Egypte en Nelson Mandela’s  jaren op Robbeneiland een eitje vergeleken bij wat onze zoon in de brugklas havo/vwo te wachten staat.

De lichtpuntjes die mijn zoon meent te moeten aanvoeren op basis van officieel foldermateriaal van de school waarvoor hij zich heeft ingeschreven, doet ze af als staatspropaganda. Hij gelooft toch zeker zelf ook niet dat een school echt huiswerkvrij kan zijn? Hier, kijk dan, wat ze zelf elke dag allemaal moet leren (ik citeer even uit het hoofd): 27 pagina’s Grieks, 44 rijtjes met Duitse woordjes en zinnetjes, 3 stencils met wiskundige en scheikundige formules en twee werkstukken voor biologie en Engels, elk met de omvang van een ouderwets deel van de Winkler Prins.

Al krijgt haar broertje maar een fractie van deze opgaven, dan nog zal hij al zijn vrije tijd opgesoupeerd zien aan het uitwerken ervan.

Om een reëel beeld van eigen kunnen te ontwikkelen, dient hij verder zo’n veertig procent af te trekken van de cijfers die hij het afgelopen jaar heeft gehaald. Dan kan het straks alleen maar meevallen, als hij nog eens met een zesje of zeventje thuiskomt.  Van een naadloze aansluiting van het basis- op het voortgezet onderwijs moet hij zich sowieso niet te veel voorstellen.

Ook gaat hij onherroepelijk gepest worden als: hij begint over zijn voorliefde voor Lego, hij zijn haar zo belachelijk in een scheiding blijft trekken, zijn T-shirts in zijn broek blijft stoppen nadat hij naar het toilet is geweest, blijft lachen om poep- en piesgrappen en ook maar aan iemand laat weten dat hij ’Het huis Anubis’ kijkt.

Verder hoeven we hem niet uit te rusten met een Mp3-speler (’hij weet toch geen muziek om erop te zetten’), een mobieltje (’wat moet hij nu met een mobieltje?’)  of een Eastpak-rugzak (’als zijn school echt huiswerkvrij is, kan hij zijn boeken wel op school laten liggen’). Een schoolagenda zoekt zij wel voor hem uit, want als hij op zijn eigen smaak afgaat, is het leed helemaal niet te overzien.

Het is vooral mijn eega die zich de blaren op de tong klets om het beeld van het middelbare schoolleven enigszins bij te stellen. Zelf leid ik uit het feit dat onze zoon - ondanks deze vooruitzichten - nog niet is gaan stotteren, bedplassen of anderszins blijk geeft van spontane neurotische aandoeningen, hij ook tegen de middelbare school wel opgewassen is. 

 
     
     
     
     
  24 juni 2008  
 
 
   

Rouwverwerking

,,Jammer'', zegt mijn dochter, bij wie de passie voor de voetbalsport alleen tijdens grote toernooien ontluikt. ,,Ik had er echt zin in om Europees Kampioen te worden.'' En zij niet alleen. Mijn nicht - type spelersvrouw met als bijzondere aandachtspunten make-up en kleding - was er met een gelijkgezind vriendenclubje speciaal voor naar Basel
afgereisd. Als je de liefde voor Oranje met dit soort types moet
delen, wordt de smartelijke nederlaag tegen de Russen opeens een stuk draaglijker.

Voetbal beleef ik het liefst in m'n eentje. Lekker chagrijnen op de bank om het zouteloze spel dat het Nederlands Elftal ons nu al een jaar of wat voorschotelt. Met succes wring ik me tijdens WK's en EK's
in allerlei bochten om uitnodigingen af te slaan voor tuin- en
schuurfeesten met grote lcd-schermen, beamers, halfdronken
pseudokenners en alle kakelende buurvrouwen uit de wijde omtrek, van
top tot teen gehuld in oranje. Maar dit EK was voetbal nadrukkelijk
een familiegebeuren.

Het begon al met de familie EK-poule, waaraan ik me nog dacht te
kunnen onttrekken met het argument dat ik er de kracht niet voor heb
om, nog voor er een bal is getrapt, de ploegen en uitslagen te
voorspellen van kwart-, halve en hele finales. Om mij binnenboord te
halen werd de poule geknipt: eerst de groepsfase, als die achter de
rug was hoefden we ons pas te buigen over de rest van het toernooi.
Verder bleek voetbal kijken opeens opgewaardeerd tot een
gezinsgebeuren. De terreur van de rest van de klas ('Ik ben de enige
die het niet mag zien') verhinderde dat ik mijn zoon gewoontegetrouw
om negen uur naar bed kon sturen. Ook hij houdt niet van voetbal, maar
is op een leeftijd (bijna 12) dat je niet uit de toon wilt vallen.

Aangestoken door geldzucht (er is binnen de EK-familiepoule 55 euro te
winnen) zat ook onze dochter op het puntje van de bank. Mijn bank.
Vervolgens viel er ook nog weinig te chagrijnen. Dit keer leken we
echt met een wereldelftal naar het EK te zijn afgereisd. Ik hoorde
mezelf in nabeschouwingen lovende woorden spreken over de verdedigende
kwaliteiten van Joris Mathijsen en het loopvermogen van Rafael van der
Vaart. Zelfs over Robben heb ik tussen twee blessures in nog wat
aardigs gezegd.

Pas tijdens de kwartfinale was alles weer als vanouds. Mijn zoontje
bedacht dat hij vijf minuten na de aftrap toch liever boven wilde
computeren. Mijn dochter verborg zich eerst op de bank achter het
lesmateriaal voor de komende proefwerkweek en vergezelde daarna mijn
eega, die van de spanning maar wat struiken in de tuin was gaan
snoeien en alleen even naar binnen kwam als ze drie huizen verder –
waar de buren wel een beamerparty hielden – geloei hoorde opklinken.
Op dit soort momenten trakteerde ik haar op mijn inmiddels
legendarische Nederlands Elftal-chagrijnigheid.

Na de uitschakeling is binnen de familie een ordinaire ruzie
uitgebroken over de puntentelling van de EK-poule. Vooral mijn eega,
inmiddels op een hopeloze achterstand, maakt moeilijkheden omdat zij
extra punten wil voor het feit dat zij in de eindstrijd als enige
Duitsland laat verliezen van Spanje (0-2). Ik sta één punt voor op de
concurrentie en lijk niks te vrezen te hebben omdat die – net als ik –
volledig heeft toegeschreven naar de finale Portugal –Nederland (1-3).
Mijn dochter kijkt weer gewoon TopGear op de BBC tijdens Italië-Spanje
('Wanneer is het WK?', wilde ze zaterdagavond nog wel weten) en alleen
onze zoon lijkt zich niet bij de uitschakeling van Oranje te willen
neerleggen.

,,Rusland ligt helemaal niet in Europa!'', jammert hij. ,,Het is gewoon Azië.''
 

Als de UEFA meegaat in dit protest, staan we overmorgen gewoon in de
halve finale.

 
     
     
     
     
  17 juni 2008  
 
 
 

 

Dirk

Onder degenen aan wie mijn vader op zijn sterfbed een afscheidsbrief stuurde, was Dirk Kuijt. Mijn pa was een grote fan van Dirk, zijn plaatsgenoot, de visserszoon in wie hij – zelf oud-visser – de kracht, de werklust en de onverzettelijkheid bewonderde. Bij de brief deed mijn vader een exemplaar van zijn boek waarin hij verhalen uit de visserijwereld vastlegde: Vissersbloed. Dat heeft Kuijt ook, tenslotte. Dirk belde een dag later op om te bedanken en ze hadden volgens mijn vader een fijn en warm gesprek. In de paar weken dat hij nog leefde, werd hij een nóg grotere Dirk Kuijt-fan. En ik ook.

Alleen voor de buitenwereld is Katwijk een dorp waar iedereen elkaar
kent. Maar dat is nog knap lastig, met meer dan 40.000 inwoners,
waarbij ik de 'nieuwe' Katwijkers uit Rijnsburg en Valkenburg (sinds
een paar jaar vormen ze één gemeente) niet eens meetel. Ik weet waar
Dirk woont, zag hem wel eens in de buurt van zijn huis op de fiets en
heb hem een keer voorrang gegeven in de auto (uit respect, ik kwam
eigenlijk van rechts) en ja, ik weet dus ook dat hij in een SUV van Volkswagen rijdt, als hij tenminste inmiddels niet van model is veranderd.

Katwijk is wel klein genoeg om alle verhalen over Dirk te horen. Over de keer dat hij bij de slager werd aangesproken door een Quick Boys-lid, dat vroeg wanneer Kuijt nu eens met kaartjes voor Liverpool
over de brug kwam. 'Vanavond gooi ik ze bij je in de bus', beloofde de voetballer. En warempel, het was nog zo ook. Ik ken mensen die Dirk z'n huis in Liverpool hebben behangen en ingericht. Die met Dirk de afgelopen maand nog een biertje deden, in zijn favoriete kroeg in de Badstraat.

Veel meer dan ik, zal mijn vader niet van Dirk Kuijt hebben geweten.
Nou ja, hij wist uit welk nest Dirk kwam. Kende zijn vader. Kende zijn
moeder. Maar omdat hij het in de laatste paar weken dat hij nog te
leven had, belangrijk vond om alles te zeggen wat hij op zijn lever
had, stuurde hij Dirk de brief. Of hij toen al wist dat ook de vader
van Kuijt aan kanker leed, weet ik niet. Maar ik vermoed van wel. Van
de mensen van zijn generatie ontging hem niet veel in dat dorp van
40.000 inwoners, waar hij na zijn vissersloopbaan jarenlang als
bijstandsmaatschappelijk werker aan de sociale dienst verbonden was.
Het verloop van de ziekte van Dirks vader ging minder snel dan die van
de mijne. Toen mijn pa al was overleden, reikte die van Dirk – net
geopereerd, maar nog steeds zwaar ziek – de Gouden Schoen uit aan zijn
zoon. Het was voor mij in meerdere opzichten ontroerende tv en ik heb
het stukje op Uitzending Gemist in de dagen daarna een paar keer
teruggekeken. Er sprak een onvoorwaardelijke liefde tussen vader en
zoon uit en ik vond het mooi om die zo voor een miljoenenpubliek
geëtaleerd te zien.

Voor mij is het veiliger om dat in dit soort stukjes te doen. Om even
van me af te schrijven dat ik het heb gemist om afgelopen zondag,
Vaderdag, niet met mijn vader te kunnen discussiëren over de
opstelling van dit Nederlands elftal. Dat ik hem met stemverheffing
had willen horen zeggen dat 'die Van Basten het vanavond tegen de
Roemenen (of in de rest van het toernooi) niet in zijn hoofd moet
halen om Dirk ('onze Dirk') uit de basiself te halen, ten faveure van
mooi-weer-voetballers als Robben en Van Persie'.
De vader van Dirk Kuijt ligt op de Katwijkse begraafplaats direct
achter mijn vader begraven. Een vrijwel dagelijkse kerkhofbezoeker als
mijn moeder ziet Dirk en zijn vrouw Gertrude geregeld bij het graf.
Onlangs nog, vlak voor dit EK.

Ja, voor een fan van Dirk Kuijt ligt mijn vader op een mooi plekje.

 
     
     
     
     
  10 juni 2008  
 
 
 

 

Kareltje

 

Het was mijn in Spanje rentenierende vriend van wie ik de anekdote hoorde over de jachtopziener die, op bezoek bij vage kennissen, met zijn handen schuin onder de salontafel hun kat liefdevol leek te aaien. Nadat hij was vertrokken werd het dier levenloos op het vloerkleed aangetroffen. Nek gebroken. Jachtopzieners hebben het niet zo op katten, die jagen in hetzelfde territorium. Ik heb het altijd een gruwelijk verhaal gevonden. Totdat Kareltje in mijn leven kwam. Elke morgen om 05.45 uur, nu al bijna een week lang. ,,Dood hem’’, zeg ik tegen mijn rentenierende vriend, in een vorig leven boswachter, dus behoorlijk nauw verwant aan de jachtopziener.

 

Aan wie Kareltje toebehoort, is niet duidelijk. Hij – want hij heeft zijn ballen nog – is een keer meegelopen met één van de drie poezen in dit huis in Jalón, aan de Costa Blanca, waar ik samen met mijn zwager op de racefiets een slopend trainingskamp afwerk. Kareltje weet inmiddels de weg: door het slaapkamerraam van mijn vrienden, via de gang, richting de keuken waar de etensbakjes staan. De andere drie katten doen dit, op welk uur van de nacht ook, in alle stilte. Alleen Kareltje niet. Bij elke stap roept hij, met een decibelletje of 90: ’Prrrrt, Prrrt.’ Om 05.45 in de morgen. Als het nog donker is. Als wij nog liggen bij te komen van weer zo’n fietstocht van 150 kilometer door de bergen.

 

’Prrrt, Prrrt.’

 

,,Dood hem!’’

 

De vriendin van mijn rentenierende vriend zei eerder deze week met de stelligheid van hen die weten dat ze onzin verkopen, dat ze ’haar katten niet zo verwent als wij onze kinderen’. Toen ik haar voorhield dat ik de eerste vriend van mijn zoon of dochter die elke morgen om 05.45 uur ’Prrrt, Prrt’ voor mijn slaapkamerdeur roept, daarna de trap afstommelt en vervolgens onze ijskast leegeet, hoogstpersoonlijk zelf de nek breek, restte haar niets anders dan een angstig lachje.

 

Want Kareltje (,,Dood hem!’’) is de vriend van Koepoes, de gedragsgestoorde jongste kat (nee, niet gedragsgestoord, zij heeft ’een aan autisme verwante stoornis, dat komt in de beste families voor’) van het drietal dat hier het huishouden regeert met een vast ritme van ochtendwandelingen, yoghurthapjes, fruitmixjes, bliktussendoortjes en andere pamperijen die normaal alleen couveuseklantjes ten deel vallen. Elke morgen kunnen we de klok op hem gelijk zetten. ’Prrrt, Prrrt.’ Maar ook overdag mag hij graag binnenvallen om te kijken of er nog wat te halen valt.

 

 ’Prrrt, Prrrt.’

 

,,Dood hem!’’

 

Het systeem om aangereden dieren van het wegdek te verwijderen, is in Spanje niet zo efficiënt als in Nederland. De hele week rijden wij hier op onze racefietsen langs aangevreten kadavers van katten in alle soorten en maten, die ons vanuit hun dode ogen nog met ontzetting aanstaren. Je weet dat je de andere kant op moet kijken, maar je blik wordt er onwillekeurig elke keer weer naar toe getrokken. Met afgrijzen, maar ook met hoop. Nog maar een keer kijken. Maar nee, Kareltje is er nooit bij.

 

Kareltje is de aan drugs verslaafde zoon die het gezin terroriseert, de huishoudportemonnee leegrooft en elke dag weer op een warm welkom kan rekenen. Op zijn wandaden volgt slechts vergoelijking. Want gut, ja, het is Kareltje, de vriend van Koepoes. Hij is ogenschijnlijk van niemand, heet waarschijnlijk niet eens Kareltje, maar moet wel een eigen thuis hebben waar ze hem af en toe een vlooienbandje om doen.

 

Laten we die vervangen door een heel klein bomgordeltje, stel ik voor, na weer zo’n nacht die een uurtje of drie te kort heeft geduurd.

 

Zolang wij hem niet durven te doden, moet hij de eer aan zichzelf kunnen houden.

 
     
     
     
     
  3 juni 2008  
 
 
 

 

Koude oorlog
 

Fietsen is oorlog. Koude oorlog. Al weken meldt mijn in Spanje
rentenierende vriend subtiel op zijn website hoeveel kilometer hij in de bergen heeft gefietst en wat ons – loonslaven in het natte, vlakke Nederland – te wachten staat als wij vanavond naar Valencia vliegen voor een trainingskamp van acht dagen. En o ja, wat hij bijna nog vergat te melden, als wij zaterdag meerijden met de Spaanse mannetjes van de club uit Pedreguer, staat net toevallig de langste rit van het seizoen op het programma: 174 kilometer met 3 of 4000 hoogtemeters.
Inclusief verplichte brunch onderweg met bier, wijn, koffie met cognac en een dessertwijntje toe.


Dit is één vorm van koude oorlog. Het demoraliseren van de
tegenstander door hem te overspoelen met feiten en weetjes die hem de
moed in de wielerschoenen doen zinken. Een andere vorm is de
tegenstander zand in de ogen strooien. Dat gebeurt op zondagmorgen om
08.15 uur als ik mij meld bij mijn clubje De Noordbikers, waar ik word
opgewacht door kerels met verkreukelde hoofden die beweren dat ze de
hele week geen meter hebben getrapt. Vandaag doen we dus rustig aan,
want toevallig hebben ze gisteravond allemaal ook nog een feest gehad
dat tot diep in de nacht voortduurde. En waarbij de drank rijkelijk
vloeide.


Er zijn dagen geweest dat ik me daar geestelijk enorm aan optrok. Dat ik me een paar minuten lang kansrijk wist om met de beste van dit
uitgelezen gezelschap mee te fietsen. Maar nu weet ik dat de snelheid bij het eerste bochtje dat we moeten nemen vanaf ons verzamelpunt – het gebouw van de lokale tennisclub – al op de 35 kilometer per uur
ligt en de hele rit zo rond de 40 zal blijven schommelen. Al die
drankorgels rijden alsof hun leven er vanaf hangt.


Ongepast in koude oorlogsvoering is dat ik ze laat merken dat
uitgerekend ik er die nacht wél pas om half drie in lag, na een uit de
hand gelopen klaverjassessie. Dan ruiken de mannen bloed. Ik mompel
alleen iets over 'ook nauwelijks aan training toegekomen', waarbij ik
de uren dat ik op dinsdagavond, donderdagavond en zaterdagmorgen op de
fiets zat, angstvallig verzwijg. Dat doen zij ook, tenslotte.
Bij mijn tweede trainingskamp in Spanje (in februari was ik er ook al)
word ik dit keer vergezeld door mijn zwager die – het komt niet meer
als verrassing – de afgelopen maanden (drukke baan bij de politie,
examinator bij het korps, gezin, en wat al niet) nauwelijks aan
trainen is toegekomen. Er gaat ook een collega van hem mee, van wie ik
niet meer weet dan dat hij zo'n bikeragent is, die na elke drukke
kruising tegen zijn fiets geleund staat te wachten totdat jij
onverhoopt door het rode licht rijdt.


Maar dat hij ook trainingskilometers op de fiets maakt, leid ik af uit
het verhaal dat zijn deelname aan het kamp op het laatste moment
onzeker maakt. Afgelopen weekeinde in de Ardennen reed hij in een
afdaling achter een auto die bij elke verkeersdrempel moest afremmen.
Hij stuurde wat links van dit voertuig, dat op dat moment plotseling
ook linksaf sloeg naar een oprit.


De collega werd gelanceerd en was enige tijd bewusteloos voordat hij
kon constateren dat zijn fiets total loss is. Hij heeft last van zijn
nek, moest gisteren nog een vervangend rijwiel zien te regelen en
beslist in de loop van vandaag of hij alsnog meegaat. Want hij wil de
komende dagen natuurlijk geen blok aan ons been zijn.
Het gaat mij niks verbazen als dit zogenaamd verkreukelde mannetje ons
de komende dagen allemaal het snot voor de ogen fietst.

 
     
     
     
     
  27 mei 2008  
 
 
 

 

 

Kamp


Het is veel meer dan een goede gewoonte. Het is een ritueel, een magisch moment, als de groepen 1 tot en met 7 de school uitkomen om groep 8, die op schoolkamp gaat, uit te zwaaien. De afscheidsgroet staat – al duurt dat nog een paar weken – symbool voor het einde van een basisschoolperiode. Niet alleen ik, maar ook mijn zoon heeft oog voor dit soort momenten. Hij mag ze graag voorzien van monumentale one-liners. Als hij door een haag van kleuters naar de bus loopt, hoor ik hem zeggen: ,,Zeven jaar van uitzwaaien betaalt zich eindelijk uit.''


Er is een nerveuze, korte nacht aan voorafgegaan. Al voor zessen – mijn gevorderde leeftijd voert mij tegenwoordig rond dit soort
tijdstippen naar het toilet – zie ik het licht in zijn kamer branden.
De weekendtas die zijn kortstondig in Spanje verblijvende moeder heeft klaargezet, wordt door ons nog eens met de Franse slag gecontroleerd
op vergeten kwesties. Daarbij komen we tot de ontdekking dat de vrouw
die hem gebaard heeft, is vergeten een kussensloop bij zijn slaapzak
te doen. Kordaat rukt mijn zoon de Jip en Janneke-sloop van zijn
dekbed, wat mij een aarzelend 'Zou je dat nou wel doen?' ontlokt.
(Veel later, in het kamphuis in Ermelo, komt – ergens strak onder de
slaapzak opgevouwen – toch een zorgvuldig uitgekozen, stoere
racewagensloop tevoorschijn. Maar toen was het leed al geschied.)
 

In de loze minuten die er kennelijk altijd moeten zitten tussen het
instappen en het wegrijden van bussen met schoolkinderen (beetje
zwaaien alvast, gebaren dat hij niet meteen aan zijn zakken met snoep
moet beginnen), neem ik met een geplaagde leerkracht het verloop van
de komende dagen door. ,,De eerste nacht is altijd het ergst'', zegt
hij, met mathematische zekerheid. ,,Als we die eenmaal hebben gehad,
is het ergste achter de rug.'' Voor de begeleiders is zo'n schoolkamp
een driedaagse veldslag, waarop de oorlogswetten van toepassing zijn.
 

Voor de dertig leerlingen uit groep 8 van mijn zoon – onder wie een
overschot aan wat ik, even los van moderne diagnoses, eufemistisch
levenslustige jongetjes zou willen noemen – was eigenlijk een vorm van
één-op-één begeleiding wenselijk geweest. Maar omdat ook het onderwijs
het niet gemakkelijk heeft, is men niet verder gekomen dan een team
van negen man/vrouw. Dat is minimaal om de eerste nacht door te komen,
begrijp ik van de leerkracht. Maar het korps Veluwezoom houdt politie
te paard achter de hand. De tweede nacht kan de vermoeidheid van de
eerste doorwaakte nacht worden geoogst en is voor de begeleiding het
ergste achter de rug.
 

De aanvechting die mijn eega – meerdere keren per uur – heeft om 'even
om een hoekje te willen kijken' is mij – mede na dit verhelderende
gesprekje – vreemd. Ik spreek mijn zoon pas weer op vrijdagmiddag
telefonisch, vanaf mijn werk, als hij net door zijn moeder in bad is
gezet om drie dagen aangekoekt vuil van zijn lijf los te weken.
Zoals gewoonlijk beantwoordt hij de vraag 'of hij het leuk heeft
gehad?' door in hoog tempo al het leed dat hem is overkomen op weinig
beknopte wijze samen te vatten. Op de glijbaan in het zwembad was
iemand die te kort achter hem naar omlaag gleed, met zijn voet op zijn
rug terechtgekomen, wat een imposante blauwe plek had opgeleverd.
 

Verder had hij al op de eerste dag zijn voet verstuikt, was zijn grote
teen opgezwollen door een pijnlijke ontsteking en...
 

,,Zeg nou ook dat je het heel leuk hebt gehad'', hoor ik mijn
echtgenote, die bij haar werkgever ook de public relations in haar
pakket heeft en haar werk graag mee naar huis mag nemen, op de
achtergrond roepen.
 

Ja, dat wel natuurlijk. Maar hij was ook blij dat hij weer thuis was,
want daar konden ze in zijn slaap tenminste geen tandpasta meer in
zijn neusgaten smeren.
 

Ook in de tweede nacht bleef het in Ermelo kennelijk nog lang onrustig.

 
     
     
     
     
  20 mei 2008  
 
 
   

 

Wantrouwen


Pas als je voor een paar dagen afscheid van elkaar moet nemen, besef je hoe diepgeworteld het wantrouwen in een relatie kan zijn. Naast het koffertje van mijn eega die voor vijf dagen afreist naar onze vrienden in Spanje, staat - al volledig ingepakt - de weekendtas voor mijn zoon, die over vijf dagen op schoolkamp gaat. Zelfs de kleren die hij bij vertrek dient te dragen, liggen er in een stapeltje bovenop. ,,Kijk, je moet alleen nog even twee batterijen voor zijn zaklantaarn halen en een zak kleurstofvrije snoep voor onderweg. En wat zakgeld in zijn portemonnee doen. Moet ik dat nog opschrijven, of vergeet je dat niet?'' Ik vergeet het niet, maar het wordt toch opgeschreven. Voor een vrouw is een man een mens met een beperking.


Tegen vrienden en collega's die ik altijd heb beschimpt omdat zij - één of meerdere keren per jaar - los van hun vaste partner op vakantie gaan, kan ik nog steeds volhouden dat wij niet meedoen aan die moderne malle fratsen van 'even lekker op jezelf zijn'. De keren dat ik alleen afreis naar Spanje, ga ik met mijn racefiets op trainingskamp. En mijn
echtgenote kreeg voor haar verjaardag een ticket van onze
rentenierende vrienden voor een soort van werkkamp: het is de tijd om
in de wijngaarden de druiven te dieven: het weghalen van overtollige
uitlopers en bladeren, waardoor de trossen zich beter kunnen
ontwikkelen. Leuk werk, vindt ze, maar nee, het is zeker geen
vakantie.

Als ze had geweten dat haar zoon op de dag dat zij 's avonds om half
zeven weer aankomt op Schiphol, 's morgens om negen uur voor een
aantal dagen met Groep 8 op schoolkamp gaat, was zij overigens niet
gegaan. Van zo'n kamp hoor je als kind oververmoeid, vervuild en
misselijk terug te komen. Met mij aan het gezinsroer lijkt haar de
vrees gerechtvaardigd dat onze jongste nazaat al in die staat van
ontreddering afreist. Vanaf de dag dat de kampgids bij ons op de
eettafel wordt gesmeten, werkt zij minutieus de lijst op pagina 13
('Wat moet je meenemen?') af, die vooral bestaat uit kleding voor elk
weertype en besluit met 'Een goed humeur!'.

Verder beschouwt zij de vijf dagen die zij weg is, als een zo
overzichtelijke termijn dat ik geen instructies krijg voor het gebruik
van wasmachine en strijkplank (daar was ik even bang voor), noch voor
stofzuiger of -doek (twee disciplines die ik wel beheers, maar slechts
na hevige druk in de praktijk breng). Ook andere tips over de
verzorging van het kroost beschouwt zij kennelijk als nutteloos, zodat
ik 's avonds wat onzeker aan mijn zoon moet vragen of hij wel weet wat
hij 's morgens moet aantrekken of bij benadering weet hoeveel gel er
in zijn weerbarstige kuif moet worden gesmeerd, zonder het risico te
lopen dat hij op het plein voor Adolf Hitler lookalike wordt
uitgemaakt.

Wel weer gedetailleerd zijn de richtlijnen voor de sociale
verplichtingen die ik in de regel ontloop, maar in haar afwezigheid op
me dien te nemen. Op vrijwel elke dag dat zij 2300 kilometer verderop
druivenbladeren van de stam plukt, is er in onze familie- en
vriendenkring wel een verjaardag, waarvoor handgeschreven kaarten en
enveloppen klaarliggen (die ik nog wel met baar geld dien te vullen).
Voor de enkeling die de viering van zijn geboortedag niet met
klinkende munt bekroond wil zien, staan van naamkaartjes voorziene
cadeaus klaar.

Afgezien van dit corvee brengen wij als moederloos gezin de dagen met
onze vaste routines door, niet gehinderd door iets van regelmaat of
discipline. Vooral voor mijn zoon, die zichtbaar kan lijden onder
zaken als orde en tucht, is het even wennen. Als ik hem op de avond
van mijn vrouws vertrek rond een uurtje of elf naar bed breng, zegt
hij, op niets gebaseerd maar intens tevreden: ,,Als mama er niet is,
staat het hele huis op stelten.''

Ik heb alles onder controle.

Ik kamp alleen met een imagoprobleem.

 
     
     
     
     
  6 mei 2008  
 
 
 

 

Magie

Parijzenaars hebben jarenlang gehakt om onder hun stad een uitgebreid metronet aan te leggen. Dus valt het onze nazaten moeilijk uit te leggen waarom wij op onze eerste dag in de Franse hoofdstad exact 24,3 kilometer (mijn GPS-ontvanger liegt niet) te voet afleggen. Pas als we op de trappen van de Basilique du Sacré Coeur luisteren naar een Spaanse straatzanger die met gemak een honderdkoppig publiek bespeelt, dringt de romantiek en de magie van Parijs tot hen door. ,,Hij speelt mijn halve MP3-speler’’, fluistert mijn dochter geïmponeerd.

Op onze vakantie proberen we de grote stad zoveel mogelijk te mijden. Te druk, te weinig parkeerplaatsen en teveel dure kledingzaken om je vrouw in te verliezen. Maar voor onze citytrip naar Parijs denken we de ideale combinatie te hebben gevonden tussen een kampeer- en een stadsvakantie. We staan met onze caravan op de camping in het Bois de Boulogne, lekker onder de bomen en met zicht op een sluis die het water van de Seine vervaarlijk doet kolken. Het kampeerterrein wordt bevolkt door een kosmopolitisch gezelschap in vooral peperdure campers, dat ’s ochtends en ’s avonds in de file staat voor de slagboom en het servicestation waar ze hun toiletten kunnen legen en drinkwater kunnen bijvullen. Onze Kip steekt schril af tegen het twaalf meter lange onderkomen van een Zwitsers gezin naast ons, dat overigens niet te beroerd is mij een zekering af te staan als ik het 12-voltssysteem van onze caravan opblaas door provisorisch een oplader voor de Nintendo DS van mijn zoon in elkaar te knutselen (zijn eigen oplader ligt nog thuis).

Vanaf de camping zet een shuttlebus ons binnen tien minuten af bij het metrostation van Porte Maillot. Daar kun je ondergronds gaan, maar ook het stukje lopen naar de Arc de Triomphe die je van daar al ziet liggen. En dan sta je ook gelijk op de Champs Elysées. En slenter je naar het Place de la Concorde. Langs de Tuillerieën naar het Louvre. Dan de Seine over en weer terug naar de Dôme des Invalides. En vandaar - nog maar een klein stukje, jongens - zie je ook de Eiffeltoren liggen. Dan is het weer niet zo ver naar de Arc de Triomphe. En als we dan nog een klein stukje de Avenue de Grande Armee aflopen, zijn we weer bij de Porte Maillot.

Als Youp van ’t Hek in zijn conferences verhaalt van grootse en meeslepende dagen in Parijs, sjokken er nooit twee mopperende pubers achter hem aan. Na New York (waar ze op haar hotelkamer dagenlang naar de Amerikaanse tv keek) en Londen (waar ze Queen ontdekte bij de musical ’We will rock you’) haalt onze dochter haar neus op voor de kleinsteedse kneuterigheid van Parijs. Maar als ook wij vanaf dag twee zwichten voor het gemak van de metro klaart haar humeur wat op, zeker als we worden afgezet bij Pigalle in het hart van de kunstenaarswijk Monmartre waar we straatjes met alleen maar gitaarwinkels ontdekken en ik op de foto (meer niet) mag bij de seksclub Dirty Dick.

Na ons verplichte rondje door de Sacré-Coeur zakken we buiten neer op de trappen, waar de Spaanse straatzanger zijn door accu’s  aangedreven zanginstallatie en gitaarversterker heeft opgebouwd. Het zicht op de stad onder ons is fenomenaal, de zon schijnt, maar we koesteren ons vooral in de selectie van wereldhits die dit charmante kereltje met zijn rauwe stem en soepele gitaarspel ten gehore brengt, en de manier waarop hij het publiek bespeelt. Na zijn solo-optreden formeert hij een achtergrondkoortje van drie opgeschoten Engelse meiden (’The Spice Girls’) en zet zijn eigen soundmixshow op door mensen omlaag te halen om met hen hun favoriete hits te zingen. Ik laat bescheiden verstek gaan bij ’Hotel California’, maar ben ervan overtuigd dat mijn uitvoering veel beter en vooral tekstvaster was dan wat een Duitse troela ervan bakte.

Later zouden we nog picknicken in het parkje naast de Notre Dame, door de straatjes van het Quartier Latin zwalken, sfeervol dineren op een terras aan het Place de la Sorbonne en zagen we om half tien in de avond de Eiffeltoren rood opgloeien.

Maar het mooiste van Parijs?

Een Spaanse straatzanger die op de trappen van de Heilig Hartbasiliek ’Losing my religion’ stond te zingen.

 
     
     
     
     
  29 april 2008  
 
 
   

TopGear

De mogelijkheden om als ouders je kind teleur te stellen, zijn voor ons nog niet uitgeput. ,,Hoeveel pk heeft dit ding?'', vraagt mijn dochter (16), met een weinig respectvolle blik op de Chevrolet Matiz van mijn eega. Als die het antwoord schuldig moet blijven, zoekt onze nazaat het – hoofdschuddend over zoveel oppervlakkigheid – op in wat de laatste weken haar Koran, haar Tora, haar Bijbel is: het KNAC jaarboek, met alle auto's van 2007. De uitkomsten vallen haar niet mee. ,,51'', snuift ze. ,,En weet je hoe snel hij van 0 tot 100 gaat?'' Opnieuw moet mijn echtgenote – doorgaans een slimme en wijze
vrouw, maar met meer hart voor haar fiets dan voor het gemotoriseerde voertuig dat zij als een noodzakelijke kwaad beschouwt – het antwoord schuldig blijven. ,,In 18,2 seconden. Dat dat ding nog op de snelweg mag. Een slak is sneller.''

Haar kijk op de autowereld is altijd een wat bijzondere geweest. Toen ze een jaar of vier was, hield onze dochter op weg naar een vakantiebestemming niet alleen bij wélke voertuigen ons passeerden, maar ook de aantallen: 67 Peugeots, 128 Fiats, 150 Opels en 29 BMW's. Helemaal compleet was dit overzicht nooit omdat ze alleen de
automerken telde, die ze kende. Het heeft een jaar of twaalf geduurd,
maar nu is ze vastbesloten om die lacunes in te vullen.
 

Zoals al haar obsessies, gebeurt dit onder invloed van een
televisieprogramma: TopGear van de BBC. Ze heeft op internet
inmiddels een site gevonden waar ze 'binnen twee seconden' elke
aflevering kan downloaden die ooit is uitgezonden. Daarvoor behielp ze
zich met historische hoogtepunten op YouTube. De jongste generatie
heeft het niet zo op ouderwetse massamedia als televisie.


Een aantal kwalijke opvattingen van de presentatoren Jeremy Clarkson,
James May en Richard Hammond heeft ze zich al eigen gemaakt. Hun
dedain voor mensen met een caravan (in de uitzendingen laten ze deze
onderkomens het liefst van grote hoogte uit een takelwagen vallen; in
brand steken of plat walsen behoort ook tot de mogelijkheden) heeft
haar respect voor ons, haar ouders, geen opleving bezorgt. Met de
grootst mogelijke tegenzin stapt ze morgen, Koninginnedag, in mijn Kia
Sorento (139 pk, van 0 tot 100 in niet minder dan 13,4 seconden ) om
met ons een paar dagen te kamperen in het Bois de Boulogne in Parijs.
Mijn met een zekere trots uitgesproken 'Weet je wel dat mijn Kia een
caravan van 2300 kilo mag trekken?' verstevigt mijn status van
huisschlemiel voor de komende tien jaar.


Verder moet ze niks (meer) hebben van hybride auto's
('volksverlakkerij') en ander gezeur van de milieubeweging over de
CO2-uitstoot of de opwarming van de aarde. Bij TopGear maken ze daar
namelijk ook korte metten mee.


Met de toewijding van een zojuist bekeerde, slurpt ze autogegevens op
en – erger nog, voor iemand die haar hersens voor zoveel nuttiger
zaken nodig heeft - onthoudt ze ook. Op de fiets van school naar huis
registreert ze de kentekens van bijzondere voertuigen, waarvan ze
vervolgens de gegevens checkt op de site van de Rijksdienst voor het
Wegverkeer (
www.rdw.nl).


De belofte dat ze op haar achttiende op onze kosten haar rijbewijs mag
halen als ze tot die tijd niet rookt (een makkie: ze taalt niet naar
sigaretten of drank) werd beantwoord met de vraag of wij er dan ook
een Aston Martin DB9 (450 pk, van 0 tot 100 in 4,9 seconden,
topsnelheid 300 kilometer per uur) bijleveren.


Ik zei het al: de mogelijkheden om als ouders je kind teleur te
stellen, zijn voor ons nog niet uitgeput.

 
     
     
     
     
  22 april 2008  
 
 
 

 

Wielerdracula

Het is mijn tekst, maar zelf heb ik nog niks gezegd. ,,Gá jij alvast maar en wacht boven.’’ Met die woorden laat ik altijd mijn politiek-incorrecte neef los, als die aan het begin van een steile helling begint te snuiven als een jonge hond die een dag niet is uitgelaten. Maar in deze Amstel Gold Race zijn de rollen omgedraaid. ,,Gá jij alvast maar en wacht boven’’, klinkt het, aan de voet van de weg die voert naar het Drielandenpunt in Vaals. Een 47-jarige, bijziende, kalende, aan rugpijnen en een zere knie lijdende oude man gaat als een speer vandoor.

Mijn eigen vader heb ik er wel eens om verwenst, dat hij tot op hoge leeftijd de competitie met me aan wilde. Bij het hardlopen, op de racefiets, nooit kon het gezellig op z’n jan-boerenfluitjes. En in een periode dat ik door mijn werk en twee kleine kinderen nauwelijks aan het trainen toe kwam, was het ook frustrerend om voortdurend te verliezen van een zestigplusser. Zelf zit ik heel anders in elkaar dan mijn oude heer zaliger. Als ik fiets met een 20-jarige neef in de kracht van zijn leven, ken ik als geen ander mijn meerdere. Maar alleen vandaag even niet. Vandaag ruik ik bloed.

Mijn politiek-incorrecte neef (de film van Geert – ‘konden er dan niet een bladzijtjes worden verbrand?’ – viel hem erg tegen) heeft een zware periode achter de rug. Een bij het judo opgelopen knieblessure hield hem maanden aan de kant. In die tijd gaf hij zich over aan de geneugten van het uitgaansleven, die hem – zelfs na de toestemming van zijn fysio om weer aan zijn conditie te werken – zo aanlokkelijk voorkwamen dat zijn langste trainingsritje op de racefiets tot nog toe 42 kilometer bedroeg. Maar in zijn jeugdige overmoed leek hem dit wel voldoende om met zijn bejaarde oom – en nog 12.000 andere gelukkigen - de 150 kilometer in de toerversie van de Amstel Gold Race te rijden.

Over wielertoeristen wordt – zoals in de Journaaluitzending van afgelopen zaterdag – in de regel badinerend gedaan. Maar wij hebben het oneindig veel zwaarder dan de profs, die om een uurtje of elf gemasseerd en goed gevoed hun hotelkamer op een steenworp van de start verlaten, om binnen vijf of zes uur een wedstrijdje af te raffelen. Bij ons gaat om vijf uur in de ochtend de wekker, wacht een rit van tweeënhalf uur naar Valkenburg, hebben we een uur nodig om de auto te parkeren en onze startbescheiden op te halen, zitten daarna minimaal zeven uur op het zadel, hebben dan nog een uur nodig om de formaliteiten af te handelen en de auto op te halen, om daarna nog eens tweeënhalf uur terug te rijden. En dat aan het eind van een volledig werkweek die de avond daarvoor is afgesloten op een zonnig terras waar ik mijn voornemen om niet meer dan één Lachouffe (dat goddelijke kabouterbier) uit de tap te nemen, met voeten trad.

Door weblogs en krantencolumns waarin ik openhartig mijn lichamelijk aftakeling beschreef, heeft mijn neef zich zand in de ogen laten strooien. Nog in de auto neem ik – ook voor hem zichtbaar - twee pilletjes, tegen de verwachte rugklachten en de opspelende rechterknie. Van het voornemen om een doosje Aleve te halen is – dankzij de zes Lachoufjes – de vorige dag niks gekomen. Ik zal er binnenkort de internationale dopinglijst op nakijken of Saridon op de lijst van verboden middelen staat, maar zodra we het elektronische starttapijt zijn gepasseerd heb ik opeens nergens last meer van.

Het tempo waarmee mijn neef zich op de eerste hellingen bedient van zijn tactiek om aan de linkerkant van de weg – weg van de kneuzen die halverwege moeten afstappen – langs de meute omhoog te rijden, kan ik met gemak volgen. En als negentig kilometer verderop bij hem het conditionele licht uitgaat, geeft me dat - als een Wielerdracula die zich in leven houdt met jong bloed - alleen maar extra energie.

,,Gá jij maar alvast en wacht boven.’’ 

In de meeste gevallen reed ik op de top gewoon langzaam door, zodat het elke keer zeker een kwartier duurde voordat hij weer bij me was.

Nee, dat vond ik zaterdag helemaal niet kinderachtig.

 
     
     
     
     
  15 april 2008  
 
 
   

Trojaans paard

Er is een tijd geweest dat ik niet alert hoefde te zijn op het onheil in achteloos uitgesproken zinnetjes. Dat ik niet reageerde als er iemand aan de eettafel zei dat ze ’geloofde dat ze een heel klein beetje misselijk werd’. Of het vage idee had dat er ’iets was met haar fiets’. Dat ik mijn schouders ophaalde bij ’mijn computer doet een beetje raar’. De tijd dat we nog geen kinderen hadden, bedoel ik.

Onheil verpakt in een onschuldige boodschap, dat is het kenmerk van een Trojaans paard. Nu weet ik dat ’een klein beetje misselijk’ een dagen naar maagzuur geurende woonkamer en een torenhoge stomerijrekening oplevert. Dat ’iets met mijn fiets’ betekent dat onze dochter de dag erop wordt thuisgebracht door twee ambulancebroeders omdat haar zadelpen op weg naar school is afgebroken. Dat ik – op een modale werkdag, als mijn plicht roept – meteen van de ontbijttafel twee trappen op naar haar kamer moet rennen als ze, tussen twee happen Cocopops door, meldt dat ’haar computer een beetje raar doet’.

Hij doet raar, inderdaad. De McAfee-virusscanner is spontaan uitgeschakeld, wil ook niet meer worden hersteld en laat zich – na eerst door mij te zijn verwijderd – ook niet meer opnieuw installeren. Dat geldt ook voor andere virusscanners die ik probeer los te laten op haar pc die onderdeel is van mijn zorgvuldig beheerde en soepel draaiende thuisnetwerk dat inmiddels vier desktops (voor elk gezinslid één) en drie laptops (alle drie van mij, waarom weet ik ook niet, waarschijnlijk omdat ze het nog steeds doen en ik er niet toe kan komen om de ouwetjes weg te gooien) omvat. Het terugzetten van Windows naar een datum waarop alles nog wel fatsoenlijk werkte, lukt ook niet meer. Iets of iemand heeft de herstelpunten onklaar gemaakt. En voorkomt ook dat het apparaat wordt opgestart in de veilige modus. Sterker nog, nadat ik dat een aantal keren vruchteloos heb geprobeerd, komt de pc in een soort lus terecht waarin hij voortdurend opstart en weer uitschakelt.

Met de machteloosheid van de opvoeder sta ik wel eens achter haar, als op het beeldscherm achttien tabbladen van de internetbrowser zijn geopend, chatsessies met klasgenoten zich ontrollen in een brei van onmogelijke schuilnamen en bizarre icoontjes en dvd’s en cd’s ter grootte van enkele gigabytes worden binnengeslurpt, terwijl mijn oudste nazaat klaagt ’dat het ding zo onmogelijk traag wordt, de laatste tijd’. Scherp ondervragen leidt dit keer tot de bekentenis dat ze gisteravond een programmaatje heeft geïnstalleerd waarmee ze gitaarmuziek digitaal kan bewerken – of zoiets – en dat de pc op zwart schoot toen ze daar een ’crack’ op los wilde laten. Na het opnieuw opstarten was haar virusscanner uitgeschakeld en wilde ook niet meer aan. Daarna mocht deze worm, dit virus, dit Trojaanse paard of hoe die moderne bedreigingen ook mogen heten, zich nog een nachtje door het netwerk vreten voordat mij de mededeling bereikte dat haar computer ’een beetje raar deed’.

Voor mankerende gezinsleden kun je aanspraak maken op zorgverlof, maar waar blijft de eerste CAO waarin wordt geregeld dat je thuis mag blijven als je het gesaboteerde thuisnetwerk weer in de lucht moet krijgen? Dit huishouden is compleet ontregeld als er niet in elke kamer een beeldscherm flikkert. Het duurt een paar uur om mijn dochters pc leeg te vegen en weer op te bouwen met de meest elementaire programma’s die haar voorbereidingen op de proefwerkweek niet verstoren, mezelf elke minuut prijzend voor de externe harde schijf die elke dag haar waardevolle bestanden kopieert. Maar het duurt, in de spaarzame tijd die me nog achter haar computer wordt gegund, nog zeker een week voordat ik ook de laatste obscure driver heb opgespoord die alles weer naar behoren laat functioneren. Het wachten is nu op het volgende Trojaanse paard dat zich aan de ontbijttafel openbaart:

’De brandmelder in m’n slaapkamer doet een beetje vreemd.’

Of:

’Ik heb een stukje verrijkt uranium meegenomen van natuurkunde dat nu per ongeluk in mijn aquarium is gevallen, waardoor mijn vissen een beetje licht geven.’

Van die dingen.

 
     
     
     
     
  8 april 2008  
 
 
 

 

Proeverij

Met de SGP en de drumfanfare in ons dorp, vind ik dat vrouwen niet per se overal bij aanwezig hoeven te zijn.  Dus de eerste whiskyproeverij waarvoor ik ben uitgenodigd, zie ik graag als een mannenaangelegenheid, leg ik uit aan mijn eega, die als gevolg van de verwildering van onze samenleving ook een invitatie heeft ontvangen. ,,Jij houdt helemaal niet van whisky’’, smaalt ze, zelf wel een geregelde inneemster. ,,Argumenten doen er niet toe, als er principes in het geding zijn’’, werp ik tegen,  maar in tegenstelling tot de mannenbroeders van de SGP en de leden van de lokale drumfanfare heb ik thuis niet veel te vertellen.

Nu is het waar dat ik niet van whisky houd. Ik ben meer een liefhebber van een goed glas trappistenbier of een  lekker wijntje. En er zijn gelegenheden bekend waarop ik me smalend heb uitgelaten over ‘het bocht dat ruikt naar het spul waarmee mijn moeder de ramen lapt’ en in de regel ook zo smaakt. Edoch, diep in mijn hart beschouw ik het als een gemis, dat ik niet met gelijkgestemden – liefst bij een knapperend haardvuur en met een goede sigaar - over de bijzondere eigenschappen van zeldzame single malts en excentrieke Schotse functionarissen van obscure distilleerderijen kan filosoferen.

Wat dat betreft loopt mijn eerste whiskyproeverij op een desillusie uit. De meeste van die idyllische bedrijfjes blijken in handen van een multinational die vrijwel de gehele alcoholproductie aanwendt om er meer dan honderd miljoen flessen Johnny Walker mee te vullen. Maar ik leer ook dat het de kunst is om die paar vaatjes te bemachtigen die worden achtergehouden om, na jarenlange rijping in het juiste vat, in het glas van de echte liefhebber terecht te komen.

Zo worden wij op de proeverij ontvangen met een privé-editie Caol Ila 13y, Cask Strenght 58 procent, waarvan wereldwijd slechts 150 flessen in omloop zijn. Excuses, inmiddels nog maar 149. Daarna worden wij door onze gastheer – de in een imposant Schots tenue gestoken Marcel Bol, een whisky-importeur uit Akersloot die dankzij zijn kennis van het product is onderscheiden met de titel Keeper of the Quaich – geleid door een opstelling van nog eens zes glazen die zijn gevuld met zogenaamde single casks: whisky’s die uit een en hetzelfde vat afkomstig en dus uniek van smaak zijn.

Zoals de Glen Grant uit 1973, die wij in het glas moeten besnuffelen, licht dienen te kantelen en langzaam ronddraaien om te zien hoe hij blijft ‘hangen’, dan puur moeten proeven en vervolgens nog eens na een paar druppels water te hebben toegevoegd, om de smaak wat te laten loskomen. Dan is het de beurt aan ons, om vrijmoedig uiting te geven aan wat onze smaakpapillen doorgeven. Bij de Caol Ila 13y, las ik in de uitnodiging, leidde dit bijvoorbeeld tot proefrapporten met zinsneden als ’eerst peperig, vettig, hooi, heide, licht rokerig, hout, oliepakken en prettige nadronk’, waardoor het mij voorkomt dat er in dit gezelschap niet vreemd opgekeken wordt van een beetje vrij associëren.

Toch zie ik de Keeper of the Quaich de wenkbrauwen licht fronsen als ik, na mijn imposante neus in een Dalluaine uit 1974 te hebben gestoken, het eerste roep wat er in mij opkomt:

,,Glassex!’’ (Voor de niet-kenners: een multi-reiniger voor keuken en badkamer.)

Of, na een Mortlach uit 1991:

,,Het nachtverblijf der kleine roofdieren!’’ (Zo heb ik een hoofdredacteur de atmosfeer in een klein vergaderzaaltje met ongewassen journalisten eens horen beschrijven.)

En, na een Longmorn uit 1988:

,,Een volle Tena Lady!’’

Na opnieuw een lichte aarzeling en herhaald snuiven moet onze gastheer erkennen dat er wel wat ’azijnerigs’ in valt te ontdekken. Dat geldt ook voor de opmerking van een andere aanwezige – een vermaard CDA-raadslid – dat ik met deze omschrijving mijn echtgenote (die even verderop nietsvermoedend aan haar glaasje nipt) ernstig in verlegenheid heb gebracht.

Dat is nu het voordeel van een fractievergadering van de SGP of een oefensessie van de drumfanfare in ons dorp. Daar kun je als man tenminste vrijuit praten.

 
     
     
     
     
  1 april 2008  
 
 
 

 

Slijtage


Bij een menhir zou het nog te verklaren zijn geweest, maar het was een washandje van een grammetje of vijftig. Bij het oprapen van het lapje textiel van de badkamervloer voel ik een pijnscheut door mijn rug trekken en kom ik niet meer overeind. Mijn lijf zit vast. Het ene moment doet alles het nog, het andere kan ik naast Balkenende worden bijgezet in Madame Tussauds. Het proces van aankleden heb ik net voltooid, anders had ik in adamskostuum naar buiten moeten schuifelen, het lichaam in een verkreukeld vraagteken, de voeten in de y-stand en
kleine stapjes makend, op het ritme van mijn eigen gekreun.
'Quasimodo', constateert mijn zoon niettemin geamuseerd.


Voor mijn drie zussen en mij waren het bescheiden hoogtepuntjes in ons
jonge bestaan: de keren dat onze vader werd getroffen door acute spit of een niersteenaanval. Zelden iemand gezien die met zijn nadrukkelijk lijden zo op de lachspieren kon werken. Elke handeling, elke beweging
ging vergezeld van een onderaards gegrom. Zijn doorgaans vloeiende motoriek verviel in de haperingen waarmee Joe Cocker later nog een heel behoorlijke bühneact zou opbouwen. Routine-uitstapjes naar het toilet of de badkamer werden hele ondernemingen, waarbij hij zich onderweg vastgreep aan deurposten, tafelranden en andere objecten die tegen zijn volle gewicht bestand waren.


Door niets verander je zo snel in een beklagenswaardige oude man als
een rug die op slot zit. En me dunkt dat ik op mijn 47ste mijn portie
al heb gehad:
- Dankzij een nichtje dat lange tijd de 'k' niet kon zeggen (daar
maakte ze een 't' van), ga ik bij mijn schoonfamilie door het leven
als 'Ome Dit met de tale top'.
- Bij de toiletgang duurt het nadruppelen inmiddels even lang als het
plassen zelf.
- Lezen lukt tegenwoordig alleen nog als ik mijn bril afzet.
- En ik knoei.


Op de zondagen dat bij ons thuis mijn opa uit het bejaardenhuis werd
gehaald voor een dagje onder de mensen, spande mijn vader een zeiltje
dat liep van het nieuwe behang tot onder de stoel van mijn grootvader
die het als stuurman op een bomschuit nooit zo nauw nam met de
etiquette. Tot op anderhalve meter kon je zien wat hij at, of net
gegeten had. Het beeld verschijnt tegenwoordig weer geregeld voor mijn
geestesoog. Ik schijn niets meer te kunnen eten of drinken zonder
vlekken op mijn kleren te maken, wat vooral op werk en tijdens sociale
verplichtingen een morsige indruk maakt. Geen idee hoe ik het voor
elkaar krijg. Het loopt kennelijk gewoon vanuit mijn mondhoek op mijn
trui of blouse.


Gesprekken met vrienden beginnen tegenwoordig met het beleefd
informeren naar de meest recente ingrepen die ze hebben ondergaan: van
de behandeling aan inwendige aambeien tot een recente sterilisatie.
Voordat we het over de nieuwe cd van R.E.M. hebben, wisselen we snel
nog even wat tips uit om prostaatklachten te voorkomen – veel tomaten
eten, naar het schijnt – of om hartritmestoornissen tegen te gaan:
geen rode wijn meer.


Omdat ik weiger me neer te leggen bij de status van menselijk
wrakhout, hijs ik me op zaterdagmorgen op mijn racefiets, het
vervoermiddel dat bij uitstek geschikt is om je met een kromme rug op
voort te bewegen. Een week eerder reed ik onder barre omstandigheden
als een jonge god de 183 kilometer van, naar en in de Joop Zoetemelk
Classic. Nu moet ik me – na 55 kilometer – in de achtertuin met fiets
en al tegen het schuurtje laten vallen om, krom als een Roemeens
takkenvrouwtje, verlost te worden van het zadel tussen mijn benen.


,,Fijn dat ik jullie zulke vrolijke momenten bezorg'', zeg ik
chagrijnig tegen mijn gezinsleden die vanachter het keukenraam verre
van onaangedaan mijn verrichtingen volgen.


,,Je loopt alsof je het onderweg in je broek hebt gedaan'',
constateert mijn zoon.


Het zou – na mijn oprukkende kaalheid, beginnende incontinentie,
geknoei met eten en de plotselinge rugklachten – zomaar de volgende
fase kunnen zijn.

 
     
     
     
     
  18 maart 2008  
 
 
 

 

Groter

Het is een angst die je toch vooral koppelt aan vrouwen die de dertig, de veertig, de vijftig en de zestig (daarna is het meestal over) naderen. Maar onze zoon heeft er net zo goed last van. Hij wil niet ouder worden. Niet groter ook. Zijn huidige leeftijd en leven koesteren en conserveren, tot in lengte van jaren. Bij elke vaststelling van zijn moeder dat hij ’groot’ wordt, krimpt hij in elkaar. Het liefst wil hij voor altijd haar kleine jongen blijven. Een verzuchting die er - ergens op de achtergrond, maar het zou ook zomaar twee kilometer verderop zijn geweest, dan was het nog te horen – altijd toe leidt dat er iemand opzichtig over haar nek gaat.

Nog maar vier maanden, dan is hij twaalf. (’Nee, zeg dat nou niet!’) En gaat hij naar de middelbare school.  (’Hou op!’) En na de volgende groeispurt is hij groter dan zijn moeder (langgerekte jammer). ,,Waardoor het er helemaal superlullig uitziet, als je nog op haar schoot kruipt’’, stelt zijn zus (juist, degene van de braakneigingen) fijngevoelig vast. In onze pogingen om haar broer ook op weg naar de volwassenheid een groeispurt te laten maken, heeft ze al voorgesteld om hem naar Afghanistan te sturen, om tegen de Taliban te vechten. Prins Harry schijnt daar ook zo enorm van opgeknapt te zijn. Maar voorlopig proberen we het met het alleen naar de basketbal fietsen, als ze het niet erg vindt.

Een paar maanden eerder had hij al eens afgezegd voor een training omdat zijn vaste chauffeur en diens vrouw een etentje hadden (ook het personeel heeft nu en dan recht op een verzetje). Op de vraag van zijn coach waarom hij dan niet op de fiets kwam, moest hij langdurig nadenken, waarna hij die veronderstelling als belachelijk van de hand wees omdat hij immers ’geen licht’ had. Ook nooit behoefte aan gehad, eigenlijk.

Zelf reed ik, vanaf een jaar of vier, in mijn eentje op mijn fiets ons hele dorp door, waarbij de smalende tegenwerping van mijn eega dat de wegen toen nog niet eens verhard waren, door mij worden gepareerd met de vaststelling dat mijn rijwiel een zogenaamde ’doortrapper’ betrof. Ik weet niet of ik uit zuinigheidsoverwegingen van mijn ouders niet over remmen beschikte, maar nu versleet ik minstens elke maand een paar schoenen om net voor de bus of ander zwaar gemotoriseerd verkeer tot stilstand te komen. Niettemin rijdt de eerste keer dat onze zoon op de fiets naar een wedstrijd moet, zijn moeder met hem mee. Op de terugweg wordt hij geacht het zelf te kunnen.

Dezelfde avond – we laten er geen gras over groeien – is hij vanaf half tien een paar uurtjes alleen thuis omdat wij met zijn zus een verjaardag van een tante en een neef bezoeken. Hij kijkt bedenkelijk. Het vooruitzicht van de absolute macht over de afstandsbediening, de colafles en de voorraad chips is aanlokkelijk, maar de eenzame gang naar de slaapkamer waar alle geluiden hem in het donker als onheilspellend voorkomen, valt hem zwaar. Met de vaststelling dat we hemelsbreed maar vijfhonderd meter verderop zitten, zet hij zich manmoedig voor ’De nieuwe Uri Geller’ als wij de deur achter ons dicht trekken.

Een uur later – heel Nederland heeft net gekozen voor Ramana – gaat mijn mobiel over, waarvan het nummer op posterformaat door ons op de salontafel is achtergelaten. ,,Ik heb hier toch geen goed gevoel over’’, zegt mijn zoon.

Dat hij daarmee ’een kleuter’ is, zoals zijn zus hem de ochtend daarop hartvochtig voor de voeten werpt, beschouwt hij allerminst als een verwijt.

Hij wil toch niet groter worden.

 
     
     
     
     
  11 maart 2008  
 
 
   

Relativeren

Alle verstandige artikelen over de Cito-toets bevatten een oproep tot relativering. Maar daar heeft de moeder van twee zoontjes in groep 8 (de ene is een jaartje blijven zitten en ingehaald door zijn broer) even geen boodschap aan. Als ze op haar werk een telefoontje krijgt dat de uitslag binnen is (de oudste heeft het dramatisch veel slechter gedaan dan de jongste), moet ze onmiddellijk naar huis voor crisisbeheersing. Ze wordt nagestaard door de holle ogen van een collega, die al drie dagen niet of slecht slaapt, in afwachting van het puntentotaal waarvan ze vermoedt dat dat voor het verdere leven van haar dierbare kind het verschil maakt tussen het succes of de goot.

De Cito-toets is een momentopname, een willekeurig ijkpunt in een
schoolloopbaan die nog alle kanten op kan. Een indicatie, een vage hint, een onbeduidende rimpeling in het aardse bestaan. ,,Waarom maken ze er dan zo'n heisa over?'', wil mijn zoon weten, als hij in een landelijk dagblad bij ons op de eettafel een foto bekijkt van een onder zakken snoep, pakjes drinken, knuffels en andere geluksbrengers
bedolven leeftijdgenootje, dat boven haar formulieren met een gekwelde
blik voor zich uit staart.

Zelf hebben we hem – wat hij al net zo belachelijk vond – juist naar
school laten gaan met zo weinig mogelijk om hem af te leiden. Hij
moest vooral loslaten, zoals Tibetaanse monniken doen voordat ze in
een opperste staat van concentratie komen. ,,Doen die ook de
Cito-toets dan?'', wilde hij getergd weten nadat mijn echtgenote hem
de toegang had ontzegd tot een jaargang Donald Duck's, zijn Nintendo
DS en een plastic tas vol zoetwaren, waarmee hij de tijd wilde doden
die hem na het afronden van de laatste opgaven nog restte.
Onze gemiddeld presterende, chaotische en door een minieme verandering
in de atmosfeer reeds afgeleide jongste nazaat kwam alle drie dagen
van de toets thuis met de onbezorgde geestesgesteldheid van iemand die
het allemaal niet zwaar gevallen was. Gelet op de ernst van hetgeen
hij onder handen had, schuwde hij openlijk de term 'makkie', maar een
zekere teleurstelling over het intellectuele vermogen dat de bedenkers
van deze vragenlijsten aan de dag hadden gelegd, moest hem toch wel
van het hart.

Hij kon ook maar moeilijk begrijpen dat deze relativerende woorden bij
ons tot niet minder dan blinde paniek leidden. Jazeker, hij – die een
rekensom al geslaagd vindt als hij maar een beetje in de buurt van het
goede antwoord komt - had over elke vraag goed nagedacht. Maar om
alles nóg een keer na te rekenen, dat ging hem toch echt te ver. En
hij – die een bijvoeglijk naamwoord graag mag verwarren met een
lijdend voorwerp – had zich hooguit laten verleiden tot een enkel
gokje, bij een opgave die echt helemaal nergens op sloeg. Maar
niettemin, hij had er een goed gevoel over.

Van vier jaar geleden – toen onze dochter Cito-gerechtigd was – kan ik
me na het bekend worden van de uitslag mijn eigen bescheiden houding
nog herinneren. Hoe ik slechts na een zekere aarzeling, een beetje
besmuikt, op het oog licht gegeneerd, me door omstanders haar optimale
score van 550 liet ontfutselen. Daar zou ik nu ook op terugvallen, als
ik met de billen bloot moest met de desastreuze uitkomsten van deze
momentopname, dit willekeurige ijkpunt, deze vage hint en onbeduidende
rimpeling - ja, het is toch zeker zo? - die er niettemin toe gingen
leiden dat onze jongste nazaat verloren was voor de door ons en zijn
juf zo verstandig uitgezette koers richting vmbo-t/havo-brugklas omdat
hij ver onder de voor hem voorspelde 537 punten was uitgekomen.

O, hadden wij maar iets van de onderkoeldheid en het
relativeringsvermogen van iemand die vorige week thuiskwam met 545
punten in het officiële Cito-envelopje, dat hij op weg van school naar
huis toch al even stiekem had opengemaakt. Dan hadden we - tot in
verre buitenlanden – de telefoonlijnen van nietsvermoedende vrienden
en familieleden niet laten overspoelen met de tsunami van ons
gezamenlijk gejuich. En het advies vmbo-t/havo voor onze zoon niet
alsnog - trots maar roekeloos - veranderd in havo/vwo.

 
     
     
     
     
  4 maart 2008  
 
 
   

 

 

Niet natuurlijk

 

,,Net zo natuurlijk als de kinderwens is het vurige verlangen dat de nazaten op enig moment het ouderlijk huis ook weer verlaten. Een eerste logische stap daartoe, is de aankondiging dat ze niet meer mee willen op vakantie. Doorgaans als ze een jaar of zestien zijn.’’ Ik spreek deze zinnen op plechtige doceertoon uit tegen mijn twee neven van (bijna) 20 en 23, die zojuist blijmoedig bekend hebben gemaakt dat ze met ons (ja, ook met ons, want wij zouden deze zomer met hun ouders gaan kamperen in Frankrijk) mee op vakantie gaan. ,,Gezellig’’, vinden zij. ,,Niet natuurlijk’’, betoog ik nog maar eens.

 

Maar voor de regiefout die ten grondslag ligt aan onze zomervakantie, moet ik ook mezelf verantwoordelijk houden. Jarenlang heb ik me in stukjes als deze afgezet tegen ouders die hun vakanties afstemmen op de behoefte van hun kinderen. Die het gemak van het recreatieteam en het verwarmde zwembad met de zeven glijbanen verkiezen boven de educatieve waarde van een trektocht door de ruige Schotse hooglanden. En nu was ik het nota bene zelf, die voorstelde naar een vijfsterrencamping af te reizen met de gezinnen van mijn twee zussen omdat onze nazaten het zo goed kunnen vinden met hun neven.

 

De jongste neven, had ik daarbij voor ogen, van 15 en 17. Rustige kerels, geen in zeven sloten tegelijk-lopers. Beetje voetballen, stukje gitaar spelen, computerspelletje doen, beetje landerig rondhangen onder de luifel, waar ik met mijn boek en een biertje aan het bijkomen ben van een fietstocht door het hooggebergte. Na een half uurtje harmonieus zwijgende verveling hoor ik ze tegen elkaar mompelen: ,,Even zwemmen?’’ Dan weet ik dat er twee of drie instemmend knikken en met hun handdoek over hun nek richting de zeven glijbanen – ruim buiten mijn gehoorsafstand – sjokken. Als ze terugkomen nemen ze een colaatje en spelen, alweer in alle rust, het zijn geen grote praters, een potje Fifa 2008.

 

Maar nu krijg ik de grote neven er gratis bij. Dat is – laat ik er even een verhelderende vergelijking ingooien – alsof je in smoking plaatsneemt voor het Concertgebouworkest en na het inleidende, beschaafde geroezemoes opeens de pretband Kleintje Pils ziet opmarcheren  om ’Het kleine café aan de haven’ en ’We are the Champions’ in te zetten. Nog niet duidelijk? Alsof een gezelschap mimespelers opeens wordt uitgebreid met Jochem Myjer en Bert Visscher.

 

Ik ben opeens de regie kwijt over mijn eigen vakantie. Momenteel bevinden wij ons in de fase dat de neven zich buigen over de tentindeling, waarbij de oudste van 23 heeft bedacht dat hij met de jongste (toevallig onze zoon, tegen die tijd 12) het perfecte koppel vormt. ,,Lekker een beetje beesten, Steef’’, mompelt de eeuwige student watermanagement tegen onze nazaat, die maar een bescheiden zetje nodig heeft om zijn gezonde verstand te verliezen. De op één na oudste neef ziet zichzelf – tot grote ongerustheid van mijn zus - wel in een tentje met zijn neef van net 17, van wie hij weet dat die na een paar biertjes een opmerkelijke karakterverandering ondergaat. De geleerden zoeken nog naar de overtreffende trap van ADHD, als mijn oudste neven het naar hun zin hebben.

 

Op mijn belangstellende ’Waar komen die tentjes dan te staan?’, blijkt mijn eerdere aanspraak op de grootste van de drie beschikbare plekken opeens behoorlijk in mijn nadeel uit te pakken. Op weg naar onze eindbestemming zal in elk ingeslapen dorp waar wij onze drie caravans even langs de kant van de weg zetten voor een kopje koffie, de burgemeester in paniek de noodtoestand uitroepen. En elke camping zal korte metten maken met de bierende neven die over tentharingen struikelend en luid zingend rond een uurtje of vier hun tentje op zoeken.

 

,,Het is niet natuurlijk’’, mompel ik nog maar eens. ,,Jullie horen niet meer met ons mee te willen.’’ Maar mijn protesten smoren in een verhitte discussie over de plek waar straks de frituurpan en de beertender moeten komen te staan.

 

Naast mijn satellietschotel, vrees ik.

 
     
     
     
     
  26 februari 2008  
 
 
   

Druk

Zelf woon ik in zo'n rijtjeshuis waar bij het barbecuen de bal van de buurjongen op je bord met drumsticks en chilisaus kan ploffen. Of waar je, lekker rustig met een boekje in de tuin, de gesprekken over de slijmprop van de buurvrouw woordelijk kunt volgen. Dus geniet ik hier, op dit lapje grond van 5000 vierkante meter in een vallei met voornamelijk wijnstokken aan de Costa Blanca, van de stilte en het uitzicht op de bergen en slaperige dorpjes. ,,Hoor je dat?'', zegt mijn veel te vroeg rentenierende vriend. Ik hoor niks. ,,Daar, ergens in Lliber, zijn ze een huis aan het bouwen.'' Hij wil hier weg, het wordt hem te druk.

Nee, laat ik niet chargeren. Het gaat niet alleen om dat huis en die bouwactiviteiten. De afgelopen maanden stond er - weliswaar ook op een kilometer - een mobiele puinbreker grote stenen in kleine stukjes te hakken, die dan vervolgens door een vrachtwagen werden weggehaald. (Op het pleintje voor mijn deur – ook ver weg, in Nederland - is het eindpunt van buslijn 32, waar elk kwartier een nieuwe chauffeur met draaiende motor in zijn neus zit te peuteren totdat het weer tijd is om te vertrekken).

Ja, die puinbreker is nu weg, maar het is een optelsom, hè. De wijnakker naast hem - juist ja, die van die oude Pepe - daar dreigt diens zoon - een bankdirecteur uit het dorp met weinig interesse voor alles wat groeit en bloeit - een landbouwschuurtje neer te zetten. En weet je toch hoe dat gaat met Spanjaarden en landbouwschuurtjes? Daar worden illegaal stukjes aangebouwd, het worden weekendhuisjes om te feesten, er komen sloopauto's omheen te staan en vier honden achter een lelijk gaashek die de hele nacht blijven blaffen, terwijl de bankdirecteur in zijn huis in het dorp de slaap der rechtvaardigen slaapt.

Ik (die woont tegenover een filiaal van de Lidl waar, op dagen dat de nieuwe aanbiedingen ingaan, om kwart over acht in de morgen al vijftig man voor de deur staat te kleumen) knik. Hij moet hier weg, dat is wel duidelijk. Een landbouwschuurtje. Het moet toch niet veel gekker worden.

Maar dat is nog niet alles. Laatst zag hij bij de glasbak - weliswaar een week te laat om nog adequaat te kunnen reageren - een folder hangen van een protestbijeenkomst tegen een nieuwe vierbaansweg die door de vallei is gepland. ,,Een vierbaansweg?'', vraag ik (die woont aan een plein dat behalve als stalling voor de Lidl ook dienstdoet als parkeerplaats voor een kerkelijk centrum, een mortuarium en de ouders van leerlingen van een basisschool)? ,,Wie moet daar dan op rijden? Achter dit dorp woont bijna niemand.'' Ik had dan ook nog niet gehoord van de vage geruchten over die nieuwe, grote urbanisatie achter Alcalalí, een kilometer of zes verderop. Inderdaad, wegwezen hier uit dit achterland van de Costa. Uit wat ik (o naïeveling!) altijd heb beschouwd als een oase van rust, waar je dagen kon racefietsen zonder verkeerslicht of tegenligger tegen te komen.

Dus loop ik - in de week dat ik hier op trainingskamp ben - mee over percelen van 10.000 vierkante meter en meer, die wellicht in aanmerking komen voor de broodnodige rust waarnaar mijn rentenierende vriend op zoek is. Maar op vrijwel elk paradijselijk stukje met olijf- en sinaasappelbomen hoort hij wel een generator aanslaan (er is hier geen stroom), ziet hij Engelsen op een belendend perceel van 10.000 meter een gedrocht van een huis optrekken of hoort hij - stil, luister, daar is het weer - zo'n akelige puinbreker een steen in stukjes hakken.

Inmiddels zoeken ze op internet naar stukken grond van elf hectare en meer, in Extremadura bij de grens met Portugal of de Ebro-delta in Catalonië, waar het allemaal nog wel betaalbaar is. En waar je nog geen last hebt van puinbrekers, bankdirecteuren met landbouwschuurtjes en glasbakken met protestfolders tegen vierbaanswegen en urbanisaties.

,,Het is ook een beetje de verveling hoor'', fluistert de vriendin van mijn rentenierende vriend mij - ergens op weer zo'n verlaten, te koop aangeboden helling - in het oor.

 
     
     
     
     
  19 februari 2008  
 
 
 

 

Wielerontbijt

Hij reed dit seizoen al met de voormalige Belgische kampioen Eddie de Sitter (uit de tijd van de grote Merckx) en ook het Beloftenteam van onze zuiderburen is al langs geweest. Onderweg komt hij, meestal keurig in het gelid, de renners tegen van allerlei prof- en semi-profteams die deze februariweken aan de Costa Blanca hun trainingskamp opslaan. Afgelopen week is er een keer of vijf gezwaaid naar de meiden van het AA Cycling Team van Leontien van Moorsel. Maar toch is mijn in Spanje rentenierende vriend blij dat ik er ben. Ik rijd wel niet zo hard en mijn lijf draagt (nog) de sporen van een paar kilo te veel. Maar ik weet tenminste hoe het hoort, als we rond half elf in de morgen in ons wielerkloffie neerstrijken in een restaurant.

Onze Spaanse wieleropvoeding kregen mijn rentenierende vriend en ik bij de Club Ciclista Xaló (Valenciaans voor Jalón, het dorpje waar hij nu al een jaar of tien woont). Er werd door de kleine, tanige mannetjes lang en goed gekoerst, maar het sociale aspect van onze zondagmorgenritten was minstens zo belangrijk. Na een kilometer of vijftig werd er gestopt bij een restaurant voor de almuerzo: een soort verlaat ontbijt voor Spanjaarden die ’s morgens alleen op een kop koffie en een cakeje het huis verlaten. Met een mannetje of vijftien zaten we aan lange tafels waarop schalen pelpinda’s, bordjes met olijven en augurkjes en twee grote salades werden neergezet, om gezamenlijk in te prikken. Tegen de dorst kwamen er literflessen cola en water, maar de halve stokbroden (bocadillos) met tortilla, kaas, tomaten of varkensvlees werden uitsluitend weggespoeld met bier (aangevoerd in grote kannen) en wijn (in karaffen en flessen). Het grote geheim van de combinatie alcohol en wielrennen is dat de drank wordt aangelengd met gaseosa, in Nederland misschien nog het beste te vergelijken met 7Up Light. Een goede Spaanse zondagsrenner is matig met drank, maar gul met gaseosa.

Op onze eigen trainingsritten gedragen wij ons inmiddels de hele week als zondagsrenners. Dus gruwt mijn rentenierende vriend ervan als hij de Belgen en Engelsen met wie hij veel optrekt, tussen tien en elf uur koffie met veel melk hoort bestellen, ieder een deel van de gezamenlijke salade op zijn eigen bordje ziet schuiven en bij de ober hoort informeren of er soms ook brood met marmelade te krijgen is. Hier wordt een schitterende wielercultuur met voeten getreden.

Het sociale aspect van het fietsen heeft bij de Club Ciclista Xaló inmiddels de overhand gekregen, moeten mijn rentenierende vriend en ik inmiddels met leedwezen constateren. De mannen hebben de afgelopen tien jaar een kogelrond buikje gekregen, andere familiaire verplichtingen op zondagmorgen (zoals het rond vier uur ophalen van zestienjarige dochters uit de disco), of hebben ontdekt dat ze ook op de motor naar die leuke restaurantjes in de bergen kunnen rijden voor hun almuerzo met bier, wijn en bocadillos.

Vandaar dat wij dit jaar ons heil hebben gezocht bij de renners van een buurgemeente: de Club Ciclista Pedreguer. Hier staat de sport nog hoog in het vaandel, met een indrukwekkend routeboekje waarin wekelijks tochten van tussen de 110 en (naarmate het seizoen vordert) 150 of 160 kilometer zijn opgenomen. En van deze mannen leren we weer hele andere dingen van de Spaanse wielercultuur. Zoals het mengen van bier en cola, bijvoorbeeld. Heel apart, probeer het maar eens op een warme dag. Of de gewoonte om na een almuerzo met achtereenvolgens (aangelengd) bier, wijn en carajillo (koffie met brandy), ook nog een flesje Moscatel (dessertwijn) te laten aanrukken, dat de renners – de helmen alweer in de hand - in kleine, hoge glaasjes tot zich nemen.

Daarna fietsen ze weer zeventig kilometer alsof de meiden van Van Moorsel hen op de hielen zitten.

 
     
     
     
     
  12 februari 2008  
 
 
 

 

 

Cito-stress


Naarmate de Cito-toets nadert, neemt de stress toe. Als ik me, moe maar voldaan na een bardienst bij de basketbalclub, in de bank laat zakken met een bord vol Oosterse rijkdom van Menu B, dendert onze zoon de trap af. ,,Kom gauw naar boven! Ik heb een rekensom die ik niet snap. En mama ook niet. En zelfs Maaike (zijn zus, met een negen voor wiskunde) niet! Kom gauw! Gauw!'' Met inmiddels een mond vol Thaise kip hef ik mijn ene nog vrije hand ten hemel. ,,Als die het allemaal
niet weten, wat moet ik dan nog?''


Om hem voor de Cito-toets klaar te stomen, oefent zijn moeder al wekenlang op d's en t's, bijvoeglijke naamwoorden en voltooid deelwoorden. Hij kan ze, als we ons tot één soort beperken, inmiddels redelijk uit elkaar houden, maar zodra er wordt gemixt (gemixd, gemixed, gemixet, gemikst) maakt hij er een potje van. Het zal wel erfelijk bepaald zijn, denkt mijn eega, want zelfs bij mij moet na vijfentwintig jaar journalistiek 't gestrande Kofschip nog regelmatig worden vlotgetrokken. Mijn zoon en ik werken vooral op gevoel. Pas als dat gevoel ons in de steek laat, hebben we een probleem.


Een zo mogelijk nog groter probleem is rekenen, waar mijn echtgenote ook weinig kaas van heeft gegeten. En laten taal en rekenen nu net de onderdelen zijn waarvan het Cito – altijd goed voor wat fijne peptalk
in de aanloop naar de toets – nog maar eens vaststelde dat er de afgelopen twintig jaar in het basisonderwijs maar bar weinig
vorderingen zijn gemaakt. Het maakt de Cito-stress in Huize Van der Plas er niet minder op. 's Nachts droom ik ervan dat mijn zoon met een uitslag thuiskomt waarvoor zelfs Bonny St. Clair de neus zou ophalen.


De bewuste rekenopgave die ik uiteindelijk toch tussen mij en mijn
bord met Menu B krijg geschoven, begint met de aanbeveling: Reken uit
als breuk en in procenten. Dan volgt er een aantal kolommen met steeds
een stuk fruit. Bijvoorbeeld: banaan, dan een kolommetje met aantal
(85), een kolommetje deel (...) en een kolommetje procent (...). Al
het fruit totaal (er zijn ook appels, mandarijnen, grapefruits en
alles wat je in de betere groentezaak verder nog tegenkomt) moet
uitkomen op 500, het aantal procenten op 100 (niet onlogisch). Maar
dan? Wat moeten we met de kolom 'deel'? Voor mij is het allemaal
Chinees. En dan heb ik het dit keer niet over Menu B.


Enkele weken geleden bedacht ik op de racefiets tussen Zandvoort en
Noordwijk een oplossing voor de schoolboekenproblematiek, de te zware
rugzakken en de neiging van de jeugd om elk moment na schooltijd voor
de schermpjes van een Nintendo DS door te brengen. Stop al het
lesmateriaal op een geheugenkaartje dat de DS kan lezen, was mijn
briljante oplossing, waarvan ik vermoedde dat dit voorlopig nog een
onbegrepen toekomstvisioen zou zijn. Maar zie, deze maand komt
Nintendo met Professor Kageyama's Rekentraining: 'Verbeter je
rekenvaardigheden met de honderd-cellenmethode. Dit programma biedt
zowel kinderen als hun ouders de perfecte methode om hun
rekenvaardigheid op te poetsen.'


Maar dat komt voor ons dus een paar maanden te laat.
Als ik een dag later de restanten van mijn Menu B sta op te bakken,
doet mijn zoon – na een verhelderend consult bij zijn juf – een poging
mij alsnog de rekensom met de fruitwinkel uit te leggen. ,,Je moet de
getallen steeds kleiner maken'', zegt hij. ,,Kijk maar.'' Waarna hij
als de nieuwe Uri Geller zo begint te goochelen met cijfers dat mijn
houten spatel er krom van trekt.


Ben ik even blij dat ik vandaag niet hoef te beginnen aan de Cito-toets.

 
     
     
     
     
  5 februari 2008  
 
 
 

 

Namaak

Als je weet hoe het in het echt toegaat, is imitatie o zo voorspelbaar. Dus voorziet mijn dochter dat de namaak Freddie van de tribute-rockgroep Queenmania op enig moment het podium op komt met een tros bananen op zijn hoofd die hij, na er even mee te hebben geparadeerd, één voor één de zaal in gooit. Het is waar. Als je niet weet hoe het in het echt gaat, bedenk je dat niet. Maar één van die bananen wordt door haar gevangen, voorspelt ze, zoveel is wel zeker.

Zelf koestert ze de gedachte dat Freddie Mercury en zij enige tijd samen hebben geleefd. Begrijp me goed, niet hebben 'samengeleefd', maar samen geleefd. Tegelijkertijd geleefd, is beter. Toen hij stierf op 24 november 1991 was mijn eega zes maanden zwanger van onze dochter en dan is er officieel sprake van levensvatbaarheid, redeneert ze. Maar bewust een concert bezoeken van Queen in de originele samenstelling was en is er niet meer bij. Dus als het in 1997 tot beste coverband van Europa uitgeroepen Queenmania op nog geen vijfhonderd meter van ons huis optreedt, laten we die gelegenheid niet aan ons voorbijgaan.

Ja, we, want ofschoon ik de groep na 'A night at the opera' de rug heb toegekeerd voor ingetogen alternatieve singer-songwriters, offer ik me op als begeleider van mijn Queen-adept en haar vriendin. In de buurt van het podium, waar de bananen je om je oren schijnen te vliegen, waag ik me niet. Onopvallend houd ik me achter in de zaal op, maar omdat de lichten voorafgaand aan het concert nog zeker een uur aanblijven, heb ik aan willekeurige passanten nog heel wat uit te leggen. ,,Nee, zelf ben ik helemáááál niet van Queen. Ik pas op mijn dochter, die staat daar, helemaal vooraan, vlak bij dat stelletje dronken geteisem dat al die plastic bierglazen op de grond smijt. Ja, ik had ook gewoon buiten kunnen wachten. Maar heb je wel eens gezien wat voor weer het is?''

Het is opmerkelijk wat er aan vage kennissen, oud-medewerkers, een enkele zondagse fietsmaat uit een buurgemeente en collega's van mijn vrouw op zo'n Queenmania-concert afkomt. De ene helft is onder de twintig, de andere helft jong-bejaard, net als ik. Aan de twintigers en dertigers schijnt dit soort retro-optredens volledig voorbij te gaan. Over een paar  weken staat op deze zelfde plek het Pink Project, een groep die zich heeft gespecialiseerd in het naspelen van Pink Floyd. Nog nadrukkelijker zullen krasse zestigjarigen zich mengen onder tieners die de band hebben herontdekt.

Queenmania bestaat uit vier Italianen van wie vooral de zanger – Sonny Ensabella – een behoorlijke gelijkenis met de echte Freddie vertoont. Alleen zijn stem is – vooral in de hoge uithalen – een stuk scheller, maar dat kan ook aan de povere geluidsinstallatie liggen. Voor de echte fans maakt dat ook helemaal niet uit. Door filmbeelden van 'echte' concerten van Queen te projecteren op de achterwand benadrukt Queenmania zelf ook dat we hier te maken hebben met een afgeleide. En van alle zangpartijen zijn die van de pure liefhebbers in de zaal toch het mooist. Het meezingrepertoire van Queen zorgt voor een Thialfsfeertje. Queenmania is het dweilorkest.


Freddie look-a-like Sonny Ensabella hult zich om de paar nummers in andere extravagante kostuums, die ook letterlijk gekopieerd blijken van legendarische Queen-concerten, zoals de Wemblyreeks uit 1986. Witte kruippakjes, travestietenrokjes met nepborsten ('I want to break free') en warempel, daar is ook die tros op zijn hoofd.

En wie ving de banaan?

Jazeker.

Maar na afloop heb ik hem aan mijn dochter gegeven.

 
     
     
     
     
  29 januari 2008  
 
 
 

 

Eerste hulp bij een ongeluk

Niet schrikken, het is maar een voorbeeld. ,,Stel'', zeg ik tegen mijn zoon, ,,ik trek per ongeluk de frituurpan om en het kokende vet loopt over mijn handen. Wat moet je doen?'' In een fractie van een seconde antwoordt hij: ,,Stel het slachtoffer gerust.'' Bij het oefenen van zijn EHBO-lessen heeft hij ontdekt dat hij hiermee bij vrijwel elke verwonding kan beginnen, dat is wel zo gemakkelijk. Maar mij valt het een beetje tegen. ,,Ik sta met twee gefrituurde handen en het enige dat jij tegen me zegt is dat daar nog nooit een kroketje minder van is geworden?'' Hij denkt na. ,,Over welke graad brandwond hebben we het hier? Frituurvet staat niet in mijn lijstje.'' Een EHBO'er begint
niets, zonder goede diagnose.

Mijn eerste ervaring met de lokale EHBO was vlak na een spectaculaire aanrijding, waarbij het gele Renaultje 4 waarin mijn eega en ik ons bevonden in de flank werd geraakt door een bruine kever van de dochter
van een in Duitsland gelegerde Engelse soldaat (uit de jarenlange strijd met de verzekering herinner ik me nog alle details). Ons autootje – tweedehands, maar we hadden hem pas zes weken – rolde een
keer of vier over de kop en bleef uiteindelijk op zijn kant liggen.

Het gebeurde vlak voor de deur van de rayonchef Rampenbestrijding in
ons dorp, die sneller dan politie en ambulance ter plaatse was. Nadat
hij mij ruw uit de auto had getrokken (er was kans op explosiegevaar)
en in de stabiele zijligging rolde, begon hij mijn hevig
tegenstribbelde vrouw mond-op-mondbeademing te geven. Later, tijdens
een kopje koffie in zijn woning en na de vaststelling van enkele wel
deskundigen dat wij helemaal niks mankeerden – bleef hij net zo lang
met een hamertje op mijn knieën slaan dat deze gewrichten bij koud en
vochtig weer nog steeds opspelen.

Je gezondheid is te belangrijk om aan hobbyisten over te laten, heb ik
daarvan opgestoken, maar het kan zijn dat mijn beeld van de
vrijwillige hulpverlener wordt vertroebeld door dit verleden. Onze
zoon gaat, net als de rest van Groep 8, vandaag op voor zijn
EHBO-examen, waarvoor hij al weken door zijn moeder wordt
klaargestoomd. Met de hoeveelheid zwachtels waarmee de oude
Egyptenaren complete woonwijken na een aanval van de builenpest konden
inpakken en mummificeren, legt hij nu bij haar vingerverbanden aan,
waarbij hij aan het eind steevast net dat laatste metertje windsel
tekort komt. Of slaagt hij erin de weg die het voedsel door het
spijsverteringsstelsel aflegt te laten beginnen bij de endeldarm (dat
geldt alleen voor zetpillen, mag ik vanaf de zijlijn dan graag
wijsneuzerig opmerken). En kan hij ook maar matig onthouden waarvoor
het skelet ook alweer dient, waarmee spieren aan je botten vastzitten
en op welke plaatsen van het geraamte zich nu precies kraakbeen
bevindt.

Nadat hij de moeder van zijn beste vriendje had horen zeggen dat er in
hun gezin niet veel waarde wordt gehecht aan het EHBO-diploma
(kennelijk hetzelfde rayonhoofd ontmoet, bij een lichte kwetsuur in
haar jeugd) is zijn motivatie er ook niet beter op geworden. Voor ons
past het getuigschrift niettemin in het trotse rijtje van veter-,
rits-, zwem- en verkeersdiploma, waardoor wij denken hem in elk geval
helemaal tiptop af te leveren voor de hoofdstukken knieverband en
kleine ongelukjes (voorwerpen in oor/neus, splinter, uitgeslagen
tand).

Gelieve bij vergiftiging en spijsvertering, kwetsuren aan het
zenuwstelsel en brandwonden, botbreuken, bewusteloosheid,
bloedsomloop, flauwte en stoornissen in de ademhaling zo snel, hard en
hysterisch mogelijk een deskundige aan te schreeuwen.
Daarna stelt mijn zoon u wel gerust.

 
     
     
     
     
  22 januari 2008  
 
 
 

 

Miniloempia’s

Zelf heb ik me met ’Menu B’ altijd prima kunnen redden, maar het beoogde onderwijsinstituut van onze zoon profileert  zich met Chinees. Het ouderforum tijdens deze open dag lijkt mij een prima moment om de mensenrechtensituatie in dit land onder de aandacht van de schoolleiding te brengen, maar mijn aspiraties worden gesmoord in bakken met miniloempia’s en schaaltjes pittige saus die rond 11(!) uur de aula worden ingedragen. Waar is Er ik van Muiswinkel als je hem nodig hebt?

Na onze dochter – die haar eigen school uitkoos – is dit de eerste keer dat mijn eega en ik bewust een schoolkeuzeproces doorleven. Al weken werken we ons avondmaal binnen boven stapels folders en onderwijsbijlagen, of nemen we met de juf de verwachte uitkomsten door van de Cito-toets – pas in februari, veel te vroeg om als munitie te dienen in de propagandaoorlog van de scholen in onze regio. Onze zoon kan het allemaal maar matig schelen en dat is ook de indruk die de juf en wij van hem hebben. Bij vlagen briljant, maar de rest van de tijd met zijn warhoofd elders. Dus niet te hoog inzetten, lijkt het devies, en bidden dat het een laatbloeier blijkt. Of iemand die zijn geluk haalt uit kleine dingen.

De open dagen gaan de concurrentie aan met de basketbalcompetitie, die uitgerekend deze zaterdag weer begint en een team van 11- en 12-jarigen behoorlijk kan minimaliseren. Onze verwachting dat we de open dag er gewoon even tussendoor kunnen doen – beetje sfeer snuffelen, een steelse blik in een lokaal werpen en kijken of het personeel er een beetje decent bijloopt – wordt al bij de entree gelogenstraft met felgekleurde A4’tjes die de aspirant-leerlingen in groepjes doen opsplitsen om een mini-lesprogramma af te werken. Het groene blaadje van onze zoon wordt door zijn moeder op het laatste moment geruild voor een rode, zodat hij met een vriendje van zijn eigen school wordt ingedeeld. Het A4’tje blijkt een werkwijzer zoals ze die straks – als hun nieuwe schoolleven begint – ook krijgen en bevat grootse thema’s als: ’leerdoelen, vaardigheden en extra bronnen en hulpmiddelen’.

Voor de ouders - een open dag blijkt totaaltheater - is er een alternatief programma, met koffie, koekjes en filmpjes in de aula, gevolgd door een forum met gelegenheid tot vragen stellen in lokaal 2. En miniloempia’s, uiteraard, die het goed doen in de reünie-achtige sfeer die al gauw ontstaat met mensen die mijn echtgenote nog kent van de zwangerschapsgym en tientallen andere types waarmee ons leven dankzij kinderen in dezelfde leeftijd op bepaalde hoogtijdagen synchroon loopt.

Ook deze school heeft begrepen dat wij niet alleen te paaien zijn met degelijk en goed onderwijs, maar heeft geshopt in het aanbod van extra’s die in den landen inmiddels gemeengoed zijn geworden. Zes uur sport in de week – eventueel gedeeltelijk in te ruilen voor extra kunst – Spaans, Chinees (als keuzevak) en een thuiswerkvrije status die vooral bij mijn eega – die er graag een beetje zicht op houdt – de nodige argwaan oproept.

Van en naar een forum, een vijfde bak koffie of een zoveelste mini-loempia, kom ik ergens in een overvolle hal mijn zoon en zijn vriendje tegen die – als moeders op een huishoudbeurs bedolven onder informatiemateriaal – verzuchten dat ze het nu wel zat zijn. Als we nu naar huis gaan, zijn we bovendien ook nog op tijd voor de wedstrijd tegen de BV Leiderdorp.

In de auto laat hij weten dat we de andere open dagen wel kunnen laten zitten. Hij is eruit. Het wordt deze school. Lekker dichtbij. En zijn vriendje gaat er ook heen.

Ze blieven allebei geen Chinees.

 
     
     
     
     
  15 januari 2008  
 
 
   

Graag naar oma


Het echtpaar dat de liftdeur van de seniorenflat van mijn moeder
openhoudt, is ongeveer van mijn leeftijd. We wachten nog even op mijn twee nazaten, die voor het trappenhuis staan te kijken bij hun neef die zijn nieuwe brommer vastlegt met een ketting waarmee ze normaliter booreilanden verslepen. Als het ons te lang duurt, gaan we alvast naar boven. ,,Wat bijzonder dat ze nog meegaan naar hun oma'', zegt, tussen de derde en de vierde verdieping, de vrouw van het echtpaar een beetje
jaloers. ,,Die 16-jarige van ons wil echt niet meer.'' Nog één
verdieping te gaan, dus ik onthul maar een deel van het geheim. ,,Deze oma maakt frikadellen speciaal.''


De laatste jaren van zijn leven had mijn vader het traditionele
koffiedrinken op zondag tot een tweewekelijkse frequentie
teruggebracht. Tot ieders tevredenheid, eigenlijk wel, want zo gaven elkaar ook een beetje de ruimte in het weekend. Het werd hem ook zichtbaar te druk, met al die grote neven en nichten die, net uit hun bed gerold, met zichtbare katers kwamen getuigen van hun
uitgaansbelevenissen. Maar na zijn overlijden komen we weer elke week
omdat mijn moeder juist opbloeit met al haar nakomelingen om zich
heen.


Bovendien geeft het haar de mogelijkheid om haar oma-schap uitbundig
te beleven. Haar liefde gaat voor een belangrijk deel naar onze maag.
Dat begint rond twaalf uur met taart: zelfgebakken, of van de beste
bakker in het dorp. Wie te snel eet – dat overkomt me geregeld –
krijgt zonder mankeren een tweede stuk toegeschoven. De kleinkinderen
– lummels van een meter of twee die zich op de grond van mijn vaders
voormalige werkkamer verzamelen voor de tv – komen daarna alleen naar
de kamer om de schalen te halen waarin ze familiezakken chips legen,
of om drinken te scoren. Als ze rond de leeftijd van twintig geraken,
verhuizen ze op natuurlijke wijze weer naar de woonkamer om zich met
onze discussies te bemoeien.


Op de salontafel maakt de koffie en taart inmiddels plaats voor een
(zelfgemaakte) salade met de grootte van een karrenwiel, waar oma op
hoogtijdagen nog een kilo zelfgepelde garnalen overheen strooit.
Daarnaast staan Franse kaasjes, patésmeersels en toastjes, terwijl
mijn zwager en ik rond half één onze Westmalle Tripel voorgezet
krijgen. Als er een bescheiden bres in deze eetvoorraad is geslagen,
springt mijn moeder op om de pan met gehaktballetjes of stukjes
kipfilet op tafel te zetten. O ja, de pindasaus niet vergeten.
Daarna popelt ze om het frituurvet op te warmen. De eerste
scheepsladingen snackmix gaan in een grote Tupperwareschaal naar de
tv-kamer, waar ze met handen tegelijk verdwijnen in de bakjes die
eerst voor de chips dienden. Daarna begint oma aan een rondje snackmix
voor de volwassenen, waarna het grotere werk kan aanvangen:
frikadellen – op de salontafel overdwars in te snijden en op te tuigen
met uitjes, currysaus en mayonaise – en daarna, als pièce de
resistance – de uit de kluiten gewassen pikanto's. Dat is inmiddels
het moment dat één van mijn zwagers afhaakt omdat hij tot ver in de
nieuwe week last had van darmkrampen en aanvankelijk maar niet kon
achterhalen waar die het gevolg van waren.


Pas als iedereen herhaaldelijk kreunt dat we echt niet meer hoeven (op
sommige dagen is er ook zelfgemaakte snert en – voor wie dat niet
blieft – kippensoep) overziet oma met een tevreden blik het slagveld.
Bij vertrek staat ze bij de deur om alle kleinkinderen – dus ook de
machovriend van mijn 19-jarige nicht – een rolletje snoep in de handen
te stoppen.


Want ja, echtpaar uit de lift, als oma red je het niet met de tips van
www.voedingscentrum.nl.

 
     
     
     
     
     
  8 januari 2008  
 
 
 

 

Juridische consequenties

Na de laatste 'bierbecue' met zijn neven viel hij letterlijk met de
poort onze tuin binnen, waar wij net rustig aan een rosétje zaten.
,,Het goede nieuws is'', schreeuwde onze zoon (11), ,,dat ik geen bier heb gedronken!'' Mijn eega en ik verstijfden alvast, in afwachting van de onheilstijding die nu ging komen. ,,Het slechte nieuws is: ik heb heel veel Energy Drink op!'' Hij stuiterde vijftien keer op en neer door de tuin, waarbij ik op een bepaald moment moet hebben verzucht: ,,Neem volgende keer maar een biertje.''


Een 'bierbecue' is een barbecue met veel bier, die onze neven (19 en 23 jaar) op geregelde en ongeregelde tijden voor hun vrienden organiseren. Zoals bij veel van hun activiteiten vinden zij het een goed idee om onze zoon wat los te maken van zijn beschermde milieu en hem kennis te laten maken met het echte leven. Daarbij verliezen ze
uiteraard geen moment uit het oog dat hij pas elf is. Bij het mixen
van een grote bowlschaal met Blue Curaçao en Energy Drink wordt onze
jongste nazaat alleen belast met de vervaardiging van dit explosieve
mengsel. Snoepen mag hij alleen van de Energy Drink.
 

En als hij toevallig in een auto belandt die een van hun vrinden naar
de coffeeshop vervoert voor nog meer geestverruimend materiaal, laten
ze hem keurig voor de deur wachten. Hij moet ook altijd een paar meter
naar achteren, als hij – zoals op oudejaarsdag door een neef opgehaald
voor een vuurwerkcampagne op klaarlichte dag – getuige moet zijn van
het educatief opblazen van een putdeksel of het controleren of een
verkeersbord wel 'Bokitoproof' is. Het zijn goed opgevoede jongens,
onze neven, en het feit dat de ouders voor hun oudste telg onlangs
zelf maar een opknapwoning hebben gekocht, moet slechts als een
subtiele hint worden beschouwd om hem op termijn met zachte drang het
huis uit te krijgen.


Zijn aanwezigheid bij deze gastcolleges aan de universiteit die leven
heet, neemt onze zoon zeer serieus. Na afloop brengt hij aan ons
minutieus en enthousiast verslag uit, daarbij voortdurend benadrukkend
dat hij zelf geen actieve rol van betekenis heeft gespeeld bij wat op
de openbare weg of in het privédomein van de neven is voorgevallen.
,,Ik keek alleen maar.'' En in kijken schuilt geen kwaad, vindt hij,
zodat hij er ook geen problemen mee heeft om op te trekken met lieden
die belletje trekken bij die ene oudere meneer die net altijd even wat
meer overspannen reageert dan goed voor hem is, die de lokale
supermarkt op slinkse wijze een zakje snoep armer maken of zich via
een gat in het hek toegang verschaffen tot een gemeentelijk sportveld
voor een buitenschools uurtje bewegingsonderwijs.


De neven – en dat moet ik hen nageven – zijn in de regel de eersten
die hem proberen te doordringen van zijn eigen verantwoordelijkheid.
,,Ja, maar jij hield het lont vast'', mogen ze dan plagerig opmerken,
als onze zoon zijn aandeel in een geringe aanpassing van het
straatmeubilair probeert te bagatelliseren. En wie buiten wacht op de
terugkeer van zijn kompanen uit de supermarkt en een snoepje ook niet
afslaat, kan zomaar van medeplichtigheid en heling worden beschuldigd,
weten ze uit eigen ervaring. Net zoals de politie echt geen
onderscheid gaat maken tussen de jongens aan de ene en die aan de
andere kant van het gat ('ja maar, dat gat was er al') in het hek rond
het sportveld.


Wat dat betreft is het herhaaldelijk vrijspreken van de Nomads en de
hoofdstedelijke groep van Hells Angels een ernstige streep door de
rekening van alle ouders en opvoeders die hun zoon of pupil willen
doordringen van de juridische consequenties van het deel uit maken van
een groep.

 
     
     
     
     
     
  27 december 2007  
 
 
 

 

Niet op een lijstje

Het begint als een mailtje zoals ik ze wel vaker krijg. Een moeder die wil laten weten hoe herkenbaar mijn stukjes voor haar zijn en hoeveel haar zoon lijkt op die van mij: ’ietwat dwangmatig, betweterig en intelligent’. Alleen, haar zoon is niet meer in leven. Hij stierf aan een acuut hartfalen, nog geen twaalf jaar oud. Na de vakantie zou hij naar de havo/vwo zijn gegaan. Ze weet ook niet goed waarom ze dit aan me schrijft. Ze kent me niet eens. Wil me er ook niet mee lastigvallen. Ze heeft de mail vooral voor zichzelf geschreven.

Met terugblikken heb ik niet veel. Jaaroverzichten van het nieuws en zelfs die van de sport kunnen me gestolen worden. Nieuws van gisteren. De feestdagen maken mij ontvankelijker voor de dood. En mij niet alleen. Het lijstje van bekende doden dat op deze pagina staat, kan moeiteloos concurreren met die willoze stoeipoes in de glimbikini. Net zoals de pagina met overlijdensberichten het voor veel mensen de rest van het jaar wint van de voorpagina.

Dat merkte ik zelf in de periode van kerst en oud en nieuw dat mijn vader overleed. Tijdens een columnistenforum van deze krant werd me een paar maanden geleden de vraag gesteld op welke column van mij het meest door lezers is gereageerd. ,,Op die over rugkriebeltjes’’, zei ik, zonder er goed over na te denken, maar ook om te benadrukken dat abonnees juist over de meest absurde kwesties massaal in de pen klimmen. Het juiste antwoord schoot me, zoals zo vaak, pas op weg naar huis weer te binnen. De meeste reacties kreeg ik op de columns over het ziekbed en het overlijden van mijn vader. En nog, nu twee jaar later, nemen mensen contact op die zich opeens in hetzelfde schuitje weten en willen lezen wat wij toen doormaakten. De rest van het jaar kies ik kennelijk de verkeerde onderwerpen. Ik zou permanent in de rouwverwerking moeten gaan. Stappen in het gat dat Jos Brink dit jaar achterliet.

Aan het overzicht met bekende sterfgevallen voegt iedereen zijn eigen doden toe. De doden die niet op de lijstjes staan. Zoals Juliëtte, uit groep 5 van de school van mijn zoon. Acht jaar was ze pas en de laatste vier jaar daarvan was ze ernstig ziek. Tussen alle onderzoeken en kuren door, ging ze elke keer weer naar school. Ze was sterk, klaagde nooit, maar voerde - zoals dat heet - een ongelijke strijd. Op de rouwkaart stond ze afgebeeld als het prinsesje dat ze altijd wilde zijn. Deze week staat de foto in het kerstnummer van Libelle; het prinsesje dat een engel werd.

Toen mijn vader ziek werd, was mijn moeders grootste angst dat hij uitgerekend met kerst zou sterven. Dat zou de feestdagen voor nu en komende jaren alleen maar meer belasten. Hij stierf een paar dagen later, de 29ste, maar zijn dood markeert hoe dan ook de feestelijke decembermaand. Helemaal niet erg. Oudejaarsavond is nu voor ons het moment waarop we elkaar boven zijn kist in zijn werkkamer de beste wensen doorgaven. Het maakt dat de herinnering aan die oud en nieuw niet als een schaduw over het feest blijft hangen. Toen we vorig jaar weer op oudjaar bij elkaar waren en mijn zus in de werkkamer keek, zei ze: ,,Hé, het is voor het eerst dat ik de kist mis.’’

Op het moment dat ze mij de mail over haar zoon schreef, was die lezeres er na maanden weer aan toe om de krant te lezen. En ook mijn columns, waarbij ze – nadrukkelijker dan ooit – aan haar eigen zoon moest denken. Ze wilde mij niet met dat beeld belasten. En zo ervaar ik dat ook helemaal niet. Bij elk stukje over mijn eigen zoon mag ik graag even aan die van haar denken. Aan wat voor fantastische knul het moet zijn geweest. En aan hoe groot de leegte is, die hij achterliet.