Pretvaderen is het centrale thema van een column die ik wekelijks schrijf voor de dagbladen van HDCmedia (Noordhollands Dagblad, Haarlems Dagblad, IJmuider Courant, Leidsch Dagblad en Gooi en Eemlander). Maak op deze site kennis met een prettige kijk op het vaderschap.

 
 
 

 

 

De actuele site van

 Dick van der Plas is Dicks Log

 over meer dan wielrennen

 

 

Oude Pretvaderlogs lezen?

Klik hier.

 

 

Zelf kijk ik ook op:

 

 

 

Vast nog wel ergens tweedehands

(voor weinig) te krijgen:

 

 

 

 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 
 
 
 
 

 

 

 

 

 

 

 
 
 

 

Deze site loopt - bij het plaatsen van de actuele column, tenminste - altijd minimaal een week achter bij het gedrukte woord. En zo hoort het ook. Kranten hebben het toch al niet makkelijk.

 

 
 
 
 

 

 
 

Over deze site

 

Vrouwen hebben reünies van de zwangerschaps-gymnastiek om ervaringen uit te wisselen, maar voor vaders was er - in de tijd dat ik met mijn columns begon - helemaal niets. Geen zelfhulpgroep, geen vertrouwenstelefoon en geen speciale afdeling bij het consultatiebureau. Om die reden ben ik begonnen met het vastleggen van mijn ervaringen als pretvader. Eerst voor de krant, toen in een boek, nu op deze site.

 

Wat is een pretvader?

Iemand die wel zijn best doet om een volwaardige partner te zijn in de dagelijkse strijd die opvoeding heet, maar daar volgens zijn eega niet echt in slaagt. Iemand die wel de kinderen naar bed brengt, maar het speelgoed dat in hun kamers op de grond rondslingert aan de kant schopt, in plaats van het op te ruimen. Iemand die op zaterdagmorgen, als zijn vrouw aan het werk is, de nazaten om half acht voor de tv zet om zich direct daarna in bed nog eens lekker om te draaien. Iemand die liever meegaat naar de basketbaltraining dan dat hij toeziet op het leren van het huiswerk.

 

'Pretvaders' zijn dat, die zich - ondanks al hun goede bedoelingen - ogenschijnlijk alleen bemoeien met de aantrekkelijke kanten van het opvoeden.

 
 
 

 
 
 
 

 

     
     
 

Uit de HDC-bladen van 26 augustus 2010

 

 

Blonde vrouw in nood
 

Gezinsleden zonder legerervaring hebben er wel eens boze dromen van. We staan met de caravan vooraan in de rij van de veerboot en onze auto wil niet starten. Als de laadklep zich opent beginnen achter ons gestresste vrachtwagenchauffeurs, getatoeëerde hippies in afgetrapte campers en Duitse proleten in dure Mercedessen op hun claxons te drukken. Het is ons al vaker overkomen en nu ik - bijna in Harwich - de contactsleutel omdraai komt er opnieuw niet meer dan een zielig zoemtoontje onder de motorkap vandaan. ,,Welkom in je nachtmerrie'', zeg ik tegen mijn vrouw.


Met stip op één in onze vakantiestress toptien staat - al bijna dertig
jaar lang - autopech. De herinneringen aan dat leuke restaurantje in
Honfleurs, de zegeningen van de vijfsterrencamping op het Deense
eiland Funen en het avondschijnsel van de zon over de lagune van
Venetië leggen het altijd af tegen de kapotte bobine in Bretagne, de haperende startmotor op het parkeerterrein bij Dover Castle en de
kokende radiator in de Antwerpse Kennedytunnel. Kleine ongemakken voor
lieden met poetslappen in de kontzak en rouwranden onder de nagels, maar voor iemand die behalve op legerervaring niet op enige kennis van elementaire autotechniek kan bogen, is het alsof al het levensgeluk ter plekke uit hem wordt weggezogen.


Vreemd, want mijn eerste uitweg uit welke crisis dan ook, bevindt zich
doorgaans op niet meer dan een meter afstand van mij. Het 'Ga jij eens
kijken of iemand ons kan helpen, dan pas ik op de auto' doet het
altijd goed in de verontwaardigde verhalen die mijn eega na een goede
afloop op verjaardagsfeestjes mag rondstrooien. Haar gang naar
eenzame, door hondsdolle pitbulls bewaakte boerderijen of haar
wanhopige gezwaai naar een passerende truck op de vluchtstrook van een
door bijna alles en iedereen verlaten provincialeweg, is eveneens een
terugkerend thema in haar angstdromen. Kan ik het helpen dat de
aanblik van een blonde vrouw in nood zo'n heilzame werking heeft op de
hulpvaardigheidsgevoelens van bouwvakkers, landarbeiders en monteurs
van de KwikFit?
De jaren dat we ons met het wrak van de weg in den vreemde begaven,
liggen al enige tijd achter ons. Onze van alle luxe voorziene SUV
trekt de caravan met zo'n gemak dat alleen het verbruik van 1 op 6
aangeeft dat er enige inspanning bij komt kijken. Dankzij niet minder
dan drie 12-voltaansluitingen en evenzoveel verdeelstekkers houdt hij
- schijnbaar al even moeiteloos - een TomTom en de oplader van de
iPhone (voorin), de laptop, een dvd-speler en de Nintendo DS
(achterin) en een elektrische koelbox (in het bagagegedeelte) aan de
praat en regelt hij via de permanente stroomdraad naast de trekhaak
ook dat de koelkast van de caravan tijdens het rijden zodanig op
temperatuur blijft dat de ingevroren kipfiletjes niet aan de wandel
gaan.


Als ik dit wonder van techniek na zeven uur in de buik van de ferry
'Hollandica' met de afstandbediening uit zijn overtochtslaap wil
halen, blijft het geknipoog van de verlichting achterwege. ,,Dat doet
hij wel vaker'', zeg ik geruststellend tegen mijn echtgenote, bij wie
ik een paniekaanval zie opkomen. ,,Te veel elektronische rimram in
zo'n ruim.'' Ik geloof het bijna zelf, als ik met de sleutel de
portieren open en we onze plaatsen innemen. Starten mag ik pas als de
laad- en losklep naar beneden gaat, maar zo lang houd ik het niet uit.
Het zielige zoemtoontje dat de motor niet tot leven brengt, maakt in
elk geval een eind aan de gespannen stilte tussen mij en mijn
echtgenote die - waar haalt ze het vandaan? - mijn gemompel over haar
bevroren kipfiletjes (,,Alsof ze in Ierland geen supermarkten
hebben!'') die de autoaccu hebben leeggezogen, beschouwt als een
poging om haar de schuld in de schoenen te schuiven.


'Staan met pech vooraan in de rij van de ferry. Schaam me dood',
twittert onze dochter op de achterbank naar haar vrienden.


,,Ga jij eens kijken of iemand ons kan helpen'', maak ik een eind aan
een venijnige twistgesprek. ,,Dan pas ik wel op de auto.''


Een blonde vrouw in nood. Daar droomt elke bootsman van.

 

 

 
 
 
  Uit de HDC-bladen van 15 juli 2010

 

 

Verstopping

'Waartoe ben ik hier op aard', flitst er even door me heen als ik van het Trojaanse Paard dat ons thuisnetwerk heeft lamgelegd wordt geroepen naar de toiletpot, waarin het spoelwater tot de rand blijft staan. Grote kans dat alle mail die u de afgelopen week - totdat de provider ons voor straf achter een filter plaatste - heeft gekregen over de laatste Viagra-aanbiedingen of penisverlengingen via de computer van mijn zoon tot u is gekomen. Excuses daarvoor. En nu heeft het eerste bevrijdende toiletbezoek van onze dochter na vijf dagen in een Londens hotel, haar verstopping tot een gemeenschappelijk probleem gemaakt.


Als ik een week in den vreemde ben reken ik nooit op hartelijke
sms'jes van mijn kroost. Als ze me - zoals nu in Italië - weten te
vinden, is dat in de regel voor rampspoed. ,,Pap, mijn computer doet
onwijs raar. Hij wil de hele tijd dingen installeren zonder dat ik dat krijg te weten en ik kan ook niet op msn, en zo. Echt heel raar.'' Na enig (van mijn kant venijnig) heen en weer verkeer in 160 tekens
blijkt dat het helemaal niet zo raar is omdat hij op aanraden van verkeerde vrienden iets heeft gedownload waarmee een programmaatje is
meegekomen dat duizenden spam-mails via zijn pc de wereld in stuurt. ,,Dit veroorzaakt veel overlast'', laat het abuse-centre van mijn provider kort daarop per mail weten. ,,Mogelijk is uw verbinding al
gedeeltelijk afgesloten om verdere overlast te voorkomen.''


Uit steeds paniekeriger sms'jes van mijn zoon begrijp ik dat dat
inderdaad het geval is. ,,Kun je geen mailtje naar dat bedrijf sturen
dat ze alleen mijn computer geen internet kunnen geven? Anders
vermoorden Maaike (zijn zus, DvdP) en mama me.'' Die kans is niet
denkbeeldig en er volgen moeizame telefoontjes met een (inderdaad
woedende) wederhelft die ik vanuit de Dolomieten probeer uit te leggen
hoe ze via een proxy-server in elk geval een deel van haar digitale
woon/werkverkeer kan afhandelen. Een openbare lynchpartij door zijn
zus wordt (voorlopig althans) verhinderd doordat die met twee
vriendinnen naar de hoofdstad van het Britse rijk afreist.


Als ze terugkomt is het probleem nog steeds niet verholpen. Het
Trojaanse Paard laat zich met de geijkte middelen niet temmen en pas
na de belofte dat ik mijn zoons computer helemaal opnieuw installeer
en de andere drie pc's en twee laptops in huis grondig ga inspecteren,
zijn we wellicht na het weekeinde weer in de lucht. Terwijl ik de ene
aanbevolen virusscanner na de andere loslaat op ons thuisnetwerk, had
ik tijdens mijn getob al gemerkt dat het spoelwater in ons toilet na
een eenvoudig plasje ongeveer tot de rand van de bril komt en er
ongeveer een half uur over doet om tot het normale niveau af te
zakken. Juist omdat ik ook wat anders aan mijn hoofd heb, vergeet ik
mijn huisgenoten hiervan kond te doen, zodat ik zaterdagmiddag tijdens
de slotkilometers van een spannende toeretappe word opgeschrikt door
geschreeuw van mijn dochter die in ons kleinste kamertje ook ergens
kont (maar nu met een t) van heeft gedaan. Dit keer loopt het -
inmiddels sterk vervuilde - spoelwater helemaal niet meer weg. Ook
niet na een half uur.


Wat te doen?


Eén stap voor het inschakelen van de rioolservice is mijn gang naar de
lokale doe-het-zelf winkel, waar een achterbuurman de scepter zwaait.
Van hem krijg ik een stalen veer mee, waarmee ik enige tijd doelloos
in de pot prik, voordat ik - na inwendig onderzoek van het toilet in
de badkamer - door heb dat de veer handmatig over een paar obstakels
moet worden geleid voordat er ook maar iets van een verstopping kan
worden bereikt. En geloof me, ook al is het je eigen kind, ook ik moet
een drempel over voordat ik mijn linkerarm (met de rechter eet ik) tot
aan mijn oksel in de pot laat afdalen om de veer op zijn plek te
brengen. Als het bevrijdende gegorgel zich aandient, blijft er op mijn
bovenarm - een heel stuk boven de plek waar de mouwtjes van mijn
wielershirt eindigen - een bruin randje achter.


Nu het internet nog, zegt mijn dochter onaangedaan.

 

 
 
 
  Uit de HDC-bladen van 24 juni 2010

 

 

Begraafplaats-babes

Op YouTube zie je ze weleens voorbij komen: filmpjes uit
onderwatercamera's die aan de vin van een zeeschildpad of de tentakels van een octopus zijn blijven hangen. Het levert vage beelden op met een hoog luchtbellengehalte, af en toe een voorbijschietende vissenschim en onduidelijk planten- en koraalwerk. Twee miljoen keer bekeken, staat er dan onder. Dat belooft nog wat, voor de digitale vakantiefoto's van mijn moeder en haar vier vriendinnnen die ik afgelopen week weer in een album met een oplage van vijf exemplaren mocht verwerken.


Verscheidene keren heb ik ze op deze plek opgevoerd als de
grafmeisjes, een door mijn eega verzonnen geuzennaam die betrekking
heeft op de plek waar de weduwen elkaar hebben ontmoet: het gemeentelijke kerkhof. Toen dit predikaat een eigen leven begon te leiden, kreeg ik opdracht om voortaan 'hofdames' (het voorvoegsel 'kerk' mocht ik weglaten) te gebruiken. Maar in deze WK-periode mag ik er - met een knipoog naar een bekend biermerk - van mezelf ook wel
Begraafplaats-babes van maken.


De meiden komen nog vrijwel dagelijks op de plaatselijke dodenakker om de laatste rustplaatsen van hun overleden echtgenoten te verzorgen,
maar van hangweduwen zijn ze inmiddels een hechte vriendenclub geworden die de deuren bij elkaar platloopt en een aantal keren per jaar gezamenlijk op vakantie gaat. Altijd met de bus, want zo'n vliegtuig kan zomaar uit de lucht vallen.


Favoriete bestemmingen zijn de Spaanse Costa Brava, de Italiaanse
Rivièra of het Oostenrijkse hooggebergte, maar voor een Rijnreisje of
een lang weekend naar de kerstmarkten in Keulen en Düsseldorf zijn ze
ook altijd te porren. Na afloop van de ene reis doen ze op de
overstappunten van de grote touroperators inspiratie op voor de
volgende, voornamelijk door uit den vreemde teruggekeerde lotgenoten
aan een kruisverhoor te onderwerpen. Hoe was jullie hotel? En het
eten? Schone wc's? Mooi, dan gaan wij volgend jaar ook.


Ze mogen dan conservatief met de bus gaan, de moderne tijd is niet aan
de Begraafplaats-babes voorbijgegaan. De één kan de computer bedienen,
de ander weet hoe ze moet sms'en en mijn moeder is degene met de
digitale camera, waarbij ze de hulp van de chauffeur inroept als de
batterijen moeten worden gewisseld. Bij de aanschaf van het toestel
heb ik met name gelet op gebruiksgemak en hulpmiddelen tegen
bewegingsonscherpte (mijn moeder heeft verder niks met de man, maar ze
beeft als paus Johannes Paulus II in zijn nadagen). Toch voel ik me
bij het afspelen van het beeldmateriaal op mijn computer als de
bioscoopbezoeker die bij de laatste versie van Avatar zijn
3D-brilletje is vergeten op te zetten. De babes hebben op elke reis
een bijzondere voorliefde voor flitsfoto's die door de ruit van de bus
zijn genomen van een regenachtig berglandschap, of van de bassins in
het lokale zeeaquarium, waar verblinde, bologige onderwaterwezens mij
een overbelichte kijk op hun bestaan gunnen.


Sinds ik haar heb uitgelegd dat er wel duizend foto's op zo'n
piepklein geheugenkaartje kunnen, is het hek helemaal van de dam. Na
een grove selectie van tien dagen Italiaanse Bloemenrivièra kreeg ik
deze week een licht-epileptische aanval van alle scheve horizons,
halve hoofden en bewogen polonaises in tot feestruimten omgetoverde
ontbijtzaaltjes. Daarna sneuvelden de series waarop ze allemaal
beurtelings op een muurtje voor een kasteel of ander monumentaal
bouwwerk zitten, de opnamen waarop de lolbroek uit het reisgezelschap
haar opgestoken vingers achter iemands hoofd tevoorschijn laat komen
en de afbeeldingen waarop ze in het voorportaal van een kathedraal
zijn gaan staan en degene die de foto maakt zeshonderd meter achteruit
moest lopen om ook het puntje van de torens op de gevoelige cel vast
te leggen.


Uiteindelijk hou ik veertig plaatjes over - voornamelijk groepsfoto's
waarop de meiden in een deuk liggen - die volgens instructies in het
formaat Hema-album passen dat je zo handig in een dameshandtas stopt.
De rest overweeg ik binnenkort uit mijn digitale prullenbak te vissen.
De Begraafplaats-babes worden een hit op internet.

 

 
 
 
  Uit de HDC-bladen van 17 juni 2010

 

 

Examenfeestje

De vlag met haar rugzak eraan had ik natuurlijk gewoon om half zeven vanmorgen buiten kunnen hangen. Maar voor de vorm wacht ik tot half zeven vanavond, als ook formeel is bevestigd dat onze dochter is geslaagd. Ook bij zekerheidjes hoeft het lot tenslotte niet te worden getart, weet inmiddels ook Sven Kramer. Jammer dat niet iedereen in het gezin die zelfbeheersing aan de dag legt. De uitnodigingen voor het examenfeestje van morgenavond deed mijn eega aan het begin van de
week al de deur uit, de vishapjes zijn besteld en de kratten bier
staan in de campingkoelkast die we ter ondersteuning van zolder hebben gehaald.


Op haar lijstje met 'things to do' staat nog altijd 'Dronken worden'
en examenfeestjes lenen zich daartoe bij uitstek. Aangezien het
tweetalig gymnasium in mijn tijd niet bestond, begon mijn
schoolloopbaan op de mavo waar ik ruim voor mijn zestiende verjaardag de
kroon zette op vier jaar pretpakket. Het was in het midden van de jaren zeventig waarin het individualisme hoogtij vierde en elke leerling erop stond zijn eigen examenfeestje te vieren. Niet toevallig
werd in mijn klas de spits afgebeten door Freddie Wijnstekers wiens ouders in mijn herinnering een bovenmodaal huis aan de rand van ons dorp bewoonden. Zoals het opvoeders betaamt hadden ze zich tijdig uit de voeten gemaakt, waardoor ze niet konden voorkomen dat wij ons - na het wegwerken van de reguliere drankvoorraad - stortten op de privékabinet van de heer des huizes, waar alles dat ook maar enigszins naar alcohol rook in onze benevelde lichamen verdween. Van het
afscheid uit deze inmiddels onbewoonbaar verklaarde villa - waar ik
klasgenoten aan de stortbak van het toilet had zien hangen - herinner
ik me nog dat ik mijn vriend Mart achterop mijn fiets naar huis
trachtte te vervoeren, wat me zeker zou zijn gelukt als we al niet na
honderd meter door een onzichtbare hand tegen het plaveisel van de
Nachtegaallaan waren geslagen.


Bij het likken van onze wonden kwamen we - Mart en ik - eendrachtig
tot de conclusie dat we ons eigen partijtje in elk geval niet in het
ouderlijk huis dienden te vieren. Een lange zoektocht naar zaalruimte
volgde, waarbij de ene na de andere uitbater bij het woord
'examenfeestje' de wenkbrauwen fronste, zijn voor de eerstkomende
weken maagdelijke agenda dichtsloeg en ons meedeelde dat alles helaas
was volgeboekt met samenkomsten van de vrouwenvereniging 'Handwerk
adelt' en repetities van het incontinente knapenkoor 'De hoge nood'.


Alleen de koster van het hervormde Dorpshuis - die mijn vader als
ouderling kende - toonde zich een oprecht christen door ons onderdak
in zijn herberg te verlenen. Ons privéfeestje had op school inmiddels
een semi-openbare status gekregen, waardoor het ons als organisatie
raadzaam leek bij de entree consumptiebonnen te verstrekken die onder
het overmoedige gezelschap met boekjes tegelijk aftrek vonden. Drie
kwartier na aanvang moest de koster al voor de eerste maal uitrukken
met emmer en dweil om een onwel geworden klasgenoot uit zijn eigen
maaginhoud weg te slepen en te redderen wat er te redderen viel.


Van de opbrengst van wel verkochte maar nooit geïnde consumptiebonnen
hielden we later nog een groot strandfeest, waarbij we er halverwege
die gedenkwaardige avond door een gramstorige gezagdrager op gewezen
moesten worden dat hiervoor een vergunningplicht gold.
'Een examenfeestje?', verzuchte onze oudste nazaat aan het begin van
deze week enthousiast toen haar moeder met haar de gastenlijst wilde
doornemen. 'Nou ja, als het dan echt moet.'


Het zou me verbazen als 'Dronken worden' morgenavond van haar 'things
to do'-lijstje kan worden gestreept.

 

 
 
 
 

Uit de HDC-bladen van 10 juni 2010

 

 

Man kan de was doen

Als we het speelveld van het verjaardagsfeestje betreden, weten mijn zoon en ik alle ogen op ons gericht. ,,Ze zien er nog best toonbaar uit'', meldt de ene schoonzus verbaasd, na haar ogen tijdens een inspectierondje van onze kruinen tot onze schoenen te hebben gestuurd. De andere knikt. ,,Geen vuile kleren, redelijk doorvoed en zelfs de haren zitten in de gel.'' Het is niet de enige plek waarop wij met meer dan normale belangstelling worden bekeken, in de post-eindexamenweek die mijn eega en dochter bij vrienden in Spanje doorbrengen. Alle emancipatiebewegingen ten spijt, vrouwen scheppen er nog steeds genoegen in om mannen af te schilderen als onzelfstandige wezens.


Het lijstje met instructies dat ik heb gekregen bevat vooral
richtlijnen de opvoeding van onze zoon betreffende. Let erop dat hij
op tijd naar bed gaat. Zorg dat hij zijn huiswerk maakt. Laat hem zijn brood niet vergeten. Houd in de gaten wanneer hij sportdag heeft. Van die dingen. Verder zijn het praktische zaken als de bloembakken in de tuin water geven en - dat is voor het eerst in 27 jaar huwelijk - een beknopte handleiding om de was te doen. Normaal leg ik de vuile kleding in mijn vrouws afwezigheid op een mooie stapel voor de machine, maar vanwege de omloopsnelheid van aangekoekte onderbroeken
en besmeurde handdoeken vreest ze dat we halverwege de week in
problemen komen.


De machine is zodanig ingesteld dat ik alleen maar op 'start' hoef te
drukken, nadat ik kleding en een half bolletje wasmiddel in de trommel
heb gedeponeerd. Man kan de was doen. Het lijkt me een bezigheid die
door de eeuwen heen door onze echtgenotes om onbegrijpelijke redenen
tot mythische proporties is opgeblazen. Het ingewikkeldst aan de was
doen, is het sorteren. Vanwege het feit dat ik daarbij gruwelijk in de
fout kan gaan, mag ik voorlopig alleen handdoeken, washandjes en
onderbroeken wassen, waarbij ik erop moet letten dat de Björn Borgs
van mijn zoon daarna niet in de droger gaan. Daar schijnen ze niet
tegen te kunnen. Mijn eigen onderbroeken kennelijk wel, want daar heb
ik niks over gehoord. Later in de week experimenteer ik met
wielerkleding en sportshirts van mijn zoon. Bij twijfel draai ik voor
elk felgekleurd stukje textiel een nieuwe was. Het gaat toch vanzelf.
Overmoedig geworden prop ik ook de spijkerbroek van mijn zoon in de
trommel, waarbij ik door een goddelijke ingeving zijn mobiele telefoon
inclusief koptelefoon van een wasbeurt op 30 graden weet te redden.


Ook anderszins ben ik goed bezig. Normaal is haar kamer verboden
gebied, maar nu mag ik het Heilige der Heiligen van mijn dochters
kamer betreden om de vissen te voeren. De vissen? In de gitzwarte bak
kan ik met moeite enig leven onderscheiden. De wanden van het aquarium
zijn groen uitgeslagen van de alg en de tl-buis in de kap geeft geen
krimp. Mijn eerste uren als man alleen besteed ik door met een
schuurspons tot in mijn oksels in de groene smurrie te boenen, als een
BP-robot in de Golf van Mexico. De koopavond benut ik voor de aanschaf
van een nieuwe lamp en zowaar, er zij licht! Dat zie ik ook de laatste
vier vissen denken, knipperend met de ogen na zoveel weken duisternis.


In onze strijd tegen de vooroordelen is mijn zoon een grote steun. Op
de vraag of zijn vader wel kookt, dreunt hij moeiteloos en met een
zekere trots het weekmenu op. Donderdag Chinees, vrijdag pizza,
zaterdag patat, zondag taart, chips, worst en soep ('we hadden een
verjaardag'), maandag gebakken aardappelen met biefstuk, dinsdag
pasta, woensdag pannenkoeken met spek uit de magnetron en donderdag
(ontdooide) Chinees van de week ervoor.


Wanneer komen ze terug?, wil mijn moeder bezorgd weten. Donderdag? Dan
kom ik 's morgens het huis stofzuigen en een bloemetje neerzetten.


Van alle vrouwen met vooroordelen, is zij wel de ergste.

 

 

 
 
 
 

Uit de HDC-bladen van 3 juni 2010

 

 

Grote C

De voorpret over een avond Cultuur met de grote C wordt verstoord door die ene, allesoverheersende vraag: waarom? Het knaagt al de hele dag aan me: hoe ben ik hier in verzeild, wat waren de beweegredenen? Het is aan mij niet besteed, ik word er normaal ook nooit voor gevraagd, iedereen weet dat je mij er geen plezier mee doet. Waarom, waarom, waarom ben ik dan in het bezit van een kaartje voor de uitvoering van het 'War Requiem' van Benjamin Britten in het Concertgebouw?


Mijn blinde vlek voor klassieke muziek heeft ertoe geleid dat mijn
eega wisselende contacten aanknoopt om toch aan haar Culturele gerief
te komen. Aan het begin van elk seizoen wordt een longlist opgesteld van uitvoeringen die beslist moeten worden gevolgd, in de weken daarna
teruggebracht tot een shortlist van wat financieel en praktisch
haalbaar is. Dat proces gaat buiten mij om. Ik hoor tijdens het
klaverjassen met vrienden wel eens een Beethoven of een Brahms voorbij komen, maar omdat ik al moeite genoeg heb om mijn kaarten in de juiste volgorde op te gooien leidt dat in geen enkel opzicht tot verdieping. Ik zit erbij als de holenmens die uit zijn grot wordt gesleurd voor een cursus Windows 7.


Aanvankelijk kan ook het gezelschap waarmee ik op weg ben naar
Amsterdam niet reconstrueren waarom ik in het bezit ben van een geldig
plaatsbewijs voor één van de meest indrukwekkende klassieke werken van
de twintigste eeuw, uitgevoerd door het Radio Filharmonisch Orkest
onder leiding van Jaap van Zweden, bijgestaan door Reinbert de Leeuw,
het Groot Omroepkoor, het Nationaal Kinderkoor, een sopraan, een tenor
en een bariton. ,,Net zo duur als Pinkpop, maar er is niet bezuinigd
op personeel'', probeer ik - na kennis genomen te hebben van deze
bezetting - er toch iets positiefs over te zeggen. Later blijkt dat -
meer dan een jaar geleden - op een vrolijke avond met drie echtparen
het idee voor een dagje Amsterdam is geboren, inclusief hoogstaande
maaltijd, afgerond met Cultuur met een grote C. En ik wilde geen
spelbreker zijn. Maar hoe gaat dat, met oude afspraken? Inmiddels is
één van die echtparen al geruime tijd verwikkeld in een bloedige
scheiding, waarmee van het beoogde groepsuitje het Eten met de grote E
is geschrapt.


Op het laatste moment heb ik - met opnieuw dank aan Wikipedia - nog
wel wat voorwerk verricht. Het 'War Requiem' is geschreven ter
gelegenheid van de inwijding van de nieuwe kathedraal van Coventry, op
30 mei 1962. De oorspronkelijke veertiende-eeuwse kathedraal was
volledig verwoest door bombardementen in de Tweede Wereldoorlog.
Britten koos voor een traditionele Latijnse dodenmis die door het koor
en de sopraansolist wordt vertolkt.


Ofschoon gebrandmerkt als barbaar, is het niet de eerste keer dat ik
in het Concertgebouw ben. Wat zeg ik, ik heb er wel eens op het podium
gezeten! ,,U zingt ook?'', vraagt een omstander belangstellend als ik
dit met een zekere stemverheffing breng. Dat niet, maar voor een
optreden van de obscure singer-songwriter Teitur ( van de
Faraoër-eilanden) bestond hier eind vorig jaar zo weinig
belangstelling dat het publiek er op het podium best nog wel bij kon.


Nu zit ik op het balkon, heb ik vooraf bij de koffie nog oud-topman
Jeroen van der Veer van Shell kunnen toeknikken ( van mijn openingszin
voor een goede conversatie - ,,Het is me toch wat, met die olie
tegenwoordig'' - kwam het niet omdat hij al in gesprek was) en moet ik
na een kwartier alles uit de kast halen om het gevecht tegen de slaap
aan te gaan. Ik heb diepe bewondering voor alle uitvoerenden, maar
hoor op het orgel van deze majestueuze zaal toch liever Neil Youngs
'Like a hurricane', de strijkers bij een nummer van Ane Brun en de
cello onder de ijle stem Damien Rice. Cultuur met een kleine c, wat u
zegt. Elke vijf minuten word ik venijnig bij de realiteit gepord door
een zich generende echtgenote, totdat ik na anderhalf uur iets te veel
opluchting leg in een ovationeel applaus dat vele minuten aanhoudt.


Als dirigenten en solisten voor de derde keer naar omlaag komen om dit
huldeblijk in ontvangst te nemen, krijg ik mijn laatste por als ik
mijn klapritme wijzig in dat van de 'Radetzkymars'.


Misschien had ik mijn kennismaking met Cultuur met een grote C toch
bij André Rieu moeten beginnen.


 

 
 
 
 

 

Hiep hiep (2)

 

Vrijdag 18 juni 2010

De vmbo-leerlingen vrolijkten woensdag de social networks van het internet op met hun twitters, krabbeltjes en mailtjes: 'Ik ben geslaagt!'  De havo- en vwo-klantjes zaten gisteravond tot half zeven in spanning. Ja, ook onze dochter. Niet zozeer of ze was geslaagd (met haar spelling is niks mis), maar of haar de schande van een 7 op haar eindlijst kon worden bespaard. De drie telefoontjes van haar oma en twee tantes in de periode dat alle gezakte leerlingen werden gebeld - 'En, heb je al wat gehoord?' - brachten haar derhalve niet van de wijs. En rond 19 uur maakte haar mentor aan alle onzekerheid een eind: vier achten, drie negens en een tien (voor wiskunde). Al eerder was haar totaal voor een combinatievak op een tien uitgekomen, waardoor haar gemiddelde ruim voldoende is om zonder loting te worden toegelaten tot de studie geneeskunde. Voor de studie die ze ernaast gaat doen - klassieke talen - zijn de negens voor Latijn en Grieks mooi meegenomen, maar niet echt noodzakelijk. Missie geslaagt!, zou ik willen zeggen. Maar ik ben dan ook begonnen op de mavo.

 

 
 
 
 

 

Hiep hiep

 

Donderdag 17 juni 2010

 

Als representanten van de koningin der aarde zijn wij, journalisten, ons voortdurend bewust van onze waardigheid en verantwoordelijkheden. Dus als op een woensdag onze redactie-oma Anita (Toet voor intimi) haar 61 (62, 63?) lentes viert, doen we dat 's morgens eerst met gebak en hartige koeken, om er 's middags nog een geïmproviseerde Womibo (woensdagmiddagborrel) tegenaan te gooien. Het verschil met al die andere Dimibo's, Womibo's en Domibo's die op ongeregelde tijden worden georganiseerd? Er waren hoedjes en vouwballonnen om het feest extra luister bij te zetten. En natuurlijk is er dan altijd wel weer een zuurpruim die - met een verwijzing naar een zoveelste op handen zijnde reorganisatie - roept: 'Er kan hier echt niemand meer uit hoor, mijnheer de directeur!'

 

 

 
 
 
 

WK op werk

 

Dinsdag 15 juni 2010

 

Aan het begin van mijn journalistieke loopbaan hebben we bij het Leidsch Dagblad een keer gestaakt voor een betere CAO. Nou ja, gestaakt, het was meer een werkonderbreking van twee uur waarin we met de voeten op het bureau lagen. Daarna gingen we twee uur langer door omdat de krant toch af moest. Tel uit je winst. Daarom ben ik altijd sceptisch als werkgevers uitrekenen dat de samenleving weer miljoenen aan inkomsten misloopt omdat we óf in de file staan, ons massaal ziek melden óf onder werktijd twee uur voor een voetbalwedstrijd hangen. Wij loonslaven halen dat altijd wel weer in. In ons redactielokaal kon je gistermiddag op twee plekken naar de wedstrijd Nederland-Denemarken kijken. In het bedrijfsrestaurant was bovendien een groepsbijeenkomst georganiseerd met beamer. Zelf koos ik voor de eerste optie (de werkplek) omdat ik de laatste vijf jaar maar twee wedstrijden van Oranje (tegen Italië en Frankrijk, op het laatste EK) heb gezien waarbij ik niet de neiging had om de krant te gaan lezen, te computeren of een andere vervangende bezigheid te ontplooien waarbij je met een schuin ook naar het verloop van het duel kon kijken. Ook dit keer werd ik daarin niet teleurgesteld. Bovendien hoefde ik niet twee uur langer door te werken omdat de krant toch af moest.

 

 

 
 
 
 

 

Stemvee

 

Donderdag 10 juni 2010

 

De eerste keer dat ze van haar stemrecht gebruik mag maken, moet ze het met lede ogen ook meteen weer afstaan. Samen met mijn echtgenote zit onze dochter al een weekje in Spanje en komt ze net een dag te laat terug om haar hokje rood te kleuren. Vandaar dat ik woensdagmorgen in alle vroegte drie stemmen mag uitbrengen, allemaal op dezelfde persoon want in dit gezin zijn - in elk geval voor deze verkiezingen - geen politieke verschillen. Daarna verheug ik me de hele dag op een avondje uitslagen, met de spanning, dramatiek, euforie en teleurstelling van een goede voetbalwedstrijd. En ik word daarin niet teleurgesteld. Wat op zich verbazingwekkend is, met een wedstrijd die eigenlijk om 21 uur begint met een voorlopig uitslag en waarvan je in de loop van de avond maar moet afwachten of die klopt. Om half twaalf zit je, met een fles wijn die alsmaar leger wordt, nog steeds ademloos naar de uitslag van Dirksland en Rozendaal te kijken. Maar op basis van al die voorlopigheid worden alvast wel carrières gemaakt en gebroken. Tot half twee houd ik het vol, het moment dat ook de voorpagina van de Duin- en Bollenstreekeditie van het Leidsch Dagblad naar de drukkerij moet en nog maar 60 procent van de stemmen is geteld. De avond eindigt daarna ook voor mij in een groot persoonlijk drama. Bij het naar bed gaan blijkt dat de vaatwasser de geest heeft gegeven. Het kabinet Rutten is nog niet geformeerd, of mijn koopkracht wordt al ernstig aangetast.

 
 
 
 

 

  

 

Ledenvergadering

 

Dinsdag 8 juni 2010

 

Als kersverse Afdeling Wielersport maken we sinds een aantal maanden deel uit van de IJsclub Voorwaarts Katwijk, sinds 1893. Een club met historie, derhalve, en dat merk je vooral bij vaste tradities als de Algemene Ledenvergadering. Het formele gedeelte - waarin de jaarrekeningen, begrotingen en verslagen van de afdelingen de revue passeren - heeft veel weg van een congres van de Cubaanse communistische partij: één grote applausmachine. Maar daarna begint het pas echt: de verloting! Tien lootjes voor vijf euro, waarbij wij als nieuwelingen verbaasd moesten aanzien hoe alle prijzen - na symbolisch schudden van de koektrommel -  zo'n beetje naar de oude garde en/of het hoofdbestuur gingen. Maar zowaar, aan het eind van deze bonte avond kantelde het geluk. Op mijn lotnummer 121 viel een rieten mandje met badzeep, voor fietsmaat Rob1 was er een roze plaid, een fles wijn en een doos chocoladewafels, en Gerard werd bedeeld met iets wat zich in eerste instantie als een doos krulspelden liet aanzien. Maar het bleek naaigerei. Echte mannelijke cadeaus, derhalve, waardoor Gerard na het wegwerken van de bbq-restanten van zaterdag naar moeder de vrouw kon gaan met de opmerking: 'Even kijken of er nog wat te naaien valt!'

 

 
 
 
 

 

Man kan de was doen

 

Maandag 7 juni 2010

 

Voor mannen die zich tot nog toe nooit met de materie hebben beziggehouden - geloof me, tot vrijdag was ik één van hen - komt deze mededeling wellicht als een schok: de was doen gaat vanzelf. Je hoeft er echt helemaal niks voor te doen. Het is een bezigheid die door de eeuwen heen door onze vrouwen om onbegrijpelijke redenen tot mythische proporties is opgeblazen. Nu mijn vrouw en dochter in Spanje zitten, mag/moet ik voor het eerst in mijn leven de was doen. Ik heb een korte instructie gekregen en mag als beginner ook nog niet álle was door mijn handen laten gaan: voorlopig alleen handdoeken, washandjes en onderbroeken, waarbij ik er op moet letten dat de Björn Borgs van mijn zoon daarna niet in de droger gaan. Daar schijnen ze niet tegen te kunnen. Mijn onderbroeken kennelijk wel, want daar heb ik niks over gehoord. Uit eigener beweging heb ik vandaag ook mijn wielerspullen gewassen. Apart, want je weet maar nooit. Lang heb ik getwijfeld of ik ook het gymshirt (fel geel) en een T-shirt van mijn zoon (oranje) erbij zou gooien, maar dat dorst ik toch niet aan. Wassen is vooral goed sorteren, heb ik van mijn eega begrepen. Omdat hij het shirt dinsdag toch weer nodig heeft, draai ik momenteel een apart wasje voor twee T-shirts. Zoals ik van plan ben om voor alle twijfelgevalletjes komende week aparte sessies in te lassen. Wassen gaat verder toch helemaal vanzelf.

 
 
 
  Uit de dagbladen van HDCmedia van 27 mei

 

 

Maandlenzen

Er zijn voor een puber tal van redenen om zich in de badkamer in tesluiten, maar deze kende ik nog niet. 'Ik krijg mijn lenzen er niet
uit', klinkt de stem van mijn zoon bedompt achter de deur die mij vanhem scheidt. Hij heeft eerst een half uur in zijn kamer geprobeerd zich te ontdoen van zijn nieuwe pupilprotheses en zich daarna onttrokken aan het honend commentaar van zijn zus, die elke vijf minuten kwam informeren hoe het ermee stond. Zijn linkeroog is al behoorlijk rood van het onhandige gegrabbel op en rond het netvlies. Zijn vijf keer per seconde knipperende rechteroog werkt ook niet mee. 'Laat mij het maar even doen', zeg ik, met de kalmte van de EHBO'er die zich als vrijwilliger opwerpt voor een gecompliceerde open hartoperatie.


Een jaar of vier heeft hij tot ieders tevredenheid een bril gedragen, maar onder invloed van klas- en clubgenoten vindt onze zoon het tijd voor een nieuwe look. Hij heeft al gebroken met de kapper die hem van
kindsbeen af heeft voorzien van de haardracht van comeback-kid Jan Peter Balkenende, en in de week van de val van Jack de Vries maakt mijn jongste nazaat ook korte metten met dat andere handelsmerk dat hem nog bond aan onze demissionaire premier.


Aangezien er geen fellere anti is dan een ex, heb ik enige tijd
geprobeerd hem van dit voornemen af te brengen. Negentien jaar lang
heb ik zachte lenzen gedragen, waarbij het steeds vaker als een
bevrijding voelde als ik ze - na het beëindigen van het openbare
gedeelte van mijn dag - kon vervangen door het ouderwetse montuur met
de borrelglazen. Maar de tijd dat mijn zoon wijze raad van zijn vader
aanneemt, is nog niet aangebroken. En, betoogt hij, de ontwikkeling
van de lens heeft sinds mijn prehistorische ervaringen zeker niet
stilgestaan.


Onze zoon gaat voor de maandlens, een in zijn vriendenkring gangbaar
type dat - anders dan de naam doet vermoeden - elke dag weer moet
worden ingezet en verwijderd, net zo lang totdat de maand om is en
zich een nieuw paar lenzen aandient. In de week voor de aanschaf van
de eerste proefexemplaren moet hij oefenen met het - zonder knipperen
- aanraken van zijn oogwit, iets waaraan hij zich met dezelfde
overgave kwijt als aan het op orde houden van zijn knapenkamer. Na een
moeizame passessie bij de opticien - onder het toeziend oog van zijn
moeder - krijgt hij zijn lenzen slechts met de grootst mogelijke
aarzeling van de ogenboer mee.


Aan mijn eigen negentien jaar ervaring met de zachte lens heb ik het
vermogen overgehouden om desnoods zonder knipperen met tien vingers
tegelijk in mijn oog te zitten om dode vliegen, takjes en omlaag
gedwarrelde wimperharen eruit te vissen. Maar het is andere koek om de
zenuwtrekkende pupillen van een 13-jarige te ontdoen van zijn
proefzending. Net als ik op het punt sta om hem onvrijwillig onder
narcose te brengen, slaag ik erin om het eerste, verfrommelde
exemplaar tussen duim en wijsvinger te nemen, wat mij de kracht geeft
om nog een kwartier langer door te vissen naar exemplaar nummer twee.


Het geeft hém in elk geval het excuus om mij - na een week op controle
terug bij de opticien - de schuld te geven van het feit dat hij de
rest van de gewenningsperiode zijn rechterlens in zijn linkeroog heeft
gedragen en zijn linkerlens in de rechter. In één van de lenzen zit
bovendien een scheur, dus die moet worden vervangen. Weer twee dagen
later zit diezelfde lens om onverklaarbare redenen niet meer in het
bakje waarin hij hem de avond ervoor heeft gedaan. Een zoektocht door
alle uithoeken van het huis levert niets op.


De opticien verwelkomt hem deze derde keer in ruim een week al als een
potentiële goudmijn.


De maanden worden korter, met de maandlens.

 

 
 
 
 

 

Huishouden

 

Vrijdag 4 juni 2010

 

Normaal is haar kamer verboden gebied, maar nu ze met haar moeder voor een week naar Spanje is afgereisd mag ik het Heilige der Heilige betreden om de vissen van mijn dochter te voeren. Vissen? In de gitzwarte bak op haar kamer kan ik slechts met moeite enig leven onderscheiden. De wanden van het aquarium zijn groen uitgeslagen van de alg en de tl-buis in de kap geeft geen krimp. Waarschijnlijk al weken niet meer. Mijn eerste uren als man alleen - nou ja, mijn zoon zit ergens in zijn kamer te computeren, daar heb je op dit soort momenten niks aan - besteed ik door met een schuurspons tot in mijn oksels in de groene purrie te boenen, als een BP-robot in de Golf van Mexico. De koopavond benut ik voor de aanschaf van een nieuwe lamp en zowaar, er zij licht! Dat zie ik ook de vissen denken, knipperend met de ogen na zoveel weken duisternis. Daarna doe ik de weekendboodschappen - mijn jongste nazaat klaagde 'dat er niks meer in huis was' (meestal het signaal dat de chips en cola op zijn) - ruim de voorraadkasten in, geef de doos Italiaanse Chardonnay (Val di Ciembra) die ik bij mijn wijnboertje heb opgehaald een mooi plekje en haal voor de eerste keer in mijn leven de was uit de droger, een handeling die mij die morgen door mijn eega is gedemonstreerd. Tevreden leun ik rond 22.30 uur achterover, in de overtuiging dat het huishouden een overschatte bezigheid blijft, zodra je tenminste wat achterstallig onderhoud hebt weggewerkt. Alleen het koken is er vandaag een beetje bij ingeschoten.

 

 
 
 
 

Smaakvol

 

Dinsdag 1 juni 2010

 

Vrouw en dochter zitten vredig op de bank naar een verantwoord televisieprogramma te kijken wanneer ik - in de rode stoel ernaast - verscholen achter mijn krant even mijn rechterbeen optil en het oudste geluid ter wereld produceer. Ik voel bij de vrouwen het ongeloof plaatsmaken voor lichte verbijstering als ik - schijnbaar gedachteloos - de handeling nog eens herhaal. 'Hij zit gewoon scheten te laten!', roept mijn oudste nazaat verontwaardigd en ze maakt zich op om zich, samen met haar moeder, met geweld op mij te storten. Ter verdediging laat ik er nog vijf horen en haal dan mijn iPhone uit mijn broekzak om triomfantelijk het smaakvolle programma 'Pocket Fart' te laten zien. De makers van 'Pocket Fart' willen onze planeet een beetje beter maken. Want wie wil er nu geen scheten laten zonder het milieu te vervuilen? De natuurgetrouwe winden worden ten gehore gebracht als je een beweging maakt, bijvoorbeeld het optillen van een been of, beter nog, het zitvlak. Ik beschik over de gratis versie Pocket Fart Lite. Er is er ook eentje voor 79 eurocent, waarmee je je eigen winden kunt opnemen en in een soort persoonlijke schetenbibliotheek kunt opslaan. Je kunt er niet van buiten. Volgens de iPhone Club zijn er inmiddels meer dan 50 scheetapplicaties voor de telefoon te downloaden. Sommigen worden meer dan 13.000 keer per etmaal binnengehaald, waarmee de makers vele duizenden dollars per dag verdienen. Net als deze scheten, stinkt ook geld niet. De rage is ooit begonnen met het programmaatje Pull My Finger - in real life ooit een dolletje tussen opa's en kleinzonen - maar tegenwoordig kan een geavanceerde schetenapplicatie veel meer. In iFart Mobile zit een Security Fart ingebouwd: via deze bonusfunctie kun je scheten laten klinken als je iPhone gestolen is. Zo kun je elke dief figuurlijk een poepie laten ruiken.  

 
 
 
 

 

Toewijding

 

Vrijdag 28 mei 2010

Ofschoon er binnen het gezin geringschattend over mijn hoofdhaar wordt gedaan, moet ook ik geregeld naar de kapper. Al sinds 1989 - toen wij ons huidige huis betrokken - zit mijn coiffeur aan de overkant van de straat, op zo'n meter of vijftig. Coiffeuse, moet ik eigenlijk zeggen, want de zaak heet Petra Kappers en er werken alleen maar jonge meiden, van wie een aantal overigens al twintig jaar met mij is meegegroeid. Maar dit terzijde. Er komen ook steeds weer jongere bij. Dit keer word ik onder handen genomen door een meisje dat nog maar kort geleden van de kappersopleiding is gekomen. Ze knipt mijn - toch niet al te gecompliceerde - model met een toewijding een betere zaak waardig en bovendien zo voorzichtig alsof ze vreest dat mijn broze haarpunten al afbreken voordat ze er de schaar in heeft gezet. Ik kan haar op dit punt geen ongelijk geven. Aan het eind van mijn behandeling verbaast ze me met de vraag: 'Mag ik ook uw wenkbrauwen even knippen, want die zijn op bepaalde plekken best wel lang.' Dat is me in twintig jaar Petra Kappers nog nooit overkomen, zo spreek ik later tegenover mijn eega mijn bewondering voor deze jeugdige employee uit. 'Daar kwam zeker het meeste haar vanaf?', antwoordde die gevat. Tenminste, ze vond het zélf erg gevat.

 

 
 
 
 

Kloof

Uit de dagbladen van HDCmedia van 20 mei 2010

 


De examentijd tilt ook de gesprekken aan onze eettafel naar een hoger niveau. ,,Catullus kwam uit Verona, wist je dat?'', vraagt mijn dochter aan haar moeder. Verona. Daar zijn we vorig jaar geweest. Mooie stad. Romeins theater. Opera. Maar verder hoef ik me er niet mee te bemoeien, natuurlijk. Mij is niks gevraagd. Dus is het een raadsel waarom ik toch mijn mond opentrek. ,,Catullus? Ik ken alleen Schanulleke, van Suske en Wiske.''


Een generatiekloof kun je het niet noemen, want mijn klassiek geschoolde eega blijkt wel vertrouwd met Gaius Valerius Catullus (ongeveer 84 tot 54 voor Christus), de eerste grote Latijnse lyricus. (Dank, Wikipedia, dank.) Maar op de havo vonden ze het niet nodig mij vertrouwd te maken met zijn liefdesgedichten over de frivole Clodia, de overspelige echtgenote van Quintus Metellus Celer.


Een kennis- en interessekloof moet het zijn, die maakt dat ik onze oudste nazaat al aan het begin van haar loopbaan op het tweetalig gymnasium geestelijk ben kwijtgeraakt. Een enkele keer slechts, kwam daarover een licht verwijt van haar lippen. Als ze subtiel vertelde over klasgenootjes wier vaders raketgeleerden bij ESA waren en zo handig konden assisteren bij wis- en natuurkundevraagstukken. Of over een hersenchirurg als buurman beschikten wiens betrokkenheid bij een biologiewerkstuk verder reikte dan, zoals in mijn geval, het bijvullen van de printerpatronen op de avond dat de finale uitdraai moet worden gemaakt.


Nu het erop aankomt in deze drie weken bestaat mijn support elke morgen uit een recht hartelijk gemeend 'Doe je best!', dat op de keper beschouwd als een belediging voor haar ambities mag worden beschouwd. Natuurlijk doet ze haar best. Het is al lang geen vraag meer óf ze slaagt. Het gaat erom met welke cijfers, om in elk geval rechtstreeks te worden toegelaten tot Geneeskunde. De studie Klassieke Talen gaat ze er als hobby - ik denk in hobby's, ze zal het waarschijnlijk zelf anders noemen - bij doen.


Voor mij als ouder, man en (dus) exponent van de door Jan Peter Balkenende verfoeide 6-jescultuur, is met de gemiddelden die ze in de afgelopen maanden heeft gescoord, al voor het centraal schriftelijk examen de druk van de ketel. ,,Al kom je helemaal niet opdagen, dan ben je nog geslaagd!'', roep ik, niet gehinderd door enige mathematische kennis, met de euforie van een Louis van Gaal. Du bist die Beste!


In andere gezinnen schijnt die examentijd nog wel een dingetje te zijn, begrijp ik uit verhalen van klasgenootjes waarvoor het complete gezin het levensritme heeft aangepast om voldoende nachtrust te garanderen. Op de site van de Krant van wakker Nederland zie ik voedingsadviezen opduiken. 'Goed leren is uiteraard de basis, maar onderschat de rol van gezond eten en drinken niet!' De tips reppen van volkoren boterhammen (ontbijt), rozijnenbollen (tussendoor), wraps met gestoomde zalm (lunch), smoothies (tussendoor) en kippenbout met partjes aardappel in de oven, worteltjes en peultjes (warme maaltijd).Ik mag alleen maar hopen dat de buikpijn waarmee ze op dinsdag naar het examen Latijn vertrekt aan de spanning ligt, en niet aan de twee licht aangebrande pistoletjes, de bleke drumsticks en de in een half pakje croma gebakken aardappelen in combinatie met een potje witte bonen in tomatensaus, die ik haar de avond ervoor heb voorgeschoteld.


Ze komt er in elk geval enigszins gedesillusioneerd van terug. Moeilijk? Ze schudt mismoedig het hoofd. Zo makkelijk. Op deze manier halen ook de kneuzen die er helemaal niet goed in zijn een voldoende. Dat lijkt haar toch niet de bedoeling, van een examen.


Als ouder hoop je altijd dat je kind het verder schopt dan jij.


Maar je kunt ook overdrijven.

 

 

 
 
 
 

 

Alarm

 

Donderdag 27 mei 2010

 

Met vijf journalisten zitten we in het bedrijfsrestaurant van Nieuwe Energie in Leiden als het brandalarm begint te loeien. De enkele frons die over een gezicht trekt is er één van ergernis, onze gesprekstoon wordt wat luider en de vorken en lepels blijven onafgebroken naar de monden gaan. Om ons heen pakken enkele tientallen andere werknemers in dit bedrijfsverzamelgebouw gehaast hun boeltje, of laten hun volle dienbladen in de consternatie op tafel achter, en snellen naar buiten. Maar een goede journalist eet eerst zijn bord leeg. Als tegen het toetje het restaurant al een tijdje uitgestorven is, sjokken we - sommigen met het kaasdessert in de hand - toch ook maar naar buiten, waar over de hoofden van de meute de sirene van een brandweerwagen is te horen. De dames van de Bedrijfshulpverlening - die bij de ontruiming van het pand nergens te zien waren - weten nu in elk geval te voorkomen dat we - bij ontstentenis van zwarte rookpluimen - weer naar binnen lopen om aan het werk te gaan. Nee, dit is geen oefening. The real thing, man. Verveeld werken we, hangend tegen een lantaarnpaal, ons toetje naar binnen. Bagdad, Kabul, de 3e Binnenvestgracht in Leiden, ons maak je niet gek. Na een kwartier mogen we weer naar onze werkplek, maar pas een dag later komt het waarom van het brandalarm aan het licht. Iemand had op onze bovenverdieping de hete douche aangezet met de deur wijd open, waardoor de stoomwolken het brandalarm in werking brachten. Op hetzelfde moment had beneden een cliënt van de daklozenopvang - jazeker, die zit ook in ons pand - een brandende aansteker bij een hittesnuffelaar gehouden. Een goed gecoördineerde aanslag, zou je denken, met twee paniekhaarden. Maar alleen onze verstoorde lunch was na twee dagen nog voer voor journalisten.

 

 
 
 
 

 

Bedreigend

 

Dinsdag 25 mei 2010

 

Tragische valpartijen en onverhoedse dopingcontroles zijn net zo bedreigend voor een wielrenner als lange wandelingen. Vandaar dat ik altijd huiverig ben als mijn eega enthousiast komt aangewapperd met een route uit weer zo'n obscuur natuurblad of - nota bene - de Vrij-bijlage van mijn eigen krant. Aan mijn conditie ligt het niet, maar mijn spiergroepen zijn niet (meer) berekend op vijf tot zes uur stevig voortstappen op bergschoenen van elk een kilo. Maar als compensatie voor alle dagen dat ik haar als wielerweduwe thuislaat terwijl ik ergens in de Ardennen, Spanje of het Italiaanse hooggebergte rondrijd, kan ik moeilijk nee zeggen tegen deze uitstapjes. Op naar de stompe toren van Ransdorp dus, onder de rook van Amsterdam, in gezelschap van vrienden Mart en Carla, voor een wandeling rond het Kinselmeer. Een paar weken geleden stond de route in de Vrij en we kwamen zeker drie groepen abonnees tegen - hetzelfde knipsel in de hand als wij - die op deze Tweede Pinksterdag het wandelen ook verkozen boven een bezoek aan de Meubelboulevard of de autoboer.

 

 

 

Al op het eerste deel van Ransdorp naar Holysloot - waar mij een mooi terras was beloofd - begon het na een half uur te trekken achter mijn linkerknie en dat gevoel kreeg gezelschap van kuitkrampen en pijnlijke bovenbenen op het traject over de Uitdammerdijk van Holysloot naar Durgerdam. Bij afsluitende bezoekjes aan Marken en Broek in Waterland kwamen daar ook nog rugklachten en stijve scheenbenen bij. Dat wil niet zeggen dat ik onderweg niet geniet van broedende zwanen, kwakende kikkers, reigers, futen en andere weidevogels, om nog maar te zwijgen van mijn warme appelgebak en - achterin de middag - mijn steenkoude rosébier. Maar echt bijzonder om te fotograferen vond ik - bij het uitlopen van Ransdorp, een (mooi) gat van niks - gewoon langs de stoep aan de Dorpsweg. Twee Aston Martins, waaronder een bijzondere rode!

 

 

Ik ben niet alleen geen wandelaar van nature, ook de natuur is aan mij niet echt besteed.

 
 
 
 

 

 

Toekomst

 

Na een optreden in 1975 van The Boss schreef de beroemde popjournalist Jon Landau in het muziekblad Rolling Stone: Ik heb de toekomst van de rock-'n’-roll gezien en zijn naam is Bruce Springsteen.

 

 Zo'n 35 jaar later schrijft journalist Dick van der Plas op zijn weblog van maandag 19 april 2010: Ik heb de toekomst van het Katwijkse basketbal in de ogen gekeken en het team heet Grasshoppers J42.

 

We spreken over de zaterdag die vooraf ging aan 19 april, want ik had gewoon twee dagen de tijd nodig om het allemaal een beetje te laten bezinken. Om een beetje tot mezelf te komen. Was de tweede helft van de wedstrijd tegen de Aardamse Basketbal Club (ABC) echt het beste wat ik ooit van J42 heb gezien?

 

De eerste helft zag het daar zeker nog niet naar uit. De uitwedstrijd hadden we nog van ze verloren en ook nu leek het weer geen ABC’tje te worden. Het duel ging redelijk gelijk op, maar tot een paar minuten voor de rust keken onze mannen voortdurend tegen een kleine achterstand aan. Business as usual, ging het worden, waarbij je als partijdige toeschouwer voortdurend het idee had dat we echt niet minder waren dan de tegenstander en uiteindelijk toch kansloos de bietenbrug op gingen. Hoe vaak hadden we dat al niet meegemaakt, in deze tweede seizoenshelft?

 

Totdat, op het eind van de tweede periode, opeens sprake was van één van die magische momenten in de sport. Al die uren dat coach ArendJan erop had getraind, alle decibellen die hij ook deze middag weer de sporthal in schreeuwde, de wanhoop die wij soms van zijn gezicht konden afscheppen, de verbeten teleurstelling van zijn haarvaten tot in zijn tenen, de onderdrukte woede bij een zoveelste time out: alles betaalde zich in één keer uit. Het team ging pressie zetten, de technische mannetjes van ABC raakten de kluts kwijt en bleken geen bal meer fatsoenlijk te kunnen raken.

 

De kleine voorsprong van Grasshoppers bij rust werd in hoog tempo uitgebouwd: niet alleen door de vaste waarden van het team, nee, de hele ploeg leek zichzelf naar een hoger niveau te tillen. De bal ging snel rond, spelers vonden elkaar blindelings en waar J42 in de regel erg veel kansen nodig heeft om te scoren leek het netje nu opeens een wonderlijke aantrekkingskracht te hebben.

 

Al die maanden van knarsetanden langs de lijn waren vergeten, tijdens twee perioden van wervelend basketbal in een wedstrijd die eindigde met een  - zeker gezien het verloop voor rust - monsterscore: 86-41.

 

Halleluja.

 

Rest mij, als beschouwend columnist, een ieder die er bij was op die wondermooie middag van de 17de april, toch ook nog even met beide benen op de grond te zetten met een citaat van een andere, anonieme grootheid uit het Nederlandse taalgebied:

 

Eén zwaluw maakt nog geen zomer.

 
     
     
 
 
     
  Nog even een cartoon uit Het Parool van Joep Bertrams waar ik erg om moest lachen:

 
     
     
 
 
 

Jongens zijn anders

 

Donderdag 13 mei 2010

 

Hemelvaartdag. Even geen column want er is geen donderdagkrant. Dat voelt elke keer weer als een beetje vakantie. Toen mijn stukje nog op maandag in de krant stond, had ik vaker van dit soort dagen. Tweede Paasdag. Tweede Pinksterdag. Voor kerst moest je geluk hebben, net als met Nieuwjaarsdag. Maar 2010 is een bazenjaar, want al die feestdagen vallen in het reguliere weekend.

 

Terug naar de krantencolumn van vorige week dan maar, waarvoor ik mijn inspiratie haalde uit een artikel in de onderwijsbijlage van De Volkskrant. Daarin werd betoogd dat jongens - zeker in het onderwijs - veel te vaak langs de meetlat van de meisjes worden gelegd. Daar moet verandering in komen. Vindt ook mijn zoon.

 
     
     
     
  6 mei 2010  
 
 
 

 

 

Anders

Gedreven door ambitie en plichtsbesef werkt zijn zus zich in de ene kamer door acht proefexamens per dag. In de andere hangt onze zoon veertien uur per etmaal voor een beeldscherm, waarop buitenaardse wezens en goed uitgeruste paratroopers elkaar naar het leven staan. Een logische rolverdeling, heeft de wetenschap aangetoond, maar mijn eega weigert zich daar bij neer te leggen. Om structuur te brengen in zijn met ledigheid gevulde meivakantiedagen, geeft ze hem drie werkjes: de (geleegde) gft-bak binnenhalen, de krantentas afstorten in
de papiercontainer en de flessen weggooien, allemaal binnen een straal van dertig meter rond ons huis.


Na decennia van het stelselmatig wegwerken van elke vorm van
onderscheid, komt er weer aandacht voor de verschillen tussen jongens en meisjes. Zo bracht De Volkskrant dinsdag in een bijlage vooral de situatie in het onderwijs in beeld. Waar het vrouwelijk geslacht goed garen spint bij verbaal-linguïstische onderwijsvernieuwingen als het Nieuwe Leren en het Studiehuis, vallen jongens buiten de boot omdat hun onvolgroeide puberhersens er nog niet aan toe zijn om eigen leervragen te bedenken, presentaties te houden of werkstukken te maken. Ze missen structuur en duidelijke beoordelingscriteria.


De bron van deze verschillen gaat terug tot de chimpansees, waar de
vrouwtjes leergierig de vaardigheden van hun moeders kopiëren en de
mannetjes elkaar bij voorkeur voor de bek slaan of achter elkaar aan
hollen en met stront gooien. Uiteindelijk komt het allemaal wel goed
met de aspirant-leiders op de apenrots, het duurt alleen wat langer.


In het mensenleven hebben onze mannetjes het tij tegen. Doordat in het
onderwijs steeds meer vrouwelijke invloeden doordringen raken ze de
weg kwijt. Mijn echtgenote kan zich met terugwerkende kracht nog
opwindende over het onderhoud dat zij op de peuterspeelzaal had met
een leidster die haar aanraadde om voor onze zoon professionele hulp
te zoeken omdat hij niet netjes aan een tafel vlindertjes wilde vouwen
en bij het tekenwerkje buiten de lijntjes kleurde. Op de basisschool
vonden ze hem ongeschikt voor de havo, omdat gedrag en werkhouding
belangrijkere selectiecriteria zijn dan de Cito-toets.


Jongens zijn laatbloeiers. Onze zoon gaat straks fluitend naar 3-vwo.
Niet met negens en tienen, zoals zijn zus. Maar - heel berekenend -
alles ruim voldoende.


Jongens hebben mannen nodig om zich mee te identificeren, is een
opvatting in de pedagogie waaruit volgens mijn eega een belangrijk
deel van het gedrag van onze jongste nazaat valt te verklaren. De hele
dag voor de computer hangen, zich verliezen in zinloze bezigheden en
belangrijke taken in het gezin verwaarlozen. Van wie zou hij dat nou
hebben?


De enkele keer dat ze me inschakelt om structuur te brengen in zijn
leven, hang ik voor het late Sportjournaal en wekt ze me uit mijn
lethargie om te kijken of onze jongste nazaat al in bed ligt. Gelaten
sjok ik dan de trap op, doe de deur van zijn kamer open en zie hem in
mijn houding voor de tv, met zijn rug naar een brommende computer en
met naast hem een mobieltje waaruit blikkerige muziek klinkt. 'Je moet
naar bed', zeg ik halfslachtig en hij knikt. Als zijn zus hem niet
eerder verraadt, weten hij en ik dat hij vanaf dat moment nog zeker
drie kwartier heeft voordat zijn moeder ontdekt dat hij nog gewoon
achter zijn tv zit.


Zoals het me een dag later bij thuiskomst geen moment verbaast dat de
oude kranten en de lege flessen nog in de hal staan, en de gft-bak nog
aan de stoep. Zijn excuus - 'het regende' - wordt alleen door de
mannelijke helft van het ouderlijke gezag als redelijk ervaren.
 

Wij zijn anders.


Het kan niet genoeg worden benadrukt.

 
     
     
     
     
  Eerder dit jaar  
     
  29 april 2010  
 
 
   

 

Het is eind april,

het schooljaar zit er op

Af en toe probeer ik er het adagium van mijn vader zaliger in te
gooien. Maar mijn eigen 'Eten en je mond houden!' vermag geen invloed te hebben op de woordenstrijd tijdens wat een harmonieus familiemoment zou moeten zijn. Zoon: ,,Ik heb dinsdag de hele dag vrij.'' Dochter: ,,Ik donderdag en vrijdag.'' Zoon: ,,Daarna heb ik projectweek, met alleen maar excursies, meivakantie, nog een paar weken aanlummelen en dan grote vakantie.'' Dochter: ,,Je zou kunnen zeggen dat ik woensdag
mijn laatste lesuur ooit heb, op de middelbare school.''
Het is eind april, het schooljaar zit er zo'n beetje op, mag ik
afleiden uit de verbale pikzwaaierij waarmee in ons gezin de
avondmaaltijd doorgaans wordt begeleid.


Uit voorgaande jaren herinner ik me nog wel wat politieke commotie over het halen van de 1040 lesurennorm in het onderwijs, maar dat probleem heeft zich - buiten mijn blikveld - kennelijk opgelost als een wolk vulkaanas. De leerplicht hangt ergens als een vrijblijvend
kader boven het dagritme van onze nazaten, hun rooster lijkt net zo bindend als belastingregels op de Kaaimaneilanden.


Het zal wel te maken hebben met het regeringsvacuüm waarin we ons momenteel bevinden. Het volgen van vijf of zes vakken op een dag, in een tijdsbestek van ruwweg 08.30 tot 15.00 uur is kennelijk tot controversieel onderwerp verklaard. En gebroken weken met
Koninginnedag, 5 mei, een meivakantie, Tweede Pinksterdag en
Hemelvaartsdag maken het er ook niet beter op.


Rust en regelmaat, daar moet ik het op mijn leeftijd van hebben.
Reinheid is mooi meegenomen, maar moet niet worden overdreven. Als ik
's morgens mijn belangwekkende steentje bijdraag aan het op gang
helpen van het gezin, weet ik graag waar ik aan toe ben. Nauwkeuriger
gezegd: de kern van mijn tevredenheid ligt in het feit dat ik ze rond
de klok van acht uur met een volle rugzak naar school zie gaan. Dat is
een vorm van reinheid die ik namelijk wél onderschrijf: opgeruimd
staat netjes. Nu breekt zeker drie keer per week de pleuris uit omdat
ik iemand voor het ontbijt wek die de eerste één, twee of drie uur
vrij heeft. Of helemaal niet naar school hoeft.


De naderende examens van onze dochter hebben het effect van een
staatsgreep op een toch al wankel regime. ,,Alle vakken die ik nu nog
heb, volg ik uit vrije wil'', betoogt ze. ,,Gewoon, omdat ik het leuk
vind.'' Haar jaargenoten zijn uit heel ander hout gesneden, daar laat
ze geen misverstand over bestaan. Bij elke maaltijd krijgen we een
opsomming van wie er wat die dag allemaal onbekommerd aan zich voorbij
heeft laten gaan (ten faveure van een vaag profielwerkstuk dat moet
afgerond, of het blokken voor een herkansing van een tentamen), met
hoeveel leerlingen de klas nog was gevuld (anderhalve man en een
paardenkop) en in welke staat van verwarring het onderwijzend
personeel (dat het normale dagritme heeft losgelaten voor het
mondeling en schriftelijk toetsen van in zes jaar tijd doorgegeven
kennis) verkeert.


Onze zoon moet nog vier jaar, maar lijkt te worden meegezogen in de
staat van vrijheid blijheid die zijn zus uitstraalt. Dat gevoel wordt
in niet geringe mate versterkt door zijn gewoonte om belangwekkende
papieren informatie over excursies, projectweken of andere inbreuken
op het normale bestaan, te laten afzinken in de door chocomel en zure
vruchtensappen vervuilde bodem van zijn rugzak. ,,O ja, ik moet morgen
naar Amsterdam'', laat hij dan - doorgaans tijdens een plaspauze in
zijn REM-slaap - aan het ouderlijk gezag weten. ,,Nee, ik hoef geen
broodjes mee. Wat geld voor patat en een paar zakjes chips volstaan.''
Nog maar vier maanden, dan is het weer september. Dan is alles - in
elk geval tot de herfstvakantie van oktober - weer even normaal.

 
     
     
     
     
  22 april 2010  
 
 
   

 

Angst

Het is met een zekere schroom en zonder trots dat ik meld dat ik nog van een generatie ben die omkijkt als er een vrouwelijke chauffeur achter het stuur van een stadsbus zit. Leuk, denk ik dan. Dat hebben we toch maar mooi bereikt, in dit land. Maar als ik in een Boeing 737 van de purser hoor dat ik van Valencia naar Amsterdam wordt teruggevlogen door gezagvoerder Margo en co-piloot Jacqueline, moet ik - op rij 14 bij de nooduitgang - toch even ongemerkt een paniekaanval
wegzuchten.


De luchtvaart verkeert altijd in de greep van de angst, wil ik maar
zeggen. Is het geen terrorisme, dan is het wel een aswolk of gewoon -
heel menselijk - de vrees om door welk ander van binnen of buiten
komend onheil van grote hoogte te pletter te vallen. Daarom zou het ook te gemakkelijk zijn om mijn primaire reactie op een toestel vol met vrouwelijke bemanningsleden - zelfs onder de stewardessen is geen
man te bekennen - toe te schrijven aan onvervalst seksisme. Ik vertrouw mijn dierbaarste bezittingen toe aan een vrouw, zoals de
dokter en haar twee jeugdige stagiaires die mij ooit (met toestemming) hebben gesteriliseerd, kunnen beamen. De hooguit vier keer per jaar dat ik in een vliegtuig stap is domweg te weinig om volledig tot mezelf te komen. Dat zal het zijn.


Verkrampt reageren staat aan de basis van veel procedures waarmee het
vliegverkeer is omgeven. De topmannen van KLM, Schiphol, de
luchtverkeersleiding en het ministerie van verkeer en waterstaat waren
deze week bij 'Pauw en Witteman' best bereid om dat toe te geven, bij
een eerste terugblik op asvrijdag, aszaterdag, aszondag en asmaandag.
'Er is iets onveilig (vulkaanas in de lucht), dus alles is onveilig.'
Gooi maar dicht, dat luchtruim. De realisten in de sector - onder wie
piloten die op allerlei continenten vrijwel wekelijks om aswolken en
zandstormen heen vliegen - moesten zich de blaren op de tong praten om
Europese autoriteiten aan het verstand te brengen dat dat misschien
een heel klein beetje overdreven is.


Zoals ik het zelf overdreven vind dat ik mijn dunne, canvas Yellow
Cabs-schoenen op Schiphol moet uittrekken omdat de metalen oogjes waar
de veters doorheen geregen zijn het alarm van de detectiepoortjes in
werking stellen (in Valencia piepen ze niet, hoe kan dat?). Alleen
maar omdat ooit een verwarde geest tevergeefs heeft geprobeerd om zijn
schoenen op te blazen in een vliegtuig. En wordt naast mij een hevig
protesterende Engelse mevrouw van een pot pindakaas uit haar handtas
beroofd. Die van mij zit - mijn Spaanse vrienden zijn er gek op -
veilig in mijn koffer, net als de bestelde AH koffiepads en vijf
zakjes Bakpoeder (!) van Dr. Oetker. Als ik die in mijn rugzak had
gestopt - in combinatie met de (allemaal uitgepakte en door een barse
beambte op tafel uitgestalde) verdachte opladers voor laptop en
iPhone, mijn gps-apparaat en usb-kabel voor mijn fototoestel - hadden
de beste advocaten zes jaar moeten vechten om de veroordeling van Dick
van der P. nietig te verklaren.


Iets is onveilig, dus alles is onveilig.


Margo en Jacqueline brachten mij - een paar dagen voordat de as roet
in het eten zou gooien - snel en probleemloos van Spanje naar
Nederland. Alleen kwakten ze op Schiphol het toestel behoorlijk hard
op de grond.


'Er stond ook wel heel veel wind', vergoelijkte mijn vrouw, achter het
stuur van mijn auto, toen ik daar op weg naar huis over klaagde.


'Wees maar blij dat ze die kist niet achteruit hoefde in te parkeren',
reageerde een collega later.


Maar hij is van wéér een andere generatie.

 


De namen Margo en Jacqueline zijn om privacy- (en misschien ook wel
veiligheids-) redenen gefingeerd. De rest niet.

 
     
     
     
     
  1 april 2010  
 
 
   

Ortho

De scheefgroei van een gebit leidt tot sombere bespiegelingen. Hij heeft er langer voor op de wachtlijst gestaan dan voor een nieuwe lever gebruikelijk is, maar de ten langen leste tot stand gekomen afspraak met de orthodontist ligt onze zoon (13) steeds zwaarder op de maag. Op zijn zwartste momenten mag hij het lot dat hem onafwendbaar boven het puberende hoofd hangt, samenvatten met: 'Ik heb al een bril, straks krijg ik ook nog een beugel.'


Je ziet ze nooit bij 'Opsporing Verzocht', maar er zijn mensen die orthodontisten wel degelijk tot het boevengilde rekenen. De
Consumentenbond beschuldigt ze van de vorming van een beugelkartel, zorgverzekeraars lopen te hoop tegen hun exorbitante prijsstijgingen
en Tweede Kamerleden maken zich boos over hun inkomens die de Balkenendenorm ver overschrijden. Hoogleraar  orthodontie Reinder Kuitert mocht in het televisieprogramma 'Netwerk' beweren dat orthodontisten vaak alleen op cosmetische - en niet op medische - gronden een beugel adviseren, zonder er daarbij rekening mee te houden dat een beugel de situatie ook kan verslechteren. De Nederlandse
Zorgautoriteit heeft een onderzoek beloofd.


Wat ik zelf weet van orthodontisten is dat er - wellicht om
bovenstaande redenen - veel te weinig van zijn. In ons dorp (60.000
inwoners) is er welgeteld eentje, waardoor de wachtlijst voor een
bezoekje kan oplopen tot Noord-Koreaanse proporties. De meeste
tandartsen melden adolescenten derhalve preventief aan: mocht er in de
tussentijd echt iets aan de stand van het gebit dienen te gebeuren,
dan kun je in elk geval binnen een redelijke termijn terecht. Onze
dochter heeft op die manier drie jaar op de wachtlijst voor de
orthodontist gestaan, totdat onze tandarts constateerde dat al haar
tanden en kiezen keurig op hun plek waren gezakt. Probleem opgelost.


Net als adhd en autisme kwam ook de beugel in mijn schooltijd slechts
sporadisch voor. Als bij iemand het gebit wat rommelig in de mond
stond hoorde dat bij zijn gelaatskenmerken, net als een grote neus,
rood haar of flaporen. Aan een bochel of een hazenlip moest je wat
laten doen, daar waren wij het wel over eens. Maar aan je gebit? Het
was al erg genoeg dat om het halfjaar de bus van de schooltandarts
voor de deur van onze onderwijsinstelling stopte.


Een aselecte steekproef onder stagiaires op onze redactie tussen de 16
en 20 jaar oud leert inmiddels dat zo'n zestig tot zeventig procent
van een middelbare schoolklas is voorzien van ijzerwerk op, onder of
in de kaken. Want beugels worden ook steeds exotischer. De dochter van
een collega heeft een zogenaamde blokbeugel: een apparaat dat veel weg
heeft van het geraamte van een corsopraalwagen en ervoor moet zorgen
dat haar onderkaak naar voren komt, mits ze het ding dertien uur per
dag in houdt. De stand van haar mond is inmiddels zodanig dat ze haar
eten als een kameel naar binnenwerkt en met haar ouders communiceert
via een doventolk.


Het zijn dit soort vooruitzichten die het wereldbeeld van onze zoon
vertroebelen. Hij is minder gelukkig dan zijn zus. Na drie jaar vindt
onze tandarts nog steeds dat een bezoekje aan de 'ortho' raadzaam is.
Op de ochtend van de bewuste dag neemt hij afscheid van me als iemand
die zojuist de pil van Drion in zijn lunchtrommeltje heeft gestopt.
Een uur later belt zijn moeder me op. De afwijkingen aan zijn gebit
waren zo gering - en dan ook nog eens maar aan één kant - dat het
zelfs deze zakkenvuller, deze graaier, deze boef (om maar eens wat
officiële instanties te citeren) te ver ging om een reeks
vervolgafspraken te maken.


Best jammer, verzucht mijn eega, want het was een lekker ventje, iets
wat later in de week door een vriendin - wier dochter wel door deze
ortho is beslagen - volmondig wordt beaamd.


Kan de Nederlandse Zorgautoriteit ook dat aspect in het onderzoek meewegen?

 
     
     
     
     
  25 maart 2010  
 
 
   

 

Lunch
 

Na een lange, warme zomervakantie wil er nog weleens eentje uit een schoolrugzak opduiken: een goed gevulde broodtrommel met overgeschoten pistoletjes. Eentje met brie en de ander met grillworst, maar allebei overwoekerd met de grijsblauwe schuimlaag van het bederf. Aan de zijkant borrelt iets bruins onder de wikkel van een gesmolten KinderBueno. Je probeert jezelf voor te bereiden op de stank als je voorzichtig het tupperwaredekseltje opent, maar wanneer de eerste
lucht zich met een vochtig gesis naar buiten blaast, sla je toch nog kokhalzend tegen de grond.


Sommige ervaringen blijven je levenslang bij, zeker als de herinnering eraan vrijwel dagelijks wordt ververst. Van alle huisregels die het
kroost aan de laars lapt, staat het gebod om de broodtrommels bij
thuiskomst meteen in de vaatwasser te zetten hoog in de top tien. Bijna elke ochtend sluipt een van de twee achter mijn rug naar de
groenbak om restanten hagelslag, broodkruimels of aangevreten korsten
weg te gooien, alvorens zich - als een dakloze bij de soepbus - aan
het aanrecht te melden voor een verse lunch.


En dan heb ik het hier nog over de residuen van wat ik als een
gangbaar twaalfuurtje beschouw. Zo gauw mijn scherpe inkoopbeleid het
toelaat - acht voorverpakte producten zijn volgens mijn Appie vaak
goedkoper dan vier - laat onze dochter - een carnivoor van het
zuiverste water - om half acht in de ochtend haar afbakpistoletjes
beleggen met overgeschoten slavinken, rundertartaartjes of
gemarineerde speklappen. Soms na ampele opwarming in de juspan, maar
bij grote haast ook zo uit de koelkast, met de geel gestolde resten
Croma er nog aan. 'Dat is, lang voor de pauze begint, al gesmolten',
zo weerlegde ze ooit mijn kritiek op deze handelwijze. Elke keer weer
prijs ik me gelukkig dat ik op ruime afstand ben, zodra de deksel van
deze brooddoos van Pandora open gaat. Er zijn middelbare
onderwijsinstellingen - denk maar aan ontploffingen in het
scheikundelokaal - voor minder ontruimd. Op die dagen van grote haast
om niet te laat te komen, gaat er naast die nauwelijks afgekoelde
afbakpistoletjes met half bevroren vleesresten, ook een plak snijkoek
en de al eerder gememoreerde KinderBueno - een klassieker in het
schoollunchpakket - mee, wat vooral in de zomermaanden tot
interessante chemische verbindingen leidt.


Bijna net zo erg als de uitwassen met het vaste voedsel zijn de
calamiteitensituaties die ontstaan door het meenemen van pakjes
drinken in die vakjes van een Eastpak-rugzak die eigenlijk zijn
bestemd voor een passer of geodriehoek. Onze zoon - die letterlijk op
een 'School met den Bijbel' zit - torst op dagen dat hij godsdienst
heeft een vuistdik exemplaar van de Heilige Schrift met zich mee, dat
hij alleen nog in zijn tas krijgt door het tussen de andere boeken
vacuüm te duwen. Soms zijn we er live getuige van, maar meestal merken
we het pas een paar dagen later dat daarbij een pakje halfvolle
chocomel is geïmplodeerd en hij in de keuken een bruin aangekoekte
laag van zijn gehuurde lesboeken probeert af te spoelen.


De grootste puinhoop ontstaat meestal op dagen dat ik - na bestudering
van adviezen van het Voedingscentrum - enige variatie in de
schoollunch probeer aan te brengen en de chocomel vervang door verse
jus d'orange, de KinderBueno door suikervrije ontbijtkoek en de
afbakpistoletjes door mueslibollen van mijn prijsstuntende
grootgrutter. Als huisdieren die trots een halfvergane prooi voor je
voeten deponeren, zo halen ze na weken nog overblijfselen van dit
vitaminerijk voedsel tussen wiskundeschriften en rekenlinialen
vandaan.


De dagen worden langer, de temperaturen gaan weer omhoog. In Limburg
werd gisteren alweer de twintig graden aangetikt. Onderin de Eastpaks
van honderdduizenden scholieren beginnen de goed geconserveerde
overblijfselen van zes lange wintermaanden te gisten en te geuren.
Aarzel niet om de autoriteiten in te lichten. Elke rugzak is een
tikkende tijdbom.

 
     
     
     
     
  18 maart 2010  
 
 
   

 

Koppeling

 

De vraag was beslist ter zake doende, op de ochtend van de dag waarop haar eerste rijles op het programma stond. Maar toch wordt mijn eega er volkomen door verrast. ,,Op welke plek zit eigenlijk de koppeling?'', wil onze dochter bij het ontbijt weten. ,,Links of rechts?'' Zoals zo vaak bij het onder woorden brengen van automatismen, valt mijn echtgenote - bijna dertig jaar in het bezit van rijbewijs B, verzekeringstechnisch al tijden lang bivakkerend op de hoogste trede van de bonus-malusregeling - stil, om ons vervolgens hardop kond te doen van haar verwarring. ,,Even kijken, het gaspedaal zit rechts, en daarnaast zit, de koppeling? Of de rem?'' Nadat ze haar eigen hoongelach heeft laten verstommen, lijkt dit mijn oudste nazaat
het geëigende moment om mij het verlossende woord te laten spreken.


Nee, dit wordt geen stukje over vrouwen die niet kunnen autorijden.
Althans, met die intentie ben ik er niet aan begonnen. Maar je weet
nooit hoe het loopt, als je eenmaal begint te tikken. Zo gaan mijn gedachten op dit moment terug naar de tijd dat onze tweede auto een
roestrode Fiat Panda was, die vooral bij de koude start blijk gaf van een wispelturig karakter. Het kon gebeuren dat ik drie keer per week
hyperventilerend en bloedspuwend achter het ding de straat op en neer draafde, terwijl mijn vrouw achter het stuur vergeefse pogingen deed om de motor aan de praat te krijgen. ,,De koppeling loslaten!'', hijgde ik dan met hese rochels, om vervolgens met mijn voortanden tegen de achterruit te slaan als ze keihard op de rem trapte. Dat heb je óók met automatismen. Je moet ze niet specifiek willen benoemen.
 

Bovendien had ik haar impulsieve pedaalgedrag aan mezelf te wijten
omdat ik één van de eerste keren dat ik 'Koppeling loslaten!' riep, in
woede ontstak toen ze de tijd nam om haar hoofd uit het raampje te
steken voor de even informatieve als open vraag: 'De koppeling???'
Met het zwemdiploma heeft het halen van het rijbewijs gemeen dat beide
papiertjes in mijn optiek een onmiskenbaar onderdeel van de opvoeding
vormen. Bovendien heb je aan het rijbewijs, als ouder, veel minder
werk. Het kroost wordt keurig aan de deur gehaald en gebracht, je
hoeft niet een uur lang in een tot tropische temperaturen verwarmde
ruimte te wachten totdat het onderricht voorbij is en ook het afdrogen
en aankleden van drie klamme lichamen - ik moest bij toerbeurt ook
twee buurmeisjes meenemen, dat kon in die tijd nog - blijft je
bespaard.
 

Jarenlang heeft onze vorig week achttien jaar geworden dochter zich op
het grote moment voorbereid door het bekijken van alle op internet
beschikbare afleveringen van 'Top Gear', waardoor bij haar het
verwrongen beeld heeft postgevat dat auto's haakse bochten moeten
kunnen maken, zich bij voorkeur voortbewegen met een kruissnelheid van
tegen de 225 kilometer per uur en voorzien zijn van een prijskaartje
met daarop het bedrag van een modaal rijtjeshuis. Onze ruimhartige
geste dat het gezinswagenpark - een Kia Sorento en een Chevrolet Matiz
- na het behalen van het rijbewijs tot haar beschikking staat, werd
aanvaard met de minzame blik van iemand die nog niet dood in die
koekblikken wil worden gevonden.
 

Als het belangrijkste wapenfeit van haar eerste rijles noemt ze het
behalen van de afschrikwekkende snelheid van 90 kilometer per uur,
maar bij enig navragen blijkt dat ze daarbij alleen het stuurwiel en
het gaspedaal hanteerde. Het koppelen en schakelen gebeurde door haar
instructeur.
 

Ging dat goed?
 

Nou, af en toe gierde de motor wel behoorlijk, als zij gas gaf op het
moment dat de instructeur alvast de koppeling intrapte.
 

De vrouwelijke instructeur.
 

Daar bedoel ik verder niks mee, natuurlijk. Maar het stukje is zo wel
mooi rond.

 
     
     
     
     
  11 maart 2010  
 
 
   

 

Rambo III


De strijd om de kijkersgunst had hij al verloren van Linda de Mols 'Ik hou van Holland'. Maar deze zaterdagavond is het onze zoon die hem de genadeklap geeft. ,,Gaan jullie Paul de Leeuw kijken?'', vraagt hij, bij wat ik als een opmaat naar ons wekelijkse familiemoment voor de buis beschouw. Sinds zijn zus zich op haar kamer heeft teruggetrokken voor kwaliteitsseries van de BBC, is hij onze enige hoop om in de
tradities van 'Eén van de Acht', de 'Berend Boudewijn Show' en 'Avro's Wiekent Kwis' te treden. Ik maak alvast wat ruimte voor hem op de bank, maar hij schudt nee. ,,Ik ga boven 'Rambo III' kijken.''


Behalve met dooddoeners als 'De kindertjes in Afrika hebben niet eens
bord om leeg te eten' en 'Denk je soms dat het geld me op de rug
groeit?', wist mijn moeder ons om de oren te slaan met de uitspraak 'Het is hier geen hotel'. Die bewaarde ze voor de keren dat wij - mijn drie zussen en ik - morden over vertraging bij de avondmaaltijd, het ontbreken van roomservice en klachten over onopgemaakte bedden en
ander klein ongerief. Nu mag mijn eega hem er nog weleens ingooien, op soortgelijke momenten die kennelijk van alle tijden zijn. Maar wij runnen geen hotel. Wij beheren een appartementencomplex.


Bij gezinnen met jonge kinderen is de woonkamer vaak een combinatie
van leef- en speelruimte, waar je de benen breekt over loopfietsjes en
rondslingerende miniatuur-hulpverleningsvoertuigen. Normale gesprekken
zijn er niet te voeren omdat het kroost uitgerekend op zulke momenten
met potten en pannen het repertoire van Slagerij Van Kampen wil
nabootsen. Of slaags raakt bij een geschil over het eigendomsrecht van
een Playmobil-poppetje.


Wij hebben het bij ons thuis ook wel geprobeerd met een kinderhoekje
met Fred Flintstone-meubilair en een schoolbord. Maar vanaf het moment
dat ze zich enigermate op eigen kracht konden voortbewegen, zochten
onze nazaten de beschutting van hun eigen kamer op. Ze vonden ons te
druk. Of ergerden zich aan de klanken van terminale singer-songwriters
die de hele dag uit mijn boxen komen. Een andere verklaring heb ik zo
gauw niet.


Zelf mocht ik ook graag op mijn knapenkamertje rondhangen onder mijn
poster van een topless Bonnie St. Claire, met Albert Hammond's 'The
Free Electric Band' op mijn bakelieten pick-up en een beduimeld
exemplaar van de Bob Evers-serie in mijn hand. Maar om tv te kijken
moest ik me bij tijd en wijle toch ook in de woonkamer ophouden. Nu er
in de appartementen van ons kroost meer apparaten staan dan in een
middelgrote Mediamarkt, krijgen we ze in de regel alleen bij het
avondmaal te zien. Recentelijk is ook het gezamenlijke chocomelmoment
- rond 20.30 uur - met stroopwafel of gelijkwaardige versnapering ten
prooi gevallen aan de individualisering. Ze schenken het nog wel in
aan het aanrecht, maar vertrekken dan met de buit - daartoe kan in de
regel ook een bak chips worden gerekend - meteen weer naar boven. Bij
het efficiënt vullen van de vaatwasser moet ik tegenwoordig eerst een
rondje door het huis maken om het serviesgoed weer enigszins compleet
te krijgen, me verbijtend om het belegen 'Het is hier geen hotel' op
het puntje van mijn tong te houden.


Wat overbleef was de nostalgie van het
zaterdagavond-voor-de-buismoment - frisgewassen, in pyjama, herinner
ik me van vroeger - uit een tijdsgewricht dat nog geen zoveelste
Rambo-revival van Veronica kende.


In de geest van Sylvester Stallone houd ik me sterk, maar toch doe ik
toch nog een wankelmoedige poging hem over te halen voor X De Leeuw.


' Van alle Rambo's deugt alleen deel I', zeg ik.


- 'Die begint pas om tien uur, die mag ik niet afkijken', zegt onze
zoon praktisch.


Voor wie op tijd naar bed moet is 'Rambo III' goed genoeg om mee te beginnen.

 
     
     
     
     
  4 maart 2010  
 
 
 

 

 

Appie

Mannen in supermarkten, dat heeft altijd iets treurigs. De verveling waarmee ze over hun karretje hangen, de ergernis waarmee ze bij het schap met wasmiddelen met hun vrouw staan te bellen ('Ik zie helemaal geen Robijn Fleur en Fijn!'). Nee, dan de monterheid waarmee ik me langs de voorraden beweeg, iPhone in de linkerhand, programma opengeklikt op mijn digitale boodschappenhulp ' Appie' ('Kan ik je helpen?'), op het touchscreen producten wegstrepend die al in mijn karretje liggen of scrollen naar wat nog moet gebeuren. Zó horen mannen boodschappen te doen.


Programma's voor de Iphone heten een App (applicatie). Appie is het supermarkthulpje van een anonieme grootgrutter (ik ga hier natuurlijk geen reclame zitten maken). De naam is goed gevonden. App(ie). Appie kan boodschappenlijstjes maken, weet welke producten er in de aanbieding zijn, heeft 8000 recepten in zijn geheugen gegrift en kan met één druk op de knop alle ingrediënten voor 'penne met spruitjes, kaas en tomatensaus' of 'gestoofde groenten met zalmvissticks' op je lijstje zetten. Appie weet ook wat je de laatste drie maanden allemaal hebt gekocht en wat je het vaakst hebt ingeslagen en zet bij elk product ook nog eens een plaatje. Kom daar maar eens om, op dat beduimelde briefje dat je tot voor kort van je vrouw mee kreeg.


In mijn vorige supermarkt - nee, ik noem weer geen namen, straks denkt u nog dat het Dirkie was - gebruikte ik de Appie ook al, maar daar had ik alleen wat aan het boodschappenlijstje dat ik met de hand moest invullen. Want Appie werkt het best als je hem eerst hebt gevoerd met het nummer van je Premiekaart (straks denkt u nog dat ik Bonuskaart bedoel), die bij de kassa wordt gescand, je producten opslaat in de computer, waarna de iPhone je gegevens er dan weer af kan halen.


Rond de kilometerheffing is het nog een hele heisa, die privacybescherming. Maar wie korting kan krijgen met een Premiekaart levert zich met graagte uit aan het grootwinkelbedrijf. De mannen achter Appie weten wanneer mijn eega ongesteld is, hoeveel flessen wijn wij er in een week doorheen jagen en hoeveel vette snacks er in mijn karretje belanden. Een gemiddelde ziektekostenverzekeraar is ongetwijfeld bereid om goudgeld voor deze gegevens te betalen. Maar wij vertrouwen er blindelings op dat dit niet gebeurt. Boeven zitten alleen in de regering.


Appie weet ook steeds het dichtstbijzijnde filiaal te vinden. En aangezien mijn iPhone ook is voorzien van gps, zou het een volgende stap kunnen zijn om mijn boodschappenlijstje automatisch zo te rangschikken dat ik de hele handel precies op de goede routing door de winkel tegenkom. Maar zo blijft er altijd wel wat te wensen over.


Het was een ingrijpende stap om mijn vertrouwde supermarkt in te wisselen voor het concern dat schuilgaat achter de Appie. Maar de onhebbelijke gewoonte om met zekere regelmaat mijn eerste levensbehoeften uit het assortiment te nemen, deed hen uiteindelijk de das om. Ik spreek hier onder meer over de DropFruit-duo's, de risotto uit de reeks Wereldgerechten en, tot overmaat van ramp, de Pringles Light. Als consument laat ik niet met mij sollen.


Niet dat mijn nieuwe super ideaal is. Het ding heeft het formaat van een Ikea, maar de karretjes en de infrastructuur bij de kassa zijn die van een buurtwinkel. Bovendien zitten er in de hal minderjarigen die na het afrekenen hun hand bedelend naar je uit steken. Dat zou in een land als het onze ook niet hoeven. Maar goed, daar zal ik mij met de lokale Harry Piekema over verstaan.


Ofschoon dat misschien niet eens nodig is, omdat ik door een fietsmaat tijdens lange ritten word doorgezaagd over de zegeningen van het online winkelen. Tegen een luttel bedrag wordt alles op een afgesproken tijdstip thuisgebracht. Ik beschik inmiddels over een account, heb al virtueel rondgesnuffeld langs het assortiment maar stuit voorlopig nog op het 'njet' van mijn levenspartner die van mening is dat het enige wat ik nog doe in het huishouden niet volledig mag worden geautomatiseerd.


Eindigt dit stukje toch weer net zo treurig als het begon.

 
     
     
     
     
  25 februari 2010  
 
 
 

 

 

Coaching

Zelf vond hij dat wij ook wel wat beter hadden mogen opletten, maar een feit is dat - tien minuten nadat onze zoon naar school is vertrokken - zijn brood en pakjes drinken nog op het aanrecht staan. Geld heeft hij ook niet bij zich, noch een telefoon, want die heb ik boven op zijn bureau zien liggen. De geschokte ouders kijken elkaar aan met de mengeling van verbijstering en ongeloof die in coachingskringen sinds dinsdag de Gerard Kemkers-blik heet.


De één vergeet een buitenbocht, de ander zijn lunch. Ik weet, het zijn
onvergelijkbare grootheden, maar aan beide gaat een ogenblik van
onachtzaamheid in de begeleiding vooraf. Wij - ouders en opvoeders -
zouden daarbij van harte tekenen voor één uitglijder in de vier jaar.
Maar als 'vergeten' een dagelijks terugkerend ritueel is, moet ik u op
deze plek bij tijd en wijle lastig vallen met een evalutatiemomentje.
 

Zelf ben ik nogal gelijkmoedig (mijn vrouw meent: onverschillig) onder
de voortdurende stroom goederen die onze zoon van, naar en op school
kwijt raakt. Ik zie mezelf als het type Kemkers, dat af en toe
hoofdschuddend de handen voor de ogen slaat, of stil in een hoekje
wegzakt. Mijn echtgenote zou ik onder dit soort omstandigheden - elke
week verloren handschoenen, fietslampjes, vesten, schoolspullen en nog
zo wat van dat incourante spul - willen vergelijken met een andere
grote coach die al zoveel successen op zijn naam heeft staan, maar
zichzelf ook nog wel eens kan verliezen in momenten van
stemverheffing.
 

Juist, Louis van Gaal.
 

Mijn pleidooi voor 'berusting' wordt in de regel alleen door mijn zoon
goed opgepikt.
 

Van persberichten waarmee een plaatselijke zorginstelling ons bestookt
weet ik dat er cursussen 'Effectief omgaan met uw kind' bestaan. 'U
leert: zó conflicten oplossen dat niemand verliest, zó naar kinderen
luisteren dat zij zich begrepen voelen, zó afspraken maken dat
iedereen zich daaraan houdt en zó praten dat kinderen u begrijpen.'
Uit onderzoek blijkt dat dit leidt tot meer zelfvertrouwen bij ouder
en kind, meer begrip en geduld voor elkaar, een betere sfeer in huis,
minder conflicten en positievere gevoelens.
 

Zelf ben ik meer van het pappen en nathouden. Na enkele ogenblikken
van stilzwijgen over de vergeten lunch, gooi ik mezelf in een wat
hogere versnelling bij het naar binnen werken van mijn eigen ontbijt,
stop zijn eten en drinken in een plastic tasje en rijd hem - met een
kwartier achterstand - achterna naar school. Als ik bij de hoofdingang
stop, komt hij net de fietsenkelder uit, zijn rantsoen aanpakkend
alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Daarna krijg ik de
'ongezien snel verdwijnen'-blik, die pubers opzetten bij confrontaties
met het ouderlijk gezag op plekken die zij als hun eigen domein
beschouwen.
 

Als ik 's middags, na een dag van hard werken, thuis denk aan te
schuiven voor de warme prak, ligt de avondmaaltijd nog in de
verpakking op hetzelfde aanrecht als waarop onze nazaat 's morgens
zijn lunchpakket heeft laten liggen. Van zowel zoon als vrouw geen
spoor. Pas als ik alles zo'n beetje eettafelgereed heb, komen ze
hijgend binnen. Hij wat besmuikt kijkend, het gezicht van z'n moeder
op onweer. Van de basketbalschoenen die hij 's avonds weer voor zijn
training nodig heeft, is hij er - waarschijnlijk onderweg van school
naar huis - één kwijtgeraakt en derhalve moest er - vlak voor de
winkelsluiting - nog een nieuw paar worden aangeschaft.
 

Om ervoor te zorgen dat mijn berusting verkeerd wordt uitgelegd, heb
ik graag wat omhanden. Zwijgend zet ik mij aan het opruimen van
stroopwafelwikkels en snoeppapiertjes waarmee de favoriete tv-kijkplek
van onze zoon ligt bezaaid. Zijn 'Er vielen wat uren uit, dus was ik
al om één uur thuis', lijkt hem een afdoende verklaring voor deze
afvalberg.
 

Achter mijn rug zie ik hem de brooddoos die ik 's morgens in het zweet
mijns aanschijns heb nagebracht, heimelijk leegschudden boven de
gft-bak.
 

Heb ik toch nog even mijn Van Gaal-momentje.

 
     
     
     
     
  18 februari 2010  
 
 
   

Oma heeft het gedaan

Met de beelden van de hongerende kindertjes in Haïti nog op ons netvlies, is het goed om ook de andere kant van het voedselvraagstuk eens te belichten. De kant van de smekende armpjes waarmee mijn nichten, neven en bloedeigen kroost zich op zondagmiddag tot oma wenden, die met rode konen in de damp van haar frituurpan staat. ,,Nee oma, niet nog meer frikadellen!’’ Om na haar resolute reactie in een nieuw, nog luider gehuil uit te barsten: ,,Nee, ook geen pikanto’s!’’

Net als de commissie Davids en de commissie De Wit zijn Britse onderzoekers op zoek geweest naar de vraag: wiens schuld is het? Ze winden er geen doekjes om. Het zijn de opa’s en oma’s. Grootouders maken kleinkinderen dik. Ze verwennen ze teveel. Stoppen ze te vol met ongezonde kost. Vooral kinderen die onder het juk van oppasoma’s en -opa’s zuchten, lopen 33 procent meer kans om overgewicht te krijgen dan de nakomelingen die gewoon bij moeders thuis of onder de hoede van de crècheleidster opgroeien. Grootouders serveren vooral vetter voedsel en doen minder actieve dingen met hun kleinkinderen, concluderen de Britten.

Geen woord van gelogen. Als wij na een avondje schouwburg- of bioscoopbezoek weer thuiskwamen, troffen we onze peuters doorgaans in hun ledikantje aan met een zuurstok die genoeg kleurstof bevatte om een peloton zenboeddhisten ADHD te bezorgen. Of lurkend aan een zuigfles met nauwelijks verdunde limonade. ’Vinden ze lekker’, gaf mijn moeder - hun oma, in dit geval - dan als verklaring. Het zou - als tegenwicht voor het door haar verfoeide ’Overdaad schaadt’ - ook in latere jaren haar levensmotto worden in het contact met haar kleinkinderen. Nog een stelling: van snoep en frituur is nog nooit iemand minder geworden. Nee, dat is echt niet alleen voorbehouden aan de kleintjes. Na het wekelijkse zondagse bezoek krijgen zelfs kleinkinderen die op het punt staan zichzelf voort te planten - of er in elk geval druk voor aan het oefenen zijn - nog een rolletje Fruitella in de handen gedrukt. En wie de fout maakt om voorafgaande aan een vliegreis naar Chersonissos, Salou of een ander verderfelijk jongerenoord even bij oma langs te gaan om gedag te zeggen, ziet zich na het ontvangst nemen van het ’snoepje voor onderweg’ bij de bagageafhandeling plotseling geconfronteerd met vijf kilo overgewicht.

Het zijn niet de minsten die zich momenteel bezighouden met het tegengaan van obesitas bij minderjarigen. In het land waar het moddervette kind is uitgevonden - de Verenigde Staten - spant Michelle Obama zich hoogstpersoonlijk in om de ziekte overgewicht binnen één generatie uit te roeien. Maar ook hier is de tegenstroom reeds op gang gekomen. ’Blijf met je socialistische vingers uit mijn winkelwagentje’, zo wordt er (door oma’s) op de als betuttelend ervaren actie van de first lady gereageerd.

Zo bot zou mijn moeder het nooit gezegd hebben. Maar haar verzet tegen de heersende mores om alles met een maatje minder af te doen of malle fratsen als een glutenvrij dieet of een voedselallergie, is nauwelijks subtieler. Wie aan de lijn is, kan bij haar ongevraagd rekenen op het grootste stuk appeltaart met de meeste slagroom. Wie oppert dat een leven als vegetariër zo gek nog niet is, wordt murw gemaakt met schalen bitterballen, kipstukjes in satésaus en zelfgedraaide balletjes gehakt. En als haar enige zoon zich met ingevallen wangen meldt bij de zondagochtendkoffie, is ze in staat om op haar fiets met trapondersteuning naar Hengelo te rijden om die dr. Frank eens te vertellen hoe ze werkelijk over hem denkt.

Je moet goed (= veel) eten. Anders word je ziek. Anders bén je ziek.

En Britse onderzoekers die vinden dat oma’s verantwoordelijk zijn voor overgewicht?

Die vindt ze nog onbetrouwbaarder dan klimatologen.

 
     
     
     
     
  11 februari 2010  
 
 
   

Dank, dank, dank, dr. Frank!
 

Minder eten en meer bewegen. Ja, dat weet ik natuurlijk ook wel. Maar aan het begin van elk jaar heeft een mens toch behoefte aan een dieetgoeroe die hem over het smalle pad van matiging en zelfbeheersing door de velden des overvloeds leidt. Als zo'n beetje de laatste Nederlander kwam ik anderhalve week geleden in aanraking met Hem, dr. Frank. Zijn Woord - meer vlees en lekker veel eieren bij de groenten; zet de aardappels, het brood en de pasta even aan de kant - heeft aan dit lijf zo vol geladen inmiddels ruim drie kilo in mindering gebracht. Dank, dank, dank, dr. Frank!

 

Zo stevig als ik op allerlei deelterreinen van dit leven in mijn schoenen sta, zo labiel word ik als mensen mij iets aan de man proberen te brengen. Voor standwerkerconcoursen, huishoudbeurzen en de snuisterijbakken vol goedkope elektronica en onmisbare gereedschappen
bij Lidl en Aldi zou mij eigenlijk van overheidswege permanent een verschijningsverbod moeten worden opgelegd. Dr. Frank had, aan tafel bij 'Pauw en Witteman', maar vijf minuten nodig om mij geniepig uit de
bank te doen wegsluipen om bij Bol.com zijn bestseller 'Gezond slank met dr. Frank' aan te schaffen. 'Alvast voor je verjaardag', improviseerde ik er lustig op los, toen mijn nietsvermoedende eega het
rijk geïllustreerde boekwerk twee dagen later van zijn verpakking
ontdeed.
 

Je weet niet hoeveel ondankbaarheid er soms in een vrouw huist.
 

Als kersverse volgeling heb ik binnen mijn gezin te maken met een
aantal dr. Frank-sceptici. Zij mogen mijn nieuwe dieetgoeroe graag
wegzetten als de nieuwste hype in het rijtje Sonja Bakker, Montignac
en Robert Atkins. Daarmee wordt dr. Frank groot onrecht aangedaan. De
man is een heuse internist en vasculair (nee, ik heb ook geen idee en
was te lui om het op te zoeken) geneeskundige uit Hengelo, geen
prutser derhalve. Behalve voor veel vlees en eieren heb ik mij tot
zijn dieet bekeerd met de verzekering dat door deze overdoses eiwitten
mijn spiersterkte niet afneemt. En dat is wel zo handig, nu ik in de
voorbereiding op het nieuwe wielerseizoen weer even snel mijn
jaarlijkse tien winterkilo's kwijt moet.
 

Niet dat ik dr. Frank geheel naar de letter volg. Het is meer dat ik
in zijn geest handel. Het is me een beetje te veel gedoe, om alle
ingrediënten voor zijn recepten één voor één bij elkaar te sprokkelen.
Bij mijn wekelijkse rondgang door de supermarkt vul ik mijn karretje
vooral met plastic zakken voorgesneden Italiaanse, Oosterse of
Nederlandse roerbakgroente, die ik - na ampele bereiding - uitstort
boven borden shoarmavlees, schijven varkensrollade, moten gegrilde
zalm of in een braadzak gegaard kippetje. Bij de lunch in het
bedrijfsrestaurant van dit krantenbedrijf gooi ik wat magere
vleeswaren en hardgekookte eieren bij een bordje salade. Maar 's
morgens ontbijt ik nog steeds met muesli en 's avonds laat ik ook mijn
glaasje(s) wijn niet staan. Dat zou dr. Frank ook niet gewild hebben.
Wel heb ik - voor de buis - de buis Pringles ingeruild voor plakjes
chorizo.
 

Want bewegen doe ik natuurlijk veel meer dan de doorsnee dr.
Frank-volgeling. Bij mijn eerste serieuze mountainbikerit met een lijf
dat ruim drie kilo lichter is, voel ik mezelf - aan de rand van een
steile afdaling op het mtb-parcours in de duinen - letterlijk loskomen
van de zwaartekracht. Zo vrij als een vogeltje vlieg ik zeker een
meter of drie door de lucht, om vervolgens als de zak aardappelen die
dr. Frank mij verboden heeft weer met een klap op het aluminiumframe
van mijn fiets neer te komen.
 

Als ik een week lang moeizaam door het leven strompel met meer blauwe
plekken dan een gemiddelde Blijf van mijn lijf-huisbewoner, is dat
opnieuw koren op de molen van de gezinssceptici.
 

'Super mank met dr. Frank', smaalt mijn echtgenote.

 
     
     
     
     
  4 februari 2010  
 
 
   

Goed verhaal

Het was niet de doorsneefoto van een auto die uit het water wordt getakeld, die in het plaatselijke huis-aan-huisblad mijn aandacht trok. Nee, het waren de kleur en de belettering, die me maar al te bekend voor kwamen. Pas twee dagen later kreeg ik de kans om het te checken. 'Was dat jouw wagen, Huibert?', vroeg ik aan mijn buurman, die ogenschijnlijk twee honden en zijn kroost liep uit te laten in de groenzone aan het eind van de straat. Alleen het 'Nee hè!' van zijn zoontje verraadde zijn werkelijke bedoelingen. Hier liep een man met een goed verhaal, dat het waard was om door iedereen te worden gehoord.


Huibert ging er eens goed voor staan. 'Je weet waar ik mijn bedrijfje heb, hè, in die loods direct langs het kanaal.' Ik knikte. Zijn rode bestelwagen en die van zijn medewerker had ik er vaak genoeg zien staan. Die bewuste ochtend reed Huibert de schuine afrit naar de waterkant af - 'Vijf kilometer per uur, harder zal het niet zijn
geweest' - toen hij voelde dat de auto begon te glijden. En te glijden. En te glijden.
 

('De honden willen naar huis, pap')
 

Later hoorde hij dat de brandweer, die aan de overkant van het water
een kazerne heeft, ter hoogte van zijn bedrijf wat had staan oefenen
en - brandweermannen eigen - daarbij nogal wat water had gemorst. Die
nacht was dat opgevroren tot een ijslaag van een centimeter of twee,
waar de wielen van de bedrijfswagen van Huibert tevergeefs grip op
probeerden te krijgen. Een paar seconden maar, duurde het, voordat
twee wielen aan één kant over het kademuurtje schoven, het voertuig
even wiebelend tussen hemel en aarde op het chassis bleef hangen en
uiteindelijk met een plons op z'n kop in het kanaal terecht kwam.
 

'En daar lag ik', zegt Huibert.
 

('Kom je nou, pap?')
 

'vast in m'n riem, ondersteboven, twee meter onder water.'
 

Hij laat even een stilte vallen, maar ik kijk wel uit om hem te
onderbreken. Zelfs zoonlief is even stil, op dit cruciale moment.
Huibert grijnst: 'Mijn radio deed het nog, mijn koplampen bleven
branden en er kwam geen druppel water naar binnen.'
 

Ik stel hem niet teleur en maak de bijbehorende geluiden van ontzetting.
 

Net toen Huibert zich de cruciale vraag 'Hoe kom ik hier nu uit?' had
gesteld, begon het bestelwagentje langzaam te kantelen, maakte een
volledige draai en brak, als een opstijgende onderzeeër, met een hups
sprongetje door het wateroppervlak. Hij keek om zich heen, pakte zijn
aktetas, agenda en portemonnee - 'Alleen mijn telefoon kon ik niet
vinden' - drukte op het knopje om het raam te laten zakken - 'Ja, ook
dat werkte nog' - en klom, zich vastklampend aan de imperiaal, op het
dak van zijn auto.
 

('Pap, ik krijg het koud!')
 

Maar Huibert is nog niet klaar. Als een veldheer staat hij op het
roestvrijstalen dakgeraamte van zijn wagen, die langzaam naar het
midden van het kanaal drijft. Aan de overkant ziet hij grote beroering
bij de brandweer, waar - met de efficiency die deze beroepsgroep ook
zo eigen is - een grote ladderwagen uit de kazerne wordt gereden. Nog
geen vijftig meter hoeft het voertuig te overbruggen om de ladder over
het water richting Huibert te schuiven die, op het moment dat zijn
eigen auto net weer onder wil duiken, in het bakje bij de brandweerman
stapt.
 

'Kurkdroog was ik nog, ik had niet eens natte schoenen!'
 

Zijn zoon trekt aan zijn mouw, in de wetenschap dat na dit happy end
nog maar weinig een vertrek in de weg staat.
 

'Goed verhaal, Huibert!', zeg ik, maar dat weet mijn buurman al.
Ik sla hem op zijn schouder, stap weer op mijn fiets en zie nog net
hoe hij - dit keer door een andere wandelaar - wordt staande gehouden.
 

'Nee hè!', hoor ik zijn zoontje roepen.
 

Maar Huibert gaat er weer eens goed voor staan.

 
     
     
     
     
  28 januari 2010  
 
 
   

 

Puberen



Er zijn tal van belangwekkende onderwerpen om met je 13-jarige zoon over te discussiëren. De doelmatigheid van de hulpverlening aan Haïti. De verlenging van onze missie in Uruzgan. Het rekeningrijden, niet te vergeten. Maar koud vijf minuten nadat ik de warme echtelijke sponde heb verlaten zit ik niet te wachten op een hopeloos makende verbale strijd over de voordelen van magere yoghurtdrink (met framboossmaak)
boven halfvolle melk bij het ontbijt.


Het heeft even geduurd maar ook bij onze jongste nazaat heeft de
puberteit in al zijn hevigheid toegeslagen. Je kunt er tegenwoordig
als ouders cursussen in volgen. Of boeken over lezen. Maar omdat het
in dit stadium nog voornamelijk vermoeiend is, laten we het voorlopig
maar over ons heen komen, in de wetenschap - of is het valse hoop? -
dat het ook een keer overgaat.
 

En het kan natuurlijk zoveel erger, dan de hele dag voortdurend overal
over in discussie gaan. Experimenteren met drank en drugs, het verwaarlozen van zijn schoolwerk, het begaan van kleine, veelvoorkomende criminaliteit of met vrienden rondhangen op een plek
waar de samenleving dat liever niet heeft. Nee, als ouders kunnen we het ons niet voorstellen dat onze lieve kleine jongen zich er ooit aan te buiten gaat. Maar het ergste moet nog komen, hield Gerard Reve ons al voor.
 

Aangezien pubers er niks aan kunnen doen - het schijnt iets met hun
hersenen van doen te hebben - is de puberteit vooral een probleem van
ouders. Wij kunnen er zo moeilijk aan wennen dat bij alles wat hij
dertien jaar lang voor zoete koek heeft geslikt, opeens vraagtekens
worden geplaatst. In ons gezin mag de puberteit zelfs als een
éénouderprobleem worden aangemerkt. Aangezien ik zelf niet zo van het
handhaven ben, zie en hoor ik de meeste twistgesprekken van een
afstandje belangstellend aan. Misschien zit er nog een stukje in.
 

Mooie tweegevechten zijn het, tussen mijn wederhelft en mijn zoon.
Door de heftigheid waarmee ze elkaar verbaal te lijf gaan, zou je
haast vergeten dat het nergens over gaat. In mijn vrouw bewonder ik de
passie waarmee ze haar standpunten uiteen zet. In mijn zoon de
compromisloosheid waarmee hij op elk argument een weerwoord heeft. De
laatste tijd mag hij - ik zie in hem een strafrechtadvocaat - zich
graag bedienen van juridische scherpslijperij als hij ons ongeschreven
huishoudelijk reglement op onderdelen betwist.
 

'Is dit een regel?'
 

'Of een richtlijn?'
 

(Ik zie de verwarring op het gezicht van mijn eega.)
 

- 'Uh, een richtlijn.'
 

'Mooi, want aan een richtlijn hoef ik me niet te houden. Aan een regel wel.'
 

Mijn enige probleem met hem is momenteel dat hij - vrijwel elke
ochtend - bezwaar maakt tegen het glas melk dat ik gedienstig - het
ontbijt is mijn werk, dat is ooit zo scheefgegroeid in ons gezin -
naast zijn bakje met Kelloggs Cocopops neerzet. Maar zodra hij beneden
komt op het moment dat ik op een niet nader aan te duiden plaats het
ochtendblad tot mij neem, bedient hij zichzelf van magere yoghurtdrink
(met framboossmaak). Aangezien ik weiger te aanvaarden dat ik een
gewoontedier ben dat elke week zonder verdere onderbouwing 7,5 liter
melk van de supermarkt mee naar huis sleep, ga ik op dit punt de
strijd graag met hem aan, wat leidt tot argumentaties over:
 

De hoeveelheid suiker die er in yoghurtdrink zit.
 

('Dit is magere yoghurtdrink', weet mijn zoon.)
 

De ook anderszins ongezonde samenstelling.
 

('Het is gewoon melk met een kleurtje', meent mijn zoon.)
 

Of, mijn sterkste argument, de houdbaarheid: magere yoghurtdrink met
framboossmaak is door verhitting langer houdbaar, tot 21 juni, en mijn
7,5 liter verse halfvolle melk is op 31 januari hartstikke zuur.
 

('Waarom koop je dan zoveel melk?', zegt mijn zoon).
 

Dat is meestal het moment waarop ik hoop dat mijn 17-jarige dochter de
trap af komt en ook aan dit pubertwistgesprek een eind maakt met de
woorden:
 

'Accepteer het. En ga door met je leven.'

 
     
     
     
     
  21 januari 2010  
 
 
   

 

Graaicultuur

 

In het puberbrein zijn de hersengebieden die gevoelig zijn voor
beloningen al sterk ontwikkeld. Maar er is ook nog zoiets als de
tijdgeest. ,,Zoon, we moeten praten'', zo begin ik het
slechtnieuwsgesprek met mijn jongste nazaat. ,,De wereldwijde crisis waarin het internationale bankwezen ons heeft gestort, nopen ook mij op microniveau tot impopulaire maatregelen. Met ingang van heden is je bonus voor elk gescoord punt in een basketbalwedstrijd ingetrokken.''


In een tijd dat iedereen dacht dat financiële prikkels tot betere
prestaties leidden, stelde ook ik voor mijn zoon een premie in. Geen
bedragen waar ze in Wall Street of de Londense City steil van
achterover slaan, maar toch een waardevolle aanvulling op zijn schamele zakgeld: 50 cent voor elke bal die door zijn toedoen in het
netje gaat.


Opvoedpuristen waren er toen al als de kippen bij om deze daad te veroordelen: het zou egoïsme in zijn spel in de hand werken en ten
koste gaan van het teambelang. Zelf was ik daar niet bang voor. We praten over een tijd dat zijn basketbalspel voornamelijk bestond uit het geven van breedteballetjes, zijn layupjes altijd ergens doelloos onder de basket eindigden en zijn schot in bijna honderd procent van de gevallen de benaming 'airbal' verdiende (een bal die - behalve de
moleculen waaruit ook lucht is opgebouwd - niks raakt).


Zelfs na het invoeren van de bonusregeling gingen er halve seizoenen
voorbij dat ik nooit hoefde uit te keren. Hij bleef onder het bord
beleefd de bal aan zijn medespelers of - nog erger - zijn tegenstander
afgeven, zag het als onderdeel van zijn dienende rol om bij de rebound
aan de grond genageld te blijven staan en hield zich, kortom, bezig
met wat ik zou willen omschrijven als 'schijnbasketbal'. Hij was er in
het veld vreselijk druk mee, legde heel wat meters af, maar het leidde
tot helemaal niets.


Tot het begin van het seizoen 2009/2010.


Traditiegetrouw sjok ik pas halverwege de tweede periode van het
openingsduel tegen weer zo'n armzalig ploegje ergens uit de polder
onze thuishal in, uit angst om ook dit keer weer de hele gifbeker van
een kansloos verloren wedstrijd te moeten leegdrinken. Ik heb
collega's die zich wekelijks verheugen op weer zo'n tochtig uurtje op
een onzalig tijdstip langs een voetbalveld, om naar hun zoontje in een
kluwen blind om zich heen schoppende ventjes te kijken. Maar op mij
heeft zelfs een goedverwarmde sporthal - ik beken het met een zekere
schroom - dezelfde aantrekkingskracht als een leprozenkolonie op
Hollands next top model. Bij een vluchtige blik op het scorebord zijn
de verschillen alweer flink duidelijk, maar als ik achtereenvolgens
achter de coach en mijn zoon (even uitblazend op de bank, dat is het
mooie van basketbal: altijd twee keer zoveel spelers als er nodig
zijn) naar de tribune loop, roept de laatste met overslaande stem: 'We
staan voor!'

 

En warempel, bij nadere beschouwing van de stand is het
dit keer de thuisploeg (onze J42, de jongens onder 14 jaar) die met
twee keer zoveel punten als de tegenstander aan kop gaat. Dat blijft
zo tot aan het laatste fluitsignaal (69-36), waarop mijn jongste
nazaat triomfantelijk met de gele wedstrijdsheet komt aanlopen (dat is
het vervelende van basketbal: ze houden alles nauwkeurig bij). Of hij
even mag afrekenen: elf keer gescoord à 50 cent, maakt 5,50 euro.
 

De tweede wedstrijd loopt helemaal van een leien dakje. Hij eist de
bal op, zijn layupjes lopen opeens als een trein en zijn
schotpercentage gaat naar de zestig tot zeventig procent. Niet minder
dan zeventien keer legt hij de bal in het netje, goed voor - de snelle
rekenaars onder u weten het al - 8,50 euro. Mag ik even vangen?
Jarenlang was hij met geen stok naar de trainingen te krijgen, maar
opeens laat hij op de woensdag, donderdag en vrijdag de avondmaaltijd
schieten om bij verschillende teams aan zijn balvaardigheid te werken.
 

Hoogste tijd om de regeling met onmiddellijke ingang te herzien.
 

Bonussen zijn een besmet woord, houd ik mijn protesterende zoon voor.
 

Lees jij geen kranten? Kijk jij geen televisie?
 

In navolging van Barack Obama, Wouter Bos en Nout Wellink zou ik willen zeggen:
 

Weg met de graaicultuur!

 
     
     
     
     
  14 januari 2010  
 
 
   

 

Hunkeren

Domme vragen bestaan niet, alleen domme antwoorden, is mij altijd geleerd. Niettemin leg ik een zekere schroom in mijn stem als ik de natuurijsdeskundige om raad vraag. Hoe lang blijven geslepen schaatsen scherp? Uit de manier waarop hij mij aankijkt, blijkt dat hij de stelling in de eerste zin niet onderschrijft. ,,Dat ligt eraan, hoe lang je er sindsdien op geschaatst hebt.'' Helemaal niet, zeg ik naar waarheid. Zijn lip krult nog verder omhoog. ,,Wanneer heb je dan voor het laatst op het ijs gestaan?'' In 1997. Het respect groeit. ,,De Elfstedentocht?'' Nee, rondje Kagerplassen. Kijk, de bloedvlekken zitten nog in het leer.


Al bijna dertien jaar, zo ongeveer de periode dat gesproken wordt over
de opwarming van de aarde, ben ik in voorbereiding op mijn
eerstkomende tocht op natuurijs. Kunstijs- of krabbelbaantjes zijn aan mij niet besteed. Ik heb de ruimte nodig. Liever geen bochten. Niet te veel mensen om me heen, ook. Zachte oevers met veel riet om
geleidelijk in tot stilstand te komen. Koek-en-zopietenten met levensreddende plastic stoelen op het ijs. Hoge bruggen waarvoor ik niet hoef te bukken. En altijd wind mee.


Is dat nou te veel gevraagd?


Zijn er in die dertien jaar geen reële mogelijkheden voorbij gekomen?
Zeker wel. Bij de eerste aankondiging van vorst begin ik met de
voorbereidingen. De Vikings komen achter het luik op zolder vandaan.
De lichte roestaanslag wordt liefdevol weggeveegd met een doekje. Het
zwarte leer koesterend gestreeld. De witte veters gecheckt op rafels
en zwakke plekken.


Voorlopig komen ze niet verder dan de overloop, waar iedereen in huis
er - op weg naar de wasmachine en de droger - de nek over breekt.
Kunnen die rotdingen hier niet weg? Nee, natuurlijk niet. Pas als in
Friesland de eerste waaghalzen op het ijs staan, komen mijn schaatsen
naar omlaag. Desnoods op eigen kracht.


Zodra de landijsbaantjes in de buurt worden opengesteld voor kleuters
op dubbele ijzers, opgeschoten jeugd met hockey- en kunstschaatsen of
senioren op rondijzers, sta ik in de rij bij de betere
rijwielhandelaar om mijn Vikings te laten slijpen. Voorzien van een
bruin etiketje met mijn naam, belanden ze op een grote stapel in een
nauw gangetje naar een achterkamer, waar een zwetende ambachtsman in
een regen van vonken voor 7,50 euro per paar zijn noeste arbeid
verricht. Een dag later ben ik er helemaal klaar voor en liggen mijn
lage noren, licht ingevet, gebruiksklaar in de kofferbak van mijn
auto, naast een sporttas met thermokleding en een noodrantsoen, in
afwachting van dat ene signaal: It giet oan. Oant moan. Of woorden van
gelijke strekking.


Mijn hart gaat open als ik hoor dat mannen met prikstokken en
gerafelde stukken touw al het IJsselmeer oversteken, elkaar om beurten
uit een wrak sjorren, droog ondergoed aantrekken en voortschuifelen op
hun gekartelde ijzers, langs metershoge schotsen, vastgelopen
binnenvaartschepen en dolende kuddes Konikspaarden. Hun baarden wit
van de kwijlpegels, de huid van de wangen rood van het gestolde bloed.
'Dat wil ik ook!', roep ik naar mijn eega, om na haar nonchalante
'Nou, wat let je?' te mompelen dat ik me bij nader inzien toch maar
houd aan het KNSB-advies om te wachten totdat er overal twaalf
centimeter ligt.


Andere tochten zijn me net te kort ('op een slordig geveegd baantje
van twee kilometer kom ik onvoldoende tot mijn recht'), te ver weg
('ik moet wel voor het donker van het ijs kunnen') of komen ongelegen
('ja, ik kan hier wel tien smoezen tussen haakjes zetten, maar daar
wordt het allemaal niet geloofwaardiger op'). En de ene keer dat alles
wel op z'n plek valt, kopt deze krant dat het 'een weekeinde is om
veilig thuis te blijven'.


Eigenlijk koester ik vooral de hunkering.


Als een rayonhoofd dat zich voorbereidt op een tocht die nooit gaat komen.

 
     
     
     
     
  7 januari 2010  
 
 
 

 

 

Voorlezen
 

Zelf had ik het ook liever anders gezien. Als mijn neef met zijn Bob de Bouwer-prentenboek het voorleesrondje in de familiekring heeft gemaakt, stopt hij bij mijn stoel, strekt een mollig vingertje naar mijn iPhone en brabbelt 'Bier drinken'. Na twee tikjes op het iBeer-icoontje vult het scherm zich borrelend en schuimend met gerstenat, om langzaam weer leeg te lopen zodra hij het met glimmende oogjes als een glas aan zijn mond zet. En dan komt het mooiste, zeker voor een 2-jarige: de ver achterin de huig geproduceerde boer die zich secondenlang een weg zoekt uit het speakertje van mijn telefoon. Excuses!


Voorlezen is, hoe zeg je dat tegenwoordig, niet mijn ding. De eerste keer dat ik zelf ook kennisneem van een aan de kinderliteratuur ontsproten verhaal van een mol die op zijn kop wordt gepoept of van een kikker die het
koud heeft, kan het me nog wel boeien. Maar ergens tussen de tiende en de vijfentachtigste keer dat zo'n uitbundig geïllustreerde anekdote moet worden herhaald, verlies ik mijn belangstelling. Ga ik er dingen bij verzinnen. Het boek op z'n kop houden. En dat is geenszins de bedoeling. Alles moet precies hetzelfde, alle 85 keren achter elkaar. Daar ben ik onvoldoende op getraind. Het is bij ons thuis mijn eega die op aarde is gekomen om privé en beroepshalve aan leesbevordering te doen.


Niet willen voorlezen is een van de laatste taboes in de opvoeding. Het vergt een zekere mentale hardheid om aan zo'n aandoenlijk mannetje van nog geen twee turven hoog botweg 'nee' te verkopen als hij zich met drie kloeke boekwerken in een volle woonkamer behaagziek tegen je knieën aanschurkt. Dat was het moment dat ik hem, zoals de indianen ooit door onze voorvaderen werden gepaaid met vuurwater, het 'iBeer' op mijn iPhone als alternatief en zoenoffer aanbood. Niet één keer, niet twee keer, maar 85 keer. Want virtueel bier drinken en boeren verveelt ook nooit.


Maar na een tijdje liet ik hem zien dat mijn slimme telefoon ook You Tube-filmpjes met Kabouter Plop of de Teletubbies kan afspelen. Dat je er gitaar op kunt spelen. Hem kunt veranderen in een doosje TicTac, dat ook nog rammelt als je ermee schudt. Of in een sjoelbak. Een bowlingbaan. Een schiettent met eendjes. Een skischans. Een aansteker. Een spuitbus. Een flipperkast. Een racebaan. Een vogelgids met geluiden. Een schaakbord. Een zaklantaarn. Mastermind. Boter, kaas en eieren.


Meer dan honderdduizend (100.000!) van dit soort programmaatjes - 'Apps' geheten - zijn er inmiddels voor de iPhone te downloaden en ik weet, het pleit niet voor me, dat ik een heel eind op weg ben om ze allemaal naar binnen te slurpen. Gratis, of tegen te verwaarlozen bedragen die op jaarbasis nog behoorlijk kunnen oplopen. Voorheen mocht mijn wederhelft nog weleens kanttekeningen bij dit gedrag plaatsen, maar nu hef ik verontschuldigend mijn handen ten hemel als ik haar op het scherm een rotje laat zien waarvan het lontje spontaan tot ontbranding komt, zich sissend een weg vreet naar het kruit, met een daverende knal tot ontploffing komt en de tekst 'Happy New Year!' in beeld brengt.


'Kijk, leuk voor neef Mats.'


Of een foto van haar gezicht maak die vervolgens wordt opgebouwd in allemaal kleurige Lego-blokjes.


'Leuk voor neef Mats.'


Of mijn iPhone verander in zo'n ouderwetse draaischijftelefoon.


'Leuk voor neef Mats.'


Of in een vijver met peperdure koikarpers die alle kanten opschieten als je met je vinger het wateroppervlak laat rimpelen.


Bob de Bouwer mag dan een handige bliksem zijn. Hier kan hij met zijn gereedschapskist mooi niet tegenop.


Onbegrip is er niettemin ook.


Nee, geen kwaad woord over neef Mats. Mijn vrouw vindt mij de grote kleuter.
 

 
     
     
     
     
  Weer naar boven op deze pagina