Pretvaderen is het centrale thema van een column die ik wekelijks schrijf voor de dagbladen van HDCmedia (Noordhollands Dagblad, Haarlems Dagblad, IJmuider Courant, Leidsch Dagblad en Gooi en Eemlander). Maak op deze site kennis met een prettige kijk op het vaderschap.

 
 
 

 

 

De actuele site van

 Dick van der Plas is Dicks Log

 over meer dan wielrennen

 

 

Oude Pretvaderlogs lezen?

Klik hier.

 

 

Zelf kijk ik ook op:

 

 

 

Vast nog wel ergens tweedehands

(voor weinig) te krijgen:

 

 

 

 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 
 
 
 
 

 

 

 

 

 

 

 
 
 

 

Deze site loopt - bij het plaatsen van de actuele column, tenminste - altijd minimaal een week achter bij het gedrukte woord. En zo hoort het ook. Kranten hebben het toch al niet makkelijk.

 

 
 
 
 

 

 
 

Over deze site

 

Vrouwen hebben reünies van de zwangerschaps-gymnastiek om ervaringen uit te wisselen, maar voor vaders was er - in de tijd dat ik met mijn columns begon - helemaal niets. Geen zelfhulpgroep, geen vertrouwenstelefoon en geen speciale afdeling bij het consultatiebureau. Om die reden ben ik begonnen met het vastleggen van mijn ervaringen als pretvader. Eerst voor de krant, toen in een boek, nu op deze site.

 

Wat is een pretvader?

Iemand die wel zijn best doet om een volwaardige partner te zijn in de dagelijkse strijd die opvoeding heet, maar daar volgens zijn eega niet echt in slaagt. Iemand die wel de kinderen naar bed brengt, maar het speelgoed dat in hun kamers op de grond rondslingert aan de kant schopt, in plaats van het op te ruimen. Iemand die op zaterdagmorgen, als zijn vrouw aan het werk is, de nazaten om half acht voor de tv zet om zich direct daarna in bed nog eens lekker om te draaien. Iemand die liever meegaat naar de basketbaltraining dan dat hij toeziet op het leren van het huiswerk.

 

'Pretvaders' zijn dat, die zich - ondanks al hun goede bedoelingen - ogenschijnlijk alleen bemoeien met de aantrekkelijke kanten van het opvoeden.

 
 
 

 
 
 
 

 

     
     
  Uit de dagbladen van HDCmedia van 19 mei 2011

 

 

Hengstenbal
 

Zelf vind ik het wel wat hebben, om even weg te zakken tijdens een hoorcollege over lichamelijke aftakeling. Maar mijn dochter heeft zich mijn bijdrage aan de Ouderdag van de Medische Faculteit Leiden wat anders voorgesteld. Met een venijnige por brengt ze me weer terug in de werkelijkheid van 'De ziekte die ouderdom heet', door prof. dr. R.G.J. Westendorp. ,,Je zit gewoon te slapen!'' Na de lunch overkomt me hetzelfde bij de Workshop Neurologie.


Vier dagen daarvoor heb ik mijn echtgenote op het vliegtuig naar Spanje gezet, waar ze een week bij vrienden doorbrengt. Behalve met de spoedcursus 'Hoe werkt de wasmachine ook alweer?' heeft ze me achtergelaten met een agenda die bol staat van kraambezoeken, verjaardagspartijtjes en een dagje meelopen in het studieprogramma van onze oudste nazaat, waarvan ik het lef niet had om te melden dat dit precies viel op de datum dat al mijn fietsmaatjes in de Ardennen de Route des Amblève rijden.


Niet 'communiceren', maar af en toe je mond houden. Dat is de basis voor een harmonieus huwelijksleven.


'Hengstenbal!' had ik voor mezelf genoteerd voor de week dat mijn wederhelft Valencia en omstreken onveilig maakt. Maar alle vrienden die ik mee naar de kroeg had willen nemen, blijken nog wél gewoon getrouwd. En alle jonge meiden waarop ik mijn zinnen heb gezet, zijn nog gewoon bij hun volle verstand. Dus verval ik in een vorm van onschuldige rebellie die ik naadloos kopieer van mijn ongenadig puberende zoon: niemand gaat mij deze week vertellen hoe laat ik naar bed moet! Flesje wijn op tafel, chorizoworst onder handbereik, beentjes languit en na 'Pauw en Witteman' (vanaf begin deze week: 'Knevel en Van den Brink') zappen naar de herhaling van 'De Wereld Draait Door', gevolgd door Kunststof-tv of ander verantwoord amusement dat de publieken ver na middernacht willen uitzenden. (Nee, ik houd mij verre van de commerciëlen, met uitzondering van zaterdagavond, als ik het Eurovisie Songfestival laat schieten voor 'Terminator 3'.) Als ik dan tegen tweeën mijn bed opzoek, herinner ik me altijd nog wel dat er een wasje in de trommel staat ('Nooit te lang in laten zitten, dan gaat het stinken', uit les 3 van 'Hoe werkt de wasmachine ook alweer?'), lijkt het me handig om de aardappels voor de volgende dag alvast te schillen of schiet me weer te binnen dat de viooltjes in de 'hanging basket' onder het afdakje van de voordeur al drie dagen geen water meer hebben gehad.

 

Tijd rekken. Daar is mijn puberende zoon ook een meester in.


Na drie dagen van dit vrijgezellenbestaan verander ik op de werkvloer na de lunch in een stuk menselijk wrakhout, dat zichzelf bij de levenden houdt door het drinken van veel koud water, doelloze wandelingetjes naar de printer en noodzakelijke tripjes naar het toilet (het directe gevolg van het drinken van veel koud water). Net als mijn jongste nazaat blijk ik wel heel goed tegen laat naar bed gaan te kunnen. Alleen bij het vroege opstaan breekt mijn gevorderde leeftijd me op, net als het vermogen om in die paar uur slaap de gevolgen van een flesje wijn teniet te doen.


Op zaterdag sleep ik me om 8.30 uur naar de Medische Faculteit Leiden waar ons, ouders van studenten Geneeskunde, een slopend programma rond het thema 'Circle of Life' wordt aangeboden. De nadruk lijkt daarbij te liggen op de laatste levensfase, al zou je met een beetje goede wil de Workshop 'Hechten' - zeker na een kraambezoek dat ik eerder die week heb afgelegd - eveneens als een noodzakelijke handeling aan het begin van de levenscyclus kunnen zien.


'Iedereen wil oud worden, maar niemand wil oud zijn', hoor ik de hoogleraar ouderengeneeskunde en directeur van de Leyden Academy on Vitality and Ageing betogen. In weerwil van wat een 87-jarige ons eerder bij een patiëntendemonstratie heeft meegegeven, zijn de ongemakken die lichamelijke aftakeling met zich meebrengen, geen onvermijdelijkheid.


'Zo is het', gaat het nog net door me heen, voordat ergens in mijn hersens een signaaltje wordt afgegeven (in één of andere cortex, vraag me na één workshop Neurologie niet welke) om mijn oogleden te sluiten.


Het is niet de tol van een week waarin ik de leiding van een eenoudergezin probeer te combineren met een vrijgezellenbestaan.


Het is een ziekte.

 

 
 
 
 

Uit de dagbladen van HDCmedia van 12 mei 2011

 

Thuisdieren
 

De ontknoping van de bekerfinale Ajax-Twente wordt voor mij onderbroken door een dienstopdracht. ,,Ga jij eens buiten kijken, ik hoor weer zo'n herrie.'' Zelf probeer ik me af te sluiten voor het geluid dat nog het meeste wegheeft van een defecte rookmelder, maar sinds mijn echtgenote heeft gezien dat drie eksters de kop van een jong vogeltje afhakten, is ze buitengewoon alert op de angstroep van de merelmoeder in onze tuin. Er is zelfs persoonlijke bewaking voor ingesteld. Kijk, daar sloft die malloot toevallig mokkend naar de achterdeur.


Na ruim negentien jaar als de persoonlijke assistent van een buitengewoon verwende kat te hebben gefungeerd, nam ik me voor om onze woning de komende decennia huisdiervrij te houden. Helemaal gelukt is dat niet. Mijn dochter werkt op haar zolderkamer aan een experiment om vissen zo lang mogelijk in leven te houden in een donkergroen uitgeslagen aquarium. Op momenten dat ik het echt niet meer kan aanzien, wil ik de uitbundige algengroei in die bak van tachtig liter nog wel eens met een schuursponsje en emmers vers water te lijf gaan. Zowel vissen als dochter reageren daar apathisch op.


Maar echt last heb ik alleen van het beestenspul dat - voornamelijk vanwege het feit dat al onze buren de grond achter hun huis hebben veranderd in een asfaltjungle - onze overwoekerde tuin opzoekt om er te nestelen en zich voort te planten. Dat varieert van een egel die via het kattenluikje bezit had genomen van onze schuur tot koolmeesjes die jaar in jaar uit de beschutting van het neskastje van Staatsbosbeheer opzoeken dat ik aan de zijgevel van de garage van de buren heb geschroefd, en merels die op de ongelukkigste plekken van de klimhortensia hun jongen denken groot te kunnen brengen. Dat laatste is een misverstand. Ik verdenk ze er zo langzamerhand van dat ze, louter om mij te pesten, anderhalve meter boven de grond en in het volle zicht van de katten van de buren en andere roofdieren hun nest bouwen.


Het merelnest zit op de enige plek in ons stukje groen waar je van 's morgens vroeg tot aan het eind van de middag in de zon kunt zitten, de enige vorm van tuinieren waar ik in uit blink. Maar het voorjaar heeft zich nog niet aangediend, of ik voel me een indringer in eigen tuin omdat ik uitgerekend in de aanvliegroute zit van vogels die hun takken, plastic zakjes en ander bouwmateriaal via een luchtbrug naar de klimhortensia transporteren. Als ik niet snel maak dat ik wegkom, gaan ze me op de pergola net zo lang met een snavel als een uitpuilende groenbak zitten aankijken, dat ik slappe knieën krijg en een onbehaaglijk plekje van 12 graden in de schaduw opzoek.


Als er eenmaal eitjes in het nest liggen, heb ik er alle belang bij dat het gebroed ook uitkomt, anders begint alle ellende weer opnieuw. Maar aangezien mijn eega en ik er ook nog een vaste betrekking op na houden, komt het elk jaar wel een keer voor dat we schalen moeten rapen. Op het lijstje van meest gehate vogelsoort staat bij mijn wederhelft inmiddels de ekster.


Dit voorjaar zijn de merels er - dankzij mijn hulp, het moet maar eens gezegd - in geslaagd twee jongen groot te brengen. Buitengewoon domme, wat dikkige beesten met een veel te korte staart die voorlopig alleen nog maar een beetje rondhuppen in onze tuin en af en toe tegen de ruiten van de keuken opvliegen. Als ik weer eens onverhoopt in een aanvliegroute ben gaan zitten, word ik van twee kanten verwijtend aangekeken.


Behalve de 'Als ik neerstort, zorg je dan dat de kinderen gelukkig worden'-speech, kreeg ik gistermorgen - toen ik mijn vrouw naar Schiphol bracht voor een weekje Spanje bij vrienden - ook te horen dat ik goed voor de merels moest zorgen.


Want, zo leuk, ze waren - aan de overkant van de klimhortensia - aan nóg een nest begonnen in de hedera.


Als ik zeg dat het eksters waren die gistermiddag die half opgebouwde behuizing van plastic zakjes en tuinafval uit elkaar hebben getrokken, gelooft ze het vast.


Rotbeesten.

 

 

 
 
 
  Uit de dagbladen van HDCmedia van 5 mei 2011

 

 

Wraak
 

In de rij van Benidorm Bastards die op het vliegveld van Alicante wachten op hun vlucht naar Amsterdam, staat een van de laatste slachtoffers van Osama Bin Laden. De man achter het röntgenapparaat heeft zojuist zijn rugzak gescand, wenkt de eigenaar met zijn hand en wijst op het scherm naar een smal voorwerp - model brillenkoker - waarin zich een langwerpige staaf van een centimeter of twintig bevindt, met daar omheen vijf schijfjes. Het Spaanse woord voor 'momentsleutel' schiet mijn fietsmaat even niet te binnen. Maar dat hoeft ook niet. 'Forbidden', zegt de employee die waakt over onze veiligheid in de lucht.


Waar ik was toen de vliegtuigen de Twin Towers binnen vlogen? Bij de opticien om een sportbril voor mijn dochter uit te zoeken. Mooier kan ik het niet maken. Net als iedereen dacht ook ik destijds dat dit soort gebeurtenissen de wereld voorgoed zouden veranderen. Maar eigenlijk ondervindt alleen de vliegtuigpassagier nog elke dag de hinder van de daad waarmee Osama zijn Al-Qaeda stevig op de kaart zette. Nu wil ik het leed van mensen die flaconnetjes met body lotion, zalfjes tegen aambeien of pilletjes tegen zonne-allergie in een grote afvalton zien verdwijnen niet groter maken dan het is, maar het zijn toch de uitwassen van een permanente angst voor iets verschrikkelijks zodra je bent ingecheckt voor wat in de pré 9/11-periode een feestelijke gebeurtenis was. Nou ja, behalve dan voor Dennis Bergkamp en een aantal van zijn lotgenoten die behept zijn met de chronische angst om het luchtruim te kiezen.


De zwakte in veiligheidssystemen is dat ze altijd controleren op reeds beproefde methoden om een toestel te laten exploderen. Terwijl het kenmerk van een vernuftige terrorist toch is dat hij altijd weer iets nieuws verzint, denk ik, wanneer ik braaf zelfs mijn lompe Meindl-bergschoenen op de lopende band laat scannen sinds iemand een halfslachtige poging heeft gedaan om zijn zolen te doen ontploffen. Bovendien zal het fanatisme waarmee veiligheidsbeambten momenteel nog steeds vloeistoffen, nagelschaartjes en kurkentrekkers uit de handbagage plukken, ook wel gevoed worden door een lobby van de verzamelde middenstand áchter de incheckbalies van internationale vliegvelden.


De wetenschap dat security altijd achter de feiten aanloopt maakt dat ik van start tot landing rekening houd met het feit dat ik zomaar in één klap tot honderdduizend kleine stukjes kan worden geblazen. Want wie zegt mij dat al die koffers onder in het ruim net zo grondig zijn gecheckt als de handbagage boven mijn hoofd?


De fietsmaat waarmee ik net vier dagen lang hebt getrapt in het berglandschap achter de Costa Blanca, kan niet bepaald als een 'frequent flyer' worden omschreven. Vandaar dat ik hem voor vertrek naar de luchthaven al bevrijd van de twee liter dessertwijn uit de coöperatie van Jalón, een worst met de omvang van een honkbalknuppel en genoeg gemeen stinkende kaasjes om, zodra ze van hun verpakking worden ontdaan, boven de rijen 1 tot en met 24 de zuurstofmaskers omlaag te brengen.

Zelf ben ik inmiddels al zo ervaren dat ik met afzakkende driekwartbroek (de riem met stalen gesp zit, mét de wijn, de worst en de kaas in mijn koffer) en struikelend over losse veters door het detectiepoortje ga, waarna ik in veel gevallen alsnog van top tot teen wordt betast omdat het alarm afgaat door de ritssluiting van mijn gulp of een stalen kroon die mij ooit in oorlogstijd is aangemeten. Maar dan mag ik doorlopen om het bakje met mijn laptop en mobiele telefoon op te halen.


Van een afstandje kijk ik hoe de beveiligingsbeambte en mijn fietsmaat een tragikomische pantomime opvoeren rond de momentsleutel die hij nodig had voor de carbonfiets die gedeeltelijk is gedemonteerd om in een koffer te passen. De woordloze conversatie wordt afgesloten als de terrorismebestrijder het kostbare stuk gereedschap even tussen duim en wijsvinger houdt en dan - ik zweer het: in slow motion - in een blauwe ton laat vallen.


Wel een keer of vijf verzucht mijn fietsmaat '75 euro' totdat hij - na zijn tweede Whopper bij de BurgerKing tegenover gate C39 - liegt dat hij er overheen is.


Het is ook een beetje zijn wraak, als twee dagen later de man wordt doodgeschoten die hij hier ten diepste voor verantwoordelijk houdt.

 

 

 
 
 
  Uit de dagbladen van HDCmedia van 28 april 2011

 

Verjaardag


,,Half één. Dat is niet te vroeg voor rosé, toch?''


,,Nou, de laatste keer dat jij al zo vroeg aan de drank ging, was op je eigen verjaardag. En je weet nog wat er toen na middernacht gebeurde?'

'
,,Ja, maar ik heb geen zin om dat nu te vertellen.''


,,Kom op! Zij kennen dat verhaal nog niet.''


,,Vertel het dan zelf maar.''
,,Moet je horen: het leek hem wel handig, toen alle visite naar huis was, om met zijn zatte kop te gaan douchen voor het slapen gaan. Eenmaal onder de warme straal, voelde hij zich niet helemaal lekker worden. Hij liet zich met zijn kont op het doucheputje zakken en viel daar in slaap. Het water kon geen kant op. Hij werd pas wakker toen de hele badkamer blank stond en het beneden in de keuken in stroompjes langs de muren liep. Het is dat zijn vrouw hem wakker maakte, anders was iedereen in huis verdronken.''


,,Schenk jij nou maar in…''


,,Ik was even bang dat jullie op het 'Land van Bartje' zouden zitten. Dat heeft toch altijd iets treurigs.''


,,Nee, dat zit hier naast. Dit park heet Hunzendal, geloof ik. Dit hele gebied is één grote kampeer- en bungalowparkenkolonie.''


,,Marlies kan niet geloven dat jullie 240 kilometer hebben gereden om hier de vierde verjaardag van haar broertje te vieren.''


,,Nou, ik moet zeggen dat ik dat zelf ook niet…''


,,Neem jij nou nog maar roseetje. Wat had je vandaag anders willen doen, dan maar weer op die stomme racefiets van je kruipen?''


,,...en die 240 kilometer moeten we straks ook weer terug, Marlies.''


,,Heeft er iemand kind 1 gezien?''


,,Dat is met kind 2 en 3 kikkervisjes vangen in de vijver.''


,,En dat vond jij goed? Ze kan niet eens zwemmen!''


,,Ga jij maar even kijken op je fiets, Maarten.''


,,Ja, mooie fiets hè. Gewonnen met een fotowedstrijd op www.papaineenjurk.nl''


,,Vertel!''


,,Nee, niks geen kinky toestanden. Gewoon een wedstrijd georganiseerd door Smoeltjes, die ronde speculaasjes. Jaap had mijn zwangerschapsjurkje en netkousen aan. Ja, dat dan weer wel.''


,,Ik deed ook mee uit berekening hè, dat moet je er wel bij zeggen. Een paar dagen voor de sluitingstermijn zag ik op de website dat er pas 150 inzendingen waren. En er waren 100 fietsen te verloten.''


,,Op Jaap waren eigenlijk geen stemmen uitgebracht. Hij is gekozen door de vakjury.''


,,Wie zaten daar in, dan? Geer en Goor?''


,,Chris, haal jij Monique even naar binnen! Daar is Koos Konijn.''


,,Ja, zo heet dat ding achter op die pickup-truck. Hij moet kinderen naar het animatieteam lokken, maar ze zijn alleen maar als de dood van hem. Ze hollen huilend naar de stacaravan, elke keer als hij voorbij komt, met dat stomme muziekje.''


,,Iemand nog rosé?''


,,Nee, ik kom niet tafeltennissen. Er staat teveel wind. Ja, die papa van dat jongetje doet het wel. Maar die kan er geen fluit van, dat zie je toch zelf ook wel.''


,,Gaan jullie zwemmen? Letten jullie dan wel op de kleintjes?''


,,Nou, aan Steef heb je niks. Die doet net zijn lenzen uit. Voel elke tien minuten even met je handen op de bodem. Ha ha!''


,,Dat is niet grappig.''


,,Plassen kan bij ons .Poepen doen jullie maar in die andere stacaravan.''


,,Wat doe je nou, lul!''


,,Taalgebruik, pap.''


,,Heb je gezien wat ie uit zijn mond op mijn schoot laat vallen!''


,,Zal ik even wat meer rosé halen in het winkeltje?''


,,Ja, dat is goed.''


(...)


,,Wat nou?''


,,Ik hoopte dat je zou zeggen dat jij het wel zou doen.''

 

 

 
 
 
  Uit de dagbladen van HDCmedia van 21 april 2011

 

 

The Killing
 

Zelf heb ik helemaal niks met traditionele rollenpatronen, als mijn pantoffels en mijn eten maar klaar staan als ik na een lange dag van hard werken thuiskom. Maar dat zit er vandaag even niet in. In het schemerdonker van de dichtgedraaide luxaflex zie ik vrouw en dochter voor de tv zitten. Vanaf haar plek op de bank wuift mijn eega afwezig in de richting van waar ze de keuken weet, onderwijl haar ogen strak gericht op het televisietoestel. ,,Zet jij even de aardappels en de groente op, we zitten even een Killinkje te kijken.''


Dat is wat 'The Killing' doet met een mens.


'Forbrydelsen' heet de tv-serie in het Deens, en geen enkele Nederlandse zendgemachtigde heeft het (nog) in zijn hoofd gehaald om hem hier op het scherm te brengen. Maar op dvd is 'The Killing' inmiddels een culthit. Iedereen die ik ken, kijkt 'The Killing'. Behalve ik.


De eerste reeks van 'The Killing' dateert uit 2007 en verbeeldt twintig afleveringen lang de jacht door Kopenhagen op de moordenaar van een jong meisje. Het is verslavend, had mijn jongere zus al gezegd, toen ze mijn echtgenote de eerste dvd's overhandigde. Mijn taak was het om die schijfjes over te zetten naar de harde schijf van onze mediaplayer. Verder gaat 'The Killing' helemaal buiten mij om. Bloedstollende thrillerseries - bij voorkeur over seriemoordenaars - zijn bij ons thuis kwaliteitsmomentjes voor moeder en dochter.


De tijdstippen waarop ze de twintig afleveringen van een uur bekijken, moeten worden ingepast in het drukke schema van mijn oudste nazaat. Ze zit in het eerste jaar van twee volledige studies - Geneeskunde en Klassieke Talen - en vindt daarnaast nog tijd voor aanverwante avondcursussen als Medische Gebarentaal. 'The Killing' kijkt ze met haar laptop op schoot, met aan weerskanten van haar stoel een stapel naslagwerken over Griekse filosofen (rechts) of de werking van de bloedsomloop (links). In mijn optiek keurt ze de tv nauwelijks een blik waardig, maar als ik daar iets van zeg, merkt ze gebelgd op dat ze het heel goed kan volgen. Het zou me niks verbazen als ze de afgelopen maand ook vloeiend Deens heeft leren spreken. Ik heb haar tenslotte ook al betrapt met deel 1 van Harry Potter in het Welsh ('Harri Potter a Maen yr Athronydd').


Behalve dat het moet passen in haar studietijdtabel, is het kijken naar 'The Killing' vaak ook een impulsief besluit. De dames kunnen elkaar op een willekeurig moment van de dag tegen het lijf lopen, een korte blik van verstandhouding wisselen en gezamenlijk naar de tv rennen om een Killinkje te kijken. Het schijnt dat mijn zus en mijn zwager vier nachten niet geslapen hebben toen ze eenmaal aan de serie waren begonnen.


Dat is wat 'The Killing' doet met een mens.


Ik breng avonden in alle eenzaamheid op onze zojuist verbouwde zolder door omdat de jacht op een kindermoordenaar zich niet houdt aan de uitzendtijden van Champions League-wedstrijden of belangwekkende nieuwsuitzendingen. In het huis waar de man normaliter de kroon draagt (jazeker, ik mag graag Jaap Kooijman citeren van 'Toen was geluk nog heel gewoon', een andere kwaliteitsserie die helaas niet meer op de buis is) vind ik mezelf na gedane arbeid geregeld terug achter het fornuis. En duurt mijn wekelijkse, routineuze bezoek aan de supermarkt voor de weekendboodschappen drie keer zo lang omdat ik me gek zoek naar obscure ingrediënten voor toetjes en taarten die in de regel 's middags door mijn eega bij de kleine middenstander worden aangeschaft, maar waar helaas dit keer niets van is gekomen omdat er op klaarlichte dag één of twee Killinkjes moesten worden gekeken.

 

De enige keer dat ik tijdens 'The Killing' wel alle aandacht van de vrouwen in ons huis heb, is wanneer de geplande aflevering een 'error' geeft omdat er bij het overzetten van de dvd naar de harde schijf van de mediaplayer iets gruwelijk is misgegaan en het bestand corrupt blijkt. Met de stress die ik de afgelopen weken alleen bij Japanse kernfysici heb waargenomen, wordt op internet gezocht naar de ontbrekende aflevering, waarna vrouw en dochter - terwijl de Mb's tergend traag uit cyberspace worden binnengezogen - moordlustige blikken werpen naar hem (mij dus) die verantwoordelijk wordt gehouden voor dit debacle.


Ja, dat is wat 'The Killing' doet met een mens!

 

 

 
 
 
 

Uit de dagbladen van HDCmedia van 14 april 2011

 

 

Ontvolgen
 

Aangemeld hebben ze zich nooit, maar als ze zich persoonlijk bij je afmelden gebeurt dat doorgaans met een verwijtende ondertoon. ,,Het gaat uitsluitend nog maar over wielrennen, waarbij het ouwe jongens krentenbrood-gehalte hoog is. Helaas, maar dit weblog gaat uit mijn lijst met favorieten.''


Het is mijn zoon die graag de rol van onheilsboodschapper op zich neemt en dit soort mailtjes - bij voorkeur tijdens de avondmaaltijd - aan de rest van het gezin voorleest. Het staat ver van mij af, maar sommige mensen vinden het nu eenmaal grappig om ten koste van anderen de lachers op hun hand te krijgen.
Nog een voorbeeld: mijn dochter keerde afgelopen zaterdag terug van een reünie van haar middelbare school. Op mijn vraag 'Was het leuk?' knikt ze enthousiast van 'Ja!'. En wel hierom: ,,Nu je nauwelijks meer over ons gezin schrijft, kun je volgens mijn oud-leraren wel stoppen met je column'', zegt ze.
Ik kan er niks aan doen maar mijn stem klinkt een beetje huilerig, als ik mijn armen in machteloosheid ten hemel hef en uitroep: ,,Maar ik mág van jullie helemaal niet meer over het gezin schrijven!''


,,Zo is het'', beaamt ze ten overvloede.


Haar eigen columns - eerst voor de Jongeren- en momenteel voor de Wetenschapspagina van één van de edities van dit dagblad - mogen zich nog wel in de populariteit van het lerarenkorps verheugen.


Al enige tijd ben ik op zoek naar een nieuwe identiteit. Eerst op internet, waar ik twee weblogs bijhield: de één over huis-, tuin- en keukenaangelegenheden, de ander over wielrennen. Maar als gevolg van een combinatie van factoren besloot ik tot een drastische koerswijziging. Ik had er geen zin meer in, de dagelijkse last werd me te zwaar en het begon te veel op werk te lijken.


Bovendien kreeg ik ook hier concurrentie uit onverwachte hoek. Mijn eega - erkend digibeet - moest zich voor een cursus bekwamen in de zegeningen van het world wide web en een eigen weblog aanmaken. Sindsdien brengt ze zoveel uren met haar laptop op schoot door dat een dik kussen moet voorkomen dat haar bovenbenen verschroeien onder de hitte die haar processor uitbraakt. Vrijwel dagelijks laat ze me weten dat de bezoekersaantallen aan haar site weer een nieuw hoogtepunt hebben bereikt.
Door mijn vernieuwde blog de ondertitel 'Een site over meer dan wielrennen' mee te geven, dacht ik van twee walletjes te kunnen eten. Maar wat de ontvolgers mij in bittere mailtjes met veelzeggende onderwerpen als 'Ik haak af' laten weten, is waar: ,,Dat meer dan wielrennen zie ik niet meer terug in je verhaaltjes.''


Mijn weblog gaat - en dan nog alleen als ik er zin in heb - over mijn hobby. Niet mijn volgers haken af, ik ben zelf afgehaakt. En daarmee bevind ik mij in goed gezelschap. Van steeds meer mensen hoor ik dat ze zich - van Facebook tot Hyves en Twitter - laten ontvolgen omdat het de kwaliteit van hun bestaan ondermijnt.


Mijn echtgenote bezoekt aan het begin van deze week een lezing van filosoof Stine Jensen, die al langere tijd kritisch is op het effect van sociale media op zaken als intermenselijk contact en echte vriendschap. Begeesterd door deze woorden zet ze zich laat op de avond aan het tikken van een weblog waarin ze het heilzame effect van lange wandelingen en goede discussies op zonovergoten terrassen verkiest boven het niet aflatende geleuter in cyberspace.


Tegen één uur vind ik het, alleen boven in bed, welletjes en doe het licht uit.'
'Welterusten', twitter ik naar beneden.


Een dag later blijkt ze me niet te volgen.
Nooit gedaan ook.

 

 

 
 
 
 
  Uit de dagbladen van HDCmedia van 7 april 2011

 

 

Wielerkalender
 

,,Als je nou zaterdag die oude dartkast, dat tafeltje en die plinten naar de Gemeentewerf brengt, ruimt het hier op de voorzolder ook lekker op.''


- ,,Zaterdag, zaterdag... Nee, dat gaat niet, dan rijd ik Veenendaal-Veenendaal.''


,,De week daarop dan?''


- ,,Nee, dan is de Grensheuvelentocht in Hardenberg.''

 

,,Lekker is dat. Afgelopen week moest je zonodig naar de Rabo Bergtoer in Ochten. En wat had je daarvoor voor smoezen?''


- ,,Witte Kruis Classic in Den Haag en de Joop Zoetemelk Classic in Leiden.''


,,Over twee weken, wat zijn we dan? Juist, de 23ste. Dan pak jij die oude dartkast, dat tafeltje en die plinten...''


- ,,De 23ste. Ronde van Noord-Holland. Die kan ik echt niet missen. Heb ik nog nooit gereden. Weet je hoeveel abonnees al hebben gevraagd of ik een keertje mee doe?''


(Zucht) ,,En ook weer een wekker die zaterdagochtend om zes uur afgaat zeker, het grote licht dat aan moet omdat je je handschoentjes in het donker niet kunt vinden en dan nog drie keer met je wielerschoenen de trap op en af klossen omdat je je bril, je helm of je windstopper bent vergeten.''


- ,,Dat is niet waar. Ik vergeet nooit meer dan één ding per keer.''


,,Geef die agenda eens. De week daarop dan: shit, dan is het 30 april, dan zal die Gemeentewerf wel gesloten zijn.''


- ,,Vast. En ik had trouwens toch niet gekund, want dan ben ik op trainingskamp bij onze rentenierende vriend in Spanje. Vlieg ik dinsdagavond de 26ste met een maatje van de fietsclub heen, komen we zaterdagavond laat weer terug. Kunnen we vier hele dagen fietsen. En ben ik die zondag weer lekker bij jou. Hebben we toch nog een beetje weekend, samen.''


,,Tsjonge, ik kijk er naar uit.''


- ,,Of is het dan 1 mei? Balen, dan is de Elfdorpentocht in Stompwijk. Die staat als gezamenlijke rit in het programma van mijn fietsclub.''


,,Kun je niet een keer op een avond naar die Gemeentewerf om de troep weg te brengen?''


- ,,Nee, dat ding gaat elke dag om half vijf dicht. Van avondopstelling hebben ze nog nooit gehoord. Ambtenaren hè. En ik ga er geen dag voor vrij nemen. Straks heb ik geen vakantie-uren meer om te fietsen.''


,,Ja, dat zou verschrikkelijk zijn. Zaterdag 7 mei. Wat heb je dan?


- ,,Omloop van Midden-Nederland in Woerden.''


,,Een week later, als ik in Spanje zit?''


- ,,De Amblève-tocht van de fietsclub in de Ardennen. Daar kan ik als penningmeester echt niet ontbreken.''

 

,,De 21ste?''


- ,,Drentse Dorpentocht.''


,,Krijg nou wat! Hoeveel van die tochten zijn er dan?''


- ,,Elke week wel een stuk of twintig. Ik moet heel streng selecteren. Een week daarna zit ik trouwens een lang weekend in Vianden, Luxemburg. Jean Nelissen Classic. En de week dáárna is de Waalse Pijl. Ook op een zaterdag, 4 juni, vanuit Spa.


,,Ik durf het bijna niet te vragen, maar…''


- ,,Vergeet het maar. Voorafgaand aan de Marmotteweek - van 26 juni tot 2 juli ben ik in Frankrijk - doen we twee rustige duurritten op de zaterdag, waardoor we ook rond vier uur pas terug zijn.''


,,Het is toch niet te geloven! Dus ik zit tot half juli met die oude dartkast, dat tafeltje en die stapel plinten op de voorzolder?'


,,Nu moet je niet onredelijk worden. Alsof ik het kan helpen dat de Gemeentewerf op zaterdagmiddag om drie uur dicht gaat!''

 

 

 
 
 
  Uit de dagbladen van HDCmedia van 31 maart 2011

 

 

Nationale Knuffeldag
 

Normaal word ik in de hal van mijn favoriete Albert Heijn-filiaal begroet door een tandeloze straatkrantverkoper, maar nu dartelt er een aantrekkelijke, jonge vrouw op mij af. ,,Goedenavond mijnheer, weet u dat het vandaag Nationale Knuffeldag is?'' Eerlijk gezegd was het fenomeen mij volslagen onbekend, maar nog voordat ik 'O ja, is het alweer zover?' heb kunnen mompelen, vraagt ze of ze mij een knuffel mag geven. Pas nadat we elkaar met de onhandigheid van twee voor elkaar volkomen vreemden hebben omhelsd, valt me het klembord in haar hand op. ,,Zou ik nu misschien 30 seconden van uw tijd mogen?'' Zeg dan maar eens nee.


Het is inmiddels al een paar weken geleden, maar pas sinds gisteren durf ik het aan om deze ervaring aan het krantenpapier toe te vertrouwen en met u te delen. Als een coming out. Zelfs mijn vrouw weet nog van niks. Als povere vorm van research heb ik er net op internet de Bijzondere Dagenkalender voor 2011 op nageslagen, maar daarop komt de Nationale Knuffeldag in Nederland niet voor. Wel weet Google te melden dat onze zuiderburen nogal druk zijn met deze gebeurtenis, maar ik krijg over 2010 verschillende data door in de maand oktober.


Uit ervaring weet ik dat iemand die 30 seconden van je tijd vraagt, vast van plan is om je minimaal tien minuten aan de praat te houden. En ook nu word ik hierin niet teleurgesteld. De vrouw die mij zojuist met schuchtere vastberadenheid heeft geknuffeld, wil weten of ik tegen de prijs van een kopje koffie met appelgebak - zeg zes euro - het leven van een kind in een Derde Wereldland een heel stuk draaglijker wil maken.


Heel voorzichtig begint er een alarmbelletje - ergens heel ver weg, in een door de warme omhelzing verdoofde hersenkwab - te rinkelen, maar daar hou ik me - met die mooie blauwe kijkers op me gericht - nog even doof voor. Zes euro. Uit mijn rijke ervaring met de fietsclub weet ik dat een cappuccino met appelpunt en slagroom bij de vaderlandse uitspanningen gemiddeld 5,25 euro doet - in Afrika kun je daar ongetwijfeld een heel dorp een week mee voeden - maar dit meisje, want dat is het eigenlijk nog, zal wel zo haar redenen hebben om het bedrag naar boven af te ronden.


Zes euro. Tsja, waarom niet? Als ik daarmee de wereld een beetje beter kan maken?


Het is niet de bedoeling dat ik mijn portemonnee trek. De jonge vrouw met wie ik zo pas een knuffelrelatie ben aangegaan, noteert mijn naam, adres, telefoon- en bankrekeningnummer op het klembord dat ze nu opeens wel heel zakelijk voor haar buik houdt, als een natuurlijke barrière voor mijn mogelijke aanvechting haar nogmaals om de hals te vliegen.


Ik blijk mij hiermee - na Unicef, Greenpeace, Natuurmonumenten en nog een handvol goede doelenclubs - ook als donateur te hebben aangemeld voor het Liliane Fonds, dat niet eenmalig maar voor de rest van mijn leven elke maand een kopje koffie met appeltaart voor een stevige Nederlandse horecaprijs van mijn rekening gaat afschrijven. Mocht ik ooit een eind aan deze relatie willen maken - de jonge, aantrekkelijke vrouw kan het zich bijna niet voorstellen - dan hoef ik alleen maar dit telefoonnummer te bellen - ze omcirkelt een nummer in een folder die ik in mijn zak stop - en de kindertjes van het Liliane Fonds kunnen fluiten naar de cappuccino met taart waarmee ik hen tot die tijd in leven heb gehouden.


,,Mag ik u, als dank, nogmaals een warme knuffel geven?'', zegt de jonge vrouw tegen de man op leeftijd die nog steeds als was in haar handen is.


Ze slaat haar arm om me heen en laat haar hoofd op mijn schouder rusten.


Twee dagen later blijkt de folder met het telefoonnummer op mysterieuze wijze uit mijn jaszak verdwenen.

 

 

 
 
 
  Uit de dagbladen van HDCmedia van 24 maart 2011

 

 

Addertje
 

De grijns op het gelaat van de verkoper heeft zich alleen maar verbreed, in de paar minuten dat hij mij - likkebaardend zigzaggend langs kostbare cabrio's en fourwheeldrives - door de verder uitgestorven showroom naar zijn balie ziet lopen.


Met de onderdanigheid van een schoonpoetser uit de laagste kaste schudt hij mijn hand en het is met een zekere schroom dat ik hem moet teleurstellen. ,,Ik kom hier eigenlijk voor mijn vrouw'', zeg ik, al even gedienstig plaatsmakend voor mijn echtgenote die met groeiende ergernis mijn kwijlspoor langs het blinkende koetswerk heeft gevolgd. Haar kordate introductie doet het bonusgevoel uit het lijf van onze gastheer wegvloeien: ,,Laat ik het maar meteen zeggen: ik heb helemaal niets met auto's.''


Al maanden vallen aan haar geadresseerde enveloppen op onze deurmat waarin zich, eveneens op naam en kenteken gestelde, brieven bevinden waarin astronomische bedragen worden beloofd voor haar Koreaanse truttenschudder - zoals Youp van 't Hek haar wagentje zou noemen - mits zij meteen een kek exemplaar van deze of gene gloednieuwe uitvoering van een voertuig in het damessegment aanschaft. De meeste van deze schrijfsels belandden ongeopend in de oud papiertas, maar dankzij de redelijk anonieme huisstijl van dit garagebedrijf is er toch eentje aan haar desinteresse ontsnapt. Een dealer van een Frans automobielconcern is bereid aan de gangbare 3600 euro inruil voor haar bijna vijf jaar oude barrel tijdens uitgerekend de komende drie dagen nog eens 1500 euro toe te voegen. ,,Bijna 5100 euro! Dat is meer dan ik er destijds voor heb betaald.''


Dat is niet helemaal waar, maar als uitvinder van het creatieve boekhouden in ons gezin, lijkt het me niet opportuun hier melding van te maken. ,,Klopt. En als we er nog eens een kleine 5000 bijleggen, rijd je weer helemaal nieuw én - want deze heeft vier sterren - een stuk veiliger dan in dat oude ding.'' Gelet op het feit dat onze dochter tegenwoordig zo'n beetje de hoofdgebruiker van dit voertuig is, blijkt dat argument haar over de streep te trekken.

Het addertje dat niet in het gras maar ergens in onze verkoper schuilt, begint
met het bezingen van de lof op een completer model dan mijn eega in het
schrijven is voorgerekend. Dat wil niet zeggen dat de auto daarmee voor ons per se duurder wordt. ,,Integendeel, elke euro die u nu investeert, betaalt zich dubbel en dwars terug als u hem weer inruilt.''


Onder het bulderende gelach van zijn prooi, wordt het addertje een wormpje. ,,Over een paar jaar stuurt u mij gewoon weer brieven met belachelijk hoge inruilprijzen, zonder mijn autootje zelfs maar te hebben gezien.''
 

Dus nee, ze hoeft geen elektrische ramen ('Er zit airco in, dan hoeft mijn raam niet open'), noch centrale deurvergrendeling ('Ik rijd meestal in mijn eentje'), afstandsbediening op de sloten ('Als je instapt is het een kleine moeite om het slot even met de hand open te draaien'), meegespoten bumpers in de carrosseriekleur ('Waar is dat goed voor?), hoofdsteunen achterin ('Daar zit nooit iemand') of een in twee delen neerklapbare achterbank ('Wat mij betreft haal je dat ding eruit').
 

Ik maak inmiddels een plaatsvervangend schaamterondje door de showroom, als ik de verkoper de laatste troef uit zijn hoge hoed hoor toveren. Juist vanmiddag om 16 uur zijn, hij kon er ook niks aan doen, als gevolg van gestegen grondstofprijzen, de basismodellen 200 euro duurder geworden.
 

Op een holletje ga ik achter mijn vrouw aan, die inmiddels op weg is naar de uitgang. ,,Ik betaal 5000 euro bij en geen cent meer. Als u daarmee akkoord gaat, stuurt u me morgen maar een mailtje'', roept ze.
 

We zijn nog niet thuis, of de bevestiging ploft in haar digitale postbus.
 

De geplaagde automobielindustrie is weer voor vijf jaar van haar af.

 

 

 
 
 
  Uit de dagbladen van HDCmedia van 17 maart 2011

 

Die Ikea bestaat niet meer
 

Even dreigt het toch nog mis te gaan. In het gangpad van stelling 20, vak 01, kan mijn wederhelft de rode sloop van een kussentje dat zo schattig staat op de Beddinge Resmo - een 3-zits slaapbank - niet vinden. Met de berusting van een echtgenoot die tegen zijn zin is meegesleept, hang ik over onze stapelwagen waarop zich al een Strind (tafeltje) en een Hemnes (tv-meubel) bevinden, en kijk toe hoe haar ogen met toenemende vertwijfeling over de vakken gaan. ,,Boven lag ie nog wel'', zegt ze, een weetje dat wordt beaamd door een employee achter een statafel met computer. En ja, dan moet je in een stief half uur weer de hele winkel door om zo'n ding te pakken te krijgen. Zo werkt dat bij Ikea.


Na de verbouwing van de zolder en dagen die van behangplaksel en muurverf aan elkaar hingen, laat moeder de vrouw nog maar eens een bommetje vallen. ,,Kun jij woensdag niet een dagje vrij nemen om naar Ikea te gaan?''

 

 Ikea! Voor columnisten en cabaretiers de Buckler onder de woonwarenhuizen! In hoeveel zinnen hebben zij zich niet boos - en u, beste lezer of kijker - vrolijk gemaakt door te fulmineren tegen producten die bij nader inzien toch niet op voorraad bleken, essentiële schroefjes die ontbraken als meubelstukken voor negentig procent waren afgebouwd en de lijzige stem van de filiaalomroepster die ons kond doet van het feit dat 'Eva wil opgehaald worden uit het kinderparadijs'.
 

Die Ikea, dus.
 

En toegegeven, in een ver verleden heb ik mezelf ook wel eens in wanhoop en woede vastgebeten in de zwevende kussens van een fauteuil waarvan ik met geen mogelijkheid de zelftappende schroeven door de bekleding heen in het frame kreeg, iets wat bij nadere beschouwing door een handige zwager ook helemaal niet nodig bleek.
 

Maar die Ikea bestaat niet meer.
 

Nadat ik met een niet eens zo diepe zucht de vijftig bonuspunten voor de gewillige echtgenoot had geïncasseerd, begon ik met de voorbereidingen op de site www.ikea.nl, waar je een boodschappenlijst kunt uitdraaien met de producten op de juiste volgorde van 'locatie in het zelfbedieningsmagazijn', op gewicht (de zwaarste eerst) of de tijd waarop deze aan het boodschappenlijstje zijn toegevoegd (waarom dat nodig is, weet ik niet, maar ik wilde u deze mogelijkheid toch niet onthouden). Door aan te geven in welke vestiging het spul wordt opgehaald, zie je meteen in welke mate ze op voorraad zijn.
 

Mijn voorstel om op de bewuste dag meteen maar heel praktisch door te karren naar het zelfbedieningsmagazijn stuitte op de opvatting dat we het ook als een dagje-uit moesten zien, waarbij een uitgepijlde wandeling door het showroomgedeelte en een bezoek aan het restaurant waren inbegrepen. De roem van dat laatste onderdeel was mij al bezongen door mensen die - bijvoorbeeld na een nachtdienst in een zorginstelling - bereid zijn om vijftig kilometer in de auto te zitten om hier voor één euro te ontbijten. Maar ook de cappuccino (gratis bijvullen, niet vergeten!) en appelgebak mochten er voor een luttel bedrag zijn.
 

Op het smetje van de ontbrekende kussensloop na, het gedoe bij de zelfbedieningskassa met een echtpaar vóór ons dat de scanner consequent voor een scheerapparaat hield en de terugtocht naar huis waarbij we de Strind, de Hemnes en de Beddinge Resmo alleen in de auto kregen door alle hoofdsteunen te verwijderen, de dozen tot aan de voorruit door te duwen en kromgebogen onder dit gewicht als 83-jarige nonnen met de neus op het stuur naar huis te tuffen, ging alles crescendo.
 

En dat ik 's avonds de Hemnes halverwege twee keer moest afbreken omdat ik van sommige onderdelen de voor- en achterkant had verwisseld, was helemaal mijn eigen stomme schuld.
 

Dat mag ook wel eens worden gezegd, van Ikea!

 

 

 
 
 
  Uit de dagbladen van HDCmedia van 10 maart 2011

 

 

Irritant
 

Een man mag niet huilen, maar tegen een beetje jammeren bestaat mijns inziens geen bezwaar. 'Ik kan het niet', meesmuil ik op de zaterdagmorgen tegen mijn wederhelft, die me zojuist met irritante kordaatheid heeft voorgehouden dat 'we hier niet over gaan zeuren en ook geen ruzie om gaan maken'. Na 28 jaar staat ons huwelijk voor de ultieme krachtproef: we gaan samen behangen.


Succesvolle klussers zijn irritant. Bij elk karweitje waarvoor je zelf de hooggeschoolde vakman opzoekt, laten ze vervuld van eigendunk weten dat het in elk geval veel goedkoper, maar vaak ook beter, kan als je het zelf doet. Spulletjes op internet bestellen, een vluchtige blik op een gebruiksaanwijzing en luttele momenten van vrije tijd later is het allemaal pico bello voor elkaar.
Irritant, juist, dat is het woord.


In een land dat meer Doe het Zelf-winkels dan kerken telt, ben ik de laatste man die graag mag uitventen dat hij helemaal niks kan.


In mijn schuur staan weliswaar drie uit de kluiten gewassen en goed gevulde gereedschapskisten - aangevuld met koffers met 1001 bitjes of specialistisch sleutelwerk om raketmotoren en deeltjesversnellers uit elkaar te halen - maar het meeste ervan is nooit gebruikt. Ik ben er een beetje bang van. Van alle apparaten - elektrisch of mechanisch - die ik ooit wél uit hun verpakking heb gehaald, ben ik zonder uitzondering een keer gewond geraakt. Of heb ik, na eenvoudig herstelwerk, mijn bijnaam 'eenmansdestructiebedrijf' te danken.
Allemaal de schuld van vermeende vrienden en vage kennissen - zonder uitzondering irritant - die wél met twee rechterhanden zijn geboren en nooit de werkplaats van een fietsenmaker of vakgarage van binnen hebben gezien. Ze doen alles zelf. Fluitje van een cent. Dat kan jij ook!


Maar na al die peptalk en investeringen, ben ik nog steeds iemand die zich met een lekke band laat uitrollen totdat hij naast de handigste mannen van het peloton tot stilstand komt, om daar in snikken uit te barsten. Na vijf minuten zijn we dan weer op weg, en heb ik nog steeds schone handen. Daar kan geen gereedschap tegenop.
Dit keer heb ik alle irritante adviseurs die mij voorhielden dat ik het Velux-raam in het dak van onze zolderkamer eenvoudig zelf zou kunnen vervangen door een exemplaar dat twee keer zo breed is, meewarig uitgelachen. Om vervolgens te maken te krijgen met een vakman die weliswaar zijn hand niet omdraaide voor dit klusje, maar wel zijn neus ophaalde voor het (glasvezel)behangwerk, het schilderen en het leggen van een laminaatvloertje dat er achteraan kwam.


Dat kon ik makkelijk zelf.


Hulpeloos kijken bij mijn vaste Doe Het Zelf-winkel haalde niks uit. Van alle soorten behang is glasvezel echt de simpelste. En laminaat leggen? Ach meneer, dat klikt aan alle kanten zo gemakkelijk in elkaar tegenwoordig, dat kan echt iedereen.


Dit soort irritante peptalk neemt de glorie van het 'zelf doen' weg.
Wel eens - als man die vooral op zijn intuïtie afgaat - glasvezelbehang zonder luchtbellen op een lijmzuigende gipswand geplakt, met een echtgenote in je nek die stijf staat van het theorieonderricht van irritante familieleden en dito collega's? En hoe vaak kun je bij het laminaat leggen een plank aan de verkeerde kant afzagen? Vaak. Heel vaak. Niettemin vallen we elkaar na afloop - we zijn dan zes dagen verder - in een strak in het behang, de verf (twee lagen) en het laminaat zittende zolderkamer in de armen, ontroerd door zoveel klussersgeluk.


Maar nu houd ik erover op.


Voordat dit een irritant stukje begint te worden.

 

 

 
 
 
 

Uit de dagbladen van HDCmedia van 3 maart 2011

 

 

Vrije verkiezingen
 

Er breken revoluties voor uit en miljoenen mensen zijn bereid om hun leven ervoor te riskeren. Maar een vrije gang naar de stembus is mij in het democratische Nederland niet gegund. Nadat ik me tijdens een interview in Pauw en Witteman welwillend heb uitgelaten over onze liberale minister-president, krijg ik deze woensdagmorgen bij het verlaten van onze woning het volgende advies van mijn eega mee: ,,Als je op de VVD stemt, breek ik allebei je benen.''


Niet de kogel, maar de loden pijp komt in ons huis van links. (De loden pijp is volgens mijn wereldwijze collega's op de redactie - die mijn echtgenote vooral kennen van bedrijfsfeestjes en mijn columns - het meest geëigende instrument om de door haar beloofde verwondingen toe te brengen. Vrij gemakkelijk te krijgen bij elke bouwsupermarkt, en hij gaat een leven lang mee.) Zowel vrouw als inmiddels stemgerechtigde dochter mogen tijdens politieke discussies in de felste bewoordingen afstand nemen van de gevatte oneliners die ik graag in het debat mag gebruiken ('GroenLinks? Nee, daar kan ik als overtuigde één op zes-rijder niet op stemmen').


De angst dat ik de familie te schande maak door over te lopen naar het liberale kamp, is niet ondenkbeeldig. In een ver verleden was ik lid van de JOVD. Niet zozeer uit een diep gewortelde overtuiging, maar omdat ik Anno Domini 1979 in de kroeg een vriend tegen kwam die vroeg of ik zin had om drie dagen gratis te drinken in congrescentrum De Reehorst in Ede. Dan moet je wel even lid worden van de JOVD, zei de vriend, want die viert daar het 30-jarig bestaan.
Zo gezegd, zo gedaan. Onder voorzitterschap van Frank de Grave beleefde ik een geweldig feestcongres, waarvan ik me alleen nog herinner dat we 's nachts de tap van de jeugdherberg waar wij verbleven lieten springen en dat ik, leunend tegen de wand boven de urinoirs, wijlen VVD-prominent Koos Rietkerk in de troebele ogen keek.


Na die drie dagen bleek het nog een heel gedoe om van het JOVD-lidmaatschap af te komen. Met de hardnekkigheid die ik me alleen herinnerde van de boekenclub ECI bleef ik post ontvangen van de jonge liberalen, zelfs nadat ik het lidmaatschapsgeld al jaren niet meer had overgemaakt. Ook in mijn latere werk bleef deze jeugdzonde mij nog decennialang achtervolgen: de keren dat ik mij als lokaal verslaggever in de krant minder vleiend uitliet over de politieke handel en wandel van de VVD-fractie in de gemeenteraad, werd ik in het partijblaadje als een verrader en een overloper neergezet.


Waar menigeen van mijn generatie ultralinks begon om op latere leeftijd rechts te eindigen, bewandel ik de omgekeerde weg. Ook uit lijfsbehoud, want voor afwijkende politieke opvattingen is in onze woning geen plaats. 'Bij de FARC zou ik meer vrijheid van meningsuiting hebben', mag ik graag mijn nood klagen, 'of in elk geval mijn eigen dagboek mogen bijhouden.'


Maar na al die jaren Balkenende en het gestotter van Cohen kan ik het toch wel een verademing vinden dat we een premier hebben die altijd vrolijk is, in zijn Haagse bovenwoning de hond van Bart Chabot hoort blaffen en - of je het er nu mee eens bent of niet - doorgaans weet waarover hij praat?


Nou, nee dus.


Wat ik uiteindelijk heb gestemd?


Laat ik me maar beroepen op mijn recht op geheimhouding.


Aan het feit dat dit stukje gistermiddag de redactie heeft bereikt, mag u niks afleiden.


Tikken kun je ook met twee gebroken benen.

 

 
 
 
  Uit de dagbladen van HDCmedia van 24 februari 2011

 

Vrijwilligerswerk
 

Alsof het nog niet erg genoeg is dat ik hem al dertien jaar laat figureren in een krantencolumn, zucht mijn zoon (14) nu al een aantal maanden onder mijn feuilleton 'Mijmeringen van een basketbalouder' in het periodiek van zijn club. Voor hem schuilt het grote leed in het feit dat vrijwel niemand in zijn klas de krant leest, maar iedereen op de basketbal wel het clubblad. Dat laat zijn sporen op zijn gestel. ,,Hier kan je toch geen stukje over schrijven, hè?'', zegt hij hoopvol na de eerste wedstrijd van deze seizoenshelft tegen CobraNova uit Voorburg.


,,Hoezo niet?'', wil ik weten. Als columnist heb ik een grote vrijheid in mijn doen en laten, en ook in mijn eigen huis wens ik daar niet in beknot te worden. ,,Nou, je hebt maar een heel klein stukje van de wedstrijd gezien'', zegt hij.
Daar heeft hij een punt. Meestal probeer ik vlak na de rust binnen te komen omdat ik op mijn leeftijd een volledig duel van J16-2 (jongeren onder 16, het tweede team) niet meer trek. Maar dit keer moesten mijn spaarzame haren worden geknipt, wilde ik nog even lekkerbekken halen bij de lokale visboer en verliep de wedstrijd qua zuivere speeltijd kennelijk ook vlotter dan ik doorgaans bij dit foutenfestival gewend ben (in basketbal staat bij elk luttel oponthoud de klok stil).


Formeel ben ik dan wel geen lid, als ouder voel ik mij wel schatplichtig aan de basketbalvereniging. Na jaren op woensdagmiddag achter de bar te hebben gestaan, is mijn vaste werkje nu het tikken van een kritische column voor het maandblad The Rebound. En dat valt nog niet mee, tijdens een maanden durende winterstop waarin er in de onderste regionen van de competitie geen wedstrijd wordt gespeeld.


Dus heb ik voor mijn 'Mijmeringen van een basketbalouder' al mijn hoop gevestigd op het duel tegen CobraNova. De vierde (en laatste) periode is bijna afgelopen als ik de sporthal betreed. Een vluchtige blik op het scorebord leert dat 'we' voor staan: 45-35. Niet slecht. De mannen zijn kennelijk goed uit de winterstop gekomen (altijd een mooie zin, in een wedstrijdverslag). Gaat het, na een uiterst wisselende seizoenstart in 2010, toch nog wat worden met het team dat zo ten onrechte de naam van het slopersbedrijf Van Egmond op het shirt draagt?


Ik ga er eens goed voor staan. Niet voor zitten, zoals de rest van de schamele supportersschare (hoe ouder de spelers, hoe geringer de support) omdat ik schuin onder de basket deze aanstaande overwinning ook met mijn camera wil vastleggen. Maar voorlopig valt er nog weinig te fotograferen, want CobraNova - meer een naam voor een nieuwbouwwijk dan voor een basketbalclub - is in de aanval: 45-37. Nou ja, de marge is nog heel behoorlijk. Zelfs als ook de tweede aanval van de Voorburgers met succes wordt bekroond: 45-39.


Geen paniek, onze mannen zijn even de weg kwijt maar komen ongetwijfeld terug en van al die schoten die net naast of net over de basket dwarrelen, zal er in die paar minuten toch wel eentje in het net vallen?


Nou ja, nu nog even niet, want na weer een aanval van CobraNova is het opeens 45-41 en na nog een uitval zelfs 45-43.


Net als ik ervan overtuigd ben dat we op het eerste grote debacle van 2011 afstevenen (wereldkopij!, voor een columnist), gaat er zowaar een verdwaalde van ons in: 47-43. Het is zo onverwacht dat ik met mijn camera de score mis. Direct daarna klinkt de bevrijdende toeter.


,,Ik zie niet in waarom ik hier geen stukje over zou kunnen schrijven'', zeg ik afgemeten tegen mijn zoon.

 

 
 
 
  Uit de dagbladen van HDCmedia van 17 februari 2011

 

Recessie

 

Alle aandacht gaat uit naar de 20 procent van de bevolking die werkloos is, maar de Spaanse recessie houdt ook huis onder de welgestelden. Javi - een kleine, tanige, noodgedwongen deeltijdfysiotherapeut van begin 30 uit Lliber - heeft zojuist gas gegeven op de flanken van de Alt de Pinarets en alleen door mijn 92 kilo uit het zadel te hijsen kan ik in zijn wiel blijven. ,,Dit wordt mijn dood'', hijgt mijn rentenierende vriend, als hij zich minuten later op de top bij ons voegt.


Jarenlang trapte hij doordeweeks eenzaam en alleen door het achterland van de Costa Blanca omdat al zijn fietsmaatjes aan het werk waren. Nu wordt hij elke avond gebeld door baanloze fysiotherapeuten, leerkrachten en bouwvakkers uit de vallei van Jalón die in hem ideaal gezelschap voor hun trainingsritjes zien. Altijd vrij en niet gewend om 'nee' te zeggen. Meer dan 15.000 kilometer stond er het afgelopen jaar op de teller van zijn racefiets. En hij kwam hier tien jaar geleden nog wel voor zijn rust.


Dankzij tv-programma's als 'Benidorm Bastards' en 'Dokters aan de Costa' wordt de omgeving tussen Alicante en Calpe weer eens neergezet als de grootste Nederlandse bejaardenkolonie. Maar in de periode dat hij zelf neerstreek in het wijndorpje Jalón was hij een middenveertiger. Financieel onafhankelijk en klaar om zijn droom - vrij zijn! - werkelijkheid te laten worden.
Toen hij na een jaar nog vrij en onafhankelijk zat te wezen maar verder niet goed raad wist met zijn tijd, kwam ik met de gouden tip: koop een racefiets!

 

De ideale manier om te integreren in een Spaanse dorpsgemeenschap. Hij werd lid van de Club Ciclista Xaló, later ook van die van het buurdorp Pedreguer, en reed na enige tijd met de besten mee omhoog. Want fietsen is niet moeilijk: als je alle tijd van de wereld hebt en veel kilometers kunt maken, word je er vanzelf goed in. En al die Spaanse mannetjes met wie hij op zaterdag en zondag in clubverband reed, waren op werkdagen actief in de makelaardij, het restaurantwezen, de wijncoöperatie of de zwembadenbranche. Mijn vriend reed in zijn eentje, in zijn eigen tempo, urenlang door het gebied dat professionele profploegen in januari en februari vanwege klimaat en landschap als het beste trainingsgebied ter wereld beschouwen. Hij was gewoon blij als ik, voor de aanspraak, eens een weekje overkwam om met hem mee te fietsen.


Tot de recessie kwam.


Dit keer stond niet ik maar zijn vriendin aan de oorzaak van een wending in zijn leven. ,,Als je nog eens iemand zoekt om mee te fietsen'', zei ze tegen elke werkloze bouwvakker, leerkracht, ober, wegwerker en elektricien, ,,dan moet je hem maar gewoon bellen. Zelf doet hij dat niet.''


Sinds die tijd gaat vrijwel elke avond de telefoon, in zijn casa tussen de wijnvelden. Al die kleine, magere, door werkloosheid tot het uiterste gedreven Spaanse mannetjes willen minimaal vier uur per dag met hem fietsen. Liefst zo hard mogelijk.


Als je bijna 56 bent en meer dan 15.000 kilometer per jaar wegtrapt, word je daar echt niet beter van. Integendeel. Dat merk ik in de februariweek dat ik een paar dagen met hem optrek. Nu ben ik niet meer de werkende vriend die op zijn ritjes voor wat aanspraak zorgt, maar die gek uit Nederland die hem óók nog eens komt uitwonen.


,,Misschien moet je elke maand een week lang de stekker van de telefoon eruit trekken'', opper ik voorzichtig op de top van de Alt de Pinarets, waar hij bijna bloedspuwend over zijn stuur hangt.


,,In elk geval zolang deze recessie duurt.''

 

 
 
 
  Uit de dagbladen van HDCmedia van 10 februari 2011

 

 

Kinderloos
 

De tickets zijn besteld in de periode dat de Eindejaarsbijlage terugblikte op de Tripoli-ramp, waarbij kinderen opeens wees en ouders plotsklaps kinderloos werden. Maar bij ons zal het toch niet zo'n vaart lopen, tijdens de eerste vliegreis zonder onze nazaten? Nou, mooi wel, schiet het door me heen, als ik ergens boven de Pyreneeën ruw wordt gewekt uit mijn ochtendslaapje door een toestel dat bokkend en schuddend de moeder aller turbulenties ondergaat.


Het leek zo'n goed idee, om de vijftigste verjaardag van mijn vrouw te vieren bij onze rentenierende vrienden in Spanje. Lekker weg van grapjurken die een metershoge Sarah in onze tuin gingen zetten, van de A4'tjes met een scabreuze foto op de lantaarnpalen tot op kilometers in de omtrek van ons huis, van drollige felicitaties in het huis-aan-huisblad, spandoeken aan de gevel met een oproep om vier keer te toeteren en T-shirts met teksten als 'Ik ben vijftig, maar alles doet het nog'.


Nee, Spanje was een uitstekende vluchtroute.


Alleen het 'O, ga jij ook mee dan?' van mijn vrouw was voor mij even een domper, al hield ze naderhand stug vol dat haar enige overweging om mij thuis te laten de kinderen (14 en 18) betrof.


Maar logistiek was dat voor die geplande vier dagen goed te regelen: donderdag pannenkoeken en poffertjes uit de magnetron, vrijdag pizza, zaterdag patat en zondag een kant-en-klaarmaaltijd. Het risico dat ze elkaar halverwege deze periode de hersens gingen inslaan, werd ongetwijfeld afgedekt door het justitieel apparaat.


Als je maar niet alleen meegaat om daar op de racefiets te klimmen, kreeg ik zelf nog een aanvullende voorwaarde voor mijn kiezen.


Eén keertje maar, en alleen als mijn rentenierende vriend erop aandringt, beloofde ik, terwijl ik stiekem twee setjes wielerkleren in een apart koffertje stopte.


We gingen weg zonder de plichtplegingen die ik vooraf in mijn angstdromen op een rijtje had gezet: het uitwisselen van de wachtwoorden van onze girorekening, de vindplek van de map met het testament en de papieren van het huis, de mededeling wie van mijn zussen het afwikkelen van de nalatenschap en de voogdij op zich zou nemen en nog meer van die handelingen waarvan ik elke keer weer een brok in mijn keel kreeg. Ik zou mijn kinderen nooit zien opgroeien.


Maar eigenlijk ging het best goed, nadat we de turbulentie hadden overleefd. Af en toe kwam er, op de mobiel van mijn eega, een paniekerig sms'je binnen van een enkel Kaïn en Abel-momentje in de huiselijke kring, maar dat was niets wat zij niet op eigen kracht kon afhandelen. Verder genoot ze volop van onze eerste kinderloze trip in achttien jaar. Alleen toen ik op haar vraag 'Vind jij het nou anders, zo zonder kinderen' na drie dagen iets te eerlijk antwoordde, viel ze even uit haar rol. ,,Ja, logisch, jij gaat altijd je eigen gang!''


Verder mocht ik inderdaad twee keer fietsen omdat er ook een apart vrouwenprogramma was opgesteld en trok ik maar heel eventjes een pruillip toen een derde keer niet doorging omdat er zo nodig een amandelbloesemtocht moest worden gelopen.


Op de terugweg was er wederom zo'n Tripoli-moment, toen we zondagavond met windkracht 7 en uitschieters naar ver daarboven, schommelend en klapwiekend op onze nationale luchthaven aanstuurden, waar de piloot ons met een Turkish Airways-achtige klap op de landingsbaan zette voordat hij vol in de remmen ging.


Jammer dat daar tegenwoordig niet meer voor wordt geklapt.

 

 

 
 
 
  Uit de dagbladen van HDCmedia van 3 februari 2011

 

 

Man cave
 

Het heeft toch iets pathetisch, als een volwassen man zich jammerend op een plunjebaal met legerkleding stort. Helemaal als het niks uithaalt. Met een mengeling van minachting en vastberadenheid velt mijn eega het doodvonnis over de erfenis van de tijd dat ik onder de wapenen was. ,,Dat spul ligt hier al twintig achter het luik te beschimmelen. Ik wil het niet langer in mijn huis.''
 

Al weken zijn we bezig om de zolderkamer leeg te ruimen. Dat wil zeggen, ik ben er ooit in mijn eentje mee begonnen maar omdat het proces mijn echtgenote niet snel genoeg gaat, komt ze me op deze regenachtige zaterdagmorgen een handje helpen. De vijand rukt op naar de zoldertrap. De grafrover betreedt farao's tombe. De verzamelaar van kostbaar keramiek ziet de olifant opduiken in zijn porseleinkast.
 

Lang voordat het in de mode raakte om het zo te noemen, was onze zolderkamer mijn 'Man Cave': de plek in het huis waar ik mijn trofeeën verzamelde, ongestoord kon knutselen aan oude computers en mij kon terugtrekken op avonden waarop de reünie van de zwangerschapsgym in onze woonkamer plaatshad. Hier hing mijn - met enige hulp van het handige mannetje van de Hubo - zelf geconstrueerde dartkabinet. Hier liep mijn treinbaan op dertig centimeter van het plafond met vier sporen door een dwarsdoorsnede van het Noord-Amerikaanse landschap. Hier stonden mijn lp's, mijn draaitafel, mijn versterkers, mijn sjoelbak, mijn tafelvoetbalspel, de rollenbank voor mijn racefiets, de plunjebaal met mijn complete gevechtsuitrusting als korporaal van het Commandokorps Mobiele Colonnes, ja, alles wat een mannenleven zo waardevol maakt had ik hier om mij heen verzameld.
 

Dat kinderen een mens niet per se gelukkiger maken, wist ik lang voordat ene Babette Pouwels dat in deze krant van dinsdag wetenschappelijk wist aan te tonen. Mijn Man Cave werd stormenderhand overgenomen door twee nazaten die hier elk vrij uur doorbrachten voor hun gemeenschappelijke Xboxen, de gladde vloer gebruikten om er Domino Day na te spelen, mijn stellingkasten met oude jaargangen van Muziekkrant Oor leeghaalden om er Lego-exposities te houden en met hun onvaste handen voor het dartkabinet met mijn pijlen dood en verderf zaaiden op Grand Central Station dat ik ongelukkigerwijs een meter boven Bulls Eye heb aangelegd.
 

En toen kwam daar die kwade dag dat mijn eega besloot tot een algehele ontruiming en een ambachtsman over de vloer haalde waarmee ze plannen maakte voor grotere ramen, afgetimmerde bergruimten, strak gesausde wanden en een nieuwe vloer. Als een eenmansdestructiebedrijf maakte zij - voorlopig nog met brede armgebaren - een eind aan alles wat ik in een mensenleven had opgebouwd.
 

Een periode van koude-oorlogvoering brak aan, waarin ik dierbare objecten opeens op Marktplaats aangeboden zag worden, ik onder luid protest ('Deze doen het nog!') ritjes naar de Milieustraat of de Kringloopwinkel maakte met cassettedecks, minidiskrecorders en knutselcomputers, maar op slinkse wijze ook goederen aan de boedel onttrok, als een Egyptische museumdirecteur die het dierbaarste deel van zijn collectie voor de plunderaars verstopt.
 

Een deel van mijn treinbaan is nu - provisorisch - opgebouwd tussen de bureaus van ons redactielokaal, de archiefkasten doen dienst als tijdelijke tentoonstellingsruimte voor mijn wapenuitrusting en als prijzenkast voor de trofeeën van mijn wielercarrière als renner op leeftijd.
 

Maar ook hier zijn veiligheid en rust relatieve begrippen. Er gaan elastiekballetjes richting mijn collectie zeldzame bidons en er wordt geklaagd over de muffe lucht die uit de plunjebaal achter mijn bureau komt. Collega's hebben aangeboden een stationspet voor me te kopen of maken stoomfluitgeluiden op momenten dat ik wijzigingen in het spoortracé aanbreng.
 

Waarom reageren mensen toch zo onvolwassen, als iemand zijn treintjes en soldatenspullen meeneemt naar werk?

 

 
 
 
  Uit de dagbladen van HDCmedia van 27 januari 2011

 

 

Ingreep

Sommigen binnen de familie houden het op negen keer, maar zelf mag ik graag verhalen dat mijn vader twaalf keer is gezakt voor zijn
rijbewijs. Dat past ook beter in de climax – die dertiende keer – toen
hij de lesauto de laatste paar honderd meter voor het CBR-gebouw
totall loss reed en daarbij ook een andere wagen op de schroothoop
deed belanden. Het zijn mooie gedachten op de vroege ochtend van de dag dat mijn dochter voor de tweede keer rijexamen doet.


Het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen moet volgens minister
Schultz van Haegen grondig op de schop. Het zelfstandige
bestuursorgaan, dat valt onder het ministerie, heeft zijn financiën niet op orde en de interne cultuur zorgt voor ’moeizame arbeidsverhoudingen’. Het zal niet direct de reden zijn geweest dat mijn oudste nazaat de eerste keer is gezakt, maar omdat voor veel mensen de examinator past in het rijtje belastinginspecteur,
parkeercontroleur en callcentermedewerker, kan elke ingreep bij deze organisatie op brede sympathie rekenen.


Op mijn vader had elke CBR-functionaris een verlammende uitwerking.
Zodra er eentje op de passagiersstoel van de lesauto plaatsnam,
veranderde hij in een zenuwenlijder die niet meer wist hoe hij van
zijn twee in zijn drie moest schakelen, geen weet had van
buitenspiegels of richtingaanwijzers en ook anderszins zijn voertuig
door het verkeer manoeuvreerde alsof hij alleen op de wereld was. Dat
hij desondanks maar bleef opkomen voor zijn rijexamen, had alles te
maken met de volharding van onze toenmalige buurman, die behalve een
schoonmaakbedrijf ook een rijschool bestierde.


In zijn wat onorthodoxe bedrijfsvoering paste het dat hij mijn vader
halverwege elke les bij een schoonmaakklus afzette, hem de sleutels
van een bestelbusje overhandigde en, niet gehinderd door de wetenschap
dat mijn pa niet over de juiste papieren beschikte, vroeg: ’Wil jij
deze even naar de zaak rijden?’ Alleen achter het stuur van zo’n met
emmers, boenmachines en ladders volgestouwde wagen reed mijn pa alsof
hij nooit anders had gedaan, om de eerstvolgende keer dat hij moest
afrijden al na vijf minuten met een ingreep aan de kant te worden
gezet door een examinator die van narigheid net zijn plas had laten
lopen.


Gewoonlijk verviel hij – mijn vader – dan in een periode van
moedeloosheid, die altijd weer werd gebroken door een buurman die
rammelend met de sleutels van een bestelbusje voor het keukenraam
opdook. ,,Heb je nog tijd om een wagen op te halen?’’


De twaalfde – volgens sommigen in de familie de achtste – keer dat hij
afreed, verleende mijn vader in al zijn grootmoedigheid voorrang aan
een automobilist die met hoge snelheid van links kwam. Gezakt. Waarop
hij enkele maanden later opging voor de dertiende – negende – keer met
de instelling dat hem dit nooit, nooit, nooit meer ging overkomen. De
bestuurder die hem – na een verder vlekkeloos verlopen examen –
opnieuw met hoge snelheid van links naderde en vast van plan was de
voorrangsregels naar zijn hand te zetten – dat effect hebben
les-auto’s nu eenmaal op medeweggebruikers – zag zich plotseling
geconfronteerd met mijn vader die in grote vastberadenheid opeiste wat
hem volgens het wegenverkeersregelement toekwam.


De weg naar het CBR-kantoor legde hij met de examinator lopend af,
terwijl onze buurman bij de rokende puinhoop van wat eens zijn lesauto
was, de formaliteiten met het andere slachtoffer regelde.


,,U bent geslaagd, mijnheer’’, zei de examinator. ,,Voortreffelijk
gereden. Dat laatste stukje schenk ik u.’’


Ik wil maar zeggen, er zijn ook CBR-functionarissen die deugen.


Die mening is inmiddels ook mijn dochter toegedaan, blijkens de tekst
van het sms’je dat ik gistermorgen om 8.46 uur van haar ontving.


YES!!!

 

 
 
 
  Uit de dagbladen van HDCmedia van 20 januari 2011

 

 

Tijdbommetje

Communiceren tijdens de maaltijd is een overschatte bezigheid. De
gecombineerde functie van lees- en eettafel zorgt ervoor dat wij
ontbijt, lunch en diner gebruiken in een prettige chaos van boeken,
kranten, tijdschriften en reclameblaadjes. Maar nu kijkt onze dochter (18) toch even op uit haar ’Leerboek Psychiatrie: kinderen en adolescenten’ om een tijdbommetje tussen onze bietjes te gooien: ,,Weten jullie eigenlijk wel welk type ouders jullie zijn?’’


Haar studie Klassieke Talen leidt doorgaans tot weinig problemen. De
kennis over de oude Grieken en Romeinen deelt ze hooguit met mijn
vrouw en is bovendien zo universeel dat er geen conflictstof in ligt
opgesloten. Anders is het met Geneeskunde, dat ze weliswaar met Klassieke Talen combineert maar toch als haar hoofdbezigheid beschouwt. Elke dag maken we kennis met ziektebeelden of
praktijkervaringen uit de snijzaal die je normaliter ver van je bord
wilt houden. Wat moet ik met zeldzame tumoren en huidaandoeningen als
ik op het punt sta me te verdiepen in de anatomie van de slavink?


Deze module – haar leven is momenteel opgedeeld in modules – gaan we
even over van het lichaam naar de geest. Ergens in haar ’Leerboek
Psychiatrie: kinderen en adolescenten’ worden vier stijlen van
opvoeding beschreven: ’Men kan dan autoritatieve, autoritaire,
permissieve en onverschillige ouders onderscheiden.’


Ja, ze wil best een stukje voorlezen:


’Autoritatieve ouders zijn warm en ondersteunend jegens hun kinderen,
maar stellen ook grenzen en controleren het gedrag. Daarbij erkennen
ze de individualiteit van het kind en proberen ze het te sturen, op
een rationele en democratische manier. Ze stimuleren zelfstandigheid
en het gezamenlijk nemen van beslissingen. Autoritaire ouders
overleggen weinig, stellen veel regels en beperkingen zonder uitleg te
geven, en verwachten directe gehoorzaamheid. Ze zijn ook minder warm
en minder gevoelig voor de behoeften van hun kind. Permissieve ouders
zijn wel warm, accepterend en betrokken, maar stellen nauwelijks eisen
aan het gedrag. Ze straffen niet, zijn tolerant en laten het aan het
kind over om zijn gedrag en activiteiten te reguleren. Ouders met een
onverschillige opvoedstijl zijn weinig betrokken en geïnteresseerd in
het kind. Ze zijn niet ondersteunend en ook niet controlerend: ze
laten het kind eigenlijk aan zijn lot over.’


De effectiviteit van de opvoeding in ons gezin, meet onze dochter af
aan de manier waarop we met haar broertje (14) omgaan. Haar eigen
opvoeding beschouwt ze als een privéaangelegenheid die zich sowieso
ver buiten ons blikveld en nederige vermogens heeft afgespeeld. ,,Maar
jij’’, zegt ze tegen mijn eega, ,,bent in elk geval een permissieve
ouder. Je stel wel grenzen, maar bent verre van consequent. Als je
zegt dat hij (wijst naar haar broer) niet meer achter zijn Xbox mag
kruipen omdat hij een 3 heeft gehaald voor Duits, trek je dat een uur
later alweer in. Hetzelfde geldt voor die zogenaamde straffen omdat
hij ’s avonds consequent te laat thuiskomt.’’


Zelf kan ik heel goed tegen kritiek op een ander, dus betuig ik
omstandig mijn instemming met deze rake analyse. Het zijn minpuntjes
in de opvoeding, die ik bij ons thuis in belangrijke mate aan mijn
echtgenote heb gedelegeerd. Het is dan jammer om te horen dat ze er in
de praktijk weinig van bakt, maar dingen moeten wél gezegd worden.
,,En bij jou’’, vervolgt mijn dochter in mijn richting, ,,twijfel ik
ernstig tussen permissief en onverschillig.’’


Ze zet haar bord in de vaatwasser, neemt haar boek onder de arm en
verdwijnt onder instemmend hoongelach van mijn eega naar boven.


Nog een paar weken, dan kunnen we het aan tafel weer gewoon over acute
reuma of ontstekingen aan de endeldarm hebben.

 

 
 
 
  Uit de dagbladen van HDCmedia van 13 januari 2011

 

Niet over wielrennen

De instructies vooraf zijn helder: niet over wielrennen praten. Maar als blijkt dat één van de drie studenten Klassieke Talen aan mijn eettafel uit Eijsden komt, kan ik het toch niet laten om het gesprek over de geschiedschrijver Herodotos uit Halikarnassos even te onderbreken met: 'Eijsden onder Maastricht? Gaat daar de Amstel Gold Race niet doorheen?'


Van enige fysieke verandering is geen sprake geweest, maar sinds de overgang van de middelbare school naar de universiteit mag je zeggen dat onze dochter op kamers woont in ons huis. We zien haar rond etenstijd in de centrale leefruimte (voorheen: onze woonkamer) rondscharrelen, om direct na het voederen weer naar haar eigen onderkomen te verdwijnen, in de regel met medeneming van een hand drop en een glas cola uit de - ook centrale - voorraadkast, die door mij wekelijks met goederen van de AH wordt bijgevuld.

 

Tijdens de verlengde kerstvakantie - wie geen hertentamens hoeft te doen, mag nog een weekje langer thuisblijven - dient de centrale leefruimte - waar voorheen 'onze' flatscreen-tv aan de muur hangt - ook als de plek waar ze met twee studiegenoten tijdens een themadagje 'Supernatural' de hele dag Doctor Who-afleveringen zit te kijken. Als rond 18.30 uur het eten op tafel kan staan, komt dat de dames heel goed uit, dankjewel, dan zit dat net tussen twee episodes in. En o ja (ik word door inwonende dochter even apart genomen) niet over wielrennen praten!


Maar als blijkt dat de andere student Klassieke Talen in Camerig woont, moet ik de beschouwing over de cijfers voor het tentamen Literatuurwetenschap (aan tafel zitten: een 10, een 9,5 en een 8,5) toch even onderbreken met: Camerig?
Een smerige beklimming in Limburgs Mooiste. En ook in de Amstel Gold Race, trouwens. Vanuit Epen meer dan vier kilometer omhoog trappen.
Niet Camerig maar Kamerik, corrigeert de studente, een dorpje bij Woerden.
Ook mooi. Daar komt de Joop Zoetemelk Classic doorheen, als ik het wel heb. Voor mij de openingsklassieker van het seizoen.


Hebben jullie trouwens een hobby, behalve het analyseren van de gedichten van Aischylos, Sophokles en Euripides? Wel eens aan wielrennen gedacht? Dat is echt hip aan het worden. De Amstel Gold Race is op internet tegenwoordig sneller uitverkocht dan een concert van U2. Toen de inschrijving afgelopen maandagavond werd geopend, vloog de site er meteen uit.


Oké oké, ik zal het niet meer over wielrennen hebben. Dus jij woont op een boerderij? Hebben jullie een melkrobot? Ik deed twee jaar geleden mee aan de eerste Boogie's Xtreme, de toertocht van Michael Boogerd vanuit Valkenburg, en daar stond ik met de tent op de Waalheimerfarm, een kampeerboerderij in Walem. Daar hadden ze dus een melkrobot. Kon ik uren naar kijken. Heb ik ook gedaan, want ik deed er geen oog dicht omdat er naast mijn tent een koe met een stuitligging stond te bevallen. Het beest loeide de hele camping bij elkaar.


Ik reed als een krant, de volgende dag. Best een pittig tochtje hoor, Boogie's Xtreme. Geen idee eigenlijk of die door Eijsden of over Camerig gaat, maar dat kan ik desgewenst wel even voor jullie nakijken. Hij gaat in elk geval niet door Kamerik, zoveel is wel zeker.


Nog iemand een toetje?


O, jullie gaan naar boven. Maar jullie kunnen de rest van de Doctor Who-afleveringen toch ook hier beneden kijken? Mij hoor je niet. En zeker niet over wielrennen.

 

 
 
 
  Uit de dagbladen van HDCmedia van 6 januari 2011

 

Slechte voornemens

 

De intonatie had al wat alarmbellen moeten doen rinkelen, als het
zesde zintuig daarvoor bij mannen niet zo slecht ontwikkeld zou zijn.
,,Wat heb jíj eigenlijk voor goede voornemens?'', wil mijn vrouw
quasi-achteloos weten. Meer aandacht voor elkaar, had ik zonder enige aarzeling moeten zeggen. Samen mooie wandelingen maken, vaker laten merken dat ik van je hou en af en toe weer eens - helemaal uit mezelf - een bloemetje meenemen. Dat klinkt allemaal stukken beter dan het enige voornemen dat me voor 2011 op dat moment te binnen schoot. ,,Meer kilometers maken op mijn racefiets.''


Aangezien ik dacht dat het een follow up van mijn eerdere column over 'Winterkost' betrof, voelde ik me persoonlijk zeer aangesproken door het artikel dat twee dagen geleden op deze pagina stond onder de kop
'Ook mister Perfect laat wel eens een wind'. Want probeer dat maar eens tegen te houden, na drie dagen hachee of bruine bonen. Het bleek daarentegen te gaan over de zeventig procent van de mensheid die probeert om de slechte gewoonten van hun partner te veranderen.


Dat proces vangt volgens Tjeerd Korenstra van de website
relatieplanet.nl aan zodra de roze wolk van de eerste verliefdheid is
opgetrokken. Dan beginnen de nare gewoontes op te vallen. De top vijf
van ergernissen waarnaar de site onderzoek heeft laten doen, bestaat
uit: kleding laten slingeren, tegen je aan zeuren als je net iets aan
het doen bent, niet luisteren, niet opruimen en winden laten. In de
regel is het streven naar karakterverandering een heilloze weg.
Zeventig procent accepteert uiteindelijk de slechte gewoontes van de
ander. De rest blijft het proberen en valt uiteindelijk ten prooi aan
frustraties.


Zelf heb ik niet veel oog voor de kleine onvolkomenheden van mijn
eega. Wat heeft het voor nut om op deze plek uit te weiden over het
feit dat ze onze kostbare elektrische tandenborstel gebruikt alsof ze
een kunststof exemplaar van 1,50 euro in de hand heeft? Wordt onze
relatie daar beter van? Irritant is het natuurlijk wel. Zo'n verfijnd
roterend borsteltje moet je zelf zijn werk laten doen, dat heb ik haar
al honderd keer verteld. Daar kun je zelf niet tegenop poetsen. Maar
ze staat ermee in haar mond te raggen als een straatveger die op
Nieuwjaarsdag de natte restanten van een honderdduizendklapper van het
asfalt probeert te boenen. Binnen een paar weken staan de haartjes van
haar borsteltje alle kanten op.


En nu ik toch bezig ben: waarom bakt ze de tartaartjes altijd net zo
lang totdat de binnenkant volkomen grijs is? Ook daar is mijn mond al
moe van. En waarom vraagt ze na 28 jaar huwelijk nog steeds: 'Kijk jij
even of de aardappels al gaar zijn, dat vind ik altijd lastig te
beoordelen'. Net als haar principiële weigering om haar fietsbanden op
te pompen omdat ze beweert dat ze niet weet hoe de pomp werkt. En dat
ze haar eigen slapeloosheid toeschrijft aan mijn gesnurk. Tot zover
mijn top vijf.


Dit is natuurlijk óók niet de plek om op te sommen aan welke zaken
mijn wederhelft zich ergert. Maar als ik één pietepeuterig dingetje
zou moeten noemen dat ze in 28 jaar huwelijk aan mijn karakter heeft
proberen te veranderen, is dat ik minder met mezelf bezig moet zijn.
'Is dat alles?', probeert ze me ook dit keer nog een paar andere goede
voornemens te ontfutselen.


,,Nou, ik wil ook weer tien kilo afvallen. Maar dat gaat eigenlijk
vanzelf, als ik meer kilometers ga maken. Dus leek het me niet nodig
om dat apart te noemen.''


Maar dat was niet wat ze bedoelde. Weet ik nu.

 


 

 
     
     
     
     
  Weer naar boven op deze pagina  
     
  Naar de columns van 2010