| |
|
 |
|
|
|
Deze site
loopt - bij het plaatsen van de actuele column,
tenminste - altijd minimaal een week achter bij het
gedrukte woord. En zo hoort het ook. Kranten hebben het
toch al niet makkelijk. |
|
|
|
 |
|
|
 |
|
|
 |
|
|
 |
|
|
|
 |
|
|
|
 |
|
|
| |
Over deze site
Vrouwen hebben reünies van de
zwangerschaps-gymnastiek om ervaringen uit te
wisselen, maar voor vaders was er - in de
tijd dat ik met mijn columns begon -
helemaal niets. Geen zelfhulpgroep, geen
vertrouwenstelefoon en geen speciale
afdeling bij het consultatiebureau. Om die
reden ben ik begonnen met het vastleggen van
mijn ervaringen als pretvader. Eerst voor de
krant, toen in een boek, nu op deze site.
Wat is een pretvader?
Iemand die wel zijn best doet om een
volwaardige partner te zijn in de dagelijkse
strijd die opvoeding heet, maar daar volgens
zijn eega niet echt in slaagt. Iemand die
wel de kinderen naar bed brengt, maar het
speelgoed dat in hun kamers op de grond
rondslingert aan de kant schopt, in plaats
van het op te ruimen. Iemand die op
zaterdagmorgen, als zijn vrouw aan het werk
is, de nazaten om half acht voor de tv zet
om zich direct daarna in bed nog eens lekker
om te draaien. Iemand die liever meegaat
naar de basketbaltraining dan dat hij
toeziet op het leren van het huiswerk.
'Pretvaders' zijn dat, die zich - ondanks al
hun goede bedoelingen - ogenschijnlijk
alleen bemoeien met de aantrekkelijke kanten
van het opvoeden.
|
| |
|
|
| |
|
 |
|
  |
| |
| |
|
|
|
|
|
 |
| |
|
|
| |
|
|
| |
Uit de HDC-bladen van 26 augustus 2010
Blonde vrouw in nood
Gezinsleden zonder legerervaring hebben er wel eens boze
dromen van. We staan met de caravan vooraan in de rij
van de veerboot en onze auto wil niet starten. Als de
laadklep zich opent beginnen achter ons gestresste
vrachtwagenchauffeurs, getatoeëerde hippies in
afgetrapte campers en Duitse proleten in dure
Mercedessen op hun claxons te drukken. Het is ons al
vaker overkomen en nu ik - bijna in Harwich - de
contactsleutel omdraai komt er opnieuw niet meer dan een
zielig zoemtoontje onder de motorkap vandaan. ,,Welkom
in je nachtmerrie'', zeg ik tegen mijn vrouw.
Met stip op één in onze vakantiestress toptien staat -
al bijna dertig
jaar lang - autopech. De herinneringen aan dat leuke
restaurantje in
Honfleurs, de zegeningen van de vijfsterrencamping op
het Deense
eiland Funen en het avondschijnsel van de zon over de
lagune van
Venetië
leggen het altijd af tegen de kapotte bobine in
Bretagne, de haperende startmotor op het parkeerterrein
bij Dover Castle en de
kokende radiator in de Antwerpse Kennedytunnel. Kleine
ongemakken voor
lieden met poetslappen in de kontzak en rouwranden onder
de nagels, maar voor iemand die behalve op legerervaring
niet op enige kennis van elementaire autotechniek kan
bogen, is het alsof al het levensgeluk ter plekke uit
hem wordt weggezogen.
Vreemd, want mijn eerste uitweg uit welke crisis dan
ook, bevindt zich
doorgaans op niet meer dan een meter afstand van mij.
Het 'Ga jij eens
kijken of iemand ons kan helpen, dan pas ik op de auto'
doet het
altijd goed in de verontwaardigde verhalen die mijn eega
na een goede
afloop op verjaardagsfeestjes mag rondstrooien. Haar
gang naar
eenzame, door hondsdolle pitbulls bewaakte boerderijen
of haar
wanhopige gezwaai naar een passerende truck op de
vluchtstrook van een
door bijna alles en iedereen verlaten provincialeweg, is
eveneens een
terugkerend thema in haar angstdromen. Kan ik het helpen
dat de
aanblik van een blonde vrouw in nood zo'n heilzame
werking heeft op de
hulpvaardigheidsgevoelens van bouwvakkers, landarbeiders
en monteurs
van de KwikFit?
De jaren dat we ons met het wrak van de weg in den
vreemde begaven,
liggen al enige tijd achter ons. Onze van alle luxe
voorziene SUV
trekt de caravan met zo'n gemak dat alleen het verbruik
van 1 op 6
aangeeft dat er enige inspanning bij komt kijken.
Dankzij niet minder
dan drie 12-voltaansluitingen en evenzoveel
verdeelstekkers houdt hij
- schijnbaar al even moeiteloos - een TomTom en de
oplader van de
iPhone (voorin), de laptop, een dvd-speler en de
Nintendo DS
(achterin) en een elektrische koelbox (in het
bagagegedeelte) aan de
praat en regelt hij via de permanente stroomdraad naast
de trekhaak
ook dat de koelkast van de caravan tijdens het rijden
zodanig op
temperatuur blijft dat de ingevroren kipfiletjes niet
aan de wandel
gaan.
Als ik dit wonder van techniek na zeven uur in de buik
van de ferry
'Hollandica' met de afstandbediening uit zijn
overtochtslaap wil
halen, blijft het geknipoog van de verlichting
achterwege. ,,Dat doet
hij wel vaker'', zeg ik geruststellend tegen mijn
echtgenote, bij wie
ik een paniekaanval zie opkomen. ,,Te veel elektronische
rimram in
zo'n ruim.'' Ik geloof het bijna zelf, als ik met de
sleutel de
portieren open en we onze plaatsen innemen. Starten mag
ik pas als de
laad- en losklep naar beneden gaat, maar zo lang houd ik
het niet uit.
Het zielige zoemtoontje dat de motor niet tot leven
brengt, maakt in
elk geval een eind aan de gespannen stilte tussen mij en
mijn
echtgenote die - waar haalt ze het vandaan? - mijn
gemompel over haar
bevroren kipfiletjes (,,Alsof ze in Ierland geen
supermarkten
hebben!'') die de autoaccu hebben leeggezogen, beschouwt
als een
poging om haar de schuld in de schoenen te schuiven.
'Staan met pech vooraan in de rij van de ferry. Schaam
me dood',
twittert onze dochter op de achterbank naar haar
vrienden.
,,Ga jij eens kijken of iemand ons kan helpen'', maak ik
een eind aan
een venijnige twistgesprek. ,,Dan pas ik wel op de
auto.''
Een blonde vrouw in nood. Daar droomt elke bootsman van.
|
|
| |
|
|
| |
Uit de HDC-bladen van 15 juli 2010
Verstopping
'Waartoe ben ik hier op aard', flitst er even door me
heen als ik van het Trojaanse Paard dat ons thuisnetwerk
heeft lamgelegd wordt geroepen naar de toiletpot, waarin
het spoelwater tot de rand blijft staan. Grote kans dat
alle mail die u de afgelopen week - totdat de provider
ons voor straf achter een filter plaatste - heeft
gekregen over de laatste Viagra-aanbiedingen of
penisverlengingen via de computer van mijn zoon tot u is
gekomen. Excuses daarvoor. En nu heeft het eerste
bevrijdende toiletbezoek van onze dochter na vijf dagen
in een Londens hotel, haar verstopping tot een
gemeenschappelijk probleem gemaakt.
Als ik een week in den vreemde ben reken ik nooit op
hartelijke
sms'jes van mijn kroost. Als ze me - zoals nu in Italië
- weten te
vinden, is dat in de regel voor rampspoed. ,,Pap, mijn
computer doet
onwijs
raar. Hij wil de hele tijd dingen installeren zonder dat
ik dat krijg te weten en ik kan ook niet op msn, en zo.
Echt heel raar.'' Na enig (van mijn kant venijnig) heen
en weer verkeer in 160 tekens
blijkt dat het helemaal niet zo raar is omdat hij op
aanraden van verkeerde vrienden iets heeft gedownload
waarmee een programmaatje is
meegekomen dat duizenden spam-mails via zijn pc de
wereld in stuurt. ,,Dit veroorzaakt veel overlast'',
laat het abuse-centre van mijn provider kort daarop per
mail weten. ,,Mogelijk is uw verbinding al
gedeeltelijk afgesloten om verdere overlast te
voorkomen.''
Uit steeds paniekeriger sms'jes van mijn zoon begrijp ik
dat dat
inderdaad het geval is. ,,Kun je geen mailtje naar dat
bedrijf sturen
dat ze alleen mijn computer geen internet kunnen geven?
Anders
vermoorden Maaike (zijn zus, DvdP) en mama me.'' Die
kans is niet
denkbeeldig en er volgen moeizame telefoontjes met een
(inderdaad
woedende) wederhelft die ik vanuit de Dolomieten probeer
uit te leggen
hoe ze via een proxy-server in elk geval een deel van
haar digitale
woon/werkverkeer kan afhandelen. Een openbare
lynchpartij door zijn
zus wordt (voorlopig althans) verhinderd doordat die met
twee
vriendinnen naar de hoofdstad van het Britse rijk
afreist.
Als ze terugkomt is het probleem nog steeds niet
verholpen. Het
Trojaanse Paard laat zich met de geijkte middelen niet
temmen en pas
na de belofte dat ik mijn zoons computer helemaal
opnieuw installeer
en de andere drie pc's en twee laptops in huis grondig
ga inspecteren,
zijn we wellicht na het weekeinde weer in de lucht.
Terwijl ik de ene
aanbevolen virusscanner na de andere loslaat op ons
thuisnetwerk, had
ik tijdens mijn getob al gemerkt dat het spoelwater in
ons toilet na
een eenvoudig plasje ongeveer tot de rand van de bril
komt en er
ongeveer een half uur over doet om tot het normale
niveau af te
zakken. Juist omdat ik ook wat anders aan mijn hoofd
heb, vergeet ik
mijn huisgenoten hiervan kond te doen, zodat ik
zaterdagmiddag tijdens
de slotkilometers van een spannende toeretappe word
opgeschrikt door
geschreeuw van mijn dochter die in ons kleinste kamertje
ook ergens
kont (maar nu met een t) van heeft gedaan. Dit keer
loopt het -
inmiddels sterk vervuilde - spoelwater helemaal niet
meer weg. Ook
niet na een half uur.
Wat te doen?
Eén stap voor het inschakelen van de rioolservice is
mijn gang naar de
lokale doe-het-zelf winkel, waar een achterbuurman de
scepter zwaait.
Van hem krijg ik een stalen veer mee, waarmee ik enige
tijd doelloos
in de pot prik, voordat ik - na inwendig onderzoek van
het toilet in
de badkamer - door heb dat de veer handmatig over een
paar obstakels
moet worden geleid voordat er ook maar iets van een
verstopping kan
worden bereikt. En geloof me, ook al is het je eigen
kind, ook ik moet
een drempel over voordat ik mijn linkerarm (met de
rechter eet ik) tot
aan mijn oksel in de pot laat afdalen om de veer op zijn
plek te
brengen. Als het bevrijdende gegorgel zich aandient,
blijft er op mijn
bovenarm - een heel stuk boven de plek waar de mouwtjes
van mijn
wielershirt eindigen - een bruin randje achter.
Nu het internet nog, zegt mijn dochter onaangedaan.
|
|
| |
|
|
| |
Uit de HDC-bladen van 24 juni 2010
Begraafplaats-babes
Op YouTube zie je ze weleens voorbij komen: filmpjes uit
onderwatercamera's die aan de vin van een zeeschildpad
of de tentakels van een octopus zijn blijven hangen. Het
levert vage beelden op met een hoog luchtbellengehalte,
af en toe een voorbijschietende vissenschim en
onduidelijk planten- en koraalwerk. Twee miljoen keer
bekeken, staat er dan onder. Dat belooft nog wat, voor
de digitale vakantiefoto's van mijn moeder en haar vier
vriendinnnen die ik afgelopen week weer in een album met
een oplage van vijf exemplaren mocht verwerken.
Verscheidene keren heb ik ze op deze plek opgevoerd als
de
grafmeisjes, een door mijn eega verzonnen geuzennaam die
betrekking
heeft op de plek waar de weduwen elkaar hebben ontmoet:
het gemeentelijke
kerkhof. Toen dit predikaat een eigen leven begon te
leiden, kreeg ik opdracht om voortaan 'hofdames' (het
voorvoegsel
'kerk'
mocht ik weglaten) te gebruiken. Maar in deze WK-periode
mag ik er - met een knipoog naar een bekend biermerk -
van mezelf ook wel
Begraafplaats-babes van maken.
De meiden komen nog vrijwel dagelijks op de plaatselijke
dodenakker om de laatste rustplaatsen van hun overleden
echtgenoten te verzorgen,
maar van hangweduwen zijn ze inmiddels een hechte
vriendenclub geworden die de deuren bij elkaar platloopt
en een aantal keren per jaar gezamenlijk op vakantie
gaat. Altijd met de bus, want zo'n vliegtuig kan zomaar
uit de lucht vallen.
Favoriete bestemmingen zijn de Spaanse Costa Brava, de
Italiaanse
Rivièra of het Oostenrijkse hooggebergte, maar voor een
Rijnreisje of
een lang weekend naar de kerstmarkten in Keulen en
Düsseldorf zijn ze
ook altijd te porren. Na afloop van de ene reis doen ze
op de
overstappunten van de grote touroperators inspiratie op
voor de
volgende, voornamelijk door uit den vreemde
teruggekeerde lotgenoten
aan een kruisverhoor te onderwerpen. Hoe was jullie
hotel? En het
eten? Schone wc's? Mooi, dan gaan wij volgend jaar ook.
Ze mogen dan conservatief met de bus gaan, de moderne
tijd is niet aan
de Begraafplaats-babes voorbijgegaan. De één kan de
computer bedienen,
de ander weet hoe ze moet sms'en en mijn moeder is
degene met de
digitale camera, waarbij ze de hulp van de chauffeur
inroept als de
batterijen moeten worden gewisseld. Bij de aanschaf van
het toestel
heb ik met name gelet op gebruiksgemak en hulpmiddelen
tegen
bewegingsonscherpte (mijn moeder heeft verder niks met
de man, maar ze
beeft als paus Johannes Paulus II in zijn nadagen). Toch
voel ik me
bij het afspelen van het beeldmateriaal op mijn computer
als de
bioscoopbezoeker die bij de laatste versie van Avatar
zijn
3D-brilletje is vergeten op te zetten. De babes hebben
op elke reis
een bijzondere voorliefde voor flitsfoto's die door de
ruit van de bus
zijn genomen van een regenachtig berglandschap, of van
de bassins in
het lokale zeeaquarium, waar verblinde, bologige
onderwaterwezens mij
een overbelichte kijk op hun bestaan gunnen.
Sinds ik haar heb uitgelegd dat er wel duizend foto's op
zo'n
piepklein geheugenkaartje kunnen, is het hek helemaal
van de dam. Na
een grove selectie van tien dagen Italiaanse
Bloemenrivièra kreeg ik
deze week een licht-epileptische aanval van alle scheve
horizons,
halve hoofden en bewogen polonaises in tot feestruimten
omgetoverde
ontbijtzaaltjes. Daarna sneuvelden de series waarop ze
allemaal
beurtelings op een muurtje voor een kasteel of ander
monumentaal
bouwwerk zitten, de opnamen waarop de lolbroek uit het
reisgezelschap
haar opgestoken vingers achter iemands hoofd
tevoorschijn laat komen
en de afbeeldingen waarop ze in het voorportaal van een
kathedraal
zijn gaan staan en degene die de foto maakt zeshonderd
meter achteruit
moest lopen om ook het puntje van de torens op de
gevoelige cel vast
te leggen.
Uiteindelijk hou ik veertig plaatjes over - voornamelijk
groepsfoto's
waarop de meiden in een deuk liggen - die volgens
instructies in het
formaat Hema-album passen dat je zo handig in een
dameshandtas stopt.
De rest overweeg ik binnenkort uit mijn digitale
prullenbak te vissen.
De Begraafplaats-babes worden een hit op internet.
|
|
| |
|
|
| |
Uit de HDC-bladen van 17 juni 2010
Examenfeestje
De vlag met haar rugzak eraan had ik natuurlijk gewoon
om half zeven vanmorgen buiten kunnen hangen. Maar voor
de vorm wacht ik tot half zeven vanavond, als ook
formeel is bevestigd dat onze dochter is geslaagd. Ook
bij zekerheidjes hoeft het lot tenslotte niet te worden
getart, weet inmiddels ook Sven Kramer. Jammer dat niet
iedereen in het gezin die zelfbeheersing aan de dag
legt. De uitnodigingen voor het examenfeestje van
morgenavond deed mijn eega aan het begin van de
week al de deur uit, de vishapjes zijn besteld en de
kratten bier
staan in de campingkoelkast die we ter ondersteuning van
zolder hebben gehaald.
Op haar lijstje met 'things to do' staat
nog altijd 'Dronken worden'
en examenfeestjes lenen zich daartoe bij uitstek.
Aangezien het
tweetalig gymnasium in mijn tijd niet
bestond, begon mijn
schoolloopbaan op de mavo waar ik ruim voor mijn
zestiende verjaardag de
kroon
zette op vier jaar pretpakket. Het was in het midden van
de jaren zeventig waarin het individualisme hoogtij
vierde en elke leerling erop stond zijn eigen
examenfeestje te vieren. Niet toevallig
werd in mijn klas de spits afgebeten door Freddie
Wijnstekers wiens ouders in mijn herinnering een
bovenmodaal huis aan de rand van ons dorp bewoonden.
Zoals het opvoeders betaamt hadden ze zich tijdig uit de
voeten gemaakt, waardoor ze niet konden voorkomen dat
wij ons - na het wegwerken van de reguliere
drankvoorraad - stortten op de privékabinet van de heer
des huizes, waar alles dat ook maar enigszins naar
alcohol rook in onze benevelde lichamen verdween. Van
het
afscheid uit deze inmiddels onbewoonbaar verklaarde
villa - waar ik
klasgenoten aan de stortbak van het toilet had zien
hangen - herinner
ik me nog dat ik mijn vriend Mart achterop mijn fiets
naar huis
trachtte te vervoeren, wat me zeker zou zijn gelukt als
we al niet na
honderd meter door een onzichtbare hand tegen het
plaveisel van de
Nachtegaallaan waren geslagen.
Bij het likken van onze wonden kwamen we - Mart en ik -
eendrachtig
tot de conclusie dat we ons eigen partijtje in elk geval
niet in het
ouderlijk huis dienden te vieren. Een lange zoektocht
naar zaalruimte
volgde, waarbij de ene na de andere uitbater bij het
woord
'examenfeestje' de wenkbrauwen fronste, zijn voor de
eerstkomende
weken maagdelijke agenda dichtsloeg en ons meedeelde dat
alles helaas
was volgeboekt met samenkomsten van de vrouwenvereniging
'Handwerk
adelt' en repetities van het incontinente knapenkoor 'De
hoge nood'.
Alleen de koster van het hervormde Dorpshuis - die mijn
vader als
ouderling kende - toonde zich een oprecht christen door
ons onderdak
in zijn herberg te verlenen. Ons privéfeestje had op
school inmiddels
een semi-openbare status gekregen, waardoor het ons als
organisatie
raadzaam leek bij de entree consumptiebonnen te
verstrekken die onder
het overmoedige gezelschap met boekjes tegelijk aftrek
vonden. Drie
kwartier na aanvang moest de koster al voor de eerste
maal uitrukken
met emmer en dweil om een onwel geworden klasgenoot uit
zijn eigen
maaginhoud weg te slepen en te redderen wat er te
redderen viel.
Van de opbrengst van wel verkochte maar nooit geïnde
consumptiebonnen
hielden we later nog een groot strandfeest, waarbij we
er halverwege
die gedenkwaardige avond door een gramstorige
gezagdrager op gewezen
moesten worden dat hiervoor een vergunningplicht gold.
'Een examenfeestje?', verzuchte onze oudste nazaat aan
het begin van
deze week enthousiast toen haar moeder met haar de
gastenlijst wilde
doornemen. 'Nou ja, als het dan echt moet.'
Het zou me verbazen als 'Dronken worden' morgenavond van
haar 'things
to do'-lijstje kan worden gestreept.
|
|
| |
|
|
| |
Uit de HDC-bladen van 10 juni 2010
Man kan de was doen
Als we het speelveld van het verjaardagsfeestje
betreden, weten mijn zoon en ik alle ogen op ons
gericht. ,,Ze zien er nog best toonbaar uit'', meldt de
ene schoonzus verbaasd, na haar ogen tijdens een
inspectierondje van onze kruinen tot onze schoenen te
hebben gestuurd. De andere knikt. ,,Geen vuile kleren,
redelijk doorvoed en zelfs de haren zitten in de gel.''
Het is niet de enige plek waarop wij met meer dan
normale belangstelling worden bekeken, in de
post-eindexamenweek die mijn eega en dochter bij
vrienden in Spanje doorbrengen. Alle
emancipatiebewegingen ten spijt, vrouwen scheppen er nog
steeds genoegen in om mannen af te schilderen als
onzelfstandige wezens.
Het lijstje met instructies dat ik heb gekregen bevat
vooral
richtlijnen de opvoeding van onze zoon betreffende. Let
erop dat hij
op
tijd naar bed gaat. Zorg dat hij zijn huiswerk maakt.
Laat hem zijn brood niet vergeten. Houd in de gaten
wanneer hij sportdag heeft. Van die dingen. Verder zijn
het praktische zaken als de bloembakken in de tuin water
geven en - dat is voor het eerst in 27 jaar huwelijk -
een beknopte handleiding om de was te doen. Normaal leg
ik de vuile kleding in mijn vrouws afwezigheid op een
mooie stapel voor de machine, maar vanwege de
omloopsnelheid van aangekoekte onderbroeken
en besmeurde handdoeken vreest ze dat we halverwege de
week in
problemen komen.
De machine is zodanig ingesteld dat ik alleen maar op
'start' hoef te
drukken, nadat ik kleding en een half bolletje wasmiddel
in de trommel
heb gedeponeerd. Man kan de was doen. Het lijkt me een
bezigheid die
door de eeuwen heen door onze echtgenotes om
onbegrijpelijke redenen
tot mythische proporties is opgeblazen. Het
ingewikkeldst aan de was
doen, is het sorteren. Vanwege het feit dat ik daarbij
gruwelijk in de
fout kan gaan, mag ik voorlopig alleen handdoeken,
washandjes en
onderbroeken wassen, waarbij ik erop moet letten dat de
Björn Borgs
van mijn zoon daarna niet in de droger gaan. Daar
schijnen ze niet
tegen te kunnen. Mijn eigen onderbroeken kennelijk wel,
want daar heb
ik niks over gehoord. Later in de week experimenteer ik
met
wielerkleding en sportshirts van mijn zoon. Bij twijfel
draai ik voor
elk felgekleurd stukje textiel een nieuwe was. Het gaat
toch vanzelf.
Overmoedig geworden prop ik ook de spijkerbroek van mijn
zoon in de
trommel, waarbij ik door een goddelijke ingeving zijn
mobiele telefoon
inclusief koptelefoon van een wasbeurt op 30 graden weet
te redden.
Ook anderszins ben ik goed bezig. Normaal is haar kamer
verboden
gebied, maar nu mag ik het Heilige der Heiligen van mijn
dochters
kamer betreden om de vissen te voeren. De vissen? In de
gitzwarte bak
kan ik met moeite enig leven onderscheiden. De wanden
van het aquarium
zijn groen uitgeslagen van de alg en de tl-buis in de
kap geeft geen
krimp. Mijn eerste uren als man alleen besteed ik door
met een
schuurspons tot in mijn oksels in de groene smurrie te
boenen, als een
BP-robot in de Golf van Mexico. De koopavond benut ik
voor de aanschaf
van een nieuwe lamp en zowaar, er zij licht! Dat zie ik
ook de laatste
vier vissen denken, knipperend met de ogen na zoveel
weken duisternis.
In onze strijd tegen de vooroordelen is mijn zoon een
grote steun. Op
de vraag of zijn vader wel kookt, dreunt hij moeiteloos
en met een
zekere trots het weekmenu op. Donderdag Chinees, vrijdag
pizza,
zaterdag patat, zondag taart, chips, worst en soep ('we
hadden een
verjaardag'), maandag gebakken aardappelen met biefstuk,
dinsdag
pasta, woensdag pannenkoeken met spek uit de magnetron
en donderdag
(ontdooide) Chinees van de week ervoor.
Wanneer komen ze terug?, wil mijn moeder bezorgd weten.
Donderdag? Dan
kom ik 's morgens het huis stofzuigen en een bloemetje
neerzetten.
Van alle vrouwen met vooroordelen, is zij wel de ergste.
|
|
| |
|
|
| |
Uit de HDC-bladen van 3 juni 2010
Grote C
De voorpret over een avond Cultuur met de grote C wordt
verstoord door die ene, allesoverheersende vraag:
waarom? Het knaagt al de hele dag aan me: hoe ben ik
hier in verzeild, wat waren de beweegredenen? Het is aan
mij niet besteed, ik word er normaal ook nooit voor
gevraagd, iedereen weet dat je mij er geen plezier mee
doet. Waarom, waarom, waarom ben ik dan in het bezit van
een kaartje voor de uitvoering van het 'War Requiem' van
Benjamin Britten in het Concertgebouw?
Mijn blinde vlek voor klassieke muziek heeft ertoe
geleid dat mijn
eega wisselende contacten aanknoopt om toch aan haar
Culturele gerief
te
komen. Aan het begin van elk seizoen wordt een longlist
opgesteld van uitvoeringen die beslist moeten worden
gevolgd, in de weken daarna
teruggebracht tot een shortlist van wat financieel en
praktisch
haalbaar is. Dat proces gaat buiten mij om. Ik hoor
tijdens het
klaverjassen met vrienden wel eens een Beethoven of een
Brahms voorbij komen, maar omdat ik al moeite genoeg heb
om mijn kaarten in de juiste volgorde op te gooien leidt
dat in geen enkel opzicht tot verdieping. Ik zit erbij
als de holenmens die uit zijn grot wordt gesleurd voor
een cursus Windows 7.
Aanvankelijk kan ook het gezelschap waarmee ik op weg
ben naar
Amsterdam niet reconstrueren waarom ik in het bezit ben
van een geldig
plaatsbewijs voor één van de meest indrukwekkende
klassieke werken van
de twintigste eeuw, uitgevoerd door het Radio
Filharmonisch Orkest
onder leiding van Jaap van Zweden, bijgestaan door
Reinbert de Leeuw,
het Groot Omroepkoor, het Nationaal Kinderkoor, een
sopraan, een tenor
en een bariton. ,,Net zo duur als Pinkpop, maar er is
niet bezuinigd
op personeel'', probeer ik - na kennis genomen te hebben
van deze
bezetting - er toch iets positiefs over te zeggen. Later
blijkt dat -
meer dan een jaar geleden - op een vrolijke avond met
drie echtparen
het idee voor een dagje Amsterdam is geboren, inclusief
hoogstaande
maaltijd, afgerond met Cultuur met een grote C. En ik
wilde geen
spelbreker zijn. Maar hoe gaat dat, met oude afspraken?
Inmiddels is
één van die echtparen al geruime tijd verwikkeld in een
bloedige
scheiding, waarmee van het beoogde groepsuitje het Eten
met de grote E
is geschrapt.
Op het laatste moment heb ik - met opnieuw dank aan
Wikipedia - nog
wel wat voorwerk verricht. Het 'War Requiem' is
geschreven ter
gelegenheid van de inwijding van de nieuwe kathedraal
van Coventry, op
30 mei 1962. De oorspronkelijke veertiende-eeuwse
kathedraal was
volledig verwoest door bombardementen in de Tweede
Wereldoorlog.
Britten koos voor een traditionele Latijnse dodenmis die
door het koor
en de sopraansolist wordt vertolkt.
Ofschoon gebrandmerkt als barbaar, is het niet de eerste
keer dat ik
in het Concertgebouw ben. Wat zeg ik, ik heb er wel eens
op het podium
gezeten! ,,U zingt ook?'', vraagt een omstander
belangstellend als ik
dit met een zekere stemverheffing breng. Dat niet, maar
voor een
optreden van de obscure singer-songwriter Teitur ( van
de
Faraoër-eilanden) bestond hier eind vorig jaar zo weinig
belangstelling dat het publiek er op het podium best nog
wel bij kon.
Nu zit ik op het balkon, heb ik vooraf bij de koffie nog
oud-topman
Jeroen van der Veer van Shell kunnen toeknikken ( van
mijn openingszin
voor een goede conversatie - ,,Het is me toch wat, met
die olie
tegenwoordig'' - kwam het niet omdat hij al in gesprek
was) en moet ik
na een kwartier alles uit de kast halen om het gevecht
tegen de slaap
aan te gaan. Ik heb diepe bewondering voor alle
uitvoerenden, maar
hoor op het orgel van deze majestueuze zaal toch liever
Neil Youngs
'Like a hurricane', de strijkers bij een nummer van Ane
Brun en de
cello onder de ijle stem Damien Rice. Cultuur met een
kleine c, wat u
zegt. Elke vijf minuten word ik venijnig bij de
realiteit gepord door
een zich generende echtgenote, totdat ik na anderhalf
uur iets te veel
opluchting leg in een ovationeel applaus dat vele
minuten aanhoudt.
Als dirigenten en solisten voor de derde keer naar
omlaag komen om dit
huldeblijk in ontvangst te nemen, krijg ik mijn laatste
por als ik
mijn klapritme wijzig in dat van de 'Radetzkymars'.
Misschien had ik mijn kennismaking met Cultuur met een
grote C toch
bij André Rieu moeten beginnen.
|
|
| |
|
|
| |

Hiep hiep (2)
Vrijdag 18 juni 2010
De vmbo-leerlingen vrolijkten woensdag
de social networks van het internet op met hun
twitters, krabbeltjes en mailtjes: 'Ik ben geslaagt!'
De havo- en vwo-klantjes zaten gisteravond tot
half zeven in spanning. Ja, ook onze dochter. Niet
zozeer of ze was geslaagd (met haar spelling is niks
mis), maar of haar de schande van een 7 op haar
eindlijst kon worden bespaard. De drie telefoontjes van
haar oma en twee tantes in de periode dat alle gezakte
leerlingen werden gebeld - 'En, heb je al wat gehoord?'
- brachten haar derhalve niet van de wijs. En rond 19
uur maakte haar mentor aan alle onzekerheid een eind:
vier achten, drie negens en een tien (voor wiskunde). Al
eerder was haar totaal voor een combinatievak op een
tien uitgekomen, waardoor haar gemiddelde ruim voldoende
is om zonder loting te worden toegelaten tot de studie
geneeskunde. Voor de studie die ze ernaast gaat doen -
klassieke talen - zijn de negens voor Latijn en Grieks
mooi meegenomen, maar niet echt noodzakelijk. Missie
geslaagt!, zou ik willen zeggen. Maar ik ben dan ook
begonnen op de mavo. |
|
| |
|
|
| |

Hiep hiep
Donderdag 17 juni 2010
Als representanten van de koningin der
aarde zijn wij, journalisten, ons voortdurend bewust van
onze waardigheid en verantwoordelijkheden. Dus als op
een woensdag onze redactie-oma Anita (Toet voor intimi)
haar 61 (62, 63?) lentes viert, doen we dat 's morgens
eerst met gebak en hartige koeken, om er 's middags nog
een geïmproviseerde Womibo (woensdagmiddagborrel)
tegenaan te gooien. Het verschil met al die andere
Dimibo's, Womibo's en Domibo's die op ongeregelde tijden
worden georganiseerd? Er waren hoedjes en vouwballonnen
om het feest extra luister bij te zetten. En natuurlijk
is er dan altijd wel weer een zuurpruim die - met een
verwijzing naar een zoveelste op handen zijnde
reorganisatie - roept: 'Er kan hier echt niemand meer
uit hoor, mijnheer de directeur!'
|
|
| |
|
|
| |
WK op werk
Dinsdag 15
juni 2010
Aan het begin van mijn journalistieke
loopbaan hebben we bij het Leidsch Dagblad een keer
gestaakt voor een betere CAO. Nou ja, gestaakt, het was
meer een werkonderbreking van twee uur waarin we met de
voeten op het bureau lagen. Daarna gingen we twee uur
langer door omdat de krant toch af moest. Tel uit je
winst. Daarom ben ik altijd sceptisch als werkgevers
uitrekenen dat de samenleving weer miljoenen aan
inkomsten misloopt omdat we óf in de file staan, ons
massaal ziek melden óf onder werktijd twee uur voor een
voetbalwedstrijd hangen. Wij loonslaven halen dat altijd
wel weer in. In ons redactielokaal kon je
gistermiddag op twee plekken naar de wedstrijd Nederland-Denemarken kijken. In het bedrijfsrestaurant
was bovendien een groepsbijeenkomst georganiseerd met
beamer. Zelf koos ik voor de eerste optie (de werkplek)
omdat ik de laatste vijf jaar maar twee wedstrijden van
Oranje (tegen Italië en Frankrijk, op het laatste EK) heb gezien waarbij ik niet de neiging had om de
krant te gaan lezen, te computeren of een andere
vervangende bezigheid te ontplooien waarbij je met een
schuin ook naar het verloop van het duel kon kijken. Ook dit
keer werd ik daarin niet teleurgesteld. Bovendien hoefde
ik niet twee uur langer door te werken omdat de krant
toch af moest.

 |
|
| |
|
|
| |

Stemvee
Donderdag 10
juni 2010
De eerste keer dat ze van haar stemrecht
gebruik mag maken, moet ze het met lede ogen ook meteen
weer afstaan. Samen met mijn echtgenote zit onze dochter
al een weekje in Spanje en komt ze net een dag te laat
terug om haar hokje rood te kleuren. Vandaar dat ik
woensdagmorgen in alle vroegte drie stemmen mag
uitbrengen, allemaal op dezelfde persoon want in dit
gezin zijn - in elk geval voor deze verkiezingen - geen
politieke verschillen. Daarna verheug ik me de hele dag
op een avondje uitslagen, met de spanning, dramatiek,
euforie en teleurstelling van een goede
voetbalwedstrijd. En ik word daarin niet teleurgesteld.
Wat op zich verbazingwekkend is, met een wedstrijd die
eigenlijk om 21 uur begint met een voorlopig uitslag en
waarvan je in de loop van de avond maar moet afwachten
of die klopt. Om half twaalf zit je, met een fles wijn
die alsmaar leger wordt, nog steeds ademloos naar de
uitslag van Dirksland en Rozendaal te kijken. Maar op
basis van al die voorlopigheid worden alvast wel
carrières gemaakt en gebroken. Tot half twee houd ik
het vol, het moment dat ook de voorpagina van de Duin- en
Bollenstreekeditie van het Leidsch Dagblad naar de
drukkerij moet en nog maar 60 procent van de stemmen is
geteld. De avond eindigt daarna ook voor mij in
een groot persoonlijk drama. Bij het naar bed gaan
blijkt dat de vaatwasser de geest heeft gegeven. Het
kabinet Rutten is nog niet geformeerd, of mijn
koopkracht wordt al ernstig aangetast. |
|
| |
|
|
| |


Ledenvergadering
Dinsdag 8
juni 2010
Als kersverse Afdeling Wielersport maken
we sinds een aantal maanden deel uit van de IJsclub
Voorwaarts Katwijk, sinds 1893. Een club met historie,
derhalve, en dat merk je vooral bij vaste tradities als
de Algemene Ledenvergadering. Het formele gedeelte -
waarin de jaarrekeningen, begrotingen en verslagen van
de afdelingen de revue passeren - heeft veel weg van een
congres van de Cubaanse communistische partij: één grote
applausmachine. Maar daarna begint het pas echt: de
verloting! Tien lootjes voor vijf euro, waarbij wij als
nieuwelingen verbaasd moesten aanzien hoe alle prijzen -
na symbolisch schudden van de koektrommel - zo'n
beetje naar de oude garde en/of het hoofdbestuur gingen.
Maar zowaar, aan het eind van deze bonte avond kantelde
het geluk. Op mijn lotnummer 121 viel een rieten mandje
met badzeep, voor fietsmaat Rob1 was er een roze plaid,
een fles wijn en een doos chocoladewafels, en Gerard
werd bedeeld met iets wat zich in eerste instantie als
een doos krulspelden liet aanzien. Maar het bleek
naaigerei. Echte mannelijke cadeaus, derhalve, waardoor
Gerard na het wegwerken van de bbq-restanten van
zaterdag naar moeder de vrouw kon gaan met de opmerking:
'Even kijken of er nog wat te naaien valt!'
 |
|
| |
|
|
| |

Man kan de was doen
Maandag 7
juni 2010
Voor mannen die zich tot nog toe nooit
met de materie hebben beziggehouden - geloof me, tot
vrijdag was ik één van hen - komt deze mededeling
wellicht als een schok: de was doen gaat vanzelf. Je
hoeft er echt helemaal niks voor te doen. Het is een
bezigheid die door de eeuwen heen door onze vrouwen om
onbegrijpelijke redenen tot mythische proporties is
opgeblazen. Nu mijn vrouw en dochter in Spanje zitten,
mag/moet ik voor het eerst in mijn leven de was doen. Ik
heb een korte instructie gekregen en mag als beginner ook
nog niet álle was door mijn handen laten gaan: voorlopig alleen handdoeken,
washandjes en onderbroeken, waarbij ik er op moet letten
dat de Björn Borgs van mijn zoon daarna niet
in de droger gaan. Daar schijnen ze niet tegen te
kunnen. Mijn onderbroeken kennelijk wel, want daar heb
ik niks over gehoord. Uit eigener beweging heb ik
vandaag ook mijn wielerspullen gewassen. Apart, want je
weet maar nooit. Lang heb ik getwijfeld of ik ook het
gymshirt (fel geel) en een T-shirt van mijn zoon
(oranje) erbij zou gooien, maar dat dorst ik toch niet
aan. Wassen is vooral goed sorteren, heb ik van mijn
eega begrepen. Omdat hij het shirt dinsdag toch weer
nodig heeft, draai ik momenteel een apart wasje voor
twee T-shirts. Zoals ik van plan ben om voor alle
twijfelgevalletjes komende week aparte sessies in te
lassen. Wassen gaat verder toch helemaal vanzelf. |
|
| |
|
|
| |
Uit de dagbladen van HDCmedia van 27 mei
Maandlenzen
Er zijn voor een puber tal van redenen om zich in de
badkamer in tesluiten, maar deze kende ik nog niet. 'Ik
krijg mijn lenzen er niet
uit', klinkt de stem van mijn zoon bedompt achter de
deur die mij vanhem scheidt. Hij heeft eerst een half
uur in zijn kamer geprobeerd zich te ontdoen van zijn
nieuwe pupilprotheses en zich daarna onttrokken aan het
honend commentaar van zijn zus, die elke vijf minuten
kwam informeren hoe het ermee stond. Zijn linkeroog is
al behoorlijk rood van het onhandige gegrabbel op en
rond het netvlies. Zijn vijf keer per seconde
knipperende rechteroog werkt ook niet mee. 'Laat mij het
maar even doen', zeg ik, met de kalmte van de EHBO'er
die zich als vrijwilliger opwerpt voor een
gecompliceerde open hartoperatie.
Een
jaar of vier heeft hij tot ieders tevredenheid een bril
gedragen, maar onder invloed van klas- en clubgenoten
vindt onze zoon het tijd voor een nieuwe look. Hij heeft
al gebroken met de kapper die hem van
kindsbeen af heeft voorzien van de haardracht van
comeback-kid Jan Peter Balkenende, en in de week van de
val van Jack de Vries maakt mijn jongste nazaat ook
korte metten met dat andere handelsmerk dat hem nog bond
aan onze demissionaire premier.
Aangezien er geen fellere anti is dan een ex, heb ik
enige tijd
geprobeerd hem van dit voornemen af te brengen.
Negentien jaar lang
heb ik zachte lenzen gedragen, waarbij het steeds vaker
als een
bevrijding voelde als ik ze - na het beëindigen van het
openbare
gedeelte van mijn dag - kon vervangen door het
ouderwetse montuur met
de borrelglazen. Maar de tijd dat mijn zoon wijze raad
van zijn vader
aanneemt, is nog niet aangebroken. En, betoogt hij, de
ontwikkeling
van de lens heeft sinds mijn prehistorische ervaringen
zeker niet
stilgestaan.
Onze zoon gaat voor de maandlens, een in zijn
vriendenkring gangbaar
type dat - anders dan de naam doet vermoeden - elke dag
weer moet
worden ingezet en verwijderd, net zo lang totdat de
maand om is en
zich een nieuw paar lenzen aandient. In de week voor de
aanschaf van
de eerste proefexemplaren moet hij oefenen met het -
zonder knipperen
- aanraken van zijn oogwit, iets waaraan hij zich met
dezelfde
overgave kwijt als aan het op orde houden van zijn
knapenkamer. Na een
moeizame passessie bij de opticien - onder het toeziend
oog van zijn
moeder - krijgt hij zijn lenzen slechts met de grootst
mogelijke
aarzeling van de ogenboer mee.
Aan mijn eigen negentien jaar ervaring met de zachte
lens heb ik het
vermogen overgehouden om desnoods zonder knipperen met
tien vingers
tegelijk in mijn oog te zitten om dode vliegen, takjes
en omlaag
gedwarrelde wimperharen eruit te vissen. Maar het is
andere koek om de
zenuwtrekkende pupillen van een 13-jarige te ontdoen van
zijn
proefzending. Net als ik op het punt sta om hem
onvrijwillig onder
narcose te brengen, slaag ik erin om het eerste,
verfrommelde
exemplaar tussen duim en wijsvinger te nemen, wat mij de
kracht geeft
om nog een kwartier langer door te vissen naar exemplaar
nummer twee.
Het geeft hém in elk geval het excuus om mij - na een
week op controle
terug bij de opticien - de schuld te geven van het feit
dat hij de
rest van de gewenningsperiode zijn rechterlens in zijn
linkeroog heeft
gedragen en zijn linkerlens in de rechter. In één van de
lenzen zit
bovendien een scheur, dus die moet worden vervangen.
Weer twee dagen
later zit diezelfde lens om onverklaarbare redenen niet
meer in het
bakje waarin hij hem de avond ervoor heeft gedaan. Een
zoektocht door
alle uithoeken van het huis levert niets op.
De opticien verwelkomt hem deze derde keer in ruim een
week al als een
potentiële goudmijn.
De maanden worden korter, met de maandlens.
|
|
| |
|
|
| |

Huishouden
Vrijdag 4 juni 2010
Normaal is haar kamer verboden gebied,
maar nu ze met haar moeder voor een week naar Spanje is
afgereisd mag ik het Heilige der Heilige betreden om de
vissen van mijn dochter te voeren. Vissen? In de
gitzwarte bak op haar kamer kan ik slechts met moeite
enig leven onderscheiden. De wanden van het aquarium
zijn groen uitgeslagen van de alg en de tl-buis in de
kap geeft geen krimp. Waarschijnlijk al weken niet meer.
Mijn eerste uren als man alleen - nou ja, mijn zoon zit
ergens in zijn kamer te computeren, daar heb je op dit
soort momenten niks aan - besteed ik door met een
schuurspons tot in mijn oksels in de groene purrie te
boenen, als een BP-robot in de Golf van Mexico. De
koopavond benut ik voor de aanschaf van een nieuwe lamp
en zowaar, er zij licht! Dat zie ik ook de vissen
denken, knipperend met de ogen na zoveel weken
duisternis. Daarna doe ik de weekendboodschappen - mijn
jongste nazaat klaagde 'dat er niks meer in huis was'
(meestal het signaal dat de chips en cola op zijn) -
ruim de voorraadkasten in, geef de doos Italiaanse Chardonnay (Val di Ciembra) die ik bij mijn wijnboertje
heb opgehaald een mooi plekje en haal voor de eerste
keer in mijn leven de was uit de droger, een handeling
die mij die morgen door mijn eega is gedemonstreerd.
Tevreden leun ik rond 22.30 uur achterover, in de
overtuiging dat het huishouden een overschatte bezigheid
blijft, zodra je tenminste wat achterstallig onderhoud
hebt weggewerkt. Alleen het koken is er vandaag een
beetje bij ingeschoten.
 |
|
| |
|
|
| |
Smaakvol
Dinsdag 1 juni 2010
Vrouw
en dochter zitten vredig op de bank naar een verantwoord
televisieprogramma te kijken wanneer ik - in de rode stoel
ernaast - verscholen achter mijn krant even mijn
rechterbeen optil en het oudste geluid ter wereld
produceer. Ik voel bij de vrouwen het ongeloof
plaatsmaken voor lichte verbijstering als ik -
schijnbaar gedachteloos - de handeling nog eens herhaal.
'Hij zit gewoon scheten te laten!', roept mijn oudste
nazaat verontwaardigd en ze maakt zich op om zich, samen
met haar moeder, met geweld op mij te storten. Ter
verdediging laat ik er nog vijf horen en haal dan mijn
iPhone uit mijn broekzak om triomfantelijk het
smaakvolle programma 'Pocket Fart' te laten zien. De
makers van 'Pocket Fart' willen onze planeet een beetje
beter maken. Want wie wil er nu geen scheten laten
zonder het milieu te vervuilen? De natuurgetrouwe winden
worden ten gehore gebracht als je een beweging maakt,
bijvoorbeeld het optillen van een been of, beter nog,
het zitvlak. Ik beschik over de gratis versie Pocket
Fart Lite. Er is er ook eentje voor 79 eurocent, waarmee
je je eigen winden kunt opnemen en in een soort
persoonlijke schetenbibliotheek kunt opslaan. Je kunt er
niet van buiten. Volgens de
iPhone Club zijn er
inmiddels meer dan 50 scheetapplicaties voor de telefoon
te downloaden. Sommigen worden meer dan 13.000 keer per
etmaal binnengehaald, waarmee de makers vele duizenden
dollars per dag verdienen. Net als deze scheten, stinkt
ook geld niet. De rage is ooit begonnen met het
programmaatje Pull My Finger - in real life
ooit een dolletje
tussen opa's en kleinzonen - maar tegenwoordig kan een
geavanceerde schetenapplicatie veel meer. In iFart
Mobile zit een Security Fart ingebouwd: via deze
bonusfunctie kun je scheten laten klinken als je iPhone
gestolen is. Zo kun je elke dief figuurlijk een poepie
laten ruiken. |
|
| |
|
|
| |

Toewijding
Vrijdag 28
mei 2010
Ofschoon er binnen het gezin
geringschattend over mijn hoofdhaar wordt gedaan, moet
ook ik geregeld naar de kapper. Al sinds 1989 - toen wij
ons huidige huis betrokken - zit mijn coiffeur aan de
overkant van de straat, op zo'n meter of vijftig.
Coiffeuse, moet ik eigenlijk zeggen, want de zaak heet
Petra Kappers en er werken alleen maar jonge meiden, van
wie een aantal overigens al twintig jaar met mij is
meegegroeid. Maar dit terzijde. Er komen ook steeds weer
jongere bij. Dit keer word ik onder handen genomen door
een meisje dat nog maar kort geleden van de
kappersopleiding is gekomen. Ze knipt mijn - toch niet
al te gecompliceerde - model met een toewijding een
betere zaak waardig en bovendien zo voorzichtig alsof ze
vreest dat mijn broze haarpunten al afbreken voordat ze
er de schaar in heeft gezet. Ik kan haar op dit punt
geen ongelijk geven. Aan het eind van mijn behandeling
verbaast ze me met de vraag: 'Mag ik ook uw wenkbrauwen
even knippen, want die zijn op bepaalde plekken best wel
lang.' Dat is me in twintig jaar Petra Kappers nog nooit
overkomen, zo spreek ik later tegenover mijn eega mijn
bewondering voor deze jeugdige employee uit. 'Daar kwam
zeker het meeste haar vanaf?', antwoordde die gevat.
Tenminste, ze vond het zélf erg gevat.
 |
|
| |
|
|
| |
Kloof
Uit de dagbladen van
HDCmedia van 20 mei 2010
De examentijd tilt ook de gesprekken aan onze
eettafel naar een hoger niveau. ,,Catullus kwam uit
Verona, wist je dat?'', vraagt mijn dochter aan haar
moeder. Verona. Daar zijn we vorig jaar geweest. Mooie
stad. Romeins theater. Opera. Maar verder hoef ik me er
niet mee te bemoeien, natuurlijk. Mij is niks gevraagd.
Dus is het een raadsel waarom ik toch mijn mond
opentrek. ,,Catullus? Ik ken alleen Schanulleke, van
Suske en Wiske.''
Een generatiekloof kun je het niet
noemen, want mijn klassiek geschoolde eega blijkt wel
vertrouwd met Gaius Valerius Catullus (ongeveer 84 tot
54 voor Christus), de eerste grote Latijnse lyricus.
(Dank,
Wikipedia,
dank.) Maar op de havo vonden ze het niet nodig mij
vertrouwd te maken met zijn liefdesgedichten over de
frivole Clodia, de overspelige echtgenote van Quintus
Metellus Celer.
Een kennis- en interessekloof moet het zijn, die maakt
dat ik onze oudste nazaat al aan het begin van haar
loopbaan op het tweetalig gymnasium geestelijk ben
kwijtgeraakt. Een enkele keer slechts, kwam daarover een
licht verwijt van haar lippen. Als ze subtiel vertelde
over klasgenootjes wier vaders raketgeleerden bij ESA
waren en zo handig konden assisteren bij wis- en
natuurkundevraagstukken. Of over een hersenchirurg als
buurman beschikten wiens betrokkenheid bij een
biologiewerkstuk verder reikte dan, zoals in mijn geval,
het bijvullen van de printerpatronen op de avond dat de
finale uitdraai moet worden gemaakt.
Nu het erop aankomt in deze drie weken bestaat mijn
support elke morgen uit een recht hartelijk gemeend 'Doe
je best!', dat op de keper beschouwd als een belediging
voor haar ambities mag worden beschouwd. Natuurlijk doet
ze haar best. Het is al lang geen vraag meer óf ze
slaagt. Het gaat erom met welke cijfers, om in elk geval
rechtstreeks te worden toegelaten tot Geneeskunde. De
studie Klassieke Talen gaat ze er als hobby - ik denk in
hobby's, ze zal het waarschijnlijk zelf anders noemen -
bij doen.
Voor mij als ouder, man en (dus) exponent van de door
Jan Peter Balkenende verfoeide 6-jescultuur, is met de
gemiddelden die ze in de afgelopen maanden heeft
gescoord, al voor het centraal schriftelijk examen de
druk van de ketel. ,,Al kom je helemaal niet opdagen,
dan ben je nog geslaagd!'', roep ik, niet gehinderd door
enige mathematische kennis, met de euforie van een Louis
van Gaal. Du bist die Beste!
In andere gezinnen schijnt die examentijd nog wel een
dingetje te zijn, begrijp ik uit verhalen van
klasgenootjes waarvoor het complete gezin het
levensritme heeft aangepast om voldoende nachtrust te
garanderen. Op de site van de Krant van wakker Nederland
zie ik voedingsadviezen opduiken. 'Goed leren is
uiteraard de basis, maar onderschat de rol van gezond
eten en drinken niet!' De tips reppen van volkoren
boterhammen (ontbijt), rozijnenbollen (tussendoor),
wraps met gestoomde zalm (lunch), smoothies (tussendoor)
en kippenbout met partjes aardappel in de oven,
worteltjes en peultjes (warme maaltijd).Ik mag alleen
maar hopen dat de buikpijn waarmee ze op dinsdag naar
het examen Latijn vertrekt aan de spanning ligt, en niet
aan de twee licht aangebrande pistoletjes, de bleke
drumsticks en de in een half pakje croma gebakken
aardappelen in combinatie met een potje witte bonen in
tomatensaus, die ik haar de avond ervoor heb
voorgeschoteld.
Ze komt er in elk geval enigszins gedesillusioneerd van
terug. Moeilijk? Ze schudt mismoedig het hoofd. Zo
makkelijk. Op deze manier halen ook de kneuzen die er
helemaal niet goed in zijn een voldoende. Dat lijkt haar
toch niet de bedoeling, van een examen.
Als ouder hoop je altijd dat je kind het verder schopt
dan jij.
Maar je kunt ook overdrijven.
|
|
| |
|
|
| |

Alarm
Donderdag 27
mei 2010
Met
vijf journalisten zitten we in het bedrijfsrestaurant
van Nieuwe Energie in Leiden als het brandalarm begint
te loeien. De enkele frons die over een gezicht trekt is
er één van ergernis, onze gesprekstoon wordt wat luider
en de vorken en lepels blijven onafgebroken naar de
monden gaan. Om ons heen pakken enkele tientallen andere
werknemers in dit bedrijfsverzamelgebouw gehaast hun
boeltje, of laten hun volle dienbladen in de
consternatie op tafel achter, en snellen naar buiten.
Maar een goede journalist eet eerst zijn bord leeg. Als
tegen het toetje het restaurant al een tijdje
uitgestorven is, sjokken we - sommigen met het
kaasdessert in de hand - toch ook maar naar buiten, waar
over de hoofden van de meute de sirene van een
brandweerwagen is te horen. De dames van de
Bedrijfshulpverlening - die bij de ontruiming van het
pand nergens te zien waren - weten nu in elk geval te
voorkomen dat we - bij ontstentenis van zwarte
rookpluimen - weer naar binnen lopen om aan het werk te
gaan. Nee, dit is geen oefening. The real thing, man.
Verveeld werken we, hangend tegen een lantaarnpaal, ons
toetje naar binnen. Bagdad, Kabul, de 3e
Binnenvestgracht in Leiden, ons maak je niet gek. Na een
kwartier mogen we weer naar onze werkplek, maar pas een
dag later komt het waarom van het brandalarm aan het
licht. Iemand had op onze bovenverdieping de hete douche
aangezet met de deur wijd open, waardoor de stoomwolken
het brandalarm in werking brachten. Op hetzelfde moment
had beneden een cliënt van de daklozenopvang - jazeker,
die zit ook in ons pand - een brandende aansteker bij
een hittesnuffelaar gehouden. Een goed gecoördineerde
aanslag, zou je denken, met twee paniekhaarden. Maar alleen onze verstoorde lunch
was
na twee dagen nog voer voor journalisten.
 |
|
| |
|
|
| |

Bedreigend
Dinsdag 25
mei 2010
Tragische valpartijen en onverhoedse
dopingcontroles zijn net zo bedreigend voor een
wielrenner als lange wandelingen. Vandaar dat ik altijd
huiverig ben als mijn eega enthousiast komt aangewapperd
met een route uit weer zo'n obscuur natuurblad of - nota
bene - de Vrij-bijlage van mijn eigen krant. Aan mijn
conditie ligt het niet, maar mijn spiergroepen zijn niet
(meer) berekend op vijf tot zes uur stevig voortstappen
op bergschoenen van elk een kilo. Maar als compensatie
voor alle dagen dat ik haar als wielerweduwe thuislaat
terwijl ik ergens in de Ardennen, Spanje of het
Italiaanse hooggebergte rondrijd, kan ik moeilijk nee
zeggen tegen deze uitstapjes. Op naar de stompe toren
van Ransdorp dus, onder de rook van Amsterdam, in
gezelschap van vrienden Mart en Carla, voor een
wandeling rond het Kinselmeer. Een paar weken geleden
stond de route in de Vrij en we kwamen zeker drie groepen abonnees
tegen
- hetzelfde knipsel in de hand als wij -
die op deze Tweede Pinksterdag het wandelen ook verkozen
boven een bezoek aan de Meubelboulevard of de autoboer.


Al op het eerste deel van Ransdorp naar
Holysloot - waar mij een mooi terras was beloofd - begon
het na een half uur te trekken achter mijn linkerknie en
dat gevoel kreeg gezelschap van kuitkrampen en pijnlijke
bovenbenen op het traject over de Uitdammerdijk van
Holysloot naar Durgerdam. Bij afsluitende bezoekjes aan
Marken en Broek in Waterland kwamen daar ook nog
rugklachten en stijve scheenbenen bij. Dat wil niet
zeggen dat ik onderweg niet geniet van broedende zwanen,
kwakende kikkers, reigers, futen en andere weidevogels,
om nog maar te zwijgen van mijn warme appelgebak en -
achterin de middag - mijn steenkoude rosébier. Maar echt
bijzonder om te fotograferen vond ik - bij het
uitlopen van Ransdorp, een (mooi) gat van niks - gewoon
langs de stoep aan de Dorpsweg. Twee Aston Martins,
waaronder een bijzondere rode!

Ik ben niet alleen geen wandelaar van
nature, ook de natuur is aan mij niet echt besteed.
|
|
| |
|
|
| |

Toekomst
Na een
optreden in 1975 van The
Boss schreef
de beroemde popjournalist Jon Landau in het muziekblad
Rolling Stone: Ik heb de toekomst van de rock-'n’-roll
gezien en zijn naam is Bruce Springsteen.
Zo'n 35 jaar later schrijft journalist
Dick van der Plas op zijn weblog van maandag 19 april
2010: Ik
heb de toekomst van het Katwijkse basketbal in de ogen
gekeken en het team heet Grasshoppers J42.
We spreken over de zaterdag die vooraf
ging aan 19 april, want ik had gewoon twee dagen de tijd
nodig om het allemaal een beetje te laten bezinken. Om
een beetje tot mezelf te komen. Was de tweede helft van
de wedstrijd tegen de Aardamse Basketbal Club (ABC) echt
het beste wat ik ooit van J42 heb gezien?
De
eerste helft zag het daar zeker nog niet naar uit. De
uitwedstrijd hadden we nog van ze verloren en ook nu
leek het weer geen ABC’tje te worden. Het duel ging
redelijk gelijk op, maar tot een paar minuten voor de
rust keken onze mannen voortdurend tegen een kleine
achterstand aan. Business as usual, ging het
worden, waarbij je als partijdige toeschouwer
voortdurend het idee had dat we echt niet minder waren
dan de tegenstander en uiteindelijk toch kansloos de
bietenbrug op gingen. Hoe vaak hadden we dat al niet
meegemaakt, in deze tweede seizoenshelft?
Totdat, op het eind van de tweede
periode, opeens sprake was van één van die magische
momenten in de sport. Al die uren dat coach ArendJan
erop had getraind, alle decibellen die hij ook deze
middag weer de sporthal in schreeuwde, de wanhoop die
wij soms van zijn gezicht konden afscheppen, de verbeten
teleurstelling van zijn haarvaten tot in zijn tenen, de
onderdrukte woede bij een zoveelste time out: alles
betaalde zich in één keer uit. Het team ging pressie
zetten, de technische mannetjes van ABC raakten de kluts
kwijt en bleken geen bal meer fatsoenlijk te kunnen
raken.
De kleine voorsprong van Grasshoppers bij
rust werd in hoog tempo uitgebouwd: niet alleen door de
vaste waarden van het team, nee, de hele ploeg leek
zichzelf naar een hoger niveau te tillen. De bal ging
snel rond, spelers vonden elkaar blindelings en waar J42
in de regel erg veel kansen nodig heeft om te scoren
leek het netje nu opeens een wonderlijke
aantrekkingskracht te hebben.
Al die maanden van knarsetanden langs de
lijn waren vergeten, tijdens twee perioden van wervelend
basketbal in een wedstrijd die eindigde met een - zeker
gezien het verloop voor rust - monsterscore: 86-41.
Halleluja.
Rest mij, als beschouwend columnist, een
ieder die er bij was op die wondermooie middag van de
17de april, toch ook nog even met beide benen op de
grond te zetten met een citaat van een andere, anonieme
grootheid uit het Nederlandse taalgebied:
Eén
zwaluw maakt nog geen zomer. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
Nog even een cartoon uit Het Parool van
Joep Bertrams waar ik erg om moest lachen:
 |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |

Jongens zijn
anders
Donderdag 13
mei 2010
Hemelvaartdag. Even geen column want er is geen
donderdagkrant. Dat voelt elke keer weer als een beetje
vakantie. Toen mijn stukje nog op maandag in de krant
stond, had ik vaker van dit soort dagen. Tweede Paasdag.
Tweede Pinksterdag. Voor kerst moest je geluk hebben,
net als met Nieuwjaarsdag. Maar 2010 is een bazenjaar,
want al die feestdagen vallen in het reguliere weekend.
Terug naar
de krantencolumn van vorige week dan maar, waarvoor ik
mijn inspiratie haalde uit een artikel in de
onderwijsbijlage van De Volkskrant. Daarin werd betoogd
dat jongens - zeker in het onderwijs - veel te vaak
langs de meetlat van de meisjes worden gelegd. Daar moet
verandering in komen. Vindt ook mijn zoon. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
6 mei
2010 |
|
| |
|
|
| |
Anders
Gedreven door ambitie en plichtsbesef werkt zijn zus
zich in de ene kamer door acht proefexamens per dag. In
de andere hangt onze zoon veertien uur per etmaal voor
een beeldscherm, waarop buitenaardse wezens en goed
uitgeruste paratroopers elkaar naar het leven staan. Een
logische rolverdeling, heeft de wetenschap aangetoond,
maar mijn eega weigert zich daar bij neer te leggen. Om
structuur te brengen in zijn met ledigheid gevulde
meivakantiedagen, geeft ze hem drie werkjes: de
(geleegde) gft-bak binnenhalen, de krantentas afstorten
in
de papiercontainer en de flessen weggooien, allemaal
binnen een straal van dertig meter rond ons huis.
Na
decennia van het stelselmatig wegwerken van elke vorm
van
onderscheid, komt er weer aandacht voor de verschillen
tussen jongens en meisjes. Zo bracht De Volkskrant
dinsdag in een bijlage vooral de situatie in het
onderwijs in beeld. Waar het vrouwelijk geslacht goed
garen spint bij verbaal-linguïstische
onderwijsvernieuwingen als het Nieuwe Leren en het
Studiehuis, vallen jongens buiten de boot omdat hun
onvolgroeide puberhersens er nog niet aan toe zijn om
eigen leervragen te bedenken, presentaties te houden of
werkstukken te maken. Ze missen structuur en duidelijke
beoordelingscriteria.
De bron van deze verschillen gaat terug tot de
chimpansees, waar de
vrouwtjes leergierig de vaardigheden van hun moeders
kopiëren en de
mannetjes elkaar bij voorkeur voor de bek slaan of
achter elkaar aan
hollen en met stront gooien. Uiteindelijk komt het
allemaal wel goed
met de aspirant-leiders op de apenrots, het duurt alleen
wat langer.
In het mensenleven hebben onze mannetjes het tij tegen.
Doordat in het
onderwijs steeds meer vrouwelijke invloeden doordringen
raken ze de
weg kwijt. Mijn echtgenote kan zich met terugwerkende
kracht nog
opwindende over het onderhoud dat zij op de
peuterspeelzaal had met
een leidster die haar aanraadde om voor onze zoon
professionele hulp
te zoeken omdat hij niet netjes aan een tafel
vlindertjes wilde vouwen
en bij het tekenwerkje buiten de lijntjes kleurde. Op de
basisschool
vonden ze hem ongeschikt voor de havo, omdat gedrag en
werkhouding
belangrijkere selectiecriteria zijn dan de Cito-toets.
Jongens zijn laatbloeiers. Onze zoon gaat straks
fluitend naar 3-vwo.
Niet met negens en tienen, zoals zijn zus. Maar - heel
berekenend -
alles ruim voldoende.
Jongens hebben mannen nodig om zich mee te
identificeren, is een
opvatting in de pedagogie waaruit volgens mijn eega een
belangrijk
deel van het gedrag van onze jongste nazaat valt te
verklaren. De hele
dag voor de computer hangen, zich verliezen in zinloze
bezigheden en
belangrijke taken in het gezin verwaarlozen. Van wie zou
hij dat nou
hebben?
De enkele keer dat ze me inschakelt om structuur te
brengen in zijn
leven, hang ik voor het late Sportjournaal en wekt ze me
uit mijn
lethargie om te kijken of onze jongste nazaat al in bed
ligt. Gelaten
sjok ik dan de trap op, doe de deur van zijn kamer open
en zie hem in
mijn houding voor de tv, met zijn rug naar een brommende
computer en
met naast hem een mobieltje waaruit blikkerige muziek
klinkt. 'Je moet
naar bed', zeg ik halfslachtig en hij knikt. Als zijn
zus hem niet
eerder verraadt, weten hij en ik dat hij vanaf dat
moment nog zeker
drie kwartier heeft voordat zijn moeder ontdekt dat hij
nog gewoon
achter zijn tv zit.
Zoals het me een dag later bij thuiskomst geen moment
verbaast dat de
oude kranten en de lege flessen nog in de hal staan, en
de gft-bak nog
aan de stoep. Zijn excuus - 'het regende' - wordt alleen
door de
mannelijke helft van het ouderlijke gezag als redelijk
ervaren.
Wij zijn anders.
Het kan niet genoeg worden benadrukt. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
Eerder
dit jaar |
|
| |
|
|
| |
29 april
2010 |
|
| |
|
|
| |
Het is eind april,
het schooljaar zit er op
Af en toe probeer ik er het adagium van mijn vader
zaliger in te
gooien. Maar mijn eigen 'Eten en je mond houden!' vermag
geen invloed te hebben op de woordenstrijd tijdens wat
een harmonieus familiemoment zou moeten zijn. Zoon: ,,Ik
heb dinsdag de hele dag vrij.'' Dochter: ,,Ik donderdag
en vrijdag.'' Zoon: ,,Daarna heb ik projectweek, met
alleen maar excursies, meivakantie, nog een paar weken
aanlummelen en dan grote vakantie.'' Dochter: ,,Je zou
kunnen zeggen dat ik woensdag
mijn laatste lesuur ooit heb, op de middelbare school.''
Het is eind april, het schooljaar zit er zo'n beetje op,
mag ik
afleiden uit de verbale pikzwaaierij waarmee in ons
gezin de
avondmaaltijd doorgaans wordt begeleid.
Uit
voorgaande jaren herinner ik me nog wel wat politieke
commotie over het halen van de 1040 lesurennorm in het
onderwijs, maar dat probleem heeft zich - buiten mijn
blikveld - kennelijk opgelost als een wolk vulkaanas. De
leerplicht hangt ergens als een vrijblijvend
kader boven het dagritme van onze nazaten, hun rooster
lijkt net zo bindend als belastingregels op de
Kaaimaneilanden.
Het zal wel te maken hebben met het regeringsvacuüm
waarin we ons momenteel bevinden. Het volgen van vijf of
zes vakken op een dag, in een tijdsbestek van ruwweg
08.30 tot 15.00 uur is kennelijk tot controversieel
onderwerp verklaard. En gebroken weken met
Koninginnedag, 5 mei, een meivakantie, Tweede
Pinksterdag en
Hemelvaartsdag maken het er ook niet beter op.
Rust en regelmaat, daar moet ik het op mijn leeftijd van
hebben.
Reinheid is mooi meegenomen, maar moet niet worden
overdreven. Als ik
's morgens mijn belangwekkende steentje bijdraag aan het
op gang
helpen van het gezin, weet ik graag waar ik aan toe ben.
Nauwkeuriger
gezegd: de kern van mijn tevredenheid ligt in het feit
dat ik ze rond
de klok van acht uur met een volle rugzak naar school
zie gaan. Dat is
een vorm van reinheid die ik namelijk wél onderschrijf:
opgeruimd
staat netjes. Nu breekt zeker drie keer per week de
pleuris uit omdat
ik iemand voor het ontbijt wek die de eerste één, twee
of drie uur
vrij heeft. Of helemaal niet naar school hoeft.
De naderende examens van onze dochter hebben het effect
van een
staatsgreep op een toch al wankel regime. ,,Alle vakken
die ik nu nog
heb, volg ik uit vrije wil'', betoogt ze. ,,Gewoon,
omdat ik het leuk
vind.'' Haar jaargenoten zijn uit heel ander hout
gesneden, daar laat
ze geen misverstand over bestaan. Bij elke maaltijd
krijgen we een
opsomming van wie er wat die dag allemaal onbekommerd
aan zich voorbij
heeft laten gaan (ten faveure van een vaag
profielwerkstuk dat moet
afgerond, of het blokken voor een herkansing van een
tentamen), met
hoeveel leerlingen de klas nog was gevuld (anderhalve
man en een
paardenkop) en in welke staat van verwarring het
onderwijzend
personeel (dat het normale dagritme heeft losgelaten
voor het
mondeling en schriftelijk toetsen van in zes jaar tijd
doorgegeven
kennis) verkeert.
Onze zoon moet nog vier jaar, maar lijkt te worden
meegezogen in de
staat van vrijheid blijheid die zijn zus uitstraalt. Dat
gevoel wordt
in niet geringe mate versterkt door zijn gewoonte om
belangwekkende
papieren informatie over excursies, projectweken of
andere inbreuken
op het normale bestaan, te laten afzinken in de door
chocomel en zure
vruchtensappen vervuilde bodem van zijn rugzak. ,,O ja,
ik moet morgen
naar Amsterdam'', laat hij dan - doorgaans tijdens een
plaspauze in
zijn REM-slaap - aan het ouderlijk gezag weten. ,,Nee,
ik hoef geen
broodjes mee. Wat geld voor patat en een paar zakjes
chips volstaan.''
Nog maar vier maanden, dan is het weer september. Dan is
alles - in
elk geval tot de herfstvakantie van oktober - weer even
normaal. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
22 april
2010 |
|
| |
|
|
| |
Angst
Het is met een zekere schroom en zonder trots dat ik
meld dat ik nog van een generatie ben die omkijkt als er
een vrouwelijke chauffeur achter het stuur van een
stadsbus zit. Leuk, denk ik dan. Dat hebben we toch maar
mooi bereikt, in dit land. Maar als ik in een Boeing 737
van de purser hoor dat ik van Valencia naar Amsterdam
wordt teruggevlogen door gezagvoerder Margo en co-piloot
Jacqueline, moet ik - op rij 14 bij de nooduitgang -
toch even ongemerkt een paniekaanval
wegzuchten.
De luchtvaart verkeert altijd in de greep
van de angst, wil ik maar
zeggen. Is het geen terrorisme, dan is het wel een
aswolk of gewoon -
heel menselijk - de vrees om door welk ander van binnen
of buiten
komend
onheil van grote hoogte te pletter te vallen. Daarom zou
het ook te gemakkelijk zijn om mijn primaire reactie op
een toestel vol met vrouwelijke bemanningsleden - zelfs
onder de stewardessen is geen
man te bekennen - toe te schrijven aan onvervalst
seksisme. Ik vertrouw mijn dierbaarste bezittingen toe
aan een vrouw, zoals de
dokter en haar twee jeugdige stagiaires die mij ooit
(met toestemming) hebben gesteriliseerd, kunnen beamen.
De hooguit vier keer per jaar dat ik in een vliegtuig
stap is domweg te weinig om volledig tot mezelf te komen.
Dat zal het zijn.
Verkrampt reageren staat aan de basis van veel
procedures waarmee het
vliegverkeer is omgeven. De topmannen van KLM, Schiphol,
de
luchtverkeersleiding en het ministerie van verkeer en
waterstaat waren
deze week bij 'Pauw en Witteman' best bereid om dat toe
te geven, bij
een eerste terugblik op asvrijdag, aszaterdag, aszondag
en asmaandag.
'Er is iets onveilig (vulkaanas in de lucht), dus alles
is onveilig.'
Gooi maar dicht, dat luchtruim. De realisten in de
sector - onder wie
piloten die op allerlei continenten vrijwel wekelijks om
aswolken en
zandstormen heen vliegen - moesten zich de blaren op de
tong praten om
Europese autoriteiten aan het verstand te brengen dat
dat misschien
een heel klein beetje overdreven is.
Zoals ik het zelf overdreven vind dat ik mijn dunne,
canvas Yellow
Cabs-schoenen op Schiphol moet uittrekken omdat de
metalen oogjes waar
de veters doorheen geregen zijn het alarm van de
detectiepoortjes in
werking stellen (in Valencia piepen ze niet, hoe kan dat?).
Alleen
maar omdat ooit een verwarde geest tevergeefs heeft
geprobeerd om zijn
schoenen op te blazen in een vliegtuig. En wordt naast
mij een hevig
protesterende Engelse mevrouw van een pot pindakaas uit
haar handtas
beroofd. Die van mij zit - mijn Spaanse vrienden zijn er
gek op -
veilig in mijn koffer, net als de bestelde AH koffiepads
en vijf
zakjes Bakpoeder (!) van Dr. Oetker. Als ik die in mijn
rugzak had
gestopt - in combinatie met de (allemaal uitgepakte en
door een barse
beambte op tafel uitgestalde) verdachte opladers voor
laptop en
iPhone, mijn gps-apparaat en usb-kabel voor mijn
fototoestel - hadden
de beste advocaten zes jaar moeten vechten om de
veroordeling van Dick
van der P. nietig te verklaren.
Iets is onveilig, dus alles is onveilig.
Margo en Jacqueline brachten mij - een paar dagen
voordat de as roet
in het eten zou gooien - snel en probleemloos van Spanje
naar
Nederland. Alleen kwakten ze op Schiphol het toestel
behoorlijk hard
op de grond.
'Er stond ook wel heel veel wind', vergoelijkte mijn
vrouw, achter het
stuur van mijn auto, toen ik daar op weg naar huis over
klaagde.
'Wees maar blij dat ze die kist niet achteruit hoefde in
te parkeren',
reageerde een collega later.
Maar hij is van wéér een andere generatie.
De namen Margo en Jacqueline zijn
om privacy- (en misschien ook wel
veiligheids-) redenen gefingeerd. De rest niet. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
1 april
2010 |
|
| |
|
|
| |
Ortho
De scheefgroei van een gebit leidt tot sombere
bespiegelingen. Hij heeft er langer voor op de
wachtlijst gestaan dan voor een nieuwe lever
gebruikelijk is, maar de ten langen leste tot stand
gekomen afspraak met de orthodontist ligt onze zoon (13)
steeds zwaarder op de maag. Op zijn zwartste momenten
mag hij het lot dat hem onafwendbaar boven het puberende
hoofd hangt, samenvatten met: 'Ik heb al een bril,
straks krijg ik ook nog een beugel.'
Je
ziet ze nooit bij 'Opsporing Verzocht', maar er zijn
mensen die orthodontisten wel degelijk tot het
boevengilde rekenen. De
Consumentenbond beschuldigt ze van de vorming van een
beugelkartel, zorgverzekeraars lopen te hoop tegen hun
exorbitante prijsstijgingen
en Tweede Kamerleden maken zich boos over hun inkomens
die de Balkenendenorm ver overschrijden. Hoogleraar
orthodontie Reinder Kuitert mocht in het
televisieprogramma 'Netwerk' beweren dat orthodontisten
vaak alleen op cosmetische - en niet op medische -
gronden een beugel adviseren, zonder er daarbij rekening
mee te houden dat een beugel de situatie ook kan
verslechteren. De Nederlandse
Zorgautoriteit heeft een onderzoek beloofd.
Wat ik zelf weet van orthodontisten is dat er - wellicht
om
bovenstaande redenen - veel te weinig van zijn. In ons
dorp (60.000
inwoners) is er welgeteld eentje, waardoor de wachtlijst
voor een
bezoekje kan oplopen tot Noord-Koreaanse proporties. De
meeste
tandartsen melden adolescenten derhalve preventief aan:
mocht er in de
tussentijd echt iets aan de stand van het gebit dienen
te gebeuren,
dan kun je in elk geval binnen een redelijke termijn
terecht. Onze
dochter heeft op die manier drie jaar op de wachtlijst
voor de
orthodontist gestaan, totdat onze tandarts constateerde
dat al haar
tanden en kiezen keurig op hun plek waren gezakt.
Probleem opgelost.
Net als adhd en autisme kwam ook de beugel in mijn
schooltijd slechts
sporadisch voor. Als bij iemand het gebit wat rommelig
in de mond
stond hoorde dat bij zijn gelaatskenmerken, net als een
grote neus,
rood haar of flaporen. Aan een bochel of een hazenlip
moest je wat
laten doen, daar waren wij het wel over eens. Maar aan
je gebit? Het
was al erg genoeg dat om het halfjaar de bus van de
schooltandarts
voor de deur van onze onderwijsinstelling stopte.
Een aselecte steekproef onder stagiaires op onze
redactie tussen de 16
en 20 jaar oud leert inmiddels dat zo'n zestig tot
zeventig procent
van een middelbare schoolklas is voorzien van ijzerwerk
op, onder of
in de kaken. Want beugels worden ook steeds exotischer.
De dochter van
een collega heeft een zogenaamde blokbeugel: een
apparaat dat veel weg
heeft van het geraamte van een corsopraalwagen en ervoor
moet zorgen
dat haar onderkaak naar voren komt, mits ze het ding
dertien uur per
dag in houdt. De stand van haar mond is inmiddels
zodanig dat ze haar
eten als een kameel naar binnenwerkt en met haar ouders
communiceert
via een doventolk.
Het zijn dit soort vooruitzichten die het wereldbeeld
van onze zoon
vertroebelen. Hij is minder gelukkig dan zijn zus. Na
drie jaar vindt
onze tandarts nog steeds dat een bezoekje aan de 'ortho'
raadzaam is.
Op de ochtend van de bewuste dag neemt hij afscheid van
me als iemand
die zojuist de pil van Drion in zijn lunchtrommeltje
heeft gestopt.
Een uur later belt zijn moeder me op. De afwijkingen aan
zijn gebit
waren zo gering - en dan ook nog eens maar aan één kant
- dat het
zelfs deze zakkenvuller, deze graaier, deze boef (om
maar eens wat
officiële instanties te citeren) te ver ging om een
reeks
vervolgafspraken te maken.
Best jammer, verzucht mijn eega, want het was een lekker
ventje, iets
wat later in de week door een vriendin - wier dochter
wel door deze
ortho is beslagen - volmondig wordt beaamd.
Kan de Nederlandse Zorgautoriteit ook dat aspect in het
onderzoek meewegen? |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
25 maart
2010 |
|
| |
|
|
| |
Lunch
Na een lange, warme zomervakantie wil er nog weleens
eentje uit een schoolrugzak opduiken: een goed gevulde
broodtrommel met overgeschoten pistoletjes. Eentje met
brie en de ander met grillworst, maar allebei
overwoekerd met de grijsblauwe schuimlaag van het bederf.
Aan de zijkant borrelt iets bruins onder de wikkel van
een gesmolten KinderBueno. Je probeert jezelf voor te
bereiden op de stank als je voorzichtig het
tupperwaredekseltje opent, maar wanneer de eerste
lucht zich met een vochtig gesis naar buiten blaast, sla
je toch nog kokhalzend tegen de grond.
Sommige
ervaringen blijven je levenslang bij, zeker als de
herinnering eraan vrijwel dagelijks wordt ververst. Van
alle huisregels die het
kroost aan de laars lapt, staat het gebod om de
broodtrommels bij
thuiskomst meteen in de vaatwasser te zetten hoog in de
top tien. Bijna elke ochtend sluipt een van de twee
achter mijn rug naar de
groenbak om restanten hagelslag, broodkruimels of
aangevreten korsten
weg te gooien, alvorens zich - als een dakloze bij de
soepbus - aan
het aanrecht te melden voor een verse lunch.
En dan heb ik het hier nog over de residuen van wat ik
als een
gangbaar twaalfuurtje beschouw. Zo gauw mijn scherpe
inkoopbeleid het
toelaat - acht voorverpakte producten zijn volgens mijn
Appie vaak
goedkoper dan vier - laat onze dochter - een carnivoor
van het
zuiverste water - om half acht in de ochtend haar
afbakpistoletjes
beleggen met overgeschoten slavinken, rundertartaartjes
of
gemarineerde speklappen. Soms na ampele opwarming in de
juspan, maar
bij grote haast ook zo uit de koelkast, met de geel
gestolde resten
Croma er nog aan. 'Dat is, lang voor de pauze begint, al
gesmolten',
zo weerlegde ze ooit mijn kritiek op deze handelwijze.
Elke keer weer
prijs ik me gelukkig dat ik op ruime afstand ben, zodra
de deksel van
deze brooddoos van Pandora open gaat. Er zijn middelbare
onderwijsinstellingen - denk maar aan ontploffingen in
het
scheikundelokaal - voor minder ontruimd. Op die dagen
van grote haast
om niet te laat te komen, gaat er naast die nauwelijks
afgekoelde
afbakpistoletjes met half bevroren vleesresten, ook een
plak snijkoek
en de al eerder gememoreerde KinderBueno - een
klassieker in het
schoollunchpakket - mee, wat vooral in de zomermaanden
tot
interessante chemische verbindingen leidt.
Bijna net zo erg als de uitwassen met het vaste voedsel
zijn de
calamiteitensituaties die ontstaan door het meenemen van
pakjes
drinken in die vakjes van een Eastpak-rugzak die
eigenlijk zijn
bestemd voor een passer of geodriehoek. Onze zoon - die
letterlijk op
een 'School met den Bijbel' zit - torst op dagen dat hij
godsdienst
heeft een vuistdik exemplaar van de Heilige Schrift met
zich mee, dat
hij alleen nog in zijn tas krijgt door het tussen de
andere boeken
vacuüm te duwen. Soms zijn we er live getuige van, maar
meestal merken
we het pas een paar dagen later dat daarbij een pakje
halfvolle
chocomel is geïmplodeerd en hij in de keuken een bruin
aangekoekte
laag van zijn gehuurde lesboeken probeert af te spoelen.
De grootste puinhoop ontstaat meestal op dagen dat ik -
na bestudering
van adviezen van het Voedingscentrum - enige variatie in
de
schoollunch probeer aan te brengen en de chocomel
vervang door verse
jus d'orange, de KinderBueno door suikervrije
ontbijtkoek en de
afbakpistoletjes door mueslibollen van mijn
prijsstuntende
grootgrutter. Als huisdieren die trots een halfvergane
prooi voor je
voeten deponeren, zo halen ze na weken nog
overblijfselen van dit
vitaminerijk voedsel tussen wiskundeschriften en
rekenlinialen
vandaan.
De dagen worden langer, de temperaturen gaan weer omhoog.
In Limburg
werd gisteren alweer de twintig graden aangetikt.
Onderin de Eastpaks
van honderdduizenden scholieren beginnen de goed
geconserveerde
overblijfselen van zes lange wintermaanden te gisten en
te geuren.
Aarzel niet om de autoriteiten in te lichten. Elke
rugzak is een
tikkende tijdbom. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
18 maart
2010 |
|
| |
|
|
| |
Koppeling
De vraag was beslist ter zake doende, op de ochtend van
de dag waarop haar eerste rijles op het programma stond.
Maar toch wordt mijn eega er volkomen door verrast. ,,Op
welke plek zit eigenlijk de koppeling?'', wil onze
dochter bij het ontbijt weten. ,,Links of rechts?''
Zoals zo vaak bij het onder woorden brengen van
automatismen, valt mijn echtgenote - bijna dertig jaar
in het bezit van rijbewijs B, verzekeringstechnisch al
tijden lang bivakkerend op de hoogste trede van de
bonus-malusregeling - stil, om ons vervolgens hardop
kond te doen van haar verwarring. ,,Even kijken, het
gaspedaal zit rechts, en daarnaast zit, de koppeling? Of
de rem?'' Nadat ze haar eigen hoongelach heeft laten
verstommen, lijkt dit mijn oudste nazaat
het geëigende moment om mij het verlossende woord te
laten spreken.
Nee, dit wordt geen stukje over vrouwen die niet kunnen
autorijden.
Althans, met die intentie ben ik er niet aan begonnen.
Maar je weet
nooit
hoe het loopt, als je eenmaal begint te tikken. Zo gaan
mijn gedachten op dit moment terug naar de tijd dat onze
tweede auto een
roestrode Fiat Panda was, die vooral bij de koude start
blijk gaf van een wispelturig karakter. Het kon gebeuren
dat ik drie keer per week
hyperventilerend en bloedspuwend achter het ding de
straat op en neer draafde, terwijl mijn vrouw achter het
stuur vergeefse pogingen deed om de motor aan de praat
te krijgen. ,,De koppeling loslaten!'', hijgde ik dan
met hese rochels, om vervolgens met mijn voortanden
tegen de achterruit te slaan als ze keihard op de rem
trapte. Dat heb je óók met automatismen. Je moet ze niet
specifiek willen benoemen.
Bovendien had ik haar impulsieve pedaalgedrag aan mezelf
te wijten
omdat ik één van de eerste keren dat ik 'Koppeling
loslaten!' riep, in
woede ontstak toen ze de tijd nam om haar hoofd uit het
raampje te
steken voor de even informatieve als open vraag: 'De
koppeling???'
Met het zwemdiploma heeft het halen van het rijbewijs
gemeen dat beide
papiertjes in mijn optiek een onmiskenbaar onderdeel van
de opvoeding
vormen. Bovendien heb je aan het rijbewijs, als ouder,
veel minder
werk. Het kroost wordt keurig aan de deur gehaald en
gebracht, je
hoeft niet een uur lang in een tot tropische
temperaturen verwarmde
ruimte te wachten totdat het onderricht voorbij is en
ook het afdrogen
en aankleden van drie klamme lichamen - ik moest bij
toerbeurt ook
twee buurmeisjes meenemen, dat kon in die tijd nog -
blijft je
bespaard.
Jarenlang heeft onze vorig week achttien jaar geworden
dochter zich op
het grote moment voorbereid door het bekijken van alle
op internet
beschikbare afleveringen van 'Top Gear', waardoor bij
haar het
verwrongen beeld heeft postgevat dat auto's haakse
bochten moeten
kunnen maken, zich bij voorkeur voortbewegen met een
kruissnelheid van
tegen de 225 kilometer per uur en voorzien zijn van een
prijskaartje
met daarop het bedrag van een modaal rijtjeshuis. Onze
ruimhartige
geste dat het gezinswagenpark - een Kia Sorento en een
Chevrolet Matiz
- na het behalen van het rijbewijs tot haar beschikking
staat, werd
aanvaard met de minzame blik van iemand die nog niet
dood in die
koekblikken wil worden gevonden.
Als het belangrijkste wapenfeit van haar eerste rijles
noemt ze het
behalen van de afschrikwekkende snelheid van 90
kilometer per uur,
maar bij enig navragen blijkt dat ze daarbij alleen het
stuurwiel en
het gaspedaal hanteerde. Het koppelen en schakelen
gebeurde door haar
instructeur.
Ging dat goed?
Nou, af en toe gierde de motor wel behoorlijk, als zij
gas gaf op het
moment dat de instructeur alvast de koppeling intrapte.
De vrouwelijke instructeur.
Daar bedoel ik verder niks mee, natuurlijk. Maar het
stukje is zo wel
mooi rond. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
11 maart
2010 |
|
| |
|
|
| |
Rambo III
De strijd om de kijkersgunst had hij al verloren van
Linda de Mols 'Ik hou van Holland'. Maar deze
zaterdagavond is het onze zoon die hem de genadeklap
geeft. ,,Gaan jullie Paul de Leeuw kijken?'', vraagt hij,
bij wat ik als een opmaat naar ons wekelijkse
familiemoment voor de buis beschouw. Sinds zijn zus zich
op haar kamer heeft teruggetrokken voor kwaliteitsseries
van de BBC, is hij onze enige hoop om in de
tradities van 'Eén van de Acht', de 'Berend Boudewijn
Show' en 'Avro's Wiekent Kwis' te treden. Ik maak alvast
wat ruimte voor hem op de bank, maar hij schudt nee. ,,Ik
ga boven 'Rambo III' kijken.''
Behalve met dooddoeners als 'De kindertjes in Afrika
hebben niet eens
bord om leeg te eten' en 'Denk je soms dat het geld me
op de rug
groeit?',
wist mijn moeder ons om de oren te slaan met de
uitspraak 'Het is hier geen hotel'. Die bewaarde ze voor
de keren dat wij - mijn drie zussen en ik - morden over
vertraging bij de avondmaaltijd, het ontbreken van
roomservice en klachten over onopgemaakte bedden en
ander klein ongerief. Nu mag mijn eega hem er nog
weleens ingooien, op soortgelijke momenten die kennelijk
van alle tijden zijn. Maar wij runnen geen hotel. Wij
beheren een appartementencomplex.
Bij gezinnen met jonge kinderen is de woonkamer vaak een
combinatie
van leef- en speelruimte, waar je de benen breekt over
loopfietsjes en
rondslingerende miniatuur-hulpverleningsvoertuigen.
Normale gesprekken
zijn er niet te voeren omdat het kroost uitgerekend op
zulke momenten
met potten en pannen het repertoire van Slagerij Van
Kampen wil
nabootsen. Of slaags raakt bij een geschil over het
eigendomsrecht van
een Playmobil-poppetje.
Wij hebben het bij ons thuis ook wel geprobeerd met een
kinderhoekje
met Fred Flintstone-meubilair en een schoolbord. Maar
vanaf het moment
dat ze zich enigermate op eigen kracht konden
voortbewegen, zochten
onze nazaten de beschutting van hun eigen kamer op. Ze
vonden ons te
druk. Of ergerden zich aan de klanken van terminale
singer-songwriters
die de hele dag uit mijn boxen komen. Een andere
verklaring heb ik zo
gauw niet.
Zelf mocht ik ook graag op mijn knapenkamertje
rondhangen onder mijn
poster van een topless Bonnie St. Claire, met Albert
Hammond's 'The
Free Electric Band' op mijn bakelieten pick-up en een
beduimeld
exemplaar van de Bob Evers-serie in mijn hand. Maar om
tv te kijken
moest ik me bij tijd en wijle toch ook in de woonkamer
ophouden. Nu er
in de appartementen van ons kroost meer apparaten staan
dan in een
middelgrote Mediamarkt, krijgen we ze in de regel alleen
bij het
avondmaal te zien. Recentelijk is ook het gezamenlijke
chocomelmoment
- rond 20.30 uur - met stroopwafel of gelijkwaardige
versnapering ten
prooi gevallen aan de individualisering. Ze schenken het
nog wel in
aan het aanrecht, maar vertrekken dan met de buit -
daartoe kan in de
regel ook een bak chips worden gerekend - meteen weer
naar boven. Bij
het efficiënt vullen van de vaatwasser moet ik
tegenwoordig eerst een
rondje door het huis maken om het serviesgoed weer
enigszins compleet
te krijgen, me verbijtend om het belegen 'Het is hier
geen hotel' op
het puntje van mijn tong te houden.
Wat overbleef was de nostalgie van het
zaterdagavond-voor-de-buismoment - frisgewassen, in
pyjama, herinner
ik me van vroeger - uit een tijdsgewricht dat nog geen
zoveelste
Rambo-revival van Veronica kende.
In de geest van Sylvester Stallone houd ik me sterk,
maar toch doe ik
toch nog een wankelmoedige poging hem over te halen voor
X De Leeuw.
' Van alle Rambo's deugt alleen deel I', zeg ik.
- 'Die begint pas om tien uur, die mag ik niet afkijken',
zegt onze
zoon praktisch.
Voor wie op tijd naar bed moet is 'Rambo III' goed
genoeg om mee te beginnen. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
4 maart
2010 |
|
| |
|
|
| |
Appie
Mannen in supermarkten, dat
heeft altijd iets treurigs. De verveling waarmee ze over
hun karretje hangen, de ergernis waarmee ze bij het
schap met wasmiddelen met hun vrouw staan te bellen ('Ik
zie helemaal geen Robijn Fleur en Fijn!'). Nee, dan de
monterheid waarmee ik me langs de voorraden beweeg,
iPhone in de linkerhand, programma opengeklikt op mijn
digitale boodschappenhulp ' Appie' ('Kan ik je helpen?'),
op het touchscreen producten wegstrepend die al in mijn
karretje liggen of scrollen naar wat nog moet gebeuren.
Zó horen mannen boodschappen te doen.
Programma's
voor de Iphone heten een App (applicatie). Appie is het supermarkthulpje
van een anonieme grootgrutter (ik ga hier natuurlijk
geen reclame zitten maken). De naam is goed gevonden. App(ie).
Appie kan boodschappenlijstjes maken, weet welke
producten er in de aanbieding zijn, heeft 8000 recepten
in zijn geheugen gegrift en kan met één druk op de knop
alle ingrediënten voor 'penne met spruitjes, kaas en
tomatensaus' of 'gestoofde groenten met zalmvissticks'
op je lijstje zetten. Appie weet ook wat je de laatste
drie maanden allemaal hebt gekocht en wat je het vaakst
hebt ingeslagen en zet bij elk product ook nog eens een
plaatje. Kom daar maar eens om, op dat beduimelde
briefje dat je tot voor kort van je vrouw mee kreeg.
In mijn vorige supermarkt - nee, ik noem weer geen namen,
straks denkt u nog dat het Dirkie was - gebruikte ik de
Appie ook al, maar daar had ik alleen wat aan het
boodschappenlijstje dat ik met de hand moest invullen.
Want Appie werkt het best als je hem eerst hebt gevoerd
met het nummer van je Premiekaart (straks denkt u nog
dat ik Bonuskaart bedoel), die bij de kassa wordt
gescand, je producten opslaat in de computer, waarna de
iPhone je gegevens er dan weer af kan halen.
Rond de kilometerheffing is het nog een hele heisa, die
privacybescherming. Maar wie korting kan krijgen met een
Premiekaart levert zich met graagte uit aan het
grootwinkelbedrijf. De mannen achter Appie weten wanneer
mijn eega ongesteld is, hoeveel flessen wijn wij er in
een week doorheen jagen en hoeveel vette snacks er in
mijn karretje belanden. Een gemiddelde
ziektekostenverzekeraar is ongetwijfeld bereid om
goudgeld voor deze gegevens te betalen. Maar wij
vertrouwen er blindelings op dat dit niet gebeurt.
Boeven zitten alleen in de regering.
Appie weet ook steeds het dichtstbijzijnde filiaal te
vinden. En aangezien mijn iPhone ook is voorzien van gps,
zou het een volgende stap kunnen zijn om mijn
boodschappenlijstje automatisch zo te rangschikken dat
ik de hele handel precies op de goede routing door de
winkel tegenkom. Maar zo blijft er altijd wel wat te
wensen over.
Het was een ingrijpende stap om mijn vertrouwde
supermarkt in te wisselen voor het concern dat
schuilgaat achter de Appie. Maar de onhebbelijke
gewoonte om met zekere regelmaat mijn eerste
levensbehoeften uit het assortiment te nemen, deed hen
uiteindelijk de das om. Ik spreek hier onder meer over
de DropFruit-duo's, de risotto uit de reeks
Wereldgerechten en, tot overmaat van ramp, de Pringles
Light. Als consument laat ik niet met mij sollen.
Niet dat mijn nieuwe super ideaal is. Het ding heeft het
formaat van een Ikea, maar de karretjes en de
infrastructuur bij de kassa zijn die van een buurtwinkel.
Bovendien zitten er in de hal minderjarigen die na het
afrekenen hun hand bedelend naar je uit steken. Dat zou
in een land als het onze ook niet hoeven. Maar goed,
daar zal ik mij met de lokale Harry Piekema over
verstaan.
Ofschoon dat misschien niet eens nodig is, omdat ik door
een fietsmaat tijdens lange ritten word doorgezaagd over
de zegeningen van het online winkelen. Tegen een luttel
bedrag wordt alles op een afgesproken tijdstip
thuisgebracht. Ik beschik inmiddels over een account,
heb al virtueel rondgesnuffeld langs het assortiment
maar stuit voorlopig nog op het 'njet' van mijn
levenspartner die van mening is dat het enige wat ik nog
doe in het huishouden niet volledig mag worden
geautomatiseerd.
Eindigt dit stukje toch weer net zo treurig als het
begon. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
25 februari
2010 |
|
| |
|
|
| |
Coaching
Zelf vond hij dat wij ook wel wat
beter hadden mogen opletten, maar een feit is dat - tien
minuten nadat onze zoon naar school is vertrokken - zijn
brood en pakjes drinken nog op het aanrecht staan. Geld
heeft hij ook niet bij zich, noch een telefoon, want die
heb ik boven op zijn bureau zien liggen. De geschokte
ouders kijken elkaar aan met de mengeling van
verbijstering en ongeloof die in coachingskringen sinds
dinsdag de Gerard Kemkers-blik heet.
De één vergeet een buitenbocht, de ander zijn lunch. Ik
weet, het zijn
onvergelijkbare grootheden, maar aan beide gaat een
ogenblik van
onachtzaamheid in de begeleiding vooraf. Wij - ouders en
opvoeders -
zouden daarbij van harte tekenen voor één uitglijder in
de vier jaar.
Maar als 'vergeten' een dagelijks terugkerend ritueel
is, moet ik u op
deze plek bij tijd en wijle lastig vallen met een
evalutatiemomentje.
Zelf ben ik nogal
gelijkmoedig (mijn vrouw meent: onverschillig) onder
de voortdurende stroom goederen die onze zoon van, naar
en op school
kwijt raakt. Ik zie mezelf als het type Kemkers, dat af
en toe
hoofdschuddend de handen voor de ogen slaat, of stil in
een hoekje
wegzakt. Mijn echtgenote zou ik onder dit soort
omstandigheden - elke
week verloren handschoenen, fietslampjes, vesten,
schoolspullen en nog
zo wat van dat incourante spul - willen vergelijken met
een andere
grote coach die al zoveel successen op zijn naam heeft
staan, maar
zichzelf ook nog wel eens kan verliezen in momenten van
stemverheffing.
Juist, Louis van Gaal.
Mijn pleidooi voor 'berusting'
wordt in de regel alleen door mijn zoon
goed opgepikt.
Van persberichten waarmee
een plaatselijke zorginstelling ons bestookt
weet ik dat er cursussen 'Effectief omgaan met uw kind'
bestaan. 'U
leert: zó conflicten oplossen dat niemand verliest, zó
naar kinderen
luisteren dat zij zich begrepen voelen, zó afspraken
maken dat
iedereen zich daaraan houdt en zó praten dat kinderen u
begrijpen.'
Uit onderzoek blijkt dat dit leidt tot meer
zelfvertrouwen bij ouder
en kind, meer begrip en geduld voor elkaar, een betere
sfeer in huis,
minder conflicten en positievere gevoelens.
Zelf ben ik meer van het
pappen en nathouden. Na enkele ogenblikken
van stilzwijgen over de vergeten lunch, gooi ik mezelf
in een wat
hogere versnelling bij het naar binnen werken van mijn
eigen ontbijt,
stop zijn eten en drinken in een plastic tasje en rijd
hem - met een
kwartier achterstand - achterna naar school. Als ik bij
de hoofdingang
stop, komt hij net de fietsenkelder uit, zijn rantsoen
aanpakkend
alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Daarna
krijg ik de
'ongezien snel verdwijnen'-blik, die pubers opzetten bij
confrontaties
met het ouderlijk gezag op plekken die zij als hun eigen
domein
beschouwen.
Als ik 's middags, na een
dag van hard werken, thuis denk aan te
schuiven voor de warme prak, ligt de avondmaaltijd nog
in de
verpakking op hetzelfde aanrecht als waarop onze nazaat
's morgens
zijn lunchpakket heeft laten liggen. Van zowel zoon als
vrouw geen
spoor. Pas als ik alles zo'n beetje eettafelgereed heb,
komen ze
hijgend binnen. Hij wat besmuikt kijkend, het gezicht
van z'n moeder
op onweer. Van de basketbalschoenen die hij 's avonds
weer voor zijn
training nodig heeft, is hij er - waarschijnlijk
onderweg van school
naar huis - één kwijtgeraakt en derhalve moest er - vlak
voor de
winkelsluiting - nog een nieuw paar worden aangeschaft.
Om ervoor te zorgen dat mijn
berusting verkeerd wordt uitgelegd, heb
ik graag wat omhanden. Zwijgend zet ik mij aan het
opruimen van
stroopwafelwikkels en snoeppapiertjes waarmee de
favoriete tv-kijkplek
van onze zoon ligt bezaaid. Zijn 'Er vielen wat uren uit,
dus was ik
al om één uur thuis', lijkt hem een afdoende verklaring
voor deze
afvalberg.
Achter mijn rug zie ik hem
de brooddoos die ik 's morgens in het zweet
mijns aanschijns heb nagebracht, heimelijk leegschudden
boven de
gft-bak.
Heb ik toch nog even mijn
Van Gaal-momentje. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
18 februari
2010 |
|
| |
|
|
| |
Oma heeft
het gedaan
Met de beelden van de hongerende
kindertjes in Haïti nog op ons netvlies, is het goed om
ook de andere kant van het voedselvraagstuk eens te
belichten. De kant van de smekende armpjes waarmee mijn
nichten, neven en bloedeigen kroost zich op zondagmiddag
tot oma wenden, die met rode konen in de damp van haar
frituurpan staat. ,,Nee oma, niet nog meer frikadellen!’’
Om na haar resolute reactie in een nieuw, nog luider
gehuil uit te barsten: ,,Nee, ook geen pikanto’s!’’
Net als de commissie Davids
en de commissie De Wit zijn Britse onderzoekers op zoek
geweest naar de vraag: wiens schuld is het? Ze
winden
er geen doekjes om. Het zijn de opa’s en oma’s.
Grootouders maken kleinkinderen dik. Ze verwennen ze
teveel. Stoppen ze te vol met ongezonde kost. Vooral
kinderen die onder het juk van oppasoma’s en -opa’s
zuchten, lopen 33 procent meer kans om overgewicht te
krijgen dan de nakomelingen die gewoon bij moeders thuis
of onder de hoede van de crècheleidster opgroeien.
Grootouders serveren vooral vetter voedsel en doen
minder actieve dingen met hun kleinkinderen, concluderen
de Britten.
Geen woord van gelogen. Als
wij na een avondje schouwburg- of bioscoopbezoek weer
thuiskwamen, troffen we onze peuters doorgaans in hun
ledikantje aan met een zuurstok die genoeg kleurstof
bevatte om een peloton zenboeddhisten ADHD te bezorgen.
Of lurkend aan een zuigfles met nauwelijks verdunde
limonade. ’Vinden ze lekker’, gaf mijn moeder - hun oma,
in dit geval - dan als verklaring. Het zou - als
tegenwicht voor het door haar verfoeide ’Overdaad
schaadt’ - ook in latere jaren haar levensmotto worden
in het contact met haar kleinkinderen. Nog een stelling:
van snoep en frituur is nog nooit iemand minder geworden.
Nee, dat is echt niet alleen voorbehouden aan de
kleintjes. Na het wekelijkse zondagse bezoek krijgen
zelfs kleinkinderen die op het punt staan zichzelf voort
te planten - of er in elk geval druk voor aan het
oefenen zijn - nog een rolletje Fruitella in de handen
gedrukt. En wie de fout maakt om voorafgaande aan een
vliegreis naar Chersonissos, Salou of een ander
verderfelijk jongerenoord even bij oma langs te gaan om
gedag te zeggen, ziet zich na het ontvangst nemen van
het ’snoepje voor onderweg’ bij de bagageafhandeling
plotseling geconfronteerd met vijf kilo overgewicht.
Het zijn niet de minsten die
zich momenteel bezighouden met het tegengaan van
obesitas bij minderjarigen. In het land waar het
moddervette kind is uitgevonden - de Verenigde Staten -
spant Michelle Obama zich hoogstpersoonlijk in om de
ziekte overgewicht binnen één generatie uit te roeien.
Maar ook hier is de tegenstroom reeds op gang gekomen.
’Blijf met je socialistische vingers uit mijn
winkelwagentje’, zo wordt er (door oma’s) op de als
betuttelend ervaren actie van de first lady gereageerd.
Zo bot zou mijn moeder het
nooit gezegd hebben. Maar haar verzet tegen de heersende
mores om alles met een maatje minder af te doen of malle
fratsen als een glutenvrij dieet of een voedselallergie,
is nauwelijks subtieler. Wie aan de lijn is, kan bij
haar ongevraagd rekenen op het grootste stuk appeltaart
met de meeste slagroom. Wie oppert dat een leven als
vegetariër zo gek nog niet is, wordt murw gemaakt met
schalen bitterballen, kipstukjes in satésaus en
zelfgedraaide balletjes gehakt. En als haar enige zoon
zich met ingevallen wangen meldt bij de
zondagochtendkoffie, is ze in staat om op haar fiets met
trapondersteuning naar Hengelo te rijden om die dr.
Frank eens te vertellen hoe ze werkelijk over hem denkt.
Je moet goed (= veel) eten.
Anders word je ziek. Anders bén je ziek.
En Britse onderzoekers die
vinden dat oma’s verantwoordelijk zijn voor overgewicht?
Die vindt ze nog
onbetrouwbaarder dan klimatologen. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
11
februari
2010 |
|
| |
|
|
| |
Dank, dank, dank, dr. Frank!
Minder eten en meer bewegen. Ja, dat weet ik natuurlijk
ook wel. Maar aan het begin van elk jaar heeft een mens
toch behoefte aan een dieetgoeroe die hem over het
smalle pad van matiging en zelfbeheersing door de velden
des overvloeds leidt. Als zo'n beetje de laatste
Nederlander kwam ik anderhalve week geleden in aanraking
met Hem, dr. Frank. Zijn Woord - meer vlees en lekker
veel eieren bij de groenten; zet de aardappels, het
brood en de pasta even aan de kant - heeft aan dit lijf
zo vol geladen inmiddels ruim drie kilo in mindering
gebracht. Dank, dank, dank, dr. Frank!

Zo stevig als ik op allerlei
deelterreinen van dit leven in mijn schoenen sta, zo
labiel word ik als mensen mij iets aan de man proberen
te brengen. Voor standwerkerconcoursen, huishoudbeurzen
en de snuisterijbakken vol goedkope elektronica en
onmisbare gereedschappen
bij Lidl en Aldi zou mij eigenlijk van overheidswege
permanent een verschijningsverbod moeten worden opgelegd.
Dr. Frank had, aan tafel bij 'Pauw en Witteman', maar
vijf minuten nodig om mij geniepig uit de
bank te doen wegsluipen om bij Bol.com zijn bestseller 'Gezond
slank met dr. Frank' aan te schaffen. 'Alvast voor je
verjaardag', improviseerde ik er lustig op los, toen
mijn nietsvermoedende eega het
rijk geïllustreerde boekwerk twee dagen later van zijn
verpakking
ontdeed.
Je weet niet hoeveel ondankbaarheid er
soms in een vrouw huist.
Als kersverse volgeling heb ik binnen
mijn gezin te maken met een
aantal dr. Frank-sceptici. Zij mogen mijn nieuwe
dieetgoeroe graag
wegzetten als de nieuwste hype in het rijtje Sonja
Bakker, Montignac
en Robert Atkins. Daarmee wordt dr. Frank groot onrecht
aangedaan. De
man is een heuse internist en vasculair (nee, ik heb ook
geen idee en
was te lui om het op te zoeken) geneeskundige uit
Hengelo, geen
prutser derhalve. Behalve voor veel vlees en eieren heb
ik mij tot
zijn dieet bekeerd met de verzekering dat door deze
overdoses eiwitten
mijn spiersterkte niet afneemt. En dat is wel zo handig,
nu ik in de
voorbereiding op het nieuwe wielerseizoen weer even snel
mijn
jaarlijkse tien winterkilo's kwijt moet.
Niet dat ik dr. Frank geheel naar de
letter volg. Het is meer dat ik
in zijn geest handel. Het is me een beetje te veel gedoe,
om alle
ingrediënten voor zijn recepten één voor één bij elkaar
te sprokkelen.
Bij mijn wekelijkse rondgang door de supermarkt vul ik
mijn karretje
vooral met plastic zakken voorgesneden Italiaanse,
Oosterse of
Nederlandse roerbakgroente, die ik - na ampele bereiding
- uitstort
boven borden shoarmavlees, schijven varkensrollade,
moten gegrilde
zalm of in een braadzak gegaard kippetje. Bij de lunch
in het
bedrijfsrestaurant van dit krantenbedrijf gooi ik wat
magere
vleeswaren en hardgekookte eieren bij een bordje salade.
Maar 's
morgens ontbijt ik nog steeds met muesli en 's avonds
laat ik ook mijn
glaasje(s) wijn niet staan. Dat zou dr. Frank ook niet
gewild hebben.
Wel heb ik - voor de buis - de buis Pringles ingeruild
voor plakjes
chorizo.
Want bewegen doe ik natuurlijk veel meer
dan de doorsnee dr.
Frank-volgeling. Bij mijn eerste serieuze
mountainbikerit met een lijf
dat ruim drie kilo lichter is, voel ik mezelf - aan de
rand van een
steile afdaling op het mtb-parcours in de duinen -
letterlijk loskomen
van de zwaartekracht. Zo vrij als een vogeltje vlieg ik
zeker een
meter of drie door de lucht, om vervolgens als de zak
aardappelen die
dr. Frank mij verboden heeft weer met een klap op het
aluminiumframe
van mijn fiets neer te komen.
Als ik een week lang moeizaam door het
leven strompel met meer blauwe
plekken dan een gemiddelde Blijf van mijn
lijf-huisbewoner, is dat
opnieuw koren op de molen van de gezinssceptici.
'Super mank met dr. Frank', smaalt mijn
echtgenote. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
4
februari
2010 |
|
| |
|
|
| |
Goed verhaal
Het was niet de doorsneefoto van een auto die uit het
water wordt getakeld, die in het plaatselijke
huis-aan-huisblad mijn aandacht trok. Nee, het waren de
kleur en de belettering, die me maar al te bekend voor
kwamen. Pas twee dagen later kreeg ik de kans om het te
checken. 'Was dat jouw wagen, Huibert?', vroeg ik aan
mijn buurman, die ogenschijnlijk twee honden en zijn
kroost liep uit te laten in de groenzone aan het eind
van de straat. Alleen het 'Nee hè!' van zijn zoontje
verraadde zijn werkelijke bedoelingen. Hier liep een man
met een goed verhaal, dat het waard was om door iedereen
te worden gehoord.
Huibert
ging er eens goed voor staan. 'Je weet waar ik mijn
bedrijfje heb, hè, in die loods direct langs het kanaal.'
Ik knikte. Zijn rode bestelwagen en die van zijn
medewerker had ik er vaak genoeg zien staan. Die bewuste
ochtend reed Huibert de schuine afrit naar de waterkant
af - 'Vijf kilometer per uur, harder zal het niet zijn
geweest' - toen hij voelde dat de auto begon te glijden.
En te glijden. En te glijden.
('De honden willen naar huis, pap')
Later hoorde hij dat de brandweer, die
aan de overkant van het water
een kazerne heeft, ter hoogte van zijn bedrijf wat had
staan oefenen
en - brandweermannen eigen - daarbij nogal wat water had
gemorst. Die
nacht was dat opgevroren tot een ijslaag van een
centimeter of twee,
waar de wielen van de bedrijfswagen van Huibert
tevergeefs grip op
probeerden te krijgen. Een paar seconden maar, duurde
het, voordat
twee wielen aan één kant over het kademuurtje schoven,
het voertuig
even wiebelend tussen hemel en aarde op het chassis
bleef hangen en
uiteindelijk met een plons op z'n kop in het kanaal
terecht kwam.
'En daar lag ik', zegt Huibert.
('Kom je nou, pap?')
'vast in m'n riem, ondersteboven, twee
meter onder water.'
Hij laat even een stilte vallen, maar ik
kijk wel uit om hem te
onderbreken. Zelfs zoonlief is even stil, op dit
cruciale moment.
Huibert grijnst: 'Mijn radio deed het nog, mijn
koplampen bleven
branden en er kwam geen druppel water naar binnen.'
Ik stel hem niet teleur en maak de
bijbehorende geluiden van ontzetting.
Net toen Huibert zich de cruciale vraag
'Hoe kom ik hier nu uit?' had
gesteld, begon het bestelwagentje langzaam te kantelen,
maakte een
volledige draai en brak, als een opstijgende onderzeeër,
met een hups
sprongetje door het wateroppervlak. Hij keek om zich
heen, pakte zijn
aktetas, agenda en portemonnee - 'Alleen mijn telefoon
kon ik niet
vinden' - drukte op het knopje om het raam te laten
zakken - 'Ja, ook
dat werkte nog' - en klom, zich vastklampend aan de
imperiaal, op het
dak van zijn auto.
('Pap, ik krijg het koud!')
Maar Huibert is nog niet klaar. Als een
veldheer staat hij op het
roestvrijstalen dakgeraamte van zijn wagen, die langzaam
naar het
midden van het kanaal drijft. Aan de overkant ziet hij
grote beroering
bij de brandweer, waar - met de efficiency die deze
beroepsgroep ook
zo eigen is - een grote ladderwagen uit de kazerne wordt
gereden. Nog
geen vijftig meter hoeft het voertuig te overbruggen om
de ladder over
het water richting Huibert te schuiven die, op het
moment dat zijn
eigen auto net weer onder wil duiken, in het bakje bij
de brandweerman
stapt.
'Kurkdroog was ik nog, ik had niet eens
natte schoenen!'
Zijn zoon trekt aan zijn mouw, in de
wetenschap dat na dit happy end
nog maar weinig een vertrek in de weg staat.
'Goed verhaal, Huibert!', zeg ik, maar
dat weet mijn buurman al.
Ik sla hem op zijn schouder, stap weer op mijn fiets en
zie nog net
hoe hij - dit keer door een andere wandelaar - wordt
staande gehouden.
'Nee hè!', hoor ik zijn zoontje roepen.
Maar Huibert gaat er weer eens goed voor
staan. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
28 januari
2010 |
|
| |
|
|
| |
Puberen
Er zijn tal van
belangwekkende onderwerpen om met je 13-jarige zoon over
te discussiëren. De doelmatigheid van de hulpverlening
aan Haïti. De verlenging van onze missie in Uruzgan. Het
rekeningrijden, niet te vergeten. Maar koud vijf minuten
nadat ik de warme echtelijke sponde heb verlaten zit ik
niet te wachten op een hopeloos makende verbale strijd
over de voordelen van magere yoghurtdrink (met
framboossmaak)
boven halfvolle melk bij
het ontbijt.
Het heeft even geduurd
maar ook bij onze jongste nazaat heeft de
puberteit in al zijn
hevigheid toegeslagen. Je kunt er tegenwoordig
als ouders cursussen in
volgen. Of boeken over lezen. Maar omdat het
in dit stadium nog voornamelijk
vermoeiend is, laten we het voorlopig
maar over ons heen komen,
in de wetenschap - of is het valse hoop? -
dat het ook een keer
overgaat.
En het kan natuurlijk zoveel erger,
dan de hele dag voortdurend overal
over in discussie gaan.
Experimenteren met drank en drugs, het verwaarlozen van
zijn schoolwerk, het begaan van kleine, veelvoorkomende
criminaliteit of met vrienden rondhangen op een plek
waar de samenleving dat
liever niet heeft. Nee, als ouders kunnen we het ons
niet voorstellen dat onze lieve kleine jongen zich er
ooit aan te buiten gaat. Maar het ergste moet nog komen,
hield Gerard Reve ons al voor.
Aangezien pubers er niks aan kunnen
doen - het schijnt iets met hun
hersenen van doen te
hebben - is de puberteit vooral een probleem van
ouders. Wij kunnen er zo
moeilijk aan wennen dat bij alles wat hij
dertien jaar lang voor
zoete koek heeft geslikt, opeens vraagtekens
worden geplaatst. In ons
gezin mag de puberteit zelfs als een
éénouderprobleem worden
aangemerkt. Aangezien ik zelf niet zo van het
handhaven ben, zie en
hoor ik de meeste twistgesprekken van een
afstandje belangstellend
aan. Misschien zit er nog een stukje in.
Mooie tweegevechten zijn het, tussen
mijn wederhelft en mijn zoon.
Door de heftigheid
waarmee ze elkaar verbaal te lijf gaan, zou je
haast vergeten dat het
nergens over gaat. In mijn vrouw bewonder ik de
passie waarmee ze haar
standpunten uiteen zet. In mijn zoon de
compromisloosheid waarmee
hij op elk argument een weerwoord heeft. De
laatste tijd mag hij - ik
zie in hem een strafrechtadvocaat - zich
graag bedienen van
juridische scherpslijperij als hij ons ongeschreven
huishoudelijk reglement
op onderdelen betwist.
'Is dit een regel?'
'Of een richtlijn?'
(Ik zie de verwarring op het gezicht
van mijn eega.)
- 'Uh, een richtlijn.'
'Mooi, want aan een richtlijn hoef
ik me niet te houden. Aan een regel wel.'
Mijn enige probleem met hem is
momenteel dat hij - vrijwel elke
ochtend - bezwaar maakt
tegen het glas melk dat ik gedienstig - het
ontbijt is mijn werk, dat
is ooit zo scheefgegroeid in ons gezin -
naast zijn bakje met
Kelloggs Cocopops neerzet. Maar zodra hij beneden
komt op het moment dat ik
op een niet nader aan te duiden plaats het
ochtendblad tot mij neem,
bedient hij zichzelf van magere yoghurtdrink
(met framboossmaak).
Aangezien ik weiger te aanvaarden dat ik een
gewoontedier ben dat elke
week zonder verdere onderbouwing 7,5 liter
melk van de supermarkt
mee naar huis sleep, ga ik op dit punt de
strijd graag met hem aan,
wat leidt tot argumentaties over:
De hoeveelheid suiker die er in
yoghurtdrink zit.
('Dit is magere yoghurtdrink', weet
mijn zoon.)
De ook anderszins ongezonde
samenstelling.
('Het is gewoon melk met een
kleurtje', meent mijn zoon.)
Of, mijn sterkste argument, de
houdbaarheid: magere yoghurtdrink met
framboossmaak is door
verhitting langer houdbaar, tot 21 juni, en mijn
7,5 liter verse halfvolle
melk is op 31 januari hartstikke zuur.
('Waarom koop je dan zoveel melk?',
zegt mijn zoon).
Dat is meestal het moment waarop ik
hoop dat mijn 17-jarige dochter de
trap af komt en ook aan
dit pubertwistgesprek een eind maakt met de
woorden:
'Accepteer het. En ga door met je
leven.' |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
21 januari
2010 |
|
| |
|
|
| |
Graaicultuur
In het puberbrein zijn de
hersengebieden die gevoelig zijn voor
beloningen al sterk
ontwikkeld. Maar er is ook nog zoiets als de
tijdgeest. ,,Zoon, we
moeten praten'', zo begin ik het
slechtnieuwsgesprek met
mijn jongste nazaat. ,,De wereldwijde crisis waarin het
internationale bankwezen ons heeft gestort, nopen ook
mij op microniveau tot impopulaire maatregelen. Met
ingang van heden is je bonus voor elk gescoord punt in
een basketbalwedstrijd ingetrokken.''
In een tijd dat iedereen
dacht dat financiële prikkels tot betere
prestaties leidden,
stelde ook ik voor mijn zoon een premie in. Geen
bedragen waar ze in Wall
Street of de Londense City steil van
achterover slaan, maar toch een
waardevolle aanvulling op zijn schamele zakgeld: 50 cent
voor elke bal die door zijn toedoen in het
netje gaat.
Opvoedpuristen waren er
toen al als de kippen bij om deze daad te veroordelen:
het zou egoïsme in zijn spel in de hand werken en ten
koste gaan van het
teambelang. Zelf was ik daar niet bang voor. We praten
over een tijd dat zijn basketbalspel voornamelijk
bestond uit het geven van breedteballetjes, zijn
layupjes altijd ergens doelloos onder de basket
eindigden en zijn schot in bijna honderd procent van de
gevallen de benaming 'airbal' verdiende (een bal die -
behalve de
moleculen waaruit ook
lucht is opgebouwd - niks raakt).
Zelfs na het invoeren van
de bonusregeling gingen er halve seizoenen
voorbij dat ik nooit
hoefde uit te keren. Hij bleef onder het bord
beleefd de bal aan zijn
medespelers of - nog erger - zijn tegenstander
afgeven, zag het als
onderdeel van zijn dienende rol om bij de rebound
aan de grond genageld te
blijven staan en hield zich, kortom, bezig
met wat ik zou willen
omschrijven als 'schijnbasketbal'. Hij was er in
het veld vreselijk druk
mee, legde heel wat meters af, maar het leidde
tot helemaal niets.
Tot het begin van het
seizoen 2009/2010.
Traditiegetrouw sjok ik
pas halverwege de tweede periode van het
openingsduel tegen weer
zo'n armzalig ploegje ergens uit de polder
onze thuishal in, uit
angst om ook dit keer weer de hele gifbeker van
een kansloos verloren
wedstrijd te moeten leegdrinken. Ik heb
collega's die zich
wekelijks verheugen op weer zo'n tochtig uurtje op
een onzalig tijdstip
langs een voetbalveld, om naar hun zoontje in een
kluwen blind om zich heen
schoppende ventjes te kijken. Maar op mij
heeft zelfs een
goedverwarmde sporthal - ik beken het met een zekere
schroom - dezelfde
aantrekkingskracht als een leprozenkolonie op
Hollands next top model.
Bij een vluchtige blik op het scorebord zijn
de verschillen alweer
flink duidelijk, maar als ik achtereenvolgens
achter de coach en mijn
zoon (even uitblazend op de bank, dat is het
mooie van basketbal:
altijd twee keer zoveel spelers als er nodig
zijn) naar de tribune
loop, roept de laatste met overslaande stem: 'We
staan voor!'
En warempel, bij nadere beschouwing
van de stand is het
dit keer de thuisploeg (onze
J42, de jongens onder 14 jaar) die met
twee keer zoveel punten
als de tegenstander aan kop gaat. Dat blijft
zo tot aan het laatste
fluitsignaal (69-36), waarop mijn jongste
nazaat triomfantelijk met
de gele wedstrijdsheet komt aanlopen (dat is
het vervelende van
basketbal: ze houden alles nauwkeurig bij). Of hij
even mag afrekenen: elf
keer gescoord à 50 cent, maakt 5,50 euro.
De tweede wedstrijd loopt helemaal
van een leien dakje. Hij eist de
bal op, zijn layupjes
lopen opeens als een trein en zijn
schotpercentage gaat naar
de zestig tot zeventig procent. Niet minder
dan zeventien keer legt
hij de bal in het netje, goed voor - de snelle
rekenaars onder u weten
het al - 8,50 euro. Mag ik even vangen?
Jarenlang was hij met
geen stok naar de trainingen te krijgen, maar
opeens laat hij op de
woensdag, donderdag en vrijdag de avondmaaltijd
schieten om bij
verschillende teams aan zijn balvaardigheid te werken.
Hoogste tijd om de regeling met
onmiddellijke ingang te herzien.
Bonussen zijn een besmet woord, houd
ik mijn protesterende zoon voor.
Lees jij geen kranten? Kijk jij geen
televisie?
In navolging van Barack Obama,
Wouter Bos en Nout Wellink zou ik willen zeggen:
Weg met de graaicultuur! |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
14 januari
2010 |
|
| |
|
|
| |
Hunkeren
Domme vragen bestaan niet, alleen domme antwoorden, is
mij altijd geleerd. Niettemin leg ik een zekere schroom
in mijn stem als ik de natuurijsdeskundige om raad vraag.
Hoe lang blijven geslepen schaatsen scherp? Uit de
manier waarop hij mij aankijkt, blijkt dat hij de
stelling in de eerste zin niet onderschrijft. ,,Dat ligt
eraan, hoe lang je er sindsdien op geschaatst hebt.''
Helemaal niet, zeg ik naar waarheid. Zijn lip krult nog
verder omhoog. ,,Wanneer heb je dan voor het laatst op
het ijs gestaan?'' In 1997. Het respect groeit. ,,De
Elfstedentocht?'' Nee, rondje Kagerplassen. Kijk, de
bloedvlekken zitten nog in het leer.
Al bijna dertien jaar, zo ongeveer de
periode dat gesproken wordt over
de opwarming van de aarde, ben ik in voorbereiding op
mijn
eerstkomende
tocht op natuurijs. Kunstijs- of krabbelbaantjes zijn
aan mij niet besteed. Ik heb de ruimte nodig. Liever
geen bochten. Niet te veel mensen om me heen, ook.
Zachte oevers met veel riet om
geleidelijk in tot stilstand te komen.
Koek-en-zopietenten met levensreddende plastic stoelen
op het ijs. Hoge bruggen waarvoor ik niet hoef te bukken.
En altijd wind mee.
Is dat nou te veel gevraagd?
Zijn er in die dertien jaar geen reële mogelijkheden
voorbij gekomen?
Zeker wel. Bij de eerste aankondiging van vorst begin ik
met de
voorbereidingen. De Vikings komen achter het luik op
zolder vandaan.
De lichte roestaanslag wordt liefdevol weggeveegd met
een doekje. Het
zwarte leer koesterend gestreeld. De witte veters
gecheckt op rafels
en zwakke plekken.
Voorlopig komen ze niet verder dan de overloop, waar
iedereen in huis
er - op weg naar de wasmachine en de droger - de nek
over breekt.
Kunnen die rotdingen hier niet weg? Nee, natuurlijk niet.
Pas als in
Friesland de eerste waaghalzen op het ijs staan, komen
mijn schaatsen
naar omlaag. Desnoods op eigen kracht.
Zodra de landijsbaantjes in de buurt worden opengesteld
voor kleuters
op dubbele ijzers, opgeschoten jeugd met hockey- en
kunstschaatsen of
senioren op rondijzers, sta ik in de rij bij de betere
rijwielhandelaar om mijn Vikings te laten slijpen.
Voorzien van een
bruin etiketje met mijn naam, belanden ze op een grote
stapel in een
nauw gangetje naar een achterkamer, waar een zwetende
ambachtsman in
een regen van vonken voor 7,50 euro per paar zijn noeste
arbeid
verricht. Een dag later ben ik er helemaal klaar voor en
liggen mijn
lage noren, licht ingevet, gebruiksklaar in de kofferbak
van mijn
auto, naast een sporttas met thermokleding en een
noodrantsoen, in
afwachting van dat ene signaal: It giet oan. Oant moan.
Of woorden van
gelijke strekking.
Mijn hart gaat open als ik hoor dat mannen met
prikstokken en
gerafelde stukken touw al het IJsselmeer oversteken,
elkaar om beurten
uit een wrak sjorren, droog ondergoed aantrekken en
voortschuifelen op
hun gekartelde ijzers, langs metershoge schotsen,
vastgelopen
binnenvaartschepen en dolende kuddes Konikspaarden. Hun
baarden wit
van de kwijlpegels, de huid van de wangen rood van het
gestolde bloed.
'Dat wil ik ook!', roep ik naar mijn eega, om na haar
nonchalante
'Nou, wat let je?' te mompelen dat ik me bij nader
inzien toch maar
houd aan het KNSB-advies om te wachten totdat er overal
twaalf
centimeter ligt.
Andere tochten zijn me net te kort ('op een slordig
geveegd baantje
van twee kilometer kom ik onvoldoende tot mijn recht'),
te ver weg
('ik moet wel voor het donker van het ijs kunnen') of
komen ongelegen
('ja, ik kan hier wel tien smoezen tussen haakjes zetten,
maar daar
wordt het allemaal niet geloofwaardiger op'). En de ene
keer dat alles
wel op z'n plek valt, kopt deze krant dat het 'een
weekeinde is om
veilig thuis te blijven'.
Eigenlijk koester ik vooral de hunkering.
Als een rayonhoofd dat zich voorbereidt op een tocht die
nooit gaat komen. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
7 januari
2010 |
|
| |
|
|
| |
Voorlezen
Zelf had ik het ook
liever anders gezien. Als mijn neef met zijn Bob de
Bouwer-prentenboek het voorleesrondje in de familiekring
heeft gemaakt, stopt hij bij mijn stoel, strekt een
mollig vingertje naar mijn iPhone en brabbelt 'Bier
drinken'. Na twee tikjes op het iBeer-icoontje vult het
scherm zich borrelend en schuimend met gerstenat, om
langzaam weer leeg te lopen zodra hij het met glimmende
oogjes als een glas aan zijn mond zet. En dan komt het
mooiste, zeker voor een 2-jarige: de ver achterin de
huig geproduceerde boer die zich secondenlang een weg
zoekt uit het speakertje van mijn telefoon. Excuses!
Voorlezen is, hoe zeg je dat tegenwoordig,
niet mijn ding. De eerste keer dat ik
zelf ook kennisneem van een aan de kinderliteratuur
ontsproten verhaal van een mol die op zijn kop wordt
gepoept of van een kikker die het
koud
heeft, kan het me nog wel boeien. Maar ergens tussen de
tiende en de vijfentachtigste keer dat zo'n uitbundig
geïllustreerde anekdote moet worden herhaald, verlies ik
mijn belangstelling. Ga ik er dingen bij verzinnen. Het
boek op z'n kop houden. En dat is geenszins de bedoeling.
Alles moet precies hetzelfde, alle 85 keren achter
elkaar. Daar ben ik onvoldoende op getraind. Het is bij
ons thuis mijn eega die op aarde is gekomen om privé en
beroepshalve aan leesbevordering te doen.
Niet willen voorlezen is een van de laatste taboes in de
opvoeding. Het vergt een zekere mentale hardheid om aan
zo'n aandoenlijk mannetje van nog geen twee turven hoog
botweg 'nee' te verkopen als hij zich met drie kloeke
boekwerken in een volle woonkamer behaagziek tegen je
knieën aanschurkt. Dat was het moment dat ik hem, zoals
de indianen ooit door onze voorvaderen werden gepaaid
met vuurwater, het 'iBeer' op mijn iPhone als
alternatief en zoenoffer aanbood. Niet één keer, niet
twee keer, maar 85 keer. Want virtueel bier drinken en
boeren verveelt ook nooit.
Maar na een tijdje liet ik hem zien dat mijn slimme
telefoon ook You Tube-filmpjes met Kabouter Plop of de
Teletubbies kan afspelen. Dat je er gitaar op kunt
spelen. Hem kunt veranderen in een doosje TicTac, dat
ook nog rammelt als je ermee schudt. Of in een sjoelbak.
Een bowlingbaan. Een schiettent met eendjes. Een
skischans. Een aansteker. Een spuitbus. Een flipperkast.
Een racebaan. Een vogelgids met geluiden. Een schaakbord.
Een zaklantaarn. Mastermind. Boter, kaas en eieren.
Meer dan honderdduizend (100.000!) van dit soort
programmaatjes - 'Apps' geheten - zijn er inmiddels voor
de iPhone te downloaden en ik weet, het pleit niet voor
me, dat ik een heel eind op weg ben om ze allemaal naar
binnen te slurpen. Gratis, of tegen te verwaarlozen
bedragen die op jaarbasis nog behoorlijk kunnen oplopen.
Voorheen mocht mijn wederhelft nog weleens
kanttekeningen bij dit gedrag plaatsen, maar nu hef ik
verontschuldigend mijn handen ten hemel als ik haar op
het scherm een rotje laat zien waarvan het lontje
spontaan tot ontbranding komt, zich sissend een weg
vreet naar het kruit, met een daverende knal tot
ontploffing komt en de tekst 'Happy New Year!' in beeld
brengt.
'Kijk, leuk voor neef Mats.'
Of een foto van haar gezicht maak die vervolgens wordt
opgebouwd in allemaal kleurige Lego-blokjes.
'Leuk voor neef Mats.'
Of mijn iPhone verander in zo'n ouderwetse
draaischijftelefoon.
'Leuk voor neef Mats.'
Of in een vijver met peperdure koikarpers die alle
kanten opschieten als je met je vinger het
wateroppervlak laat rimpelen.
Bob de Bouwer mag dan een handige bliksem zijn. Hier kan
hij met zijn gereedschapskist mooi niet tegenop.
Onbegrip is er niettemin ook.
Nee, geen kwaad woord over neef Mats. Mijn vrouw vindt
mij de grote kleuter. |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
Weer naar boven op deze pagina |
|
| |
|
|
|